Uncategorized


Herfst. De bladeren vallen. De kale takken komen tevoorschijn. Straks kunnen we door de bomen het bos terug zien. Tijd voor een overzicht.  Een soort van inhoudsopgave van de interessantste stukjes die in de loop van de laatste twee, drie jaren op mijn blogs zijn verschenen.

Voor mijn stukjes over de elpees van Bob Dylan volstaat deze link.

 

Southern muziekinstrumenten

De geschiedenis en toelichtingen bij muziekinstrumenten die mee de klankkleur bepalen van Americana en rootsmuziek.

slide gitaar
steel gitaar 
Dobro’s en National Guitars
Mandoline deel 1 en deel 2
banjo deel 1 en deel 2 

 

Nick Drake  

Five Leaves Left 
Bryter Layter
Françoise Hardy
postuum verschenen platen  
enkele clipjes

The Beatles of de Witte Dubbel : the Beatles in 1968, in zeven delen.
- inleiding
- Rishikesh
- John Lennon
Paul McCartney
- George Harrison
- Ringo Starr
-  de opnamen van de Witte Dubbel elpee

De hoezen van Britse Beatles elpees

De Plastic Ono Band op het Rock ‘n’ Roll Revival Festival in Toronto, 13 september 1969 

John Lennon: Rock ‘n’ Roll/Roots 

George Harrison – Delaney Bramlett 

 

Favoriete songs 

Donovan – Sunny Goodge Street
Bobbie Gentry – Ode To Billie Joe
Peter Jones – Kilkelly
The Animals – House Of the Rising Sun
The Beatles – In My Life
Leonard Cohen – Hallelujah en zo
The Rolling Stones – Wild Horses  (ook wel Gram Parsons)
Ry Cooder – Cancion Mixteca
Diversen – Delia’s Gone
Drive-By Truckers – Two Daughters and a Beautiful Wife
Glenn Campbell – Guess I’m Dumb
Gerry Rafferty – Baker Street
Peter LaFarge – The Ballad Of Ira Hayes
Favoriete platen 

David Crosby – If I Only could Remember My Name
Joni Mitchell - Hejira
Richard & Linda Thompson - Shoot Out the Lights 
Dennis Wilson Pacific Ocean Blue  en  Bambu
Emmylou Harris, Dolly Parton & Linda Ronstadt: Trio en Trio II

Voila, urenlang lees- en luistergenot voor de lange winteravonden.

Naar aanleiding van het stuk over Five Leaves Left vroeg Mie me: “Drake zou songs geschreven hebben voor Françoise Hardy? Weet jij daar meer over Peerke?” 

Zoals met zovele dingen in het leven van Nick Drake is de informatie schaars. Naar gelang de bron lopen de verhalen sterk uiteen. Volgens sommigen hadden Nick en Françoise een relatie en woonden ze maandenlang samen. Anderen menen dan weer dat hij enkel – net als zovele jongens in de jaren zestig – verliefd was op de mooie zangeres. Vast staat dat ze mekaar een paar keer hebben ontmoet.

De eerste keer was in het begin van de jaren zeventig. Producer Joe Boyd wou de acts op zijn label Witchseason wat meer bekendheid bezorgen door te trachten wat covers van hun songs te laten opnemen door bekende artiesten. Mogelijk om contractuele redenen koos hij er niet voor om simpelweg wat nummers van Fairport Convention, The Incredible String Band en Nick Drake op één elpee bij elkaar te persen. In plaats daarvan boekte hij, in juli 1970, wat studiotijd en huurde een paar sessiezangers in. Een daarvan zijn eigen vriendin, Linda Peters – die later bekend zou worden als de vrouw van Richard Thompson – en de ander Reginald Dwight. Die stond pas aan het begin van zijn carrière als Elton John en overleefde in de tussentijd door het coveren van succesvolle songs voor goedkope verzamelaars.

Er werden een honderdtal acetaten geperst en naar potentiële klanten gestuurd. Een van de weinigen die reageerden was de Franse zangeres Françoise Hardy. Ze liet Boyd weten dat ze de songs van Nick Drake prachtig vond en dat ze graag wou dat hij wat nummers voor haar zou schrijven. Er werd afgesproken dat ze haar zouden komen opzoeken in Parijs. Dat bezoek verliep echter in mineur. Aangekomen in het appartement op het Ile St. Louis trok Drake zich terug in zijn schulp. “Hij zei geen woord,” verklaart Hardy in de documentaire A Skin Too Few.
“Het was uiterst pijnlijk,” bevestigt Boyd in zijn boek White Bicycles. “Nick zat daar, met het hoofd naar beneden. Hij sipte aan zijn thee en sprak geen woord. Ik moest de pijnlijke stilte opvullen.”
Uiteindelijk werd toch overeengekomen dat hij enkele songs voor haar zou schrijven en dat ze die dan in Londen zou komen opnemen. Er werd alvast tijd geboekt in Studio Sound Techniques (de studio van geluidstechnicus John Wood, waar alle platen van Nick zijn opgenomen).

Maar dan kreeg Boyd een aanbod om voor Warner Brothers te gaan werken in Californië. Het aanbod was te mooi om te laten schieten. Hij verkocht Witchseason aan Island Records, maar liet wel uitdrukkelijk in het contract opnemen dat de platen van Nick Drake nooit uit omloop mogen worden genomen.

Een van de muzikanten die zijn ingehuurd voor de opname van de elpee van Françoise is Jerry Donahue, de gitarist bij de band van Sandy Denny, Fotheringay. Hij bevestigt dat Nick een keer naar de opnamen kwam kijken: “Toen we Françoise’s plaat aan het opnemen waren, kwam Nick Drake langs. Hij zat naast me in de controlekamer. Ik probeerde een beetje met hem te babbelen, maar de conversatie viel telkens stil. Elke keer ik hem een vraag stelde trok hij zijn wenkbrauwen op. Zijn ogen werden groter en het was alsof hij zich inspande om gepast te reageren. In de aard van ‘Ik moet hier iets doen – iemand heeft me aangesproken en een vraag gesteld. Ik zal mijn best doen om iets te antwoorden.’
Als hij dan een antwoord had gegeven, hulde hij zich terug in stilte, zodat ik me weer verplicht voelde om weer een vraag te stellen. En dan begon het weer van voor af aan. Het was bizar. Ik heb nooit iemand anders zo weten reageren. Het was niet dat hij onvriendelijk was. Je voelde gewoon dat je de man voor een probleem stelde door hem een vraag te stellen. Ik vond dat hij het erg moeilijk had met zichzelf. Je kon hem onmogelijk doorgronden, zeker bij zo een korte ontmoeting.”
Wanneer de Engelstalige plaat If You Listen begin 1972 verscheen, stonden er geen nummers op van Nick Drake. Al hangt zijn geest wel duidelijk merkbaar over de plaat, die covers bevat van Beverley Martin, Buffy Ste Marie, Randy Newman en Neil Young).

Als hij al songs voor haar had geschreven, dan had hij die zeker voor zichzelf gehouden, want in oktober 1971 nam hij zijn derde en laatste elpee op: Pink Moon. Toen ook die geruisloos verdween zakte de jongeman helemaal weg in een depressie. Hij overwoog om iets anders te gaan doen: misschien het leger of iets in computers … Uiteindelijk keerde hij terug naar het ouderlijk huis, al voelde hij zich zelfs daar een buitenstaander.

In 1974 leek het wat beter met hem te gaan. In februari en juni nam hij een handvol songs op. Al ging het nog erg moeizaam. Hij slaagde er niet meer in om tegelijkertijd te zingen en gitaar te spelen.
Begin oktober ging hij in op een uitnodiging van enkele vrienden om bij hen in Parijs te komen wonen, in een boot op de Seine.
Wanneer hij daar een paar weken was, besloot hij Françoise Hardy te gaan opzoeken. Misschien omdat zij een van de weinigen was die ooit haar waardering voor hem had uitgesproken. Maar wanneer hij aanbelde aan haar appartement herkende hij de stem aan de parlofoon niet. Hij stamelde: “Het is Nick… Nick…” en keerde op zijn stappen terug.

Begin november keerde hij terug naar huis. Hij wou er zijn Frans verbeteren en dan terugkeren. Vier weken later echter, op 24 november 1974, trof zijn moeder zijn levensloze lichaam aan, op het bed in zijn kamer. Hij is overleden aan een overdosis slaaptabletten.

Françoise Hardy sprak voor het eerst over Nick Drake met Patrick Humphries. Die citeert haar in het artikel Brief Encounter in Mojo 39 (februari 1997) “Wat mij betreft behoorde hij niet tot een bepaalde Britse strekking: zijn stijl was heel anders dan die van The Beatles, the Stones en al die andere groepen waar ik toen naar luisterde. Het is zijn ziel die spreekt in zijn song die me zo diep weet te raken – romantisch, poetisch… maar ook die verfijnde melodieën. En dan is er ook nog dat zeer speciale timbre in zijn stem, die nog meer de melancholie accentueert. Nick scheen verlegen – hij was het ook ongetwijfeld. Hij was zo in zichzelf gekeerd dat het mij achteraf enorm verbaast dat hij me twee, drie keer is komen opzoeken. Zelfs al wist hij hoe zeer ik zijn enorme talent waardeerde. Er was nooit veel communicatie tussen ons, maar ik had de indruk dat het besef dat hij werd geapprecieerd, bewonderd, hem vertrouwen gaf. En dat het gevoel dat zijn zwijgzame aanwezigheid geaccepteerd werd, was genoeg voor hem.”

De piano demo van ‘Mr. Tambourine Man’.

Af en toe kom je nog eens iets tegen waarvan je het bestaan niet eens afwist. Zo ontdekte ik, eerder toevallig deze alternatieve versie van ‘Lay, Lady, Lay’.

Deze outtake van de Nashville Skyline sessies kreeg je als bonus wanneer je Together Through Life via iTunes kocht.

 

Komkommertijd. Niets zinnigs in de kranten en alleen herhalingen op TV.
Als het weer dan tegen zit kun je misschien iets interessants vinden op het net.
Hier zijn alvast een paar dingen die ik de laatste tijd ben tegen gekomen.

If Charlie Parker Was A Gunslinger

Vreemde titel die niet onmiddellijk aangeeft wat ze te bieden hebben. Drie mannen en een vrouw plaatsen prachtige historische foto’s, veelal uit de jaren dertig tot zestig. Ze hebben ze netjes gerangschikt in een aantal, al even merkwaardige benoemde, categoriën.
Enkele voorbeelden: 
- they were collaborators (merkwaardige koppels);
- the golden age of prurience (oude filmaffiches);
- ancient voices (muzikanten uit de oude doos);
- sex education (mooie meisjes);
- soul stirrers (soul zangers);
abondoned places
- in the studio;

 

Het toonaangevende Americana en Rootstijdschrift No Depression is er jammer genoeg enkele maanden geleden mee opgehouden. Ze hebben nu hun volledige archief op het net geplaatst. Urenlang leesplezier: recensies en interviews met muzikanten als  Bob Dylan, Emmylou Harris, Wilco, Gillian Welch, Lucinda Williams of The Jayhawks.

 

The Old Weird Americana heeft zich tot doel gesteld om de Anthology of American Folk Music helemaal uit de doeken te doen. Hij is van plan om alle songs die Harry Smith heeft samengebracht op zijn invloedrijke box set één voor één na te gaan. En hij doet dat grondig. Behalve tekst en uitleg kan je er ook telkens alle mogelijke coverversies  downloaden. 

Tenslotte wat recenter luistervoer: You Ain’t No Picasso heeft een uitstekend concert van Robin Pecknold op zijn site gegooid. De Fleet Fox covert er onder andere Harry Nilsson, the Magnetic Fields, Bob Dylan, Neutral Milk Hotel en Fleetwood Mac.

Dankzij Michael Jackson en Sony Music kan muziek van the Beatles ook ingezet worden om bier te verkopen. En dat kan wel eens verfrissend zijn b ij deze temperaturen. Dus…

Het platenlabel Motown vierde zijn 25 jarig bestaan in 1983. Alle grote namen kwamen opdraven, maar het was Michael Jackson die de show stal met dit optreden. Zo herinner me ik hem het liefste: als een zeer getalenteerde zanger en danser.
Als ik me niet vergis was dit ook de eerste keer dat hij zijn moonwalk demonstreerde.

Het komt niet meer zo veel voor, maar af en toe kun je nog eens iets ontdekken. “Een deur die plots opengaat” en een heel nieuwe wereld toont.

 

Onlangs legde ik Ghost Repeater van Jeffrey Foucault nog eens op. Een prachtige cd en een van mijn favorieten van de laatste jaren. Ik las dat de cd geproducet was door Bo Ramsey. Nu had ik dat al eerder gelezen, maar er verder nooit bij nagedacht.  Ramsey kende ik natuurlijk ook als producer van Lucinda Williams‘ Essence.

Maar deze keer ging ik Bo Ramsey eens googelen. Zo kwam ik terecht bij Greg Brown, een man waar Ramsey al jaren mee samenwerkt.

Ramsey is blijkbaar zelfs getrouwd met zijn dochter: Pieta Brown. Daar kan hij moeilijk een bezwaar tegen hebben, want zelf is hij niet lang geleden getrouwd met Iris DeMent.

Soit, Greg blijkt al jaren prachtige platen te maken. Allmusic geeft ze haast allemaal vier sterren of meer. Waarom ken ik die dan niet?

Daar heb ik dus even iets aan gedaan. Over And Under, If I Had Knwon, Further In en Honey in The Lions Head blijken allemaal zeer de moeite waard.

Een uitstekend excuus om wat filmpjes te plaatsen.

Pieta Brown met Bo Ramsey brengen ‘How Many times’ van Muddy Waters.

Bo Ramsey met ‘Living In  A Cornfield’

Greg Brown met ‘Hey, Baby, Hey’

Iris DeMent met Emmylou Harris: ‘Our Town’.
Let ook even op Jerry Douglas’s lap steelspel op een dobro.  

Jeffrey Foucault met ‘One For Sorrow’

trio

 

 

Supergroepen zijn meestal geen lang leven beschoren. Wat begon als een vriendenclubje eindigt haast altijd met discussies waarbij een klein legertje advocaten elke partij vertegenwoordigt. Het komt dan ook zelden voor dat zulke groepen meer dan één plaat kunnen uitbrengen.  Trio, bestaande uit drie vooraanstaande dames uit de Amerikaanse country – en rockmiddens slaagden er in om twee platen te maken. Maar ook dat was niet zonder slag of stoot gegaan.

 

Linda Ronstadt en Emmylou Harris hadden mekaar voor het eerst ontmoet in 1973. Linda was toen een reizende ster. Ze had al een Grammy onderscheiding ontvangen voor haar hit ‘Long Long Time’. Haar LP Hand Sown… Home Grown wordt weleens aangewezen als de eerste alternatieve countryplaat van een zangeres.

Maar grotere dingen lagen in het verschiet: de Britse producer Peter Asher zou haar doorbraak forceren bij een breder publiek door haar een repertoire te laten brengen waarbij rock en countrysongs mekaar afwisselden. Met hits als ‘You’re No Good’ legde zij samen de basis voor de internationale doorbraak die in 1977 zou volgen met Simple Dreams.

 

Ook Emmylou Harris was aan het begin van haar carrière. Na een mislukte debuutplaat was de folkzangeres door ex-Byrd Chris Hillman ontdekt. Hij vroeg haar om bij zijn groep The Flying Burrito Brothers te komen spelen. Toen die groep echter al snel over kop ging, stelde hij haar voor aan Gram Parsons. De jongeman had eerst met The Byrds en daarna met diezelfde Burrito’s geprobeerd de werelden van country en rock te verzoenen. Voor zijn eerste solo-lp was hij op zoek naar een zangeres, in de traditie van Tammy Wynette en George Jones of Dolly parton naast Porter Wagoner. Ter promotie van die eerste LP GP, waren  Gram en Emmylou in de lente van 1973 op tournee met de band The Fallen Angels.

 

Het was backstage tijdens Neil Young’s Time Fades Away tour dat Chris Hillman – hij weer – de twee zangeressen aan mekaar voorstelde. “Jullie zouden goed met mekaar kunnen opschieten,” had hij gezegd.  En gelijk had hij. “Bij ons eerste gesprek bleek dat we allebei als favoriete zangeres Dolly Parton gemeen hadden,” weet Harris.

 

“Toen ik haar voor het eerst ontmoette, dacht ik: ‘Ik wel met haar zingen’,” vertelt Linda Ronstadt: “Ik zag ons al de Everly Sisters. Ze had natuurlijk al Gram om mee te zingen en dat was een fantastische combinatie. Ik weet nog dat ik tegen mijn toenmalige vriend zei: dat Emmy hoger en langer kon zingen dan ik, en luider en zachter en dat haar frasering beter was. Ze was op-en-top country–rock. Country–rock was tot dan toe mijn specialiteit, maar ze waren mij hard aan het pushen om meer de rocktoer op te gaan. En ik vond: ‘Ze doet dat zo goed, ik geef het op.’ Niemand kan tegen haar op.

Ik heb toen een keuze gemaakt. Ik besloot dat van haar muziek genieten belangrijker voor mij was dan dat ik zou vasthouden aan het idee dat ik de “queen of country–rock” was. Ik beschouwde haar als mijn zang-zus en ik wou iedere gelegenheid aangrijpen om met haar samen te kunnen zingen. En dus zongen we een duet op ‘I Can’t Help It (If I’m Still In Love With You).’ We wonnen zelfs een Grammy voor die plaat.”

 

‘I Can’t Help It (If I’m Still In Love With You)’ stond op Heart Like A Wheel, haar eerstvolgende LP, uit het najaar van 1974.

 

Dolly Parton was op dat moment al een grote ster. Samen met Tammy Wynette was zij één van de leading lady’s van de countrymuziek.

Op Pieces Of The Sky, haar eerste solo-LP na het overlijden van Gram Parsons had Emmylou een cover gebracht van ‘Coat Of Many Colors’, de grootste hit van Parton.

Om haar te bedanken coverde Dolly het volgende jaar Emmylou’s eigen ‘Boulder To Birmingham’ op de LP All I Can Do. Voor die plaat verscheen had ze Emmylou uitgenodigd om de banden te komen beluisteren. De song net voor ‘Boulder’ was daarbij ‘To Daddy’. Harris raakte niet uitgesproken over wat een prachtig nummer ze dat vond, zodat Parton het haar gaf voor haar volgende LP. Ze nam de song op 6 mei 1977 op en het werd een dikke hit op Quarter Moon In A Ten Cent Town.

 

In september 1975 zongen de drie voor het eerst samen. “Van de eerste keer dat we samen zaten wisten we dat onze stemmen mooi samen pasten, “ vertelt Emmylou, “Ik denk dat het eerste nummer ‘When I Stopped Dreaming’ was. Het klonk prachtig. Daarna namen we ‘Light Of the Stable’ op als Kerstsingle – daar kwam dan weer mijn Kerst-LP van voort. En iemand zei toen: ‘We zouden een hele plaat moeten doen.’ Iedereen was het er mee eens.”

De basis was gelegd voor een samenwerking.

 

‘Applejack’ tijdens de Dolly Parton Show in 1976

 

 

In de volgende maanden zong Dolly ook mee op ‘I Never Will Marry’ van Linda’s Simple Dreams en ‘When I Stop Dreaming’ van Emmylou’s Luxury Liner – twee albums die werden uitgebracht in 1977.

 

 

The Queenston Trio

 

Ergens in de loop van dat jaar kreeg Ronstadt een telefoontje van Harris. Ze zei dat ze Parton had uitgenodigd voor een bezoekje aan haar huis in Los Angeles. “Ik zal er zijn,” reageerde Ronstadt meteen enthousiast. Wanneer Harris die avond haar gitaar bovenhaalt, wordt het pas echt gezellig. “We begonnen samen te zingen en het klonk echt fantastisch,” vertelt Ronstadt:  “We zeiden ‘Wow, dit moeten we opnemen.’”

 

Ronstadt  legt uit dat ze nochtans een heel ander stem heeft dan Harris. “Maar ik heb zoveel met haar platen meegezongen dat ik haar heel goed kan schaduwen. Dolly kan niemand kopiëren, maar je moet je in haar geest verplaatsen en zingen zoals zij doet – met het hart. Je moet je laten meedrijven en het aanvoelen zoals zij dat doet. ”

 

In de herfst van 1977 begonnen Emmylou Harris, Dolly Parton en Linda Ronstadt aan de opnamen van een gezamenlijke LP. Ze noemden zich het Queenston Trio, naar de legendarische folkgroep het Kingston Trio.

 

Brian Ahern, Emmylou’s echtgenoot en vaste producer zou de zaak in goede banen leiden. Hij werkte zoals steeds met zijn mobiele studio: de Enactron Truck. Hiermee heeft hij alle LP’s van Emmylou opgenomen tot dan toe, gewoon bij hem thuis. De opnameapparatuur wordt opgesteld in de woonkamer en de kabels lopen over het gazon naar de oprit waar de truck staat geparkeerd. Communicatie verloopt via een gesloten TV-circuit. 

 

In 1996 legt Linda Ronstadt aan Bill Deyoung uit dat precies deze werkwijze bijgedragen heeft tot het mislukken van het project. “Ik denk dat we bijna rond waren. Maar er waren teveel problemen. Brian is een uitstekend producer, maar hij was er niet helemaal bij voor dit project. Hij communiceerde niet goed. Ik ben gewoon om te werken met iemand waar ik mee kan discussiëren. De controlekamer was in de vrachtwagen en wij zaten binnen… en er waren veel drugs in omloop in die tijd. Ik zeg niet dat wij ze namen, maar ze waren er wel. Het was een andere mentaliteit.

Het was vooral moeilijk voor Emmy om getrouwd te zijn met de producer. Soms was ze het niet met hem eens over iets, maar dan had zij had toch het gevoel dat ze zijn kant moest kiezen. Soms werd te lang over iets doorgeboomd. Het was pijnlijk, zowel voor Brian als voor Emmy.. als voor ons allemaal dat de zaak neit doorging. Maar Dolly en ik hebben de knoop doorgehakt, aan de telefoon. We vonden dat wat we hadden niet goed genoeg was. “

 

Volgens Ronstadt was uiteindelijk niet idereen genoeg betrokken bij het project en was iedereen teveel bezig met haar eigen carrière.

 

In de loop van de daaropvolgende jaren zijn sporadisch wat opnamen opgedoken op LP’s van de dames. ‘Even Cowgirls Get the Blues’ (van Rodney Crowell) bracht Emmylou op haar album Blue Kentucky Girl en op Evangeline (1981) stond hun versie van ‘Mister Sandman’, een jaren vijftig song van The Chordettes.

 

“Ik was er echt op tegen om die song te doen,” vertelt Emmylou jaren later, “en uiteindelijk kreeg ik dan ook nog het moeilijkste stuk. Er was al niet te veel melodie aan dat ding en voor de harmoniezang was er nog minder. Door de jaren heen heb ik het nummer echter leren appreciëren en respecteren, precies omdat het zo moeilijk is. Het is zoiets als Russisch leren spreken of zo.”

 

Wanneer Emmylou’s het nummer als single wil uitbrengen, stuit ze op een veto van de platenfirma van Dolly. Er zit niets anders op dan de andere stemmen weg te mixen en zelf in te zingen. Het is al die moeite waard, want het resultaat wordt een top 10 hit.
“‘Mister Sandman’ was één van de problemen,” meent Linda. “We zongen het niet gelijk. Het is geen goede versie. Ik vind haar versie oneindig veel beter.”

Een andere song, het door Dolly geschreven ‘My Blue Tears’ verscheen op Linda’s LP Get Closer (1982). “Ik heb dat speciaal gevraagd,” verklapt Ronstadt: “Dat is de richting die we uitmoesten met ons driën, volgens mij. ‘Even The Cowgirls Get The Blues’ was er ook zo een en ‘Evangeline’.  Ik herinner me dat Dolly vond dat de LP te rommelig was en ik ben het met haar eens.”

 

Een clipje uit 1981 voor ‘Mr. Sandman’ .

 

De gospel ‘Palms Of Victory’ tenslotte verschijnt pas dertig jaar later, op Emmylou’s compilatie Songbird. Het is de eerste keer dat een nummer van die sessies onopgesmukt verschijnt. “We houden allemaal van The Carter Family dus leek ‘Palms Of Victory’ een vanzelfsprekende keuze,” vertelt Emmylou daarover in het boekje.

 

 

The Twisted Sisters

 

Na die mislukte eerste poging duurt het een aantal jaren eer de dames terug met elkaar kunnen of durven samenwerken. “We waren de richting kwijt,” meent Harris. “Het was uiteen gevallen. Ik denk dat we niet terug samen durfden te komen, omdat we niet wilden dat het weer op niks zou uitdraaien.”

Bovendien had Parton haar handen vol met het uit de grond stampen van Dollyville, haar themapark in de buurt van Knoxville, Tennessee. Harris had een scheiding te verwerken en Ronstadt zat met rugklachten.

 

Het is 1984 wanneer Emmylou de eerste stap zet en de beide zangeressen naar de studio lokt. Op haar conceptalbum Ballad of Sally Rose is Dolly zowat op alle songs te horen en op één song, ‘The Sweetheart Of The Rodeo’, is het trio zowaar herenigd.

 

Het ijs is gebroken, iedereen heeft een nieuwe platenmaatschappij en de agenda’s worden naast elkaar gelegd. Er wordt een periode van drie weken gevonden wanneer iedereen beschikbaar is:  januari 1986. 

 

Het eerste probleem is het bepalen van het materiaal: welke nummers ze gaan opnemen. Linda Ronstadt: “Het probleem was dat Emmy en ik passioneel zijn over de materiaalkeuze. Dat leidde dikwijls tot situaties waarbij we met tweeën tegenover één stonden. Jammer genoeg heeft Dolly dikwijls een andere smaak; zij heeft een andere mening over wat mooi is, of indrukwekkend. Het was moeilijk voor ons om haar niet te kwetsen of het gevoel te geven dat we hipper waren of ons beter voelden. Ik denk dat ons dat goed is gelukt. We hadden geen enkele keer ruzie.”

 

“We discussieerden lang of we een rockplaat of een popplaat zouden maken,” legt Parton uit.

“We hielden alle opties open,” verklaart Ronstadt.

“Het duurde even eer we beseften dat het niet de bedoeling was om de allerbeste plaat ooit te maken,” weet Harris. “Eigenlijk  wilden we alleen maar een mooi akoestisch plaatje maken. Het was niet onze bedoeling om er een enorme popplaat van te maken. Waar we het best in zijn is samen eenvoudige, melodische liedjes zingen met een simpele akoestische begeleiding. De eer [van die beslissing] komt eigenlijk toe aan Brian [Ahern]. Hij was het die ons die richting op stuurde. Wij waren aan het discussiëren van ‘We moeten dit doen. En ‘We eten dat doen!’ En dat was waar het fout liep [bij die eerste poging]. Als je goed luistert naar deze plaat is het eigenlijk puur akoestisch.”

En dan kom je al snel uit bij de muziek uit de Apalachen: pure, meerstemmige muziek met akoestische instrumenten: gitaar, autoharp, dobro, dulcimer….. “Dat is wat we wilden,” giechelt Ronstadt: “old-timey.”

“Wat we gemeen hebben is de liefde voor die muziek,” voegt Parton daar aan toe: “We kunnen uren en uren doorgaan [met die liedjes] te zingen. We worden het nooit moe.”

 

George Massenburg wordt ingehuurd als producer. Volgens hem hielden de vrouwen de touwtjes strak in handen: “Het was hun plaat. Dit zijn drie vrouwen die de controle hebben over hun leven en carrières. Ze aanvaarden niet om het even wat als het gaat om hun muziek en waar ze staan in de wereld.”

 

Omdat er de vorige keer “teveel chiefs waren en te weinig indianen” besluiten ze nu anders te pakken. Naast de producer huren ze nog een aantal mensen in – als buffer: John Starling is “Musical Director” en Herb Pedersen “Vocal Arranger”.

“Niemand wou de rol op zich nemen om te zeggen: ‘zing jij dit’ of ‘zing jij tenor dan doe ik de basstem’,” legt Pedersen uit. “Dus was het mijn taak om naar het arrangement te luisteren en dan suggesties te doen in de aard van: ‘Misschien kan Dolly dit deel zingen, want dat past beter bij haar stembereik en dat is dan makkelijker voor Linda en Emmy kan dan de bariton zingen’. Het hing af van de melodie en de toonaard.”

 

Toen hij er bij kwam waren alle backingtracks al opgenomen. Het was puur zijn job om de samenzang te regelen.

“We namen de zang op als individuele delen,” legt Linda uit, “omdat we niet de luxe hadden om veel tijd samen door te brengen op een tour bus… en mekaars (vocale) bewegingen leren… duurt jaren.”

 

De opnamen lopen uit. In maart 1986 kondigt Harris aan dat ze bijna klaar zijn: “We moeten nog één nummer samen zingen en dan nog een a capella song. Maar misschien komen we daar niet meer aan toe…”

In mei wordt aangekondigt dat de LP herdoopt is in The Twisted Sisters.

 

Na afloop van de opnamen duurt het nog even voor het resultaat kan verschijnen. Omwille van hun drukke agenda’s is het moeilijk om tijd te vinden waarin ze zich allemaal kunnen vrijmaken voor promotie. Er is ook sprake van een gemeenschappelijke tournee, maar die komt er nooit. “Ik denk dat Dolly’s manager het geen goede carrièrezet voor haar vond,” meent Linda Ronstadt. “Het is niet aan ons om te bepalen wat zij belangrijk moet vinden. Hij overtuigde haar dat het voor haar belangrijker was om een Tv-optreden te doen.”

 

Geen tour dus, maar wel enkele afzonderlijke optredens, zoals tijdens de Country Music Association show op 13 oktober 1986. Ze brengen er ‘Dear Companion’, een nummer van Jean Ritchie. “Het is niet oud,” verklaart Ronstadt, “maar het klinkt tijdloos en heeft zijn wortels in de bergen.”

 

 

De plaat, uiteindelijk simpelweg Trio gedoopt, ligt vanaf 2 maart 1987 in de winkels – tien jaar na de eerste sessies. De kledij die de drie zangeressen op de hoesfoto dragen is speciaal voor de gelegenheid ontworpen door Manuel uit Hollywood. Het zwarte pakje dat Linda Ronstadt draagt koste maar liefst $11,000. De andere zijn iets bescheidener: dat van Dolly kostte $5,000 en het Hank Williams-achtige vest van Emmylou “slechts” $3,500.

 

De plaat wordt voorafgegaan door de eerste single, ‘To Know Him is to Love Him’ . Dat is een cover van een single van The Teddy Bears, uit 1958. Eigenlijk is het de allereerste single van Phil Spector, die het nummer ook zelf schreef, gebaseerd op het opschrift op het graf van zijn vader.

“De song kwam binnengewaaid recht in de mond van Emmylou,” verklaart Ronstadt. “Toen we het akoestisch zongen leek het net een gebed. Het paste gewoon zo goed bij haar stijl dat we het wel moesten opnemen.”

De tremologitaarsolo is van Ry Cooder.

 

Er wordt een videoclipje bij gemaakt, geregisseerd door George Lucas. De Star Wars regisseur was op dat moment de partner van  Linda Ronstadt – vandaar. Het filmpje wordt opgenomen bij Linda thuis.

 

 

De single doet het erg goed en bereikt de top van de countrylijst.

 

Voor de opvolger valt de keuze op ‘Telling Me Lies’, een prachtig nummer van Linda Thompson, de ex van Richard Thompson en een heel goede vriendin van Linda Ronstadt.

 

Hoewel de plaat totaal niet past binnen de dan heersende stromingen wordt Trio wordt een enorm succes: behalve vijf weken aan de top van de Amerikaanse countrylijst bereikt de plaat ook de zesde plaats van de gewone lijst. Voor Emmylou is het de eerste keer dat ze een platinaplaat mag ontvangen – en ook de enige keer. Verder zijn er ook nog twee Grammy onderscheidingen.

 

Precies omdat het allemaal akoestisch is gehouden is Trio een tijloze plaat die perfect vandaag zou kunnen worden uitgebracht – maar evengoed vijftig jaar geleden. Een klassieker dus.

 

‘Those Memories’ uit een TV-show in 1987

 

 

Nog een heel mooi filmpje (bijna tien minuten lang) waarbij de drie dames, om de beurt, de leadvoacls voor hun rekening nemen. En tussendoor ook nog wat uitleg geven bij hun songkeuze.

 

‘Dear Companion’, ‘Hobo’s Meditation’ en ‘Those Memories Of You’

 

Eric, Bonnie, Delaney, George

Eric, Bonnie, Delaney, George

 

Onlangs overleed Delaney Bramlett op 69 jarige leeftijd. Voor vele muziekfans zal hij een illustere onbekende zijn, maar voor diegenen die vertrouwd zijn met de fijnere details van de Beatleshistorie nam hij toch wel een bijzondere plaats in. Delaney was er namelijk verantwoordelijk voor dat George Harrison tijdens zijn solo-carrirère zo prachtig slide gitaar is gaan spelen.

 

 

 

De Amerikaanse gitarist had al zowat van alles gedaan, voor hij beroepsmuzikant werd: van katoenplukken tot het leger. Hij verdiende al een tijdje bij als sessiemuzikant, maar na zijn huwelijk met de eerste blanke Ikette (backingzangeressen van Ike Turner), Bonnie O’Farell, begon hij een eigen groep: Delaney & Bonnie. Het weet een uitstekende groep muzikanten rond zich te verzamelen met drummers Jim Gordon en Jim Keltner, bassist Carl Radle, gitarist/organist Bobby Whitlock, de blazers Bobby Keys (sax) en Jim Price (trompet) en backing zangeres Rita Coolidge.

 

Wanneer de Harrison de groep in november 1968 ziet optreden in Los Angeles is hij diep onder de indruk. Hij stelt prompt voor om hun debuutplaat Accept No Substitute, die in de Verenigde Staten door Stax is uitgebracht, in Engeland bij Apple Records onder te brengen. Peter Asher, de man verantwoordelijk voor zulke zaken bij de platenmaatschappij van The Beatles wordt naar op missie gezonden. “Maar toen hij een auditie wou afnemen om hun te tekenen viel hij in slaap,” merkt George droogjes op. “Dus besloten ze met Atlantic Records in zee te gaan.”

 

Eens terug thuis laat hij de plaat horen aan zijn goede vriend Eric Clapton. Die is er meteen helemaal weg van en vraagt de groep als voorprogramma voor de Amerikaanse tournee van Blind Faith in juni 1969.

 

In november 1969 komt de hele bende overgevlogen voor een Britse tournee. Eric Clapton heeft hen uitgenodigd om in zijn huis in Surrey te komen logeren. Meteen na hun aankomst neemt Clapton de hele bende mee, naar een sessie van de zangeres Doris Troy. George Harrison treedt op als producer.

Zoals bij vele projecten waarin de Beatles betrokken zijn is de bezetting indrukwekkend: Ringo Starr en Alan White, Billy Preston, Leon Russell, Stephen Stills, Klaus Voormann, Jackie Lomax en een jonge Peter Frampton.

Bassist Klaus Voorman verteld: “Ik zat in de studio met George voor die Doris Troy LP. Ik had een nummer geschreven: ‘So Far’ toen plots de hele band binnen kwam gevallen. Ze gingen zitten en begonnen te spleen. Dat was onze eerste ontmoeting. Ze waren fantastisch. Ze waren echt blije mensen. Ze waren net van het vliegtuig gestapt en we vroegen: ‘Willen jullie niet naar bed?’ ‘Nee, we willen spelen’. Ze vielen om van de slaap, maar ze speelden geweldig.”

 

Het eerste Britse optreden van Delaney and Bonnie vindt plaats op 1 december 1969 in de Londense Royal Albert Hall. George en Ringo gaan samen met hun vrouwen kijken. Eric Clapton staat ook op het podium, gewoon als anonieme gitarist.

Achteraf gaat George de groep feliciteren in de kleedkamer. Daarbij vraagt hij aan Delaney of hij ook mee mag. Die heeft natuurlijk geen bezwaar. “Kom me morgen dan maar oppikken,” roept de Beatle nog.

 

Wanneer ze de volgende dag bij George langsrijden blijkt dat hij het meende.

“We reden naar zijn huis,” verteld Delaney ” en zijn materiaal stond al buiten. Hij was er klaar voor. Ik klopte op de deur en hij zei: ‘ik pak nog een paar spullen en we zijn weg.’ Ik denk dat [George's vrouw] Patti het maar niks vond – dat George met een stelletje hillbillies op stap ging (lacht). Maar ze was vriendelijk genoeg. Hij zei alleen maar: ‘Ik ga op tournee. Ik weet niet hoe lang we weg zijn’.

Wat hij nog even was gaan halen was een cadeautje voor mij. Hij zei: ‘Ik heb hier iets dat ik je wil geven, omwille van gisterenavond.’ Hij gaf me een handgemaakte gitaar van Leo Fender, een Rosewood Telecaster. Een uniek exemplaar.“

 

Die avond speelt George in de Colston Hall in Briston, als één van de friends uit de begeleidingsgroep van Delaney & Bonnie. Hij is echter nauwelijks herkenbaar, met erg lang haar en baard, achteraan staande tussen de andere muzikanten. “Het was goed dat haast niemand wist dat ik er was,” meende George achteraf. “De mensen kwamen om Delaney and Bonnie te zien – sommigen wisten dat Eric Clapton mee speelde. Ik deed gewoon mee voor de lol. Ik bleef achteraan staan en hoefde niemand te zijn. Dat was echt fijn. Zelfs achteraan bij The Beatles stond ik altijd in de schijnwerpers. We konden ons niet verbergen achter een paar blazers.”

 

Het is een package tour, waarbij ze iedere avond twee shows spelen. De band staat daarbij telkens 40 minuten op het podium.

 

De volgende avond staan ze in de Town Hall in Birmingham. Het is daar dat George, met enige hulp van Delaney Bramlett en Dave Mason slide gitaar leert spelen. “Later vertelde hij dat ik hem geleerd heb om slide te spelen,” minimaliseert Delaney het gebeuren achteraf, “Hij heeft dat wel verklaard – maar ik heb hem niks geleerd. George kon al spelen, hij wou alleen mijn techniek kennen: wat ik er van kende en hoe ik dat deed. Ik leerde hem alleen mijn manier van spelen.”

 

Na afloop van het Britse luik trekken zowel George als Eric ook mee naar Scandinavië voor het vervolg van de tournee. Omdat Dave Mason niet mee kon naar Scandinavië springt George in voor de slidegitaarsolo voor ‘Coming Home’.

 

Rond een piano in een kleedkamer in Kopenhagen wordt ook de basis gelegd voor de grootse solohit uit de carrière van George Harrison.

“George vroeg me hoe je een gospelnummer schrijft,” verteld Billy Preston. “Dus toonde ik hem wat akkoorden. Delaney en Bonnie begonnen prompt te zingen: ‘Oh, my Lord, Hallelujah’. George pikte dat op en schreef de strofen.”

Het vormt de aanzet voor ‘My Sweet Lord’.

 

‘Coming Home’

Volgende Pagina »