1. Leonard Cohen :: You Want It darker
  2. Lucinda Williams :: The Ghosts of Highway 20
  3. Nick Cave :: Skeleton Tree
  4. Mad about Mountains :: Radio Harlaz
  5. Michael Kiwanuka :: Love & Hate
  6. Jan Swerts :: Schaduwland
  7. Peter Broderick :: Grunewald
  8. Gregory Alan Isakov :: Gregory Alan Isakov with the Colorado Symphony
  9. Dungen :: Häxan
  10. Robert Ellis :: Robert Ellis
  1. Ryley Walker :: Golden Sings That Have Been Sung
  2. Melanie De Biasio :: Blackened Cities
  3. Agnes Obel :: Citizen of Glass
  4. Dylan LeBlanc :: Cautionary Tale
  5. Cam Penner :: Sex and Politics
  6. Paul Simon :: Stranger to Stranger
  7. Het zesde metaal:: Calais
  8. Radiohead :: A Moon Shaped Pool
  9. Sturgill  Simpson :: A Sailor’s Guide to Earth
  10. Wilco :: Schmilco

Buiten categorie en uit diep respect :

  • Leonard Cohen : “You Want It Darker“ en voor al het moois dat hij ons heeft gegeven!
  • Toots Thielemans : Voor alles!
  • Glenn Frey : Voor alles!

 

Voor altijd en altijd een aparte plaats :

  • Bob Dylan : Nobelprijs voor Literatuur 2016 en “Fallen Angels“

Eindelijk Bob!!! En ja, dit is literatuur en wel goeie ook!

Het nieuw album : voor mij zeker niet te veel van hetzelfde want het is net weer anders, luister maar goed.

Chapeau en wederom een diepe buiging!

 

De anderen :

  1. Lucinda Williams : “The Ghosts Of Highway 20“

Waarom kan een album uit 2016 niet naast de grote klassiekers allertijden staan?

Voor mij is dit zo’n plaat, jawel!!!

Zo’n plaat die ik als enige mee zou nemen naar een onbewoond eiland.

Alles op dit album is van zo’n hoog niveau, ze heeft mij volledig gegrepen.

Het is ook zo’n mooie bloemlezing van wat het leven is met raakpunten voor mezelf.

Kortom, Briljant!!!

102137

Om haar status te staven staat er verder geen ander album in m’n top 10

             11)  Ben Bedford : “The Pilot And The Flying Machine“

              12)  Joe Purdy : “Who Will Be Next?“

              13)  Van Morisson : “Keep Me Singing“

              14)  Christian Kjellvander : “A Village : Natural Light“

              15)  Melanie De Biasio : “Blackened Cities“

              16)  Astronaute : “Petrichor“

              17)  Dylan LeBlanc : “Cautionary Tale“

              18)  Mad About Mountains : “Radio Harlaz“

              19)  Marlon Williams : “Marlon Williams“

              20)  Brent Cobb : “Shine On Rainy Day“

 

              21)  Hayes Carll :  “Lovers and Leavers“

              22)  Mark Erelli : “For A Song“

              23)  Richmond Fontaine : “You Can’t Go Back If There’s Nothing To Go Back To ”

              24)  Jan Swerts : “Schaduwland“

              25)  Ryley Walker : “Golden Sings That Have Been Sung“

              26)  Otis Gibbs : “Mount Renraw“

              27)  Tony Joe White : “Rain Crow“

              28)  Malcolm Holcombe : “Another Black Hole“

              29)  Sarah Jarosz : “Undercurrent“

              30)  Richard Shindell : “Careless“

              31)  Levi Parham : “These American Blues“

              32)  Matt Harlan & Rachel Jones : “In The Dark“

              33)  Eric Bibb & North Country Far with Danny Thompson : 

                      “The Happiest Man In The World“

              34)  Robert Ellis : “Robert Ellis“

              35)  Wilco : “Schmilco“

 Zo, van deze albums heb ik genoten in 2016.

Benieuwd wat 2017 zal brengen.

 Leo

Naar jaarlijkse traditie vind je hier het lijstje van mijn vriend Leo. Dit jaar is hij er eerst mee klaar.  Kijk en geniet:

Jaarlijstje 2015

Buiten categorie :

Bob Dylan : “Shadows In The Night”
Wat de man hier van heeft gemaakt is gewoonweg hemels. Alle songs tot de essentie terug gebracht. Gewoonweg country van het hoogste niveau mede mogelijk gemaakt door zijn uitzonderlijke goede stem en een uitstekende band.
Chapeau en een diepe buiging.
Je hebt Bob Dylan en je hebt de anderen.

De anderen:

  1. Patty Griffin : “Servant Of Love”
    D
    it album van deze grote, jammer genoeg minder bekende, dame is van uitzonderlijke hoge klasse. Muzikaal heel speciaal en anders dan de anderen. De ene mooie song na de andere. Je denkt nu heb ik de beste song gehad maar dan volgt er weer een volgend juweeltje. De cd smaakt als het lekkerste broodje : perfect gebakken songs als “Servant Of Love” en “Shine A Different Way” met daar tussen een fantastisch smakend beleg van songs van heel hoog niveau.

2.Jeffrey Foucault : “Salt As Wolves”
Dit album bevat boordevol muziek zoals die eigenlijk moet worden gemaakt:  subtiele pracht, back to basic en de muzikale ziel blootleggend. Muziek recht uit het oprechte hart. En dan niet te vergeten wat hij recentelijk ook als producer voor o.a. Hayward Williams, John Statz en Caitlin Canty heeft gepresteerd. Dit was ‘de’ cd die mij gezelschap heeft gehouden tijdens mijn herstelperiode.
Waarom wordt deze prachtmuziek toch zo weinig opgepikt? Ik snap het echt niet. Grote Meneer, die Jeffrey.

3. Bony King : “Wild Flowers”
Belgische Americana van wereldklasse, punt uit. Wat Bram hier allemaal laat horen zijn songs die voor mij eeuwig in mijn muzikale hart staan gegrift. Wereld, verdomme, luister hier toch eens naar! Dan zullen jullie eindelijk moeten toegeven wat voor een briljant Vlaanderen in huis heeft. Waarom wordt hij nog niets eens vermeld bij de MIA’s en andere overzichten? Bony is King en verdient heel veel beter. “Wild Flowers”, wat ruiken ze heerlijk!

4. John Statz : “Tulsa”
5.Peter Case : “HWY 62”
6.
Dave Rawlings Machine : “Nashville Obsolete”
7. Richard Thompson : “Still”
8. James McMurtry : “Complicated Game”
9. Gretchen Peters : “Blackbirds”
10. Daniël Romano : “If I’ve Only One Time Askin’”

Nog te vermelden :

  • The Decemberists : “What A Terrible World, What A Beautiful World”
  • Jimmy Lafave : “The Night Tribe”
  • Danny Schmidt : “Owls”
  • Amanda Pearcy : “An Offering”
  • Nathan Bell : “I Don’t Do This For Love, I Do This For Love”
  • Boudewijn De Groot : “Achter Glas”
  • HT Roberts : “Old Light”
  • Gurf Morlix : “Eatin’ At Me”
  • Rod Picott : “Fortune”
  • Justin Townes Earle : “Absent Fathers” and “Single Mothers” (2014)
  • John Moreland : “High On Tulsa Heat”
  • Eilen Jewell : “Sundown Over Ghost Town”
  • Caitlin Canty : “Reckless Skyline”
  • Douglas Firs : “The Long Answer Is No”
  • Darrell Scott : “Songs Of Ben Bullington Woods”
  • Iris DeMent : “The Trackless Woods”
  • Steve Earle : “Terraplane”
  • Joe Ely : “Panhandle Rambler”
  • John Wort Hannam : “Love Lives On”
  • Don Henley : “Cass Country”
  • Ryan Bingham : “Fear And Saturday Night”
  • Allison Moorer : “Down To Believing”
  • Emmylou Harris & Rodney Crowell : “The Traveling Kind”
  • James Taylor : “Before This World”
  • Jason Isbell : “Something More Than Free”

Voilà, van deze albums heb ik genoten in 2015.

Op naar 2016.

Leo

 

Opgenomen:

25 en 26 september en 2 oktober 1984 in Hog Hill Mill Studio, Icklesham, East Sussex

Begin april tot einde mei 1985 in Hog Hill Mill Studio, Icklesham, East Sussex

Einde september tot 6 december 1985 in Hog Hill Mill Studio, Icklesham, East Sussex

Uitgebracht:

18 november 1985: ‘Spies Like Us’ op gelijknamige single en maxi-single.

14 juli 1986: ‘It’s Not True’ en ‘Hanglide’ op single en maxisingle van ‘Press’

1 september 1986: op de elpee/CD Press To Play:

‘Stranglehold’, ‘Good Times Coming/Feel The Sun’, ‘Talk More Talk’, ‘Footprints’, ‘Only Love Remains’, ‘Press’, ‘Pretty Little Head’, ‘Move Over Busker’, ‘Angry’, ‘However Absurd’

27 oktober 1986: ‘Write Away’ op Britse single en maxisingle van ‘Pretty Little Head’

24 november 1986: ‘Simple As That op de Britse benefiet-cd The Anti-Heroin Project: It’s A Live-In World

1 december 1986: ‘Tough on a Tightrope’ op single en maxisingle van ‘Only Love Remains’

5 juni 1989: ‘We Got Married’ op de elpee/CD Flowers in the Dirt

28 april 1997: op de cd-single ‘Young Boy’ (enkel in het VK)

Een nieuwe studio

In februari 1982 kocht Paul een 18de eeuwse windmolen in Hogg Hill, in Icklesham, East Sussex, op vijf kilometer van Waterfalls, zijn nieuwe, zelfontworpen huis in Peasmarsh. De molen is 1790 in gebruik genomen en bleef draaien tot 1920. Paul laat het woonhuis naast de molen verbouwen tot opnamestudio.

Hog Hill Mill wordt ingewijd in september 1984. Voor de eerste sessie heeft Paul Pink Floyd gitarist David Gilmour uitgenodigd, samen met Fairport Convention drummer Dave Mattacks. Op toetsen is David Foster, een Canadees die op zijn 16de al meespeelde in de band van Chuck Berry, maar sinds begin van de jaren tachtig aan de kost komt als producer van The Tubes en Boz Scaggs.

In drie dagen zet het viertal evenveel songs op band. Eerst staat ‘I Love This House’ op het programma. Het is een tamelijk acurate beschrijving van het oude huis van de McCartney’s, in Rye: ‘Hot in the summer, rattling windows, teeth and knees, perfect place for cat and mouse, but I never mind, I love this house.’

Volgens Foster is het nieuwe huis echter niet veel luxueuzer: ‘Ze leefden spartaans: in de leefruimte stond er enkel een zetel en een TV – dat was het. Een heel gewoon huis… behalve dan die schilderijen van Picasso.’

De volgende dag werken ze aan ‘We Got Married’ – zowel tekstueel als muzikaal een van Pauls beste songs. Het is geïnspireerd door iets wat John hem verklapte over toen hij pas samen was met Cynthia. ‘Zoiets had ik nog nooit gehoord: vrijen in de namiddag. Ik was 16 en erg naïef. En zij waren kunststudenten.’

Het nummer zal pas vier jaar later worden afgewerkt met een trompetsolo van Guy Barker en verschijnt dan op Flowers in the Dirt. ‘I Love This House’ moet nog veel langer in het archief blijven. Pas in 1997 staat het op de Britse CD single ‘Young Boy’.

De laatste song, ‘Lindiana’, is nog steeds niet officieel uitgebracht.

Een maand later blikt Paul tevreden terug: ‘David [Foster] wou met me werken. We hebben een try-out gedaan en dat was dik in orde. We deden drie tracks. Het zit er dus dik in dat we de samenwerking volgend jaar verder zetten.’

Maar daar komt niets van in huis. In ’98 licht Foster een tip van de sluier: ‘Paul McCartney was enorm. Mijn favoriete Beatle zelfs. Toen ik de kans kreeg om hem te producen, twijfelde ik geen moment. Jammer genoeg zat ik net in een donkere periode. Er ging van alles mis. Ik zat niet goed in mijn vel. Ik had ook geen goed gevoel over mijn bijdrage. Ik verwachte zowat dat we deel twee van ‘The Long and Winding Road’ zouden schrijven.’

Het blijkt inderdaad dat Foster op een breekpunt zit. Hij kiest er resoluut voor om de rock ‘n’ roll achter zich te laten en zich voortaan toe te leggen op mainstream artiesten als Chicago, Kenny Loggins, Whitney Houston en Celine Dion. Rolling Stone bestempelt hem in 1985 als de ‘meester in de bombastische pop kitsch’. Maar het legt hem geen windeieren en bovendien prijken er nu 15 Grammy’s in zijn kast.

Een nieuw geluid

De korte sessie met Foster geeft al aan dat McCartney op zoek is naar een nieuwe producer voor zijn volgende elpee. George Martin, de producer van zijn laatste drie platen, heeft laten weten dat het voor hem niet meer hoeft. “Het was erg plezierig’, verklaart hij in juni 1984, ‘maar ik denk dat we allebei andere dingen willen doen.” Hij voegt er terloops nog aan toe gek te worden van Pauls perfectionisme.

Bovendien heeft Paul, met de soundtrackelpee voor Give My Regards to Broad Street , voldaan aan zijn contract met Columbia/CBS. Hij is vrij om een nieuwe verdeler te zoeken voor het Noord-Amerikaanse continent. Daarom wil hij voor zijn volgende album een andere muzikale koers varen en is op zoek naar een nieuw geluid.

Tijdens een diner ter gelegenheid van de jaarlijkse Buddy Holly Week in september 1984, polst Martin bij Eric Stewart of die interesse heeft om in zijn voetsporen te treden. ‘Ik vind dat je Paul moet helpen bij zijn volgende plaat,’ herinnert de gitarist van 10cc zich het gesprek. ‘Ik heb andere plannen. Het is even genoeg geweest voor mij en ik denk voor Paul ook. We hebben twee geweldige platen gemaakt, Tug of War/Pipes of Peace, maar nu is het tijd voor een nieuwe invalshoek.’ Ik zei: Maar Paul heeft me niets gevraagd. Hij vroeg: ‘Heb je interesse?’ en ik zei: Ja.’

Wanneer Paul wat later voorstelt om samen wat songs te schrijven, gaat Eric daar graag op in. Ze spreken af in Waterfall. Al is het pas november, het wintert al stevig en er ligt een flink pak sneeuw. Wanneer hij het huis tussen de bomen nadert, valt het de zanger op hoe mooi de omgeving is.

‘Ik kwam binnen en zei: ‘Het is prachtig buiten. Echt prachtig, met dat zonnetje er bij.’ [Paul] zei: ‘Fantastisch en begon meteen te zingen. “It’s beautiful outside …” Neem een pen en schrijf op. Binnen een paar minuten hadden we een nummer klaar. Zo eenvoudig kan het soms zijn.’ Dat eerste nummer was ‘Footprints’ – een van de hoogtepunten van de plaat.

Hugh Padgham

In januari 1985 heeft Paul verschillende ontmoetingen met producer Hugh Padgham. Padgham is misschien wel DE man achter de uitvergrote drumsound die het geluid van de jaren tachtig zo heeft bepaald. Als geluidstechnicus voor de opnamen van Peter Gabriels derde solo-elpee, bedacht hij (samen met producer Steve Lillywhite) de klank tijdens het werken met Phil Collins.

Padgham toont zich aanvankelijk enthousiast. ‘Onlangs hoorde ik een nummer van McCartney op de radio en dacht: Paul zou wat meer moeten rocken. Een paar dagen later kreeg ik een telefoontje van [zijn manager] Stephen Shrimpton. We zaten een paar keer rond de tafel […] De songs die Paul me liet horen waren sowieso al steviger.

Zijn nieuwe studio is fantastisch – op en top in orde. Er zijn ramen, waardoor je naar buiten kan kijken tijdens het werk – erg ongewoon is dat. Bovendien zit je vlak aan zee. Ik was er van maandag tot vrijdag, aan het werk van 11 tot 20 uur, tot halfweg 1985.’

Jaren later – nadat de plaat is geflopt – vertelt hij een heel ander verhaal: ‘Toen [Paul] of iemand anders me een cassette liet brengen, was ik in de studio bezig met Phil Collins of zo. Ik ging vol ongeduld naar huis om die cassette met demo’s te beluisteren die hij gemaakt had met Eric Stewart van 10cc en ik kan je nu wel verklappen dat ik, in alle eerlijkheid, niet omver geblazen werd toen ik die songs hoorde. […] Ik denk dat hij in een mindere periode zat. Het verbaasde me, vooral omdat Eric Stewart echt wel één van mijn helden was.’

De producer durft echter McCartney en Stewart hierop niet aan te spreken.

‘Ik dacht: wacht even, hoe kan ik, als 28-jarige, beslissen of de songs die Paul McCartney me gegeven heeft niet indrukwekkend zijn? Het moet aan mij liggen dat ik niet echt songs zie in wat ik daar hoor: twee mannen die op akoestische gitaren zitten rond een kampvuur.’

De opnamen beginnen in april 1985.

Op aan raden van Padgham neemt Peter Gabriels vaste drummer Jerry Marotta plaats achter het drumstel. Paul en Eric nemen de rest van de instrumenten voor hun rekening: gitaren, bas en toetsen.

Het begint veelbelovend: het venijnige ‘Stranglehold’ rockt een eind weg, met Paul en Eric op akoestische gitaren en Jerry op allerhande percussie. Paul is zo tevreden dat hij die avond naar Stewarts huis belt en diens vrouw opdraagt: ‘Zeg maar tegen die vent van jou dat hij goed bezig is.‘

McCartney schuwt het experiment niet. Om iedereen wat uit zijn comfortzone te halen, experimenteren ze al eens door ongebruikelijke instrumenten te hanteren. Paul kruipt achter het drumstel, Eric speelt toetsen en Jerry vibrafoon. Uit die jam ontstaat ‘Pretty Little Head’.

De basistrack van ‘Talk More Talk’ staat in één dag op band. ‘De tekst is samengesteld uit fragmenten van een interview met Tom Waits. Fantastische uitspraken als “I don’t actually like sitting-down music”. Er zit een 12-snarige gitaar in de mix en vertraagde en versnelde stemopnamen die dingen zeggen als “All he wants is a handyman; all he wants is quick service” en “I hear water going through the pipes”. Fantastisch!’

Maar al snel blijkt dat het niet echt klikt tussen het trio.

Padgham: ‘Eric Stewart en ik kwamen niet overeen.’

Eric had gehoopt dat hij niet alleen de songs mocht helpen schrijven en opnemen, maar ook dat hij de plaat mocht producen, dat hij de songs mocht sturen. Dat bleek niet het geval. Hij is het dan ook vaak niet eens met de werkwijze van de jonge producer, die al te vaak zijn trukendoos bovenhaalt en alles verzuipt onder laag na laag productionele kunstjes: zwaar aangezette drums, lagen synthesizers, percussie…   Stewart ziet het met lede ogen aan.

Ook Paul voelt zich hoe langer hoe minder betrokken. Aan biograaf Sounes vertelt Padgham hoe Macca regelmatig voor een paar uur verdwijnt of in de studio liever praat over wat hij de vorige avond op TV heeft gezien dan over het werk waar ze mee bezig zijn.

Wanneer, zoals afgesproken, in juni de opnamen een tijdje worden stilgelegd, omdat Padgham aan de slag moet met Genesis, is de pauze voor alle betrokkenen erg welkom.

Live Aid

Op 13 juli vindt in het Wembley Stadium een benefietconcert plaats voor 72 000 toeschouwers: Band Aid. Het is een initiatief van Bob Geldof ten behoeve van hongerend Africa. Alle groten uit de muziekwereld komen er spelenDavid Bowie, Queen en U2. The Who en Led Zeppelin, die al jaren niet meer samen hebben gespeeld, komen voor de gelegenheid weer samen. Tegelijk vindt in het JFK Stadium in Philadelphia, Pennsylvania een gelijkaardig concert plaats, met Amerikaanse artiesten als Madonna, The Beach Boys, Bob Dylan, …

1,5 miljard mensen over de hele wereld volgen de uitzendingen op radio en TV.

Geldof heeft Paul, per brief, gevraagd om het concert in Londen af te sluiten met ‘Let It Be’. ‘Ik vraag het je niet als de man McCartney, maar als het fenomeen McCartney. Miljoenen mensen die anders niet zouden kijken, zullen dan wel kijken.’

Het is inmiddels immers zes jaar geleden dat Paul nog op een podium heeft gestaan en een hele generatie muziekliefhebbers heeft nog nooit een Beatlesnummer horen uitvoeren door een Beatle. ‘Als jij er staat, zal iedereen in tranen zijn’, meent Geldof.

Aan zo’n smeekbede kan niemand weerstaan. Paul laat dan ook weten dat hij het wel wil doen. Meer zelfs: hij heeft er geen bezwaar tegen dat Geldof ook Harrison en Starr uitnodigt.

Harrison zet echter meteen een domper op de vreugde: ‘Tien jaar geleden vroeg hij me ook niet om te zingen op ‘Let It Be’. Dan zal hij het nu ook wel zonder mij kunnen.’

Maar Bob dringt aan en George begint te twijfelen. Er zijn gesprekken met Ringo en Paul en zelfs Julian Lennon wordt er bij betrokken. Wanneer iemand de mogelijkheid tot een Beatlesreünie lekt naar de pers, is dat echter meteen einde verhaal.

Het optreden zelf valt zwaar tegen. Op de bewuste avond is er, vlak voor Paul op moet, een korte regenbui – erg welkom voor het publiek op deze snikhete dag. Maar wanneer Paul begint te zingen, blijkt zijn microfoon het te hebben begeven. Paul doet dapper door en gelukkig neemt het publiek het over.

Spies Like Us

Na een onderbreking van meer dan drie maanden, worden de opnamen met Padgham hervat op 1 oktober 1985.

Paul is zelf echter al enkele dagen eerder begonnen. Regisseur John Landis heeft hem gevraagd om het titelnummer te schrijven voor de Amerikaanse film Spies Like Us, een koude oorlog komedie met Chevy Chase, Dan Aykroyd en Donna Dixon. Landis zelf meent dat de film erg A Hard Day’s Night–achtig is en wil daarom graag een Beatlesachtig nummer.Wie kun je hiervoor beter contacteren dan één van de Fab Four zelf?

Na een ruwe versie van de film te hebben bekeken componeert Paul snel ‘Spies Like Us’, dat hij eind september op vier avonden opneemt. Paul speelt alle instrumenten zelf (bas, gitaar en drums), aangevuld met Eddie Rayner (Split Enz) op toetsen. Voor het inzingen van de backing vocals doet hij beroep op Linda, Eric Stewart, zijn nicht Kate Robbins en Ruby James (van Spandau Ballet).

Hoewel Hugh Padgham assisteert bij de productie, laat Paul topproducer Phil Ramone even overkomen voor de eindmix. Die neemt 8 uur in beslag, waarna Ramone snel het vliegtuig terug neemt naar New York om er de opnamen van Julian Lennons tweede elpee in goede banen te leiden.

‘Spies Like Us’ moet snel klaar zijn, want op 9 oktober komen Landis en de twee hoofdrolspelers naar Londen om er in de Abbey Road Studio een clipje op te nemen. Paul speelt daarbij opnieuw alle instrumenten, terwijl de beide acteurs doen alsof. Dat gegeven is echter reden genoeg voor de vakbond om bezwaar aan te tekenen: de Amerikanen zijn immers geen lid van de Britse muzikantenvereniging en het clipje mag daarom niet in Engeland worden vertoond.

Na sinds 1979 bij Columbia Records te zijn ondergebracht, tekent Paul, op 29 oktober 1985 een contract met Capitol Records dat voortaan zijn elpees zal uitbrengen in Noord Amerika en Canada. De grote baas van de platenmaatschappij, Bhaskar Menon, heeft de deal zelf geregeld. Hij toont zich vol vertrouwen: ‘Ik heb geen idee of die platen bij Columbia goed hebben verkocht, maar we hebben het hier wel over een van de grootste muzikale genieën. We twijfelen er niet aan dat hij nog een enorme carrière voor zich heeft, waarin heel belangstelling voor bestaat.’

Het akkoord houdt o.a. in dat de CBS elpees Back To The Egg, McCartney II en Tug Of War vanaf 1 januari 1986 overgaan naar Capitol Records. Pipes Of Peace en Give My Regards To Broad Street volgen twee jaar later.

Het eerste resultaat van dat contract verschijnt op 18 november: ‘Spies Like Us’. Op de b-kant staat een oude nummertje uit de Venus and Mars sessies: ’My Carnival’. De trouwe Maccafan kan meteen zijn spaarvarkentje aan diggelen slaan, wanneer hij alle versie in huis wil halen. Naast de single is er een 12” waarop een lange mix (7:10) door John Potoker, een DJ version (3:46) en een remix door Art of Noise die aangeduid staat als ‘Spies Like Us’ (Alternative Mix – Known To His Friends As “Tom”).

Bovendien zijn er ook nog zogenaamde picture discs van zowel de single als de maxisingle.

Die Art of Noise mix is het gevolg van een samenwerking met Anne Dudley, een van de leden van de band. Zij is door Paul gevraagd om de arrangementen te verzorgen van enkele songs op Press To Play. Samen met de andere bandleden JJ Jeczalik en Gary Langan, mocht ze zich uitleven op de track, in het gezelschap van Paul en Linda, tijdens ‘een zeer experimentele sessie’.

Geholpen door de aandacht voor de film, die twee weken later in de bioscopen draait, schiet ‘Spies Like Us’ door tot in de top 10 van Billboard, met als hoogste notering: 7. Het is meteen de laatste keer dat zoiets gebeurd met een nummer van Paul McCartney… tot 2015.

In Engeland doet de single het iets minder: 13.

Toch toont Paul zich achteraf niet erg tevreden met de single want hij schittert door afwezigheid op alle door hem samengestelde compilaties. Het nummers is enkel terug te vinden als bonustrack bij de cd heruitgave van Press To Play in 1993.

Mogelijk schaamt hij zich wat over erg zwakke tekst: “Ooh, ooh, whadda you do? / No one else can dance like you / So what’s all the fuss? / Ain’t nobody got spies like us.”

Press To Play – deel 2

Eens de ‘Spies Like Us’ klus achter de rug gaat alle aandacht opnieuw naar Press To Play. Er wordt af en aan doorgewerkt tot begin december.

Tijdens deze tweede reeks sessies worden vooral de bestaande opnamen afgewerkt. Daarvoor zijn een paar gastmuzikanten aangetrokken. Paul zelf koos voor Eddie Rayner, toetsenspeler bij de Nieuw Zeelandse band Split Enz.

‘Ik verbleef zo’n drie weken bij Paul’, vertelt Rayner, ‘met Phil Collins, Pete Townsend , Carlos Alomar en Eric Stewart. Het was fantastisch: al die grote namen en ik. Ik had genoeg vertrouwen in mijn kunnen om me muzikaal met hen te meten. Ik geeft toe het was wel… hoe zal ik het zeggen, intimiderend. Die mensen leven in een andere wereld dan ik.’

De producer stelt voor om er Carlos Alomar bij te halen. De Bowie-gitarist vertelt in zijn biografie Dancing with the Big Boys over de ontmoeting met de ex-Beatle: ‘Ik volgde hem door de gang en plots stonden we in de hemel. Het eerste wat me opviel was Pauls klassieke Hofner bas en daarnaast zag ik de Vox versterkers van The Beatles. Ik kon mijn ogen niet geloven. Door de enorme beglaasde schuifdeuren zagen we al die klassieke, authentieke, originele gitaren, bassen en versterkers staan: iconen van Paul McCartney’s muzikale odyssee. Ik moest het allemaal even in mij opnemen: hemels.’

Voor ze beginnen te werken, nodigt Paul de gitarist uit om even wat te ontspannen in de zitruimte boven. ‘Paul rolde de grootste joint die ik ooit had gezien. We rookten wat en wisselden verhalen uit. Paul hing aan mijn lippen toen ik vertelde over mijn tijd bij Chuck Berry, Wilson Picket, James Brown, the O’Jays, the Main Ingredient en talloze achterzaaltjes in het “Chittlin’ Circuit”. Op zijn beurt beantwoorde hij graag elke vraag over mijn favoriete elpees Revolver en Rubber Soul en had het over gurus en Transcendente Meditatie.

Na een paar uur, stelde ik voor: zouden we niet eens aan het werk gaan? Daar ben ik tenslotte voor gekomen. We daalden af naar de studio van Hog Hill om er mijn favorite nummer van de plaat op te nemen: de titelsong ‘Press to Play’.’

Hij voegt er nog aan toe dat hij helemaal vrij was om te spelen wat en hoe hij het wou.

Ook Nick Glennie-Smith komt er via Padgham, De man speelt toetsen bij Cliff Richard.

Een van de hoogtepunten van de elpee is het slotnummer: ‘However Absurd’. Hoewel hij tot dan toe steeds heeft vermeden om Beatlesque songs op te nemen, vraagt de surrealistische tekst om een psychedelische aanpak. ‘Er zit iets ‘Walrus’-achtig in dat nummer’, legt Paul uit. ‘Een stijl die ik ken en waar ik van hou. De tekst is wat bizar, maar toch zit er een logica in. De verklaring zit in het midden: “’Something special between us… Words wouldn’t get my feelings through.” Dat verwijst naar The Prophet van Kahlil Gibran, waar een regel in staat die mij en John altijd heeft aangesproken: “Half of what I say is meaningless, but I say it just to reach you”.’

Als contrast met de baseffecten en de synthesizerklanken wil Paul graag een echt orkest. Voor het arrangement roept hij de hulp in van Anne Dudley. Aan het tijdschrift Q licht ze toe: ‘Ik werkte voor het eerst met Paul McCartney voor ‘No More Lonely Nights’, waarop ik synthesizer speelde. Later vroeg hij me om wat arrangementen te doen voor Press To Play. Ik was uiterst nerveus.

Het is moeilijk voor iemand zoals hij, om constant te worden aanzien als een levende legende. Maar hij is het gewoon en stelt je op je gemak. Eigenlijk kwam het er op neer dat ik mocht doen wat ik wou. Voor ‘However Absurd’, [dat we] in Abbey Road [opnamen], was de tekst nogal speciaal en het strijkersarrangement moest ook surreel klinken. Dus breekt het orkest door en speelt zomaar een kleine symfonie aan het einde. Enkele leden van het orkest hadden nog meegewerkt aan Abbey Road en Sgt. Pepper, dus ze waren al wat gewoon met dat chaotische stuk in ‘A Day In The Life’.’

Naast het afwerken van de bestaande songs, staan er ook enkele nieuwe nummers op het programma: ‘Hanglide’, ‘Only Love Remains’ en ‘Angry’.

Voor dat laatste doet Paul beroep op twee mensen die hij backstage heeft ontmoet op Live Aid: Phil Collins en Pete Townsend.

‘De backing track zijn Phil, Pete en ik – een fijne ritmesectie, niet?’, meent Paul. ‘Ik bleef contact houden met Pete na ‘Rockestra’ en Live Aid.. . Er zit een bepaalde riff in en telkens ik dat speelde voelde ik me net Pete Townshend!… In twee uur tijden hadden we het op band staan. Best wel snel is dat tegenwoordig.. .Wat me boos maakt is de houding van de toenmalige Britse premier Margareth Thatcher ten opzichte van de zwarte bevolking in Zuid Afrika. Dat soort dingen. Niet wat iemand vindt van mijn platen.’

Nochtans ziet mede-auteur Stewart dat anders. ‘Toen ik op een ochtend arriveerde, zei ik tegen [Paul]: Je ziet er gespannen uit. Hij antwoordde: ‘Ja, ik ben verdomd boos.’ Ik vroeg: wat scheelt er? Hij zei: ‘De pers. Lees dit eens [Houdt een krant omhoog] Wat geeft hen verdomme het recht me te vertellen hoe ik mijn leven moet leiden?’ Ik riep: ‘Fantastisch. Schrijf dat op: ‘What the hell gives you the right to tell me what to do with my life? … En we hadden meteen het begin van ‘Angry’.’

Voor de ballad ‘Only Love Remains’ vraagt Paul Tony Visconti om een arrangement te schrijven voor groot orkest. Hij staat er op om alles volledig live op te nemen: de band samen met het orkest.

Tekstueel is het de zoveelste ode aan vrouwtje Linda.

Dat er echter ook wel eens ‘trouble at the mill’ kan zijn, kan men afleiden aan de tekst van een ander nieuw nummer. ‘I’m often accused of giving too little/It’s got me confused, I’m split down the middle/Conflicting reviews of our life coming in/It’s tough on a tightrope’.

In een interview met Kurt Lodger, gepubliceerd in voor Rolling Stone, in september 1986, legt Paul uit: ‘Wel, we hebben goed tijden gekend en mindere periodes. We waren verliefd en dan weer niet – we hebben alles al meegemaakt. Het is zeker niet zo idyllisch als het er uit ziet. Het is een echt huwelijk, geloof me – net zo echt als elke ander huwelijk. De basis is dat we van mekaar houden en wat meer is: we zijn ook vrienden. Het klinkt melig, maar het is zo.’

Misschien spelen die onderhuidse spanningen wel mee, bij een uitbarsting in de studio.

Eric meent dat Paul een bepaalde passage beter nog eens opnieuw inzingt. Paul is het daarmee niet eens en vraagt Hugh om zijn mening. ‘Ik weet het niet. Ik zorg voor de klank, Eric is de muzikant.’

Dat antwoord zint Paul niet: ‘Maar wat vind jij?’

Wanneer Padgham mompelt ‘Het kan beter’, haalt Paul scherp uit: ‘Hugh, wanneer heb jij nog een nummer 1 hit geschreven?’

Ijselijke stilte.

Zowat een week na het voorval laat hij aan Paul weten dat het voor hem niet meer hoeft. ‘Het gaat niet meer. Doe jij maar verder. Ik kom mijn gitaren oppikken… er komt toch alleen maar ruzie van.’

Na vijf jaar komt er een einde aan de samenwerking van Paul en Eric.

Post-productie

In februari 1986 werkt Paul de opnamen af: het zogenaamde post-productie werk. In die periode neemt hij ook ‘Simple As That’ op, voor een benefiet-elpee. Hij wordt daarbij geholpen door zijn kinderen Mary, Stella en James.

Tussen 14 en 18 april kunnen de tracks eindelijk worden afgemixt. Dat gebeurt in de Londense A.I.R. Studios.

Press To Play verschijnt in september 1986. De critici reageren erg enthousiast. Zo stelt John McReady in NME: ‘De dapperste swinger van de stad knutselt met wat technologie in zijn tuinhuis, om er een paar van zijn allerbeste melodieën in lange tijd mee te op te leuken of op te ruwen. Als het werkt, zoals op het geploijste ‘Press’ of ‘Footprints’ staat de rest van de wereld met open mond te kijken.’

Maar de wereld kijkt de andere kant uit. Er is iets gekanteld, in de drie jaar sinds zijn laatste studioplaat. . Niemand lijkt nog geïnteresseerd in Paul McCartney. De mega-hits met Michael Jackson en Stevie Wonder lijken opeens passé. Door het nochtans geniale kikkerlied en de geflopte egotripperige film Give My Regards To Broadstreet is in de publieke perceptie aan de verkeerde kant van de lijn beland. Paul McCartney is niet meer interessant.

Een 8ste plaats als piek, tijdens een kortstondig verblijf in de Britse hitlijst is het resultaat. In de Verenigde Staten haalt de plaat zelfs geen goud en strandt op een 30ste plaats.

Ook de singles slaan niet aan.

De smaakmaker, het gladde up-tempo nummer ‘Press’, beroerde nog net de hitlijsten, toen het in juli verscheen, met op de b-kant de uitstekende outtake ‘It’s Not True’. De hoogste notering: een 21ste plaats in de Verenigde Staten en een 25ste in het thuisland. Ronduit teleurstellend. En toch zijn veel betere resulaten dan wat volgt.

De opvolgers ‘Pretty Little Head’ en ‘Only Love Remains’ komen zelfs niet in de hitlijsten terecht, ondanks sterke exclusieve b-kanten.

Opvallend is dat Paul geen enkele single laat verschijnen in een mix van Padgham. De sessies hebben een warnge smaak achtergelaten in de mond van alle betrokkenen. Hoewel Paul en Eric tot op vandaag vrienden zijn gebleven, is de samenwerking niet geworden wat zij er van verwacht hadden.

Ook Padgham toont zich achteraf teleurgesteld. ‘Paul McCartney begon me serieus op de zenuwen te werken. Na zowat een jaar samen in de studio, dag na dag, staat hij niet meer op een voetstuk, zoals bij aanvang.’

Hoewel de plaat bol staat van eigenzinnige, puntige popsongs klinken, door het overdadig gebruik van synthesizers en de digitale opnametechniek de opnamen steriel en missen de organische estetiek van analoge opnamen.

Onlangs vroeg me iemand om een toelichting bij een passage uit mijn boek Bob Dylan in de studio. In het hoofdstuk over The Times They Are A-Changin’ staat er:

Dat Dylan met het titelnummer slaagt in zijn opzet om een klassieker te schrijven, kan misschien wel het best worden geïllustreerd met het feit dat Boudewijn de Groot de ‘andere tijden’ boodschap in elk van zijn elpees is blijven verwerken.

Voor wie niet zo goed vertrouwd is met het repertoire van de Nederlandse zanger, is dit misschien wat raadselachtig. Daarom even een overzicht.

Op de titelloze debuutelpee (later opnieuw uitgebracht als Apocalyps) uit 1965, staat een cover van de bedoelde song van Bob Dylan, onder de titel ‘Er komen andere tijden’.
Lennaert Nijgh vertaalde “Then you better start swimmin’/ Or you’ll sink like a stone / For the times they are a-changin’ in ‘En wie niet wil verzuipen / is wijs als hij zwemt / want er komen andere tijden.

Op Voor de Overlevenden, uit 1966, wordt de boodschap in ‘Ze zijn niet meer als toen’ hernomen als: ‘Er is gezegd: er komen andere tijden / er is gevochten voor een nieuw fatsoen’.

Het hek is van de dam, want op de derde elpee Picknick (1967) zijn er maar liefst twee verwijzingen naar de uitdrukking.

In ‘De tuin der lusten’ klinkt het: ‘De tijden veranderen sneller dan ooit / vandaag kan al gisteren wezen’.

En in ‘Megaton’: ‘En in andere tijden vergeet ik mezelf’.

Daarna wil Boudewijn zich losmaken van zijn vaste tekstleverancier om nieuwe wegen in te slaan. Noch op de conceptplaat Nacht en ontij (1968) noch op het handvol Engelstalige singles vind ik een verwijzing naar de ‘andere tijden’.

Wanneer de samenwerking echter in 1973 wordt hervat voor Hoe sterk is de eenzame fietser, zinht hij in ‘Het Spaarne’: ‘Het water gaat / wat blijft is de rivier. / En wat er ook voor andere tijden komen / hij stroomt voorbij en blijft toch altijd hier.’

Waar ik woon en wie ik ben uit 1975, is opnieuw een poging een eigen weg te zoeken. De quote ontbreekt weer.

Voor Van een afstand, in 1980 levert Lennaert opnieuw enkele teksten. Maar het is Henny Vrienten die ‘Er kunnen andere tijden komen / dat blijf ik steeds geloven’ parafraseert voor ‘Zonder jou’.

Op Maalstroom in 1984 is het opnieuw de vertrouwde tekstleverancier die in ‘Vlucht in de werkelijkheid’ de regel ‘Komen er weer andere tijden / en waar moet ik dan naartoe?’ weet te verwerken.

Het sluitstuk van Een nieuwe herfst wordt in 1996 gevormd door het apocalyptische ‘De engel is gekomen’, waarin de regel: ‘Er breken andere tijden aan / de engel is gekomen’.

In 2002 is er zelfs een tournee onder het motto Andere Tijden.

Na het overlijden van Lennaert Nijgh moet Boudewijn de Groot noodgedwongen zelf aan de slag. ‘Nu jij niet meer kunt schrijven / moet ik het zelf maar leren: / er komen andere tijden. / Iets anders weet ik niet’ verzucht hij in
‘De blauwe uren’ op Het eiland in de verte (2004).

Op Lage landen (2007) ontbreekt weer elke verwijzing.

In 2013-14 neemt Boudewijn afscheid van zijn publiek met een tournee, waarin ook het nieuwe nummer ‘Het is mooi geweest’. Daarin klinkt het: ‘Zelfs mijn lief was niet in staat / mijn doffe wanhoop te verzachten / Dit bedoelde ik niet toen ik ooit zong / ‘er komen andere tijden’’.

Benieuwd of op zijn in april te verschijnen nieuwe album Achter glas, opnieuw een verwijzing is te vinden.

Overigens zou ik best wel een Boudewijn de Groot in de studio willen lezen. Wie voelt zich geroepen om het te schrijven?

Give_My_Regards_to_Broad_Street_(poster)

Kant 1: ‘No More Lonely Nights’, ‘Good Day Sunshine/Corridor Music’, Yesterday’, ‘Here, There And Everywhere’, ‘Wanderlust’, ‘Ballroom Dancing’, ’Silly Love Songs’
Kant 2: ’Silly Love Songs (Reprise)’, ‘Not Such A Bad Boy’, ’So Bad’, ‘No Values’, ‘For No One’, ‘Eleanor Rigby/ Eleanor’s Dream’, ‘Long And Winding Road’, ‘No More Lonely Nights’, ‘Good Night Princess’

Opnamen: december 1982 en januari en april 1983 en in juli 1984

The Long and Winding Road

Wanneer Paul in 1984 aankondigt dat hij een film heeft gedraaid, komt dat idee niet uit de lucht vallen. Natuurlijk hebben The Beatles al geacteerd in een aantal films (met wisselend succes) en hebben ze met Magical Mystery Tour een dappere poging ondernomen om er zelf één te maken (zonder succes).

Wings is nauwelijks van de grond gekomen, wanneer hij voor het eerst met het idee speelt. Voor het optreden in het Concertgebouw van Den Haag, op 21 augustus 1971, is een professionele filmcrew ingehuurd. Bedoeling is om een film van 50 minuten te maken: The Bruce McMouse Show. De merkwaardige titel verwijst naar de stukjes tekenfilm die tussen de concertfragmenten zijn verweven. Het animatiegedeelte gaat over een muizenkoppel Bruce en Yvonne dat onder het podium woont met hun drie kinderen Soily, Swooney en Swat. De regie is in handen van Barry Chattington en Eric Wylam staat in voor de tekenfilm, op basis van schetsen van Paul zelf.
Hoewel er twee jaar aan het project is gewerkt, wordt de afgewerkte film nooit vertoond, omdat Paul niet tevreden is over het resultaat. Zowat het enige tastbare resultaat van het hele project is het hard rockende nummer ‘Soily’, dat tijdens de wereldtournee van 1975-76 als bisnummer wordt gebracht.

Na afloop van die tournee, heeft Paul gesprekken met Gene Roddenberry, producer van Star Trek, over een mogelijke samenwerking aan een science fiction musical, met Paul als een buitenaardse rockster en de leden van Wings als zichzelf. Misschien is dit de aanleiding voor de hoes van Back To The Egg, waarop de leden van Wings van uit een ruimtetuig neerkijken op de aardbol?
De opnamen zouden beginnen in januari 1977, maar wanneer Paramount beslist om een nieuwe reeks van Star Trek te gaan filmen, verdwijnt het plan in de kast.

In de zomer van 1978, pikt Paul het idee om een film te maken weer op. Hij contacteert de Britse schrijver Willy Russell. De auteur is, net als Paul, afkomstig uit Liverpool. Als jongen van 13-14 heeft hij een tachtigtal optredens van The Beatles in The Cavern meegepikt. Zijn doorbraak kwam er zelfs met een verhaal over een vijfde Beatle: John, Paul, George, Ringo and Bert.

Willy Russell (door Paul consequent aangesproken als Woolly Rissole) brengt een week door met de band, tijdens de repetities in Schotland. ‘Ik werd uitgenodigd door Paul’, vertelt hij, ‘omdat Paul een film wou maken met Wings. Ik zou het script schrijven.. […] Ik vroeg of hij me wat teksten kon leveren en hij gaf me een lange beschrijving van [Back To The Egg] en de teksten van alle songs.’

Op kosten van Paul mag Willy, met zijn vaste schrijfpartner Mike Ockrent, een maand doorbrengen op een tropisch eiland om er in alle rust het script te schrijven. In oktober leggen ze Band On The Run voor. Het is niet helemaal wat Paul verwachtte. Hij stelt heel wat aanpassingen voor.

Een paar weken later worden de beide schrijvers op het matje geroepen, bij Macca thuis, in Sussex. ‘Het was vreselijk,’ verklapt Russell, ‘Hij had het vreselijk druk met het een of ander… Ik denk dat we wel zeven of acht uur zaten te wachten voor hij ons ontving. En dan volgde een zeer vluchtig gesprek.’
Paul heeft er David Puttnam bijgehaald, de Britse filmproducent die net heeft gescoord met Midnight Express. Die heeft zo’n verregaande kritiek op het script, dat de beide auteurs vermoeden dat hij hen buitenspel wil zetten om zelf het zaakje over te nemen. ‘Hij deed erg neerbuigend.’

Russell is dan ook erg verrast wanneer Paul hem wat later uitnodigt om aanwezig te zijn bij een persconferentie voor een optreden van Wings in Liverpool. ‘Ik wil de film aankondigen’, zegt Paul enthousiast. ‘Maar’, zucht Russell ‘Niemand vraagt iets over de film en dus zegt Paul er ook niets over. Het is het klassieke promopraatje: “Fantastisch om weer in Liverpool te zijn”.’
Toch verzekert Paul hem achteraf, dat ze na afloop van de tournee, zullen beginnen filmen. Over budgetten of voorbereidingen wordt echter niet gerept.

Maar dan wordt Paul opgepakt in Japan en dooft Wings uit. En daarmee ook het filmproject Band on the Run. ‘Dat had ook geen zin meer’, geeft Russell toe. ‘Het script was geschreven rond de notie van een bestaande band, specifiek geënt op mensen als Linda en Denny Laine. Zonder Wings was het gewoon overbodig.’ Hij vindt het vooral jammer voor Linda: ‘We zagen haar als het hart van de band. Het beeld dat de pers van haar had opgehangen stond zo ver af van de werkelijkheid. Ik denk dat de film haar imago ten goede zou zijn gekomen.’

Zoals Willy Russell al had voorzien, komt David Puttnam nu beter in beeld. Hij stelt een nieuw concept voor: een anti-oorlogsfilm, met de songs van Tug of War als basis. Voor het schrijven van het scenario wordt de hulp ingeroepen van Tom Stoppard. Die heeft dan vooral ervaring met het maken van TV-films, maar zal later doorbreken met het schrijven van de kaskraker Shakespeare in Love.

Opnieuw is Paul echter niet echt tevreden. ‘Als het idee van iemand anders komt, ligt het anders dan wanneer je het zelf hebt bedacht’. Dus besluit hij, dat hij het best allemaal zelf kan doen. ‘Ik zat in een verkeersopstopping en verveelde me. […] Ik dacht: ik zal het zelf wel schrijven.’

Het uitgangspunt is een verhaal dat Chris Thomas hem had verteld tijdens de opnamen van de laatste Wings elpee. Chris was in dei periode ook producer van The Sex Pistols. Toen Never Mind the Bollocks klaar was, had iemand van de platenfirma het klaargespeeld om de mastertapes kwijt te raken. Pas na lang zoeken werden de banden ergens weer gevonden.
Paul maakt het nog wat dramatischer door zijn hoofdfiguur slechts 24 uur de tijd te geven om de banden te vinden. Daarna gaat zijn zaak over in de handen van een zakenman.

Na bemiddeling van David Puttnam wordt regisseur Peter Webb bereid gevonden om de film te draaien. De man heeft niet veel meer op zijn palmares dan enkele afleveringen van wat soaps. Pauls manager ziet het grootser en weet hem te overtuigen dat de film in de bisocoop moet worden vertoond. Om het grotere budget (£1,5 mio) dat daavoor nodig is te verantwoorden, dringt Webb aan op het gebruik van songs die al bekend zijn bij het grote publiek (of is dit een excuus omdat het Paul niet lukt om nieuwe songs te schrijven?). Vandaar dat hij enkele klassiekers uit zijn tijd bij The Beatles in een nieuw jasje steekt.
Paul speelt zelf de hoofdrol, met naast hem Ringo Starr en diens vrouw Barbara, Tracy Ullman en Ralph Richardson (die de rol van Pauls vader Jim op zich neemt).

George Martin staat in voor de productie van de filmmuziek. Uit zijn bijdragen aan de catalogus van Beatlessongs kiest Paul er vier (!) uit Revolver, plus – merkwaardig genoeg – ‘The Long And Winding Road’. Daarnaast zijn er nog wat outtakes: ‘Fool On The Hill’, ‘Hey Jude’ en ‘Martha My Dear’.
Verder bewerkt Paul nog enkele songs uit zijn meest recente plaat, Tug of War: ‘Wanderlust’, ‘Ballroom Dancing’ en ‘So Bad’. De remake van ‘Band On The Run’ belandt echter in het archief.

***

Camera

De filmopnamen beginnen op 8 november 1982 in West Wycombe Park. Eerst worden de dramatische scenes vastgelegd. Daarbij is een lang stuk rond ‘Eleonor Rigby’, gesitueerd in het Victoriaanse tijdperk.

Aansluitend volgen de eerste muzieksessies. Paul staat er op dat alle songs live opgenomen worden, voor het oog van de camera. Om te voorkomen dat zoiets veel te lang zou aanslepen, staat Martin er op dat vooraf, in de studio, een backing track wordt opgenomen, waarover de mzuikanten dan live hun partijen spelen. Een techniek die hij bij The Beatles ook al had toegepast voor de live uitvoering van ‘All You Need Is Love’ voor een miljoenenpubliek op TV.

De muzikanten zijn weer met zorg gekozen. McCartney zegt hierover: ‘George Martin en ik meenden: waarom niet voor de top gaan? Mensen waarnaar ik zelf graag luister en waarmee ik altijd al heb willen werken.’ Daarbij horen blijkbaar twee uitstekende gitaristen: Dave Edmunds en Chris Spedding.
‘Ik was me er van bewust dat het toch wel speciaal was’, verklapt die laatste. ‘Omdat het om materiaal voor Say Goodbye To Broadstreet [sic] ging, had hij George Martin en Geoff Emerick ingehuurd. De mensen dus die de opnamen van The Beatles hadden verzorgd. De drummer was Ringo Starr, de bassist Paul McCartney en overal waar ik keek was er wel iemand die iets met The Beatles had te maken gehad. Ik dacht: ik kan doen alsof ik George Harrison ben (lacht). […] Ik had het gevoel dat ik bij The Beatles speelde!’

Naast dat viertal zijn er ook nog twee dames: de percussioniste Jody Linscott (van de band Kokomo) en Linda McCartney op toetsen.

Er staan twee nieuwe songs op het menu – allebei rockers: ‘Not Such A Bad Boy’ en ‘No Values’.
‘No Values’ schreef Paul aan het einde van de jaren zeventig. Of beter: het kwam tot hem in een droom. ‘Ik droomde dat ik bij The Rolling Stones was,’ vertelt Paul hierover. ‘Ze waren er allemaal: Mick, Bill, Charlie, Keith, met Mick vooraan. Toen ik wakker werd, dacht ik: Dat was een goed nummer. Maar onmiddellijk daarna dacht ik: He, The Rolling Stones hebben geen nummer dat ‘No Values’ heet. Mijn brein had het voor me gecreerd. Dus dacht ik: Nu is het er dus wel: een nieuw nummer dat ‘No Values’ heet. Maar verklap het niet aan Mick, want anders wil hij vast delen in de auteursrechten.’
Eens het echte werk er op zit, wordt er nog urenlang ontspannen gejamd, op allerhande oude rocksongs.

Na zeven weken wordt een pauze ingelast, voor de eindejaarsfeesten.

De opnamen worden verder gezet vanaf begin januari in de Elstree filmstudios. Dit keer wordt er 13 weken gewerkt, tot begin mei. Deze periode betreft vooral de muziekscenes, waaronder die voor de enige remake van een nummer van Wings: ‘Silly Love Songs’. Hiervoor doet Paul beroep op enkele leden van Toto.
‘We hadden Paul ontmoet tijdens de opname voor Thriller’, verklapt Steve Lukather. ‘Paul had toen Jeff en mezelf uitgenodigd om mee te spelen in zijn film. Hetgeen hij er niet bij had verteld, was dat we een al die makeup en rommel moesten dragen. Maar ja, het was best wel grappig. Toen we zagen dat hij het ook zo uitgedost was, dachten we: wat oké is voor Paul McCartney, is ook oké voor ons.’

‘Als je een tijdje in deze business zit, ben je niet meer zo snel onder de indruk van een grote naam‘, gaat Lukather verder. ‘Maar wanneer Paul McCartney binnen stapt, denk je: Wow! Zowel hijzelf als Linda waren echter zeer beminnelijk. Zij was fantastisch: grappig, slim, zichzelf. Een prachtmens.
Ik kon mijn ogen niet geloven, toen ik op de mellotron mocht spelen die was gebruikt voor ‘Strawberry Fields’. Ik testte de riff uit, in het bijzijn van Paul en ik dacht: Man, als dit maar goed gaat. Ik vroeg aan Linda of hij het erg vond, maar zij zei van niet. Dus probeerde ik het en hij lachtte en begon verhalen uit zijn Beatlestijd te vertellen. Dat brak het ijs en we speelden urenlang liedjes van The Beatles met Paul!’

In april wordt gefilmd in de Royal Albert Hall en het Broadcasting House, het Londense hoofdkwartier van de BBC. Voor het eerst in de filmgeschiedenis worden hiervoor twee opnameapparaten met elk 24-sporen gelijktijdig gebruikt. Op het ene wordt de vooraf opgenomen muziek afgespeeld, terwijl op het andere de live uitvoering wordt vastgelegd.

Chris Spedding en Dave Edmunds zijn opnieuw van de partij voor een remake van ‘Ballroom Dancing’ van Tug of War. Omdat Paul piano speelt, is er een bassist nodig. De keuze valt op John Paul Jones van Led Zeppelin. De blazerssectie is volledig live.

Ringo voelt zich niet op zijn gemak met het idee om nieuwe versies van Beatlesklassiekers op te nemen. ‘Ringo was er niet blij mee’, geeft Paul toe. Er waren enkele nummers in de film, waarbij hij achter het drumstel moest zitten, maar hij zag dat niet zitten. Ergens begrijp ik hem wel. Hij had niet graag dat er vergeleken zou worden: drumt hij nu beter dan toen? Of net niet?
Ik zie het anders. Ik bekijk het nummer. Het zijn mijn nummers. Ik wil me niet verstoppen voor iets dat ik vroeger schreef.’

Dus is Ringo wel te zien tijdens een scene met ‘Yesterday’ en ’Here There and Everywhere’, maar speelt hij enkel mee bij ‘Wanderlust’. De drie nummers hebben een nieuw arrangement voor blazers. Die zijn geselecteerd uit het Philip Jones Ensemble. Philip Jones is overigens ook te horen op trompet, op de oorspronkelijke Beatles versies van zowel ‘Strawberry Fields Forever’ als ‘Penny Laine’.


‘Yesterday’/’Here There and Everywhere’/’Wanderlust’

Ringo is er dus ook niet bij voor ‘For No One’ of ‘Eleanor Rigby’. Die zijn beiden gearrangeerd voor akoestische gitaar (Paul), hoorn (Jeff Bryant) en strijkers (door het Gabrielli String Quartet).

Buitenopnamen tenslotte vinden plaats in juli. Daarbij zit een scene, opgenomen met verborgen camera, waarbij Paul vermomd als straatmuzikant ’s ochtendsvroeg aan de uitgang van het metrostation Leicester Square ‘Yesterday’ speelt. ‘Een paar mensen kwamen dichterbij’, lacht Paul, ‘Ze keken me vreemd aan Zoiets van: “Ben jij niet Paul McCartney?” Ik zei: Nee hoor. Yesterday, jinga jinga, all my troubles seemed so far away, jinga jinga.

Verder wordt er gedraaid aan het treinstation van Broad Street en voor het kantoor van Paul aan Soho Square. Officieel zijn de filmopnamen afgerond op 26 juli 1983.

In november 1983 neemt Paul een nieuwe versie op van ‘The Long And Winding Road’, in de AIR Studios. De bezetting is hiervoor: Paul op piano, Herbie Flowers op bas, Dave Mattacks op drums, Trevor Bastow op toetsen en Dick Morrisey op sax.

Paul McCartney: “We wilden een neiuwe versie van ‘The Long And Winding Road’ voor de film. Maar dat moet je dus wel om de bestaande versie van ‘The Long And Winding Road’ heen. Probeer maar eens beter te doen dan de versie van The Beatles – niet makkelijk. Anderzijds is dat meteen ook een belachelijke reden om het niet te doen. […] ik dacht: Dit is te gek: het is mijn song. Ik vind het goed. George [Martin] wil het. Dan doen we het toch!’

Vreemd genoeg werken ze een arrangement uit dat nauw aanleunt bij dat van Phil Spector voor Let It Be. Enkel de sax intro is echt nieuw – maar niet echt een meerwaarde.
De dag daarna wordt nog een instrumentaal nummer opgenomen door een big band: ‘Good Night Princess’. Hierop is Paul niet zelf te horen. Deze track wordt enkel op de cd versie uitgebracht, als extraatje.

***

Omdat Pipes of Peace gepland staat voor het najaar van 1983, duurt het tot 22 oktober 1984 eer Give My Regards to Broadstreet in premiere kan gaan. Net als bij Tug Of War en Pipes Of Peace, wordt de soundtrack digitaal gemixt, om een zo helder mogelijk geluid te verkrijgen.
Overigens is de muziek op de soundtrack soms afwijkend van die op de plaat.

***

Tijdens het afwerken van de film blijkt er nog een nieuw nummer nodig. Dat wordt ‘No More Loney Nights’. In juli 1984, nodigt Paul David Gilmour uit om hem te helpen bij de opname in de Elstree Film Studios.
‘Straffe kost vond ik dat’, verklaart de Pink Floyd gitarist. ‘Tijdens één sessie van drie uur leerden het we het nummer met de band en namen het op. Paul speelde piano en zong live en ik speelde de gitaarsolo. Bang!’
Naast Paul en David op gitaar bestaat de band uit Anne Dudley op synthesizer, Herbie Flowers op bas, Stuart Elliot op drums, plus Eric Stewart en Linda McCartney op backing vocals.
Overigens draagt Gilmour Macca op om zijn gage te storten aan een liefdadigheidsinstelling.

Maar de filmmaatschappij blijkt niet tevreden met het resultaat. ‘Twentieth Century Fox vroeg een opbeurend nummer’, vertelt Paul, ‘een vrolijke noot waarop de mensen de zaal konden verlaten. Dus maakte ik een nieuw arrangement, in een sneller tempo: dansbaar.’ Die nieuwe versie knutselt hij in zijn eentje in elkaar, met de hulp weliswaar van een 4-koppige blazersband (waarbij hij zelf bijspringt op bugel!). George Martin zorgt voor een meer dan 8 minuten lange mix.

De filmproducer is echter nog niet happy. Arthur Baker wordt er bij geroepen om het geheel wat meer pit te geven. Baker is op dat moment erg hot als remixer van de grote namen: Springsteen, The Stones, Dylan, Cyndy Lauper… Hoewel hij die soloversie maar niets vindt, is hij bereid er mee aan de slag te gaan, want ‘… zoveel geld sla je niet af. […] Ik zat op dat moment zwaar aan de drugs. Een nachtmerrie eigenlijk.’

McCartney is desondanks erg blij met het resultaat en plaats de zogenaamde ‘Special Dance Mix’ op de b-kant van de single in Amerika en maakt er bovendien een eigen videoclipje voor.

‘No More Lonely Nights’ verschijnt op 24 september 1984 als single. Zoals te doen gebruikelijk in de jaren tachtig verschijnt de song in verschillende formaten, met verschillende remixen en edits. In totaal zijn er maar liefst 7 verschillende varianten.
De typische McCartney ballad wordt een wereldwijde hit, met als hoogste notering: 2 in Engeland en 6 in de Verenigde Staten.

De film zelf wordt minder gesmaakt. Het blijkt een veredelde serie videoclipjes, aan elkaar geregen met een flutverhaaltje. Na de premiere in Hollywood, op 22 oktober 1984 zijn de kritieken uiterst negatief. The Washington Post heeft het over ‘de slechtste film van het jaar’. Een ander stelt botweg: ‘Dit is niets meer dan een amateurfilmpje, maar wel met een budget van 9 miljoen dollar.’

De soundtrack van Give My Regards To Broad Street wordt wereldwijd uitgebracht op de dag van de première. De CD- elpee- en casetteversies verschillen aanzienlijk. De CD en casette hebben merkelijk langere versies dan de elpee en er zijn zelfs twee extra nummers (‘Good Night Princess’ en een remake van ‘So Bad’). Ondanks enige kritiek op de remakes van de Beatlessongs, doet de plaat het opvallend goed, met onder meer in Engeland een eerste plaats in de hitlijst (meteen de laatste keer dat dit gebeurt) en top 10 in Japan, Noorwegen en Zweden.
In Amerika echter strandt de plaat net buiten de top 20 – iets dat Paul nog nooit is overkomen.

Wanneer Give My Regards to Broad Street begint te lopen in de zalen is het hoogtepunt eigenlijk de voorvertoning: een 13 minuten lange tekenfilm Rupert And The Frog Song. Er is twee jaar gewerkt aan het filmpje rond het gekende figuurtje Bruintje Beer, met als hoogtepunt ‘We All Stand Together’.

Die song verschijnt op 12 november 1984 ook op single en het prachtig gemaakte kinderliedje wordt op zijn beurt een dikke hit: top 3 in Engeland. Vele Macca-haters zien het echter meteen als een nieuw dieptepunt in ’s mans carrière en het mikpunt van veel spot.

De video, die gelijktijdig met de single op de markt verschijnt, gaat echter als zoete broodjes de deur uit en krijgt een Grammy nominatie in de categorie beste muziekvideo. Naast Rupert And The Frog Song zijn er nog twee andere tekenfilms op te zien, beiden op muziek van Linda McCartney: ‘Seaside Woman’ en ‘The Oriental Nightfish’.

Deel 16: Paul McCartney – Pipes of Peace
‘Toen we aan Tug of War begonnen, stelde ik voor aan Paul: Laten we deze plaat wat harder maken, meer funky dan je tot nu toe hebt gedaan… In feite is dat beter gelukt met Pipes Of Peace dan met Tug Of War.’
George Martin – 1984

31 oktober 1983: elpee Pipes of Peace van Paul McCartney
Kant 1: ‘Pipes of Peace’, ‘Say Say Say’ (Paul McCartney/Michael Jackson), ‘The Other Me’, ‘Keep Under Cover’, ‘So Bad’
Kant 2: ‘The Man’ (Paul McCartney/Michael Jackson), ‘Sweetest Little Show’, ‘Average Person’, ‘Hey Hey’ (Paul McCartney/ Stanley Clarke), ‘Tug of Peace’, ‘Through Our Love’

nota: ‘Average Person’, ‘Keep Under Cover’, ‘Sweetest Little Show’ en ‘Hey Hey’ zijn opgenomen tijdens de sessies voor Tug of War.

Wanneer Michael Jackson 21 wordt, toont hij meteen zijn onafhankelijkheid van zijn familie door een eigen manager te kiezen: John Branca. Het is de eerste zet in een ambitieus plan. Het doel is niet minder dan de grootste ster te worden in de showbusiness… en meteen ook de rijkste.
Off The Wall, zijn eerste solo-elpee als volwassene, is een enorm succes: vijf hitsingles, drie American Music Awards, twee Billboard Music Awards en een Grammy.
Maar toch ervaart de jongeman het als een ontgoocheling: alle prijzen zijn in de categorieën Soul/R&B of als zwarte artiest. ‘Het was zeer oneerlijk dat ik niet de onderscheiding kreeg voor Plaat van het jaar. Zoiets zal nooit meer gebeuren.’ Wanneer Rolling Stone hem afwijst voor een coverartikel is de maat vol. ‘Wacht maar af. Ooit zullen ze me smeken voor een interview. Misschien geef ik er een, misschien ook niet.’

Hij is vastbesloten om met zijn volgende plaat een blank publiek aan te spreken. Hoe kun je zoiets beter forceren dan door een duet met een populaire blanke zanger? De keuze valt dan al snel op de man die vermeld staat in het Guiness Book of Records als ‘de meest geëerde componist en uitvoeren artiest in de muziekwereld’?
In de uitgave van 1979 staan Paul McCartney’s verdiensten opgesomt:
– succesvolste artiest aller tijden (43 songs geschreven tussen 1962 en 1978 waarvan meer dan 1 miljoen exemplaren zijn verkocht);
– record aantal gouden platen (42 met the Beatles, 17 met Wings en 1 met Billy Preston: 60 in totaal);
– ‘s werelds meest succesvolle artiest (geschatte aantal verkochte platen tot 1979: meer dan 100 miljoen elpees en 100 miljoen singles).

Paul legt uit hoe het eerste contact is verlopen: ‘Ik hoorde voor het eerst iets van Michael met Kerst 1980. Hij belde me op en mijn eerste reactie was: ‘Wie ben je en hoe kom je aan mijn privénummer?’ Michael lachte en legde uit wie hij was. Terwijl we aan het praten waren, vroeg ik hem waarom hij belde. Hij zei: Wat zou je er van denken om samen wat hits te maken?’
Dat was de start van ons gezamenlijk avontuur.’

Om de een of andere redenen komt Michael niet, net als de andere gasten op Tug of War, in maart 1981 naar Montserrat. In plaats daarvan gaat hij Paul twee maanden later opzoeken in Soho.
‘We zaten samen op de bovenste verdieping van ons kantoor in Londen’, vertelt Paul acht jaar later. ‘Ik nam mijn gitaar en ‘Say, Say, Say’ kwam er uit. […] Michael hielp vooral met de tekst. Michael is meer een zanger dan een schrijver.’
De volgende dag werken ze verder bij Paul thuis, in Sussex, waar ze de basis van een tweede nummer componeren: ‘The Man’.

Met George Martin als producer, worden basistracks voor beide nummers opgenomen in de Londense A.I.R. Studios. Eigenlijk zijn het meer demo’s: enkel akoestische gitaar en zang.

Na afloop keert Michael terug naar Los Angeles voor de Triumph tournee met zijn broers. Paul schaaft verder aan de opnamen voor Tug of War.

Pas wanneer die plaat in de winkels ligt, wordt de samenwerking hernomen. Van 14 tot 16 april 1982 is Paul in Los Angeles om er, in de Westlake Studios, een song op te nemen voor de opvolger van Off The Wall. Niet toevallig is dit duet het allereerste nummer van Thriller dat op band wordt gezet.
Jackson toont zich erg enthousiast: ‘Van al mijn opnamen als solo-artiest, heb ik de beste herinneringen aan ‘The Girl Is Mine’. Werken met Paul McCartney was opwindend en we hadden gewoon erg veel pret. We plaagden mekaar: met dingen gooien en grapjes maken. We namen het grotendeels live op: instrumenten en zang gelijktijdig.’
Het nummer is door Michael alleen geschreven, naar een idee van zijn producer Quincy Jones, over twee mannen die ruziën om een vrouw. Het wat zoetsappige liedje is duidelijk bedoeld om een doorbraak bij het blanke publiek te vergemakkelijken. Het verschijnt dan ook in het najaar van 1982 als eerste single van de elpee en bereikt zijn doel: 1 in de R&B singles lijst. Maar veel belangrijker nog: een tweede plaats in Billboard Hot 100.

* * *

Inmiddels is Paul zelf ook begonnen aan de opvolger van zijn succesplaat.
In het najaar van 1982 werkt het team van Tug of War in Pauls huisstudio in Sussex en in de A.I.R. Studio in Londen. Met George Martin als producer en Geoff Emerick als geluidstechnicus, bespeelt Paul zowat alle instrumenten zelf. Occasioneel doen ze beroep op een gastdrummer als Ringo Starr of Dave Mattack. Eric Stewart van 10cc draagt wat gitaar bij, maar vooral backing vocals (zijn kenmerkende stijl waarbij hij laag na laag backing vocals aanbrengt is alom tegenwoordig op de plaat).

Jammer genoeg heeft hij echter af te rekenen met een gebrek aan inspiratie. Heeft hij teveel tijd en energie gestoken in het voorbereiden van de film Give My Regards to Broadstreet (onwaarschijnlijk) of heeft zijn muze hem gewoon in de steek gelaten? ‘So Bad’, ‘The Other Me’ en ‘Through Our Love’ zijn niet bepaald meesterwerken en ‘Tug Of Peace’ is vulsel. Om aan voldoende songs te komen worden wat restopnamen van de Montserrat sessies bovengehaald.
Enkel wanneer hij wordt uitgedaagd slaagt Paul er in boven de middelmaat uit te stijgen. De Liverpoolse schrijver George Melly kwam met het idee om een song te schrijven waarin het begrip wereldvrede wordt uitgelegd aan kinderen. Daarop komt Paul met ‘Pipes of Peace’.
Oorspronkelijk wou hij het nummer opbouwen rond fluiten van overal ter wereld. Het blijkt echter moeilijk om een muzikant te vinden die bijvoorbeeld de shehnai (een Indische hobo) kan bespelen. Inmiddels is wel een basistrack opgenomen met een tablaspeler James Kippen. George Martin komt met een filmscore achtige intro en voor de backing vocals wordt beroep gedaan op een kinderkoor.

Heel veel tijd is er echter niet. Na zes weken gaat Hug Fo’ Love (of, andere werktitel: Tug Of War II) voor een jaartje de kast in, want vanaf november gaat alle aandacht naar Pauls filmproject. Maar daarover later meer.

* * *

Begin februari 1983 is Michael Jackson opnieuw te gast bij Paul thuis, om de beide songs waaraan ze een jaar eerder begonnen zijn, af te werken. Voor ‘Say Say Say’ heeft Michael, tijdens de opnamen van Thriller, een demo uitgewerkt met zijn muzikanten. Paul is zo onder de indruk dat deze opname, na het inzingen en afwerken, op de plaat terecht komt.

Jacksons plannetje heeft inmiddels vruchten afgeworpen: muziekzender MTV is overstag gegaan en draait voor het eerst een clipje van een zwarte artiest: ‘Billy Jean’. De single voert overal ter wereld de hitlijsten aan en de kassa rinkelt in huize Jackson.
De 24-jarige zanger vraagt zijn 20-jaar oudere collega om advies. Paul gaat daar graag op in: ‘Ik zei: Je verdient nu goed geld. Je bent een ster. Om te beginnen: zoek iemand die je kan vertrouwen om je geld te beheren. Wacht daar niet mee, want voor je het weet is het verdwenen. Dat is zovelen in de showbusiness al overkomen.
Dan: maak videoclips en zorg dat je er de rechten over behoudt. […]
En ten derde: denk eens na over de mogelijkheid om te investeren in muziekbeheer.’
Ter illustratie toont Paul hem een dik boek, waarin alle songs zijn afgedrukt waarvan hij de rechten heeft opgekocht. Alles van Buddy Holly bijvoorbeeld. ‘Zo verdien je gemakkelijk geld’, legt hij uit. ‘Telkens één van deze songs op de radio wordt gedraaid, of iemand het ergens live brengt, rinkelt mijn kassa.’

Michael luistert aandachtig. Bij zijn terugkeer in Los Angeles geeft hij zijn manager de opdracht om uit te kijken naar songcatalogi op de markt. Zijn eerste aankoop zijn de composities van Sly Stewart van Sly and the Family Stone.
Maar anderhalf jaar later biedt zich onverwacht een kans aan, wanneer Holmes à Court de catalogus van ATV Music op de markt brengt. De Australische zakenman heeft de muziekuitgeverij pas twee jaar eerder opgekocht voor zo’n 20 miljoen pond. Maar nu vindt hij het tijd om de belegging te laten renderen. De kroonjuwelen tussen de vierduizend songs van ATV zijn de 256 nummers van The Beatles die zijn geregistreerd bij Northern Song.
Michael moet en zal die hebben. Branca voert een jaar lang onderhandelingen en weet in november 1985 de vette vis binnen te halen voor 47,5 miljoen dollar.

* * *

Na het afronden van de filmopnamen, herneemt Paul het werk aan Pipes Of Peace. In juni 1983 werkt hij met George Martin de tracks af, in diens A.I.R. Studio in Londen. Het opzet is om een dramatisch geheel te brengen door de songs te linken met geluidseffecten en overgangsstukjes. Maar dat idee verdwijnt al snel in de prullenmand.

* * *

Op 3 oktober 1983 ligt de ‘Say, Say, Say’/’Ode To A Koala Bear’ bij de platenboer. Zoals te doen gebruikelijk in de jaren tachtig zijn er zowel een single- als een 12” versie. Het b-kantje – een niemendalletje van Paul uit december ’80 – is exclusief voor deze uitgave. Op de 12” versie staat bovendien nog een instrumentale remix ‘Say Say Say’. Deze remix is, net als de lange versie, onder handen genomen door John Jellybean Benitez.

Begin oktober zijn Paul en Linda vier dagen in Los Alamos, Californië om er een videoclipje te draaien voor het nummer. Vanzelfsprekend is Michael er ook bij, samen met zijn zus La Toya Jackson en de acteur Harry Dean Stanton. Voor het eerst zit er in een muziekclipje een verhaallijn en het is dan ook het eerste waarin dialoog voorkomt. Het geheel ziet er prachtig uit en dat mag ook wel voor een budget van een half miljoen dollar.

Maar het rendeert: het duet met Michael Jackson is met 26 de hoogste nieuwe binnenkomer in de Amerikaanse top 100 sinds Lennons ‘Imagine’ in 1971. ‘Say, Say, Say’ bereikt snel de top en behoudt die positie gedurende zes weken.
In Engeland loopt de verkoop niet zo vlot. Paul is niet tevreden over de klank bij het promofilmpje, waardoor het even duurt eer het op de Britse TV te zien is. Wanneer na drie weken eindelijk klaar is, is het plaatje echter al gezakt in de hitlijst. De samensteller van het BBC programma Top Of the Pops, beslist daarom om het zelfs niet uit te zenden.
Gelukkig vertoont het concurrerende The Tube het de volgende dag wel, waarna de verkoop onmiddellijk weer aangezwengeld wordt. De volgende week stijgt de single van 14 naar 3 en een week later bereikt het als hoogste notering alsnog een tweede plaats.

Als tweede single wordt gekozen voor het titelnummer, met de ode aan Macca en Linda’s zoontje James als b-kant. In de Verenigde Staten kiest men er echter voor om de single om te draaien, zodat ‘So Bad’ er een (bescheiden) hit wordt.

Ter ondersteuning van ‘Pipes of Peace’, wordt begin december 1983 in Chobham Common, Surrey, een videoclip opgenomen onder leiding van regisseur Hugh Symonds. Het thema is een historische gebeurtenis uit de Eerste Wereldoorlog: op Kerstdag 1914 verbroederden soldaten van beide kanten, één dag lang, tijdens een staakt-het-vuren. De scene wordt nagespeeld met een 200-tal figuranten.
Paul – met een zeer kort geknipt kapsel – speelt de dubbelrol: zowel een Britse als een Duitse soldaat.

De £ 200.000 kostende clip is goed voor een Brit Award als beste videoclip van 1983 en helpt het nummer aan een eerste plaats in de Britse hitparade.
Het is meteen ook de laatste single van Paul McCartney die de top van Britse hitlijst bereikt, net als ‘Say Say Say’ dat de laatste was in de Amerikaanse lijsten.

Ondanks de beide hitsingles valt de verkoop van de elpee Pipes Of Peace wat tegen: 15 in de VS en 4 in Engeland. De critici reageren over het algemeen dan ook minder enthousiast dan over Tug Of War. Hoewel het muzikaal allemaal wel snor zit, laat vooral de kwaliteit van de teksten veel te wensen over, menen ze. De productie is top, de muziek klinkt inderdaad wat meer als jaren tachtig funk en rock, met de kenmerkende drumsound. Maar het niveau van een aantal songs laat vooral tekstueel wat te wensen over. Met ‘But something took hold of me/And I acted like a dustbin lid’ (!?) als absoluut dieptepunt.
Ook ‘Sweetest Little Show’, een boodschap aan zichzelf dat hij boven de kritiek moet staan, is ronduit gênant.

‘You’ve been around a long time
But you’re still good for a while
And if they try to criticize you
Make them smile, make them smile.’

* * *

‘The Man’, het tweede duet met Michael Jackson staat gepland als derde single. Het videoclipje is zelfs al klaar. Maar dan worden Paul en Linda, tijdens een vakantie in de Caraïben, weer betrapt op het bezit van cannabis. Op 16 januari 1984, dag op dag vier jaar na de arrestatie in Japan, pleiten ze schuldig voor de rechtbank in Barbados.
Wanneer ze drie dagen later arriveren op het vliegveld van Heathrow, treft de douane bovendien opnieuw marihuana aan in een filmkokertje van Linda.

Profiterend van de belangstelling waarvan Paul op het ogenblik “geniet”, publiceert de Britse roddelkrant The Sun, in vier dagelijkse afleveringen een lang artikel van Denny Laine over zijn leven bij de McCartney’s, waarbij de klemtoon ligt op hun “gierige” levensstijl..

Om Michael Jackson niet te betrekken in die negatieve publiciteit besluit Paul ‘The Man’ niet uit te brengen op single. Ook de videoclip wordt nooit uitgezonden en de b-kant ‘Blackpool’ is schijnbaar voorgoed verdwenen in Macca’s archief.

De opsomming van records in het Guiness Book of Records was, achteraf gezien, een teken aan de wand. Voor wie de absolute top bereikt rest er slechts één optie: naar beneden. De zeven magere jaren staan voor de deur voor Paul McCartney.