De jonge priester in het kerkje in Parijs was geschokt. Een koppeltje, waarvan het meisje alleen maar Engels sprak, was bij de dekenij komen aankloppen met de vraag of ze dringend konden trouwen. Die twee waren zeker van huis weggelopen. Niet te verwonderen, want het meisje was duidelijk zwanger. Als het van hem had afgehangen… Maar ja, de deken had hem opgedragen het huwelijk te voltrekken. Hij kon het dan ook niet nalaten de bruidegom op het hart te drukken dat het huwelijk een ernstige zaak was. Die vent was trouwens een heel stuk ouder dan het meisje. Die zou toch beter moeten weten…

 

Behalve het jonge paar zat er in het koude kerkje op die 24ste januari 1959 alleen nog een zwaar bebaarde vent. Ook al zo’n Engelsman. Wat had die hier mee te maken? Hij was een stuk ouder dan de bruidegom, maar toch nog te jong om de vader van de bruid te zijn.

 

Toen de plechtigheid was afgelopen schudde de priester meewarig zijn hoofd terwijl de drie proestend de kerk uitliepen, waarschijnlijk op zoek naar het korst bijzijnde café.

 

Het meisje heette Peggy Seeger. Ze was pas 24, maar had al heel wat levenservaring. Ze was afkomstig uit New York, waar ze, net als haar ouders en haar broers, thuis was in de kringen van folkmuzikanten in de buurt Greenwich Village.

 

Na een bezoek aan China bleek haar paspoort te zijn ingetrokken. De spokenjagers van McCarthy konden zo’n bezoek aan een communistisch land absoluut niet waarderen. Peggy besloot dan maar naar Europa te trekken, waar ze rondtrok met haar banjo. Zo was ze in 1956 in Londen terecht gekomen.

 

De leidinggevende figuur in de Londense folkkringen was toen de communistische Schot Ewan MacColl (1915 – 1989). Hij was eigenlijk acteur en toneelschrijver. Wanneer hij voor een stuk een liedje nodig, schreef hij dat dan ook maar. Eentje daarvan was ‘Dirty Old Town’ dat hij in 1949 schreef over zijn geboortestad Salford in Lancashire. Het nummer is tegenwoordig vooral bekend in de versie van The Pogues die het brachten op hun tweede LP Rum Sodomy & the Lash in 1985.

 

Net als Alan Lomax was hij gaandeweg begonnen met het verzamelen van authentieke volksliederen, die hij ook opnam en bijhield. Toen de BBC hem vroeg om iets te maken rond de heroïsche dood van een treinbestuurder, kwam hij met allerlei geluidsopnamen,  fragmenten van echte interviews en door gewone mensen gezongen volksliedjes. De Radio Ballad, zoals het formaat werd gedoopt was een revolutionair idee en de aanzet tot de folkrage van de jaren zestig in Engeland.

 

Na een kortstondig huwelijk met de actrice Joan Littlewood was Ewan getrouwd met de danseres Jean Newlove. Ze hadden samen twee kinderen: Hamish en Kirsty.

 

Kirsty MacColl (1959 -2000) zou later een van de allerbeste Britse zangeressen worden. Zo hielp ze dat zelfde zootje ongeregeld die haar vaders ‘Dirty Old Town’ had gecoverd met één van de allerbeste kerstsingles ooit: ‘Fairytale of New York’. Aan haar carrière en leven kwam abrupt een einde toen ze tijdens het zwemmen voor de kust van Mexico werd aangereden door een arrogante miljonair in een speedboat.

 

The Pogues met Kirsty MacColl – ‘Fairytale of New York’

 

Maar terug naar Ewan. Die werd verliefd op de jonge Amerikaanse en ze begonnen al snel een relatie. Voor een toneelstuk waarin ze meespeelde vroeg zij hem een lied te schrijven. Een uurtje later belde hij haar terug en zong haar wat hij had bedacht. Dat was ‘The First Time Ever I Saw Your Face’. In 1971 nam Roberta Flack een tragere, sensuele versie van het nummer op voor het regiedebuut van Clint Eastwood: Play Misty for Me. De single werd een dikke hit: 6 weken op 1 in Amerika en maar liefst 14 weken aan de top in het Verenigd Koninkrijk.

 

Roberta Flack – The First Time Ever I Saw Your Face

 

Toen einde 1958 haar werkvergunning voor Engeland dreigde te verlopen moest er dringend iets gebeuren of Peggy zou het land worden uitgewezen. Door te trouwen zou ze het Britse staatsburgerschap krijgen en zou ze kunnen blijven. Maar Ewan was – hoewel weg bij zijn vrouw – officieel nog getrouwd. Dus besloten ze de hulp in te roepen van een vriend. De Schotse folkzanger Alex Campbell (1925 – 1987) werd bereid gevonden om mee te spelen.

 

Hoewel “vriend” eigenlijk een slechte omschrijving is. De twee mannen hadden elk een totaal tegengestelde opvatting over folk muziek. Ewan was een purist die vond dat je alleen nummers mocht zingen die uit je eigen streek afkomstig waren, terwijl Campbell alles zong wat hem aanstond, of het nu Schotse balladen waren of Amerikaanse werkliederen, die hij leerde van zijn Amerikaanse vriend, de banjospeler Derroll Adams. (Aan het begin van de jaren tachtig bracht Campbell zelfs een LP uit Live In Belgium – maar dit geheel terzijde).

 

Eens terug in Engeland, na de hilarische vertoning in Parijs, vroeg iedereen onmiddellijk de scheiding aan en wat later konden Ewan en Peggy met elkaar trouwen. Ze kregen drie kinderen en maakten zowel samen als apart een groot aantal platen. Na de dood van haar man, in 1989, keerde Peggy terug naar Amerika.

 

En Alex Campbell? Die trouwde later ook “voor echt” en twee van zijn zonen, Ali en Robin, vormden later de kern van de Britse reggae-groep UB40. Na hun sterke debuutplaat herinnert enkel hun naam (UB40 is het formulier dat recht geeft op stempelgeld) nog aan hun linkse achtergrond.

 

 

De familie Seeger

 

Peggy’s familie is interessant genoeg om wat verder op in te gaan.

 

Haar vader was Charles Seeger (1886–1979), een belangrijke musicoloog en folklorist. Charles was muziekleraar aan de University of California in Berkeley, tot hij in 1918 vanwege zijn pacifisme gedwongen werd zijn baan op te zeggen.

 

Voor hun huwelijk in 1932 was haar moeder, Ruth Crawford (1901- 1953), een componiste van moderne klassieke muziek. Niet onverdienstelijk overigens want ze kreeg als allereerste vrouw de prestigieuze Guggenheim Fellowship. Ze was dan ook één van de sleutelfiguren van de avant-garde uit de twintiger jaren in New York. Als pianolerares voor zijn kinderen bracht de dichter Carl Sandburg haar de liefde bij voor de Amerikaanse volksmuziek.

Kort na de geboorte van Peggy in 1935 verhuisden de Seegers naar Washington, D.C., waar ze met John (1867 – 1948) Lomax gingen werken aan het Archive of Folk Song voor de Congressbibliotheek. Crawford ontcijferde er de teksten van de songs die vader en later ook zoon Lomax verzamelden. Die werden dan gepubliceerd in boeken als Our Singing Country en Folk Song USA.

Ze vond dat Amerikaanse volksliedjes erg geschikt waren om kinderen de liefde voor muziek bij te brengen. Daarom publiceerde ze in 1948 het American Folk Songs for Children – nog steeds een van de best verkochte boeken met kinderliedjes in Amerika. Door dit baanbrekende boek werd zij een centrale figuur in de opleving van de folksongs.

 

Peggy’s jongere broer is Mike Seeger (1933 – ), zelf ook een folkmuzikant en folklorist. In 1958 richtte  hij samen met John Cohen en Tom Paley, de New Lost City Ramblers op. Met die old-time string band stelden zij zich tot doel de oude, vergeten nummers die hun vader had helpen verzamelen, zo getrouw mogelijk terug tot leven te brengen. De groep was van grote invloed op de jonge Bob Dylan die hen herhaaldelijk zag optreden en vele nummers van hen leerde.

 

Lijnrecht tegenover de New Lost City Ramblers stonden groepen als The Weavers of het Kingston Trio, die zich net tot doel stelden om diezelfde muziek te moderniseren. En de leider van The Weavers was …  Pete Seeger.

 

Pete (1919– ) was een halfbroer van Peggy en Mike, uit het eerste huwelijk van hun vader. Tijdens de zomer van 1935, nam zijn vader hem mee naar een muziekfestival in Asheville, North Carolina. Hij hoorde er voor het eerst authentieke folkmuziek. Hij werd op slag verliefd op de vijf-snarige banjomuziek en de teksten van de oude ballades over lords en ladies. Dat uitstapje is misschien wel het prille begin van de heropleving van de folkmuziek

 

In 1938 kreeg Pete ook een baan bij het archief. Hij beluisterde de veldopnamen en selecteerde de tracks die zouden worden uitgebracht op de legendarische reeks “Folk Music of the United States.” Zo leerde hij mensen als Leadbelly en Woody Guthrie kennen. In 1940 begon hij met die laatste op te trekken als The Almanac Singers.

 

In 1948 schreef hij How to Play the Five-String Banjo, een handboek dat talloze banjospelers op weg heeft geholpen. Twee jaar later had hij met zijn groep The Weavers een dikke hit. Hun cover van Leadbelly’s ‘Goodnight Irene’ stond maar liefst dertien weken op 1.

 

The Weavers in 1948 met ‘Goodnight Irene’

 

Vanwege zijn links activisme kwam Pete Seeger op de zwarte lijst van McCarthy. Hij werd in 1955 opgepakt en moest zich melden elke keer hij zijn buurt wou verlaten.

 

Vanaf 1958 begon hij een solo carrière. Hij schreef (soms met een co-autheur) een aantal klassiekers zoals ‘Where Have All the Flowers Gone’ (een hit voor concurrenten The Kingston Trio, ‘If I Had a Hammer’ (Trini Lopez) en ‘Turn, Turn, Turn!’ (The Byrds). Zijn bekendste nummer is echter ‘We Shall Overcome’ dat door Joan Baez opgenomen en het lijflied werd van de Amerikaanse protestbeweging.

 

Dat maakte hem natuurlijk nog wat onpopulairder bij de Communistenjagers en hij belandde dan ook in de gevangenis, omdat hij weigerde namen te noemen.

 

Na zijn vrijlating hielp hij de folktijdschriften Broadside Magazine en Sing Out! oprichten, die hielpen om mensen als Bob Dylan onder de aandacht van ene groter publiek te brengen.

 

Jammer is dat hij in de Dylan folkore gekend is als de man die met een bijl wou verhinderen dat Bob elektrisch ging spelen tijdens het beruchte Newport Folkfestival in 1965. Zelf legde hij in 2005 uit dat zoiets nooit het geval is geweest: “Er wordt verteld dat ik er op tegen was dat hij met elektrisch versterkte instrumenten speelde, maar dat was niet zo. Ik presenteerde het festival die avond. Hij zong ‘Maggie’s Farm’ en je kon geen woord verstaan omdat de microfoon werd verstoord. Ik liep naar het mengpaneel en riep: ‘regel de klank. Het is vreselijk!’ Maar die kerel antwoordde: ‘Nee, ze willen het zo.’ En toen heb ik gezegd dat als ik een bijl had ik de kabel zou doorhakken! Ik wou gewoon de woorden verstaanbaar hebben. Ik had er niks op tegen dat hij elektrisch speelde.”

 

Pete Seeger in 1968: ‘Wimoweh’ en ‘Where Have All The Flowers Gone’

 

 

In 1998 werden zijn songs terug onder de aandacht gebracht op de dubbele tribute-cd Where Have All the Flowers Gone: the Songs of Pete Seeger. Daarop speelden mensen uit de Amerikaanse en Britse folk- en rockwereld mee. Eén van die mensen was Bruce Springsteen die er ‘We Shall Overcome’ op bracht. Dat het hem menens was bewees Bruce zes jaar later  met The Seeger Sessions, waarbij hij een eigen eerbetoon bracht aan de man en zijn kompanen.

 

Bruce Springsteen met ‘John Henry’ uit de Seeger Sessions.

 

Advertenties