januari 2009


Overleden op 29 januari. Verdomme toch.
Een gitarist met een heel eigen stijl.

‘Solid Air’

‘Sweet Little Mysteries’

‘Dealer’

 

‘One For The Road’ in 2004, bij Jools Holland

Advertenties

 

Een mooi plan

 

Op 30 januari 2009 is het precies veertig jaar geleden dat The Beatles voor het laatst samen live speelden. John, Paul, George en Ringo stonden bij die gelegenheid niet op een podium, maar op het dak van hun kantoor in noord Londen. Onaangekondigd en zelfs onzichtbaar voor het publiek spelen ze er 42 minuten lang in de vrieskou.

 

Hoe is dat zo gekomen?

 

Begin november 1968 kondigde de platenmaatschappij van de groep aan dat The Beatles drie avonden zullen gaan  optreden in de Roundhouse in Londen, ten voordele van een goed doel. Het eerste concert was gepland voor 15 of 16 december 1969.

Ook andere Apple-artiesten zoals Mary Hopkins en Jackie Lomax stonden op het programma. Het geheel zou worden gefilmd voor een TV-show. Het was de bedoeling vooral nummers te spelen van de nog te verschijnen dubbel-LP The Beatles.

Verder was er ook sprake van een tiental gratis concerten in de Verenigde Staten, in de lente of zomer van het volgende jaar.

 

Het geheel was een idee van Paul McCartney. Die wou iets doen aan de spanningen en de slechte sfeer binnen de groep. Sinds de band in augustus 1966 was gestopt met optreden, was er van het hechte vriendenclubje van vroeger niet veel meer over.

 

Maar iedereen had het veel te druk met zijn eigen bekommernissen en uiteindelijk gingen de geplande concerten niet door. Bijzonder jammer voor de fanclubleden die al tickets hadden ontvangen.
 
 
 
 

 

In december kwam het concert opnieuw in de pers. Als locatie werden zowel de Londense Roundhouse als de Cavern in Liverpool naar voor geschoven. Ook de datum lag nog niet helemaal vast – 18 januari 1969 werd genoemd – maar in ieder geval voor het einde van de winter, zo werd meegedeeld.

 

Opnieuw was het de bedoeling om het concert te filmen. Nieuw was wel dat men nu ook de voorbereidingen wou vastleggen op film. Paul had een documentaire gezien over Pablo Picasso, waarbij de schilder werd getoond terwijl hij aan het werk was. Het leek hem heel interessant, om eens te tonen hoe een song tot stand komt. “Het plan was dat je The Beatles ziet repeteren, jammen, dingen bedenken, de show op poten zetten en uiteindelijk spelen we dan ergens een groot concert,” lichte McCartney toe. “Er kunnen dan twee uitzendingen komen: eerst de repetities, The Beatles At Work en de volgende dag het concert.”

 

Daarom was het belangrijk dat er nieuwe songs werden gespeeld. En waarom dan niet uitsluitend nieuwe nummers brengen? Daar stond producer George Martin helemaal achter: “Ik vond het een goed idee. Ze zeiden: ‘Laat ons eerst wat repeteren, de boel op punt zetten, het live opnemen en dat dan uitbrengen. Dat was nog nooit eerder gedaan: een live-plaat met uitsluitend nieuw materiaal.”

“Het motto is “Get Back”: terug simpele rock spelen, zonder technische snufjes”, lichtte Paul toe.

 

Hoewel ze net dertig songs hadden opgenomen voor The Beatles, liet Apple perschef Derek Taylor weten dat zoiets geen probleem mag zijn: “Ze hebben geen gebrek aan nieuw materiaal. Ze schrijven voortdurend. Het is eerder een kwestie van het juiste materiaal uitkiezen voor de show.”
 
 
 
 

 

 

Twickenham Film Studios

 

In afwachting van het uitpikken van de juiste locatie werd overeengekomen om alvast te beginnen met de repetities.

 

De geopperde datum van 18 januari was vooral gekozen in functie van Ringo. Die had zich geëngageerd om te gaan acteren in een film: Magic Christian. Het was de bedoeling dat de opnames zouden beginnen vanaf de vierde week van januari. Er zou worden gedraaid in filmstudios in Twickenham, waar ook de binnenopnamen van zowel de Beatlesfilms A Hard Day’s Night als Help! zijn gedraaid. Maar eind december kwam het bericht dat de opnamen drie weken werden achteruit geschoven.

 

De studio kwam daardoor vrij. Wanneer The Beatles daar zouden gaan repeteren waren meteen alle faciliteiten voorhanden om de repetities te filmen.

 

Regisseur Michael Lindsay-Hogg, die de clips voor ‘Hey Jude’ en ‘Revolution’ heeft gedraaid, was aangezocht om de beeldopnamen in goede banen te leidden. De jonge geluidstechnicus Glyn Johns stond in voor het mixen van de klank.

George Martin zou enkel het concert zelf opnemen. “George [Martin] belde af en toe,” herinnert Glyn zich, “maar verder moest ik zelf mijn plan trekken. De band gebruikte mij als producer. Ik voelde mij daar wel ongemakkelijk bij, want George Martin was toch hun echte producer.”

 

 

De “Winter of discontent”

 

De repetities gingen van start op donderdag 2 januari. Omwille van de vakbondsvoorschriften van de filmploeg kon er uitsluitend overdag worden gewerkt. De sessies begonnen elke werkdag tussen 11 en 13 uur en liepen tot de late namiddag.

 

Vooral George Harrison had een massa nieuwe nummers geschreven die hij graag wou opnemen.  Hij was net terug uit de Verenigde Staten waar hij prettig had gemusiceerd met Bob Dylan. Hij wou de “winter of discontent”, zoals hij de opnamen van de Witte Dubbel omschreef, zo snel mogelijk achter zich laten. “Ik herinner me dat ik nogal optimistisch was,” vertelt hij later. “Ik dacht: een nieuw jaar  – een nieuw aanpak.”
 
 
 
 

 

Trotst arriveerde hij dan ook in de hal met een bundeltje teksten en een splinternieuwe gitaar: een pastelgroene Rosewood Telecaster. Het instrument was een geschenk van de firma Fender en volledig met de hand gemaakt. Er bestaan maar twee exemplaren van dit prototype: één voor George en één voor Jimi Hendrix. Maar die van Hendrix is nooit afgegeven aan de gitarist – die overleed voor de gitaar klaar was.

 

Ringo had een nieuw drumstel: een bruine Ludwig Hollywood set en Paul had zijn Rickenbacker 4001S laten zandstralen. Het psychedelische tijdperk was definitief afgesloten.

 

En John…. Bracht Yoko weer mee. En dat begon de anderen al snel op de zenuwen te werken. Vooral omdat John erg passief was en Yoko het woord voor hem liet voeren. “Ik gaf nergens om toen. Ik was stoned van de H (heroine).”

 

Ook het vroege uur, de voortdurende aanwezigheid van de camera’s en de grote, lege hal waren geen ideale omstandigheden om creatief bezig te zijn. De repetities verliepen dan ook moeizaam en de sfeer was dikwijls zoek. Bovendien waren de vier nog niet terug opgeladen na de marathonopnamen van de dubbele witte LP. Urenlang werd er doelloos gejamd, waarbij dikwijls werd terug gegrepen naar het oude repertoire van rock ‘n’ rollstandaards en eigen nummers uit de beginperiode ‘One After 909’, ‘Too Bad About Sorrows’ en ‘I Lost My Little Girl’.

 

 

Met het naderen van de vooropgestelde datum voor het optreden in het vooruitzicht, brak  Paul na een paar dagen het koud zweet uit. Hij begon hem duidelijk te worden dat  als ze niet snel beter gingen spelen het faliekant zou gaan aflopen. Daarom begon hij dan ook de repetities te leiden, hetgeen George op stang joeg.

 

Zo ontstond er een discussie, tijdens het werken aan ‘Two Of Us’. Paul stelde vast dat er veel te veel tijd werd verknoeid met jammen en dat ze beter wat zouden werken aan fragmentjes en solo’s. George wierp op dat zoiets totaal nutteloos was, maar besluit gelaten: “Ik speel wat jij maar wilt dat ik speel en als je niet wilt dat ik speel, speel ik niet.”

Als compromis stelde Paul voor dat iedereen zijn eigen nummers zou regisseren en dat de anderen dan volgen.

 

En ondertussen bleven de camera’s voortdurend draaien, ook terwijl de muzikanten ruzie aan het maken waren.

 

 

Op zoek naar een locatie

 

Tijdens de lange pauzes tussen de repetities werden regelmatig de wildste ideeën opgeworpen over een mogelijke locatie voor het concert. Iemand stelde voor op te treden in een verlaten molen bij de Thames. Een ander kwam met het voorstel om een exotischer omgeving op te zoeken: een Romeins amfitheater of ergens in de woestijn. Stel je voor: The Beatles beginnen te spelen in de lege ruimte en dan komt het publiek binnendruppelen, alle rassen en naties door elkaar.

Michael Lindsay-Hogg suggereerde een cruiseschip op weg naar Noord Afrika. John en Paul waren daar wel voor te vinden, maar zowel George als Ringo verklaarden absoluut tegen te zijn. Desondanks werd alvast een driedaagse trip naar Afrika besproken.

 

 

En toen waren ze nog met drie

 

Het aanvankelijke optimisme van George Harrison was al snel omgeslagen in ergernis. Alles en iedereen scheen hem op stang te willen jagen. De vreemde omgeving, het vroege uur, voortdurende aanwezigheid van al dat volk… Paul natuurlijk, met zijn voortdurende bemoeienissen. Yoko die over alles haar mening meende te moeten ventileren en John die zich zo passief opstelde.

 

Het ergerde hem vooral dat zijn nieuwe nummers volkomen werden genegeerd. Op dinsdag 7 januari melde hij dat hij niet wou dat één van zijn nummers live zou worden gespeeld, wanneer zij niet serieus werden genomen. De gemoederen raakten verhit en Paul vertelde dat hij er over dacht naar huis te gaan wanneer de negatieve sfeer bleef voortduren. George daagde hem daarop uit de groep te laten splitten en John grapte dat hij dan de voogdij wou over de kinderen (de liedjes).  

 

Wanneer George de volgende toch nog eens een nieuwe song voorstelde was het weer prijs. John meende dat de ideale begeleiding voor ‘I Me Mine’ zou bestaan uit een accordeon en doedelzakken. Om zijn bewering te illustreren pakte hij Yoko bij de arm en walste door de zaal. 

 

Ook de dag daarna hadden George en John een hevige ruzie, waarbij John hem verweet dat zijn songs niets voorstellen.

 

Op vrijdag 10 januari barste de bom.

 

Tijdens de middagpauze beet George John toe dat hij niets bijdroeg aan de sessies en totaal niet geïnteresseerd was. Wanneer Yoko opmerkte dat George zelf te veel nieuwe nummers had was de maat vol. De “stille Beatle” had meer dan genoeg van Johns passiviteit. Hij beruste nu al jaren in zijn positie als nummer drie in de band. Maar nu John ook nog eens Yoko voor hem het woord liet voeren, zag hij zichzelf naar de vierde plaats verbannen.

Woedend gooide George zijn bord naar John, die reageerde met een rake klap in zijn gezicht.

 

George droop verslagen af en kwam na de lunch enkel terug om te zeggen dat hij uit de band stapte. Ze kunnen, wat hem betreft, een advertentie plaatsen om een vervanger te zoeken. “Ik zie jullie wel in de clubs!”

 

“Ik had er genoeg van,” verklaarde George later: “Ik vond het niet plezierig meer. Ik was ongelukkig in de band. Het hoeft voor mij niet meer, bedankt: ik ben weg.”

 

 

Schijnbaar onaangedaan door het vertrek van hun vriend hernamen John en Paul de repetities. John opende met een fragment van ‘A Quick One While He’s Away’ van The Who, waarna ze een lange jam inzetten, die Michael Lindsay-Hogg omschreef als “Vreemd, woest, brutaal en passioneel.” De enige “zang” kwam van Yoko, die op de vaste plaats van George was gaan zitten en af en toe een ijzingwekkende kreet slaakte.  

 

Na de ontlading kwam het gesprek weer op het optreden. Paul stelde de krater van een vulkaan voor.  Wanneer de regisseur, verbaasd over zoveel onverschilligheid, vroeg wat ze gingen doen als George niet zou terugkeren, antwoordde John: “Als hij dinsdag niet terug is, vragen we Eric Clapton. Gaan we verder als hij wegblijft? Ik wel. We zoeken wel iemand anders … We doen gewoon door alsof er niets is gebeurd.”

 

 

In een poging om de zaak uit te praten belegde Ringo dat weekend een vergadering bij hem thuis. George kwam luisteren wat ze te vertellen hadden. Maar wanneer John opnieuw zwijgend toekeek en Yoko begon: ‘Ik vind dat the Beatles….” stapte George het terug af.

 

Twee dagen lang repeteerden de overgebleven drie Beatles, nog doellozer dan tevoren. Tegenover Ringo legde Paul de schuld helemaal bij Yoko, maar verklaarde John dat niet te durven aanwrijven uit angst dat die gewoon uit de groep zou stappen. En dat kan niet want “hoe belachelijk zou het zijn,  wanneer in alle boeken komt te staan dat we uiteen gegaan zijn, alleen maar omdat John er op stond zijn lief mee te  brengen naar de sessies.”

 

Op woensdag 15 januari vond er een vijf uur durende vergadering plaats waarbij George zijn eisen duidelijk stelde: geen TV-show meer of hij verliet de groep definitief. Hij was wel bereid om in plaats daarvan verder te werken aan de opname van een  LP, maar dan enkel in hun eigen studio. Er werd overeengekomen de 20ste te beginnen.

Het concept van de TV-documentaire werd vervangen door dat van een speelfilm Get Back.

 

 

Apple Studio

 

In de kelder van het Apple hoofdkwartier aan 3 Saville Row werd er al maanden gewerkt aan de bouw van een eigen studio voor The Beatles. Alexis Mardas, de Griekse uitvinder en vriend van John, had de leiding over de inrichting. Hij heeft de studio uitgerust met zelfontworpen 72-sporen apparatuur (8-sporen was toen de standaard) en zelfs onzichtbare wanden.

Jammer genoeg blijkt niets te werken.

George Peckham, een van de geluidstechnici van Apple licht toe: “In principe had Alex goed ideeën, maar het ging niet. Tegen een muur had hij grote plaatstalen panelen geplaatst, die van binnen helemaal opgevuld waren met een soort spons. Dat zorgde voor reflectie en absorptie, zoals de moderne studio’s ook zijn gebouwd. Maar hij had de vloer niet zwevend laten maken, waardoor de trillingen overal werden doorgegeven. De open haard was ook nog open gelaten waardoor het geluid doorgegeven werd …”

“De opnamestudio van Alex in Apple was de grootste ramp aller tijden,” meent George Harrison. “Hij liep daar rond in een witte stofjas, als een soort chemicus, maar hij wist niet waar hij bezig was.”

 

Geconfronteerd met een studio die niet werkte riepen The Beatles George Martin ter hulp. Die huurde in allerijl 4-sporen apparatuur van EMI en liet alles overbrengen naar de Apple-studio.

 
 
 
 

 

Een vijfde Beatle

 

Toen de opnamen op woensdag 22 januari echt konden beginnen had George een gast meegebracht. Billy Preston was toetsenist bij de band van Ray Charles. The Beatles kenden hem nog uit de tijd dat hij bij Little Richard speelde, in Hamburg. George was te weten gekomen dat hij in Londen was de opnamen van een TV-special van Ray Charles voor de BBC.

 

“Het is interessant om te zien hoe mensen zich vriendelijk gedragen wanneer je een gast meebrengt, ” verklaart George Harrison. “Niemand wil laten zien dat ze kattig zijn. Hij zette zich aan de elektrische piano en meteen was de sfeer 100% beter. Billy wist niks van wat er allemaal aan de hand was en de spelletjes die er werden gespeeld. In zijn onschuld paste hij zich in en gaf de band de nodige kick”

 

Glyn Johns getuigt over de ommekeer: “Ze waren opeens uitgelaten. Ik denk dat ze het zelf niet eens doorhadden. Ik was totaal verrast door wat er gebeurde, zeker nadat ik van zo dichtbij getuige was geweest van de paranoia en de onmacht die er had geheerst de vorige weken.”

“Als je met iets goeds bezig bent, is er geen tijd voor gezever,” concludeert Ringo.

 

De volgende dagen werd in een ontspannen sfeer, het ene na het andere nummer uitgewerkt en opgenomen. De zaken verliepen zo goed dat John zelfs voorstelde om Billy permanent lid van de groep te maken. Waarop Paul droogjes opmerkte: “We hebben al last genoeg met vier!”

 

Aan het einde van de week greep Michael Lindsay-Hogg in. Hij wees er op dat de opnamen nog maanden zouden kunnen aanslepen en dat Ringo binnen een week weg moest om te gaan acteren. Er moest dringend een locatie worden gevonden om een concert te geven, waarmee de film kan worden afgesloten.

Wanneer de muzikanten even een luchtje gaan scheppen op het dak, kwam John met voorstel om daar te gaan spelen. George twijfelde en Ringo was ronduit tegen.

 

Terwijl ingenieurs de zaak controleerden en de technische aspecten uitwerkten gingen de volgende week de opnamen gewoon verder. 

 

 

Het dak op

 

 

Op de middag van donderdag 30 januari was het zo ver: zes verdiepingen boven de hoofden van de toevallige voorbijgangers begonnen John, Paul, George, Ringo en Billy aan het allerlaatste publieke optreden van The Beatles.

 

Dag en nacht is gewerkt aan de opbouw van een podium, het leggen van kabels, de huur van een helicopter…  Alan Parsons was toen nog een jonge geluidstechnicus: “Die ochtend meende Glyn Johns dat we weleens problemen konden krijgen met de wind in de microfoons. Hij stuurde mij er op uit op wat kousen of panty’s te gaan kopen. Daar stond ik dan, in de plaatselijke lingeriewinkel: ‘Ik had graag wat dameskousen.’ De juffrouw zei: “Natuurlijk, meneer. Welke maat?’ En ik weer: ‘Dat doet er niet toe.’ Volgens mij dacht ze dat ik er een bank mee ging overvallen of zo.”

 

“We waren wel wat ongewone dingen gewend,” blikt Jean Nisbet, een van de Apple bedienden terug: “Maar toen ze begonnen te spelen boven mijn hoofd en het plafond begon te trillen, dacht ik dat het tijd werd om iets te gaan doen. Ik haastte mij de deur uit en de straat op. Overal hingen er meisjes uit de ramen van de omliggende kantoren. Honderden voorbijgangers stonden verbaasd naar het dak te staren… Het verkeer was stil gevallen.

Iedereen reageerde heel positief, op een paar buren na, die zo al niet gekken waren op de aanwezigheid van Apple in hun straat.”

 

John Hewlett, toen bassist bij John’s Children en later manager van The Sparks was getuige van het getuige: “The Beatles waren fantastisch. Het was ongelofelijk. Ik had hen nooit van zo kort bij gezien. Ik had hen een paar keer in de studio aan het werk gezien, maar ik had hen nooit een hele song horen doen. Het was onbeschrijfelijk.

Zij genoten er zelf ook van, vooral Lennon. Ik was het meest onder de indruk van Lennon en Ringo Starr… hij kreeg wel eens kritiek over zijn drumspel maar hij was geweldig en echt uniek. Ik kwam net terug van mijn middagpauze en hoorde al dat lawaai. We klommen het dak op en zaten daar gewoon naar hen te kijken.”

 

Producer Alan Parsons is nog steeds onder de indruk: “Om hen samen te zien spelen en de reacties van de mensen daarop… vijf camera’s van aan de andere kant van de straat… het was ongelofelijk..  pure magie.”

 

Het optreden is nooit bedoeld als een echt concert en de setlist bestaat dan ook uit slechts vijf songs. Die werden wel elk een aantal keren werden gespeeld, om een zo goed mogelijke versie vast te leggen voor de film.

 

‘I’ve Got A Feeling’

 

‘The One After 909’

 

‘I Dig A Pony’

 

‘Don’t Let Me Down’

John was de tekst van ‘Don’t Let Me Down’ vergeten en improviseerde wat tijdens de eerste versie. Voor de tweede is iemand snel de tekst gaan halen en houdt die voor hem op.

 

Na een kleine drie kwartier kwam de politie een einde maken aan de voorstelling. Enkele buurtbewoners hadden klacht ingediend. The Beatles zelf vinden het niet erg. Paul McCartney: “Onze roadie, Mal [Evans], kwam naar ons toe geslopen – hij probeerde uit beeld te blijven – en hij zei: ‘De politie komt. Jullie moeten ophouden.’ Wij riepen: ‘We stoppen niet! Door doen.’ En hij weer: ‘De politie gaat jullie arresteren.’ ‘Prima einde voor de film. Laat ze maar doen!’ Fantastisch, niet?”

 

‘Get Back’

 

Na afloop van het laatste nummer bedankt McCartney Ringo’s vrouw Maureen voor haar enthousiaste applaus: “Thanks, Mo!”. Lennon krijgt het laatste woord met zijn opmerking: “I’d like to say ‘thank you’ on behalf of the group and ourselves, and I hope we passed the audition!”

 

 

In totaal zijn 28 uur film en meer dan honderd uur geluidsopnamen gemaakt. De film en LP verschijnen na heel veel getouwtrek en geruzie uiteindelijk als Let It Be, in de lente van 1970. Maar The Beatles zelf bestaan dan al niet meer.

Vandaag is er iemand op mijn blog terecht gekomen door te googelen met de vraag: “hoe is bob dylan overleden?”

Voor alle zekerheid heb ik het even nagekeken – je weet maar nooit.
Gelukkig bleek het loos alarm.

Tijdens het zoeken  stootte ik hierop:

According to Michael Gray:
“A new Dylan studio album, which, it had been whispered, was tentatively planned for the autumn may now be in the works for earlier release, perhaps even in time to coincide with Bob’s upcoming European tour. I can’t say more. I would if I could.”

Update 10 februari:

De nieuwe cd zou de soundtrack betreffen van de film MY OWN LOVE SONG. In de film   van regisseur Olivier Dahan zouden de acteurs, waaronder Renee Zellweger, de songs zingen. Maar op de plaat zouden de versies door Dylan zelf worden gebracht.

Afwachten maar.

 

Na het grote succes van de Trio LP in 1987 kregen Emmylou Harris, Linda Ronstadt en Dolly Parton steeds weer dezelfde vraag te horen: “komt er een vervolg?”. Het duurde echter twaalf jaar eer Trio II in de winkels lag en het is zeer onwaarschijnlijk dat er ooit nog een Trio III zal verschijnen.

Was de eerste plaat al een moeilijke bevalling, bij de tweede ontstonden er nog veel meer complicaties.

 

 

Emmylou Harris

 

Het begin van de jaren negentig was een periode van grote veranderingen voor Emmylou Harris. Aan het einde van de jaren tachtig had ze problemen gekregen met haar stembanden. Ze kon de voortdurende competitie met het versterkte instrumentarium van haar begeleidingsband The Hot Band niet meer aan. Noodgedwongen ontbond ze de band die haar jarenlang had begeleid.

 

In januari 1992 liep ook haar derde huwelijk, met Paul Kennerley, op de klippen en de platenmaatschappij  Warner Bros./Reprise Records beëindigde, na twintig jaar, de samenwerking met haar. De reden daarvoor was dat ze nog weinig werd gedraaid door de Amerikaanse radiozenders. Die vonden haar te oud.

 

Ze liet zich echter niet ontmoedigen en vocht terug. Ze formeerde een nieuwe band: The Nash Ramblers. Met die puur akoestische band gaf ze enkele optredens in het Nashville’s legendarisch Ryman Auditorium. De zaal van waaruit vroeger de Grand Old Ophry uitzendingen plaatsvonden stond al enkele jaren leeg. Met de opbrengsten van de uitstekende live-LP At the Ryman, hielp ze mee de zaal terug in orde te laten brengen.

 

Daarna wou ze terug iets gaan doen, samen met Linda Ronstadt. Ze wou ook andere mensen er bij betrekken: zangers en schrijvers waarvoor ze een bewondering had, zoals de Canadese zussen McGarrigle. Ronstadt introduceerde haar aan Alison Krauss.

 

 

Met of zonder Dolly?

 

Ronstadt stelde ook voor om Dolly er terug bij te halen. Maar Emmylou zag dat zo niet zitten. Ze herinnerde zich maar al te goed hoe moeilijk de vorige samenwerking was verlopen. Wat een problemen het gaf om de agenda’s op mekaar af te stemmen en hoe moeilijk het was geweest om promotie te doen voor de plaat – en dat was nu nog belangrijker geworden dan vroeger.

Puur praktisch bekeken zou het een ramp zijn als Dolly aan de plaat meewerkte en zich dan terug trok. “Met ons tweeën konden we de plaat niet promoten, als het een trio-lp was,” weet Linda. “Dus wou Emmy dat we het onder ons hielden. Bovendien herinnerde ze zich dat wij een andere smaak hebben dan haar. Maar ik vond dat wat we met ons drieën hadden gedaan zo mooi was. Ik wou dat overdoen, dus vocht ik daar voor.”

 

Ze polsten Dolly of die zin heeft om mee te werken aan een paar tracks. Die liet weten dat ze het te druk had.

 

In 1993 had Dolly Parton namelijk net de jackpot gewonnen – of toch iets in die aard. Whitney Houston had een oud nummer van haar gecoverd voor de soundtrack van de film The Bodyguard. Gedurende de laatste maanden van 1992 en de lente van 1993 voerde ‘I Will Always Love You’ maar liefst 14 weken de Amerikaanse hitlijsten aan en er werden 12 miljoen exemplaren van verkocht.

Dolly had het nummer twintig jaar eerder geschreven als afscheid aan haar muzikale partner en mentor Porter Wagoner. Het was toen ook al een dikke  countryhit geweest voor haarzelf. Elvis Presley had het nummer toen willen coveren, maar zijn manager had de helft van de rechten opgeëist en daar had ze niet van willen weten. Dat was dus niet doorgegaan.

“En nu kan ik Graceland zelf kopen,” grapte ze.

 

Een half jaar na haar oorspronkelijke weigering, liet Dolly Parton opeens weten wel weer mee te willen werken aan een tweede Trio plaat.

 

 

1994

 

Omdat Bob Krasnow, de grote baas van Elektra, de platenmaatschappij van Linda Ronstadt, de samenwerking met Dolly Parton niet zag zitten, was Linda bereid de kosten voor de opnamen op zich te nemen. Een studio werd geboekt in Marin County, Californië. Een aantal topmuzikanten werd ingehuurd, zoals mandolinespeler David Grisman, steelgitarist Ben Keith, drummer Jim Keltner en bluegrassgitaristen Carl Jackson en John Starling. Daarnaast waren er ook mensen als Alison Krauss op fiddle en David Lindley op autoharp.


En dan, de avond voor de eerste sessie, kwam er een fax van Dolly: er was iets misgelopen en ze moest een dag of tien weg.

 

Omdat de muzikanten veel te duur waren om ze terug naar huis te sturen, besloten de beide andere zangeressen de opnamen maar te maken zonder Dolly.

 

Uiteindelijk kwam Parton toch opdagen. Emmylou en Linda namen haar even apart. Ze wilden er zeker van zijn dat er nu niets meer fout kon gaan. “We vragen je nu of je bereid bent om drie wken uit te trekken voor promotie en een korte tournee. We moeten een datum vastleggen.” Zij geeft haar woord.

“‘Ik heb zoveel ijzers in het vuur dat ik mijn eigen kont verbrand,’ dat waren haar exacte woorden,” herinnert Linda Ronstadt zich. “Wij dachten: ‘Dat is mooi.’ Maar ze had haar erewoord gegeven.

Krasnow was er echter niet gerust in. Hij zei: “Ze heeft de reputatie niet betrouwbaar te zijn.” Maar ik zei: ze gaf me haar erewoord en dat is voldoende voor mij.”

 

Ze spraken een datum af waarop Dolly haar zang zou toevoegen. De studio werd voor een week gereserveerd… En dan zei ze opnieuw af. “Dat koste ons alweer $20,000,” zucht Ronstadt. “Iedere keer als we zo een fax kregen gingen er twintig in rook op.”

 

De zenuwen raakten stilaan overspannen. Emmylou had net haar vader verloren, maar er stond ook een tournee geboekt en af zeggen zou een enorm financieel verlies met zich meebrengen. Linda had net een nieuwe baby gekregen en spendeerde elk vrij uur in de studio, waar ze, samen met George Massenburg, de zaak op tijd probeerde klaar te krijgen.

 

Een van de eerste songs die af raakt is de hymne ‘Softly And Tenderly’… en die blijft tot 2007 in het archief liggen, tot Emmylou hem opdiept voor haar Songbird boxset. Ze vertelt daarover: “Ik vond het erg jammer dat deze [song] niet werd uitgebracht. Ik vind de zang zo buitengewoon. Wanneer Linda daar omhoog gaat begrijp je weer waarom ze een van de mooiste stemmen heeft…. en dan lieten we Dolly weer terug die oude nummers zingen…Het was een ongelofelijke ervaring om die stemmen  terug samen te horen.”

 

‘Feels Like Home’ was geschreven door Randy Newman, voor zijn Faust project, waaraan Linda had meegewerkt.  Het kreeg een prachtige, nieuwe benadering die het nummer helemaal tot zijn recht liet komen.

 

Op ‘Lover’s Return’, een song van A. P. Carter, uit 1935, speelt de fiddle van Alison Krauss een prominente rol. Maar het mooiste is de cover van ‘After the Gold Rush’. Het titelnummer van Neil Young’s plaat uit 1970 word gedragen door piano, maar krijgt daarbij de hulp van een heel bijzonder instrument: de armonica. Dat is een glasinstrument, waarvoor Linda een bijzondere belangstelling heeft.

 

In dit clipje, gedraaid in maart 1999 in een synagoge in New York, is het instrument twee keer heel even te zien, tegen het einde aan.

 

 

Uiteindelijk stonden Dolly’s partijen er op. Of toch bijna. “We moesten nog twee mixen doen en toen bracht ze opeens een live LP uit – een maand voor onze plaat zou verschijnen. Ze zei dat die goed zou verkopen en dat de Trio plaat zou helpen promoten.

Wel, dat vonden wij dus niet zo’n goed idee. Maar we konden haar niet aan de telefoon krijgen.”

 

De kosten liepen verder op en de afgesproken releasedatum naderde schrikbarend snel. Paniek sloeg toe. Tracks werden aan de kant geschoven en Linda begon voor een aantal songs Dolly’s partijen zelf in te zingen. Voor andere werd Valerie Carter er bij betrokken.

 

Pas na meer dan een week beantwoorde Dolly Parton de telefoon. “Hoe kunnen jullie mij dit aandoen?” pruilde ze, “Ik verdrink in het werk.”

“Dolly, je hebt een keuze gemaakt,” stelde Linda.

“Het was God’s wil,” meende Dolly: “alsof je een been breekt of zo.”

“Niks God’s wil,” kaatste Linda terug. “Het was de wil van Dolly.”

 

Volgens Parton “smeekte en bad” ze haar partners nog om het uitbrengen van de plaat uit te stellen tot de volgende lente. Dan zou ze zich zeker kunnen vrijmaken voor promotie. Maar dat zien ze niet zitten “Het werd een machtsstrijd,” meent Parton: “Het maakte dat ik me gekwetst voelde, beledigd en beladen met schuld. Ik zou mij aan mijn woord gehouden hebben, maar mijn belofte was niet goed genoeg voor hun. Uiteindelijk riep ik: ‘De pot op. Vervolg me dan maar.'”
 

 

 

Feels Like Home

 

Om tenminste een deel van haar kosten te recupereren besloot Linda een aantal songs te gebruiken voor haar volgende solo-LP. Dolly (of haar platenmaatschappij) wilden echter geen toestemming geven voor het gebruik van haar stem. De songs mochten wel worden gebruikt – mits haar stem was weggemixt – tegen een redelijke financiële vergoeding.

 

Met de hulp van, onder andere, Alison Krauss nam Ronstadt nog een aantal bijkomende songs op en in maart 1995 verscheen Feels Like Home. Vijf van de songs waren afkomstig van de Trio sessies: ‘High Sierra’, ‘The Blue Train’, ‘Feels Like Home’, ‘After the Gold Rush’ en ‘Lover’s Return’.

 

Ter vergelijking: de “solo-versie” van Linda Ronstadt.

 

 

Dolly slaat terug

 

In juli 1995 publiceerde het Amerikaanse damesblad Home Journal een interview met Dolly Parton. Tegenover Jim Jerome liet ze zich laatdunkend uit over haar beide collega’s: Harris noemde ze “een brave country puriste die haar materiaal  uiterst zorgvuldig uitkiest” en Ronstadt, een perfectionistische diva die “leeft voor de studio en zo langzaam werkt dat ik er gek van wordt. Ik wou een cattle prod nemen (nvdr: een stok waarmee het vee een elektrische schok wordt toegediend om het aan te sporen) en roepen: ‘Wordt wakker, teef, ik heb nog wat anders te doen’.”

Dat was allemaal nergens voor nodig, vond ze, want “ik zing het net zo goed de eerste keer als de honderdste.”

 

Op de vraag of de vriendschap nu voorbij was, antwoordde Parton schouderophalend: “We waren toch al nooit zo close – gewoon zakenrelaties.” Ze wil wel toegeven dat ze het jammer vindt van de prachtige samenzang, die aanvoelde “als een creatief, emotioneel orgasme.” 

 

 

Natuurlijk vielen die uitspraken niet in goede aarde. Linda Ronstadt reageerde in een interview met Bill Deyoung, dat in augustus 1996 verscheen in Goldmine. 

“Ik kan niet met haar werken. Ze heeft bewezen dat ze onbetrouwbaar is. Emmy wil niet meer met haar werken, omdat zij vindt dat ze geen waardering heeft voor wat wij gedaan hebben. Daarom is die plaat niet uitgekomen. En Dolly heeft ons dan ook beledigd in dat interview. Zij was erg onvriendelijk tegenover ons. Ik vind dat ze zich moet verontschuldigen.”

 

En dat deed zij dan ook.

“Ze schreef ons allebei een brief en zei dat ze spijt had van hoe het allemaal was gelopen,” vertelt Ronstadt drie jaar later aan hetzelfde tijdschrift, “en dat het fijn zou zijn om de plaat toch nog een kans te geven, in de vorm waarin ze oorspronkelijk was bedoeld. We hebben het bijgelegd en dat was dat.”

 

In 1997 werden de oorspronkelijke opnamen terug boven gehaald en eindelijk afgewerkt. Maar het was nog steeds moeilijk om de agenda’s op mekaar afgestemd te krijgen en het duurde tot februari 1999 eer Trio II in de rekken verscheen. De drie hadden zelfs nooit de tijd gevonden om samen te poseren voor een hoesfoto, zodat er zwart-wit fototootjes uit hun kindertijd moesten worden gebruikt.

 

De kritieken zijn nog steeds zeer positief, maar de magie van de eerste keer is er niet meer. Er worden dan ook “slechts” een half miljoen exemplaren van verkocht – een vierde van de voorganger.

 

In maart 1999 vindt een korte gezamenlijke tournee plaats. Ook het videoclipje voor ‘After The Goldrush’ werd toen gedraaid.

 

High Sierra

 

En hoe kijkt Emmylou Harris nu terug op hun avontuur?

“Uiteindelijk, mogen we mekaar toch graag. Er waren gewoon wat misverstanden en die zijn uit de hand gelopen. Ik dank dat iedereen er spijt van heeft, omdat we van mekaar houden en vooral van de muziek die we samen maken. Ik ben erg blij dat Trio II uitgekomen is. Maar belangrijker nog, vind ik, is dat we rond de tafel zijn gaan zitten en ons hart hebben gelucht. We zijn terug vriendinnen nu. Dat is het belangrijkste. Want dit zijn twee zeer bijzondere vrouwen. Wij drieën hebben een zeer speciale band.”

 

trio

 

 

Supergroepen zijn meestal geen lang leven beschoren. Wat begon als een vriendenclubje eindigt haast altijd met discussies waarbij een klein legertje advocaten elke partij vertegenwoordigt. Het komt dan ook zelden voor dat zulke groepen meer dan één plaat kunnen uitbrengen.  Trio, bestaande uit drie vooraanstaande dames uit de Amerikaanse country – en rockmiddens slaagden er in om twee platen te maken. Maar ook dat was niet zonder slag of stoot gegaan.

 

Linda Ronstadt en Emmylou Harris hadden mekaar voor het eerst ontmoet in 1973. Linda was toen een rijzende ster. Ze had al een Grammy onderscheiding ontvangen voor haar hit ‘Long Long Time’. Haar LP Hand Sown… Home Grown wordt weleens aangewezen als de eerste alternatieve countryplaat van een zangeres.

Maar grotere dingen lagen in het verschiet: de Britse producer Peter Asher zou haar doorbraak forceren bij een breder publiek door haar een repertoire te laten brengen waarbij rock en countrysongs mekaar afwisselden. Met hits als ‘You’re No Good’ legde zij samen de basis voor de internationale doorbraak die in 1977 zou volgen met Simple Dreams.

 

Ook Emmylou Harris was aan het begin van haar carrière. Na een mislukte debuutplaat was de folkzangeres door ex-Byrd Chris Hillman ontdekt. Hij vroeg haar om bij zijn groep The Flying Burrito Brothers te komen spelen. Toen die groep echter al snel over kop ging, stelde hij haar voor aan Gram Parsons. De jongeman had eerst met The Byrds en daarna met diezelfde Burrito’s geprobeerd de werelden van country en rock te verzoenen. Voor zijn eerste solo-lp was hij op zoek naar een zangeres, in de traditie van Tammy Wynette en George Jones of Dolly parton naast Porter Wagoner. Ter promotie van die eerste LP GP, waren  Gram en Emmylou in de lente van 1973 op tournee met de band The Fallen Angels.

 

Het was backstage tijdens Neil Young’s Time Fades Away tour dat Chris Hillman – hij weer – de twee zangeressen aan mekaar voorstelde. “Jullie zouden goed met mekaar kunnen opschieten,” had hij gezegd.  En gelijk had hij. “Bij ons eerste gesprek bleek dat we allebei als favoriete zangeres Dolly Parton gemeen hadden,” weet Harris.

 

“Toen ik haar voor het eerst ontmoette, dacht ik: ‘Ik wel met haar zingen’,” vertelt Linda Ronstadt: “Ik zag ons al de Everly Sisters. Ze had natuurlijk al Gram om mee te zingen en dat was een fantastische combinatie. Ik weet nog dat ik tegen mijn toenmalige vriend zei: dat Emmy hoger en langer kon zingen dan ik, en luider en zachter en dat haar frasering beter was. Ze was op-en-top country–rock. Country–rock was tot dan toe mijn specialiteit, maar ze waren mij hard aan het pushen om meer de rocktoer op te gaan. En ik vond: ‘Ze doet dat zo goed, ik geef het op.’ Niemand kan tegen haar op.

Ik heb toen een keuze gemaakt. Ik besloot dat van haar muziek genieten belangrijker voor mij was dan dat ik zou vasthouden aan het idee dat ik de “queen of country–rock” was. Ik beschouwde haar als mijn zang-zus en ik wou iedere gelegenheid aangrijpen om met haar samen te kunnen zingen. En dus zongen we een duet op ‘I Can’t Help It (If I’m Still In Love With You).’ We wonnen zelfs een Grammy voor die plaat.”

 

‘I Can’t Help It (If I’m Still In Love With You)’ stond op Heart Like A Wheel, haar eerstvolgende LP, uit het najaar van 1974.

 

Dolly Parton was op dat moment al een grote ster. Samen met Tammy Wynette was zij één van de leading lady’s van de countrymuziek.

Op Pieces Of The Sky, haar eerste solo-LP na het overlijden van Gram Parsons had Emmylou een cover gebracht van ‘Coat Of Many Colors’, de grootste hit van Parton.

Om haar te bedanken coverde Dolly het volgende jaar Emmylou’s eigen ‘Boulder To Birmingham’ op de LP All I Can Do. Voor die plaat verscheen had ze Emmylou uitgenodigd om de banden te komen beluisteren. De song net voor ‘Boulder’ was daarbij ‘To Daddy’. Harris raakte niet uitgesproken over wat een prachtig nummer ze dat vond, zodat Parton het haar gaf voor haar volgende LP. Ze nam de song op 6 mei 1977 op en het werd een dikke hit op Quarter Moon In A Ten Cent Town.

 

In september 1975 zongen de drie voor het eerst samen. “Van de eerste keer dat we samen zaten wisten we dat onze stemmen mooi samen pasten, “ vertelt Emmylou, “Ik denk dat het eerste nummer ‘When I Stopped Dreaming’ was. Het klonk prachtig. Daarna namen we ‘Light Of the Stable’ op als Kerstsingle – daar kwam dan weer mijn Kerst-LP van voort. En iemand zei toen: ‘We zouden een hele plaat moeten doen.’ Iedereen was het er mee eens.”

De basis was gelegd voor een samenwerking.

 

‘Applejack’ tijdens de Dolly Parton Show in 1976

 

 

In de volgende maanden zong Dolly ook mee op ‘I Never Will Marry’ van Linda’s Simple Dreams en ‘When I Stop Dreaming’ van Emmylou’s Luxury Liner – twee albums die werden uitgebracht in 1977.

 

 

The Queenston Trio

 

Ergens in de loop van dat jaar kreeg Ronstadt een telefoontje van Harris. Ze zei dat ze Parton had uitgenodigd voor een bezoekje aan haar huis in Los Angeles. “Ik zal er zijn,” reageerde Ronstadt meteen enthousiast. Wanneer Harris die avond haar gitaar bovenhaalt, wordt het pas echt gezellig. “We begonnen samen te zingen en het klonk echt fantastisch,” vertelt Ronstadt:  “We zeiden ‘Wow, dit moeten we opnemen.'”

 

Ronstadt  legt uit dat ze nochtans een heel ander stem heeft dan Harris. “Maar ik heb zoveel met haar platen meegezongen dat ik haar heel goed kan schaduwen. Dolly kan niemand kopiëren, maar je moet je in haar geest verplaatsen en zingen zoals zij doet – met het hart. Je moet je laten meedrijven en het aanvoelen zoals zij dat doet. ”

 

In de herfst van 1977 begonnen Emmylou Harris, Dolly Parton en Linda Ronstadt aan de opnamen van een gezamenlijke LP. Ze noemden zich het Queenston Trio, naar de legendarische folkgroep het Kingston Trio.

 

Brian Ahern, Emmylou’s echtgenoot en vaste producer zou de zaak in goede banen leiden. Hij werkte zoals steeds met zijn mobiele studio: de Enactron Truck. Hiermee heeft hij alle LP’s van Emmylou opgenomen tot dan toe, gewoon bij hem thuis. De opnameapparatuur wordt opgesteld in de woonkamer en de kabels lopen over het gazon naar de oprit waar de truck staat geparkeerd. Communicatie verloopt via een gesloten TV-circuit. 

 

In 1996 legt Linda Ronstadt aan Bill Deyoung uit dat precies deze werkwijze bijgedragen heeft tot het mislukken van het project. “Ik denk dat we bijna rond waren. Maar er waren teveel problemen. Brian is een uitstekend producer, maar hij was er niet helemaal bij voor dit project. Hij communiceerde niet goed. Ik ben gewoon om te werken met iemand waar ik mee kan discussiëren. De controlekamer was in de vrachtwagen en wij zaten binnen… en er waren veel drugs in omloop in die tijd. Ik zeg niet dat wij ze namen, maar ze waren er wel. Het was een andere mentaliteit.

Het was vooral moeilijk voor Emmy om getrouwd te zijn met de producer. Soms was ze het niet met hem eens over iets, maar dan had zij had toch het gevoel dat ze zijn kant moest kiezen. Soms werd te lang over iets doorgeboomd. Het was pijnlijk, zowel voor Brian als voor Emmy.. als voor ons allemaal dat de zaak neit doorging. Maar Dolly en ik hebben de knoop doorgehakt, aan de telefoon. We vonden dat wat we hadden niet goed genoeg was. “

 

Volgens Ronstadt was uiteindelijk niet idereen genoeg betrokken bij het project en was iedereen teveel bezig met haar eigen carrière.

 

In de loop van de daaropvolgende jaren zijn sporadisch wat opnamen opgedoken op LP’s van de dames. ‘Even Cowgirls Get the Blues’ (van Rodney Crowell) bracht Emmylou op haar album Blue Kentucky Girl en op Evangeline (1981) stond hun versie van ‘Mister Sandman’, een jaren vijftig song van The Chordettes.

 

“Ik was er echt op tegen om die song te doen,” vertelt Emmylou jaren later, “en uiteindelijk kreeg ik dan ook nog het moeilijkste stuk. Er was al niet te veel melodie aan dat ding en voor de harmoniezang was er nog minder. Door de jaren heen heb ik het nummer echter leren appreciëren en respecteren, precies omdat het zo moeilijk is. Het is zoiets als Russisch leren spreken of zo.”

 

Wanneer Emmylou’s het nummer als single wil uitbrengen, stuit ze op een veto van de platenfirma van Dolly. Er zit niets anders op dan de andere stemmen weg te mixen en zelf in te zingen. Het is al die moeite waard, want het resultaat wordt een top 10 hit.
“‘Mister Sandman’ was één van de problemen,” meent Linda. “We zongen het niet gelijk. Het is geen goede versie. Ik vind haar versie oneindig veel beter.”

Een andere song, het door Dolly geschreven ‘My Blue Tears’ verscheen op Linda’s LP Get Closer (1982). “Ik heb dat speciaal gevraagd,” verklapt Ronstadt: “Dat is de richting die we uitmoesten met ons driën, volgens mij. ‘Even The Cowgirls Get The Blues’ was er ook zo een en ‘Evangeline’.  Ik herinner me dat Dolly vond dat de LP te rommelig was en ik ben het met haar eens.”

 

Een clipje uit 1981 voor ‘Mr. Sandman’ .

 

De gospel ‘Palms Of Victory’ tenslotte verschijnt pas dertig jaar later, op Emmylou’s compilatie Songbird. Het is de eerste keer dat een nummer van die sessies onopgesmukt verschijnt. “We houden allemaal van The Carter Family dus leek ‘Palms Of Victory’ een vanzelfsprekende keuze,” vertelt Emmylou daarover in het boekje.

 

 

The Twisted Sisters

 

Na die mislukte eerste poging duurt het een aantal jaren eer de dames terug met elkaar kunnen of durven samenwerken. “We waren de richting kwijt,” meent Harris. “Het was uiteen gevallen. Ik denk dat we niet terug samen durfden te komen, omdat we niet wilden dat het weer op niks zou uitdraaien.”

Bovendien had Parton haar handen vol met het uit de grond stampen van Dollyville, haar themapark in de buurt van Knoxville, Tennessee. Harris had een scheiding te verwerken en Ronstadt zat met rugklachten.

 

Het is 1984 wanneer Emmylou de eerste stap zet en de beide zangeressen naar de studio lokt. Op haar conceptalbum Ballad of Sally Rose is Dolly zowat op alle songs te horen en op één song, ‘The Sweetheart Of The Rodeo’, is het trio zowaar herenigd.

 

Het ijs is gebroken, iedereen heeft een nieuwe platenmaatschappij en de agenda’s worden naast elkaar gelegd. Er wordt een periode van drie weken gevonden wanneer iedereen beschikbaar is:  januari 1986. 

 

Het eerste probleem is het bepalen van het materiaal: welke nummers ze gaan opnemen. Linda Ronstadt: “Het probleem was dat Emmy en ik passioneel zijn over de materiaalkeuze. Dat leidde dikwijls tot situaties waarbij we met tweeën tegenover één stonden. Jammer genoeg heeft Dolly dikwijls een andere smaak; zij heeft een andere mening over wat mooi is, of indrukwekkend. Het was moeilijk voor ons om haar niet te kwetsen of het gevoel te geven dat we hipper waren of ons beter voelden. Ik denk dat ons dat goed is gelukt. We hadden geen enkele keer ruzie.”

 

“We discussieerden lang of we een rockplaat of een popplaat zouden maken,” legt Parton uit.

“We hielden alle opties open,” verklaart Ronstadt.

“Het duurde even eer we beseften dat het niet de bedoeling was om de allerbeste plaat ooit te maken,” weet Harris. “Eigenlijk  wilden we alleen maar een mooi akoestisch plaatje maken. Het was niet onze bedoeling om er een enorme popplaat van te maken. Waar we het best in zijn is samen eenvoudige, melodische liedjes zingen met een simpele akoestische begeleiding. De eer [van die beslissing] komt eigenlijk toe aan Brian [Ahern]. Hij was het die ons die richting op stuurde. Wij waren aan het discussiëren van ‘We moeten dit doen. En ‘We eten dat doen!’ En dat was waar het fout liep [bij die eerste poging]. Als je goed luistert naar deze plaat is het eigenlijk puur akoestisch.”

En dan kom je al snel uit bij de muziek uit de Apalachen: pure, meerstemmige muziek met akoestische instrumenten: gitaar, autoharp, dobro, dulcimer….. “Dat is wat we wilden,” giechelt Ronstadt: “old-timey.”

“Wat we gemeen hebben is de liefde voor die muziek,” voegt Parton daar aan toe: “We kunnen uren en uren doorgaan [met die liedjes] te zingen. We worden het nooit moe.”

 

George Massenburg wordt ingehuurd als producer. Volgens hem hielden de vrouwen de touwtjes strak in handen: “Het was hun plaat. Dit zijn drie vrouwen die de controle hebben over hun leven en carrières. Ze aanvaarden niet om het even wat als het gaat om hun muziek en waar ze staan in de wereld.”

 

Omdat er de vorige keer “teveel chiefs waren en te weinig indianen” besluiten ze nu anders te pakken. Naast de producer huren ze nog een aantal mensen in – als buffer: John Starling is “Musical Director” en Herb Pedersen “Vocal Arranger”.

“Niemand wou de rol op zich nemen om te zeggen: ‘zing jij dit’ of ‘zing jij tenor dan doe ik de basstem’,” legt Pedersen uit. “Dus was het mijn taak om naar het arrangement te luisteren en dan suggesties te doen in de aard van: ‘Misschien kan Dolly dit deel zingen, want dat past beter bij haar stembereik en dat is dan makkelijker voor Linda en Emmy kan dan de bariton zingen’. Het hing af van de melodie en de toonaard.”

 

Toen hij er bij kwam waren alle backingtracks al opgenomen. Het was puur zijn job om de samenzang te regelen.

“We namen de zang op als individuele delen,” legt Linda uit, “omdat we niet de luxe hadden om veel tijd samen door te brengen op een tour bus… en mekaars (vocale) bewegingen leren… duurt jaren.”

 

De opnamen lopen uit. In maart 1986 kondigt Harris aan dat ze bijna klaar zijn: “We moeten nog één nummer samen zingen en dan nog een a capella song. Maar misschien komen we daar niet meer aan toe…”

In mei wordt aangekondigt dat de LP herdoopt is in The Twisted Sisters.

 

Na afloop van de opnamen duurt het nog even voor het resultaat kan verschijnen. Omwille van hun drukke agenda’s is het moeilijk om tijd te vinden waarin ze zich allemaal kunnen vrijmaken voor promotie. Er is ook sprake van een gemeenschappelijke tournee, maar die komt er nooit. “Ik denk dat Dolly’s manager het geen goede carrièrezet voor haar vond,” meent Linda Ronstadt. “Het is niet aan ons om te bepalen wat zij belangrijk moet vinden. Hij overtuigde haar dat het voor haar belangrijker was om een Tv-optreden te doen.”

 

Geen tour dus, maar wel enkele afzonderlijke optredens, zoals tijdens de Country Music Association show op 13 oktober 1986. Ze brengen er ‘Dear Companion’, een nummer van Jean Ritchie. “Het is niet oud,” verklaart Ronstadt, “maar het klinkt tijdloos en heeft zijn wortels in de bergen.”

 

 

De plaat, uiteindelijk simpelweg Trio gedoopt, ligt vanaf 2 maart 1987 in de winkels – tien jaar na de eerste sessies. De kledij die de drie zangeressen op de hoesfoto dragen is speciaal voor de gelegenheid ontworpen door Manuel uit Hollywood. Het zwarte pakje dat Linda Ronstadt draagt koste maar liefst $11,000. De andere zijn iets bescheidener: dat van Dolly kostte $5,000 en het Hank Williams-achtige vest van Emmylou “slechts” $3,500.

 

De plaat wordt voorafgegaan door de eerste single, ‘To Know Him is to Love Him’ . Dat is een cover van een single van The Teddy Bears, uit 1958. Eigenlijk is het de allereerste single van Phil Spector, die het nummer ook zelf schreef, gebaseerd op het opschrift op het graf van zijn vader.

“De song kwam binnengewaaid recht in de mond van Emmylou,” verklaart Ronstadt. “Toen we het akoestisch zongen leek het net een gebed. Het paste gewoon zo goed bij haar stijl dat we het wel moesten opnemen.”

De tremologitaarsolo is van Ry Cooder.

 

Er wordt een videoclipje bij gemaakt, geregisseerd door George Lucas. De Star Wars regisseur was op dat moment de partner van  Linda Ronstadt – vandaar. Het filmpje wordt opgenomen bij Linda thuis.

 

 

De single doet het erg goed en bereikt de top van de countrylijst.

 

Voor de opvolger valt de keuze op ‘Telling Me Lies’, een prachtig nummer van Linda Thompson, de ex van Richard Thompson en een heel goede vriendin van Linda Ronstadt.

 

Hoewel de plaat totaal niet past binnen de dan heersende stromingen wordt Trio wordt een enorm succes: behalve vijf weken aan de top van de Amerikaanse countrylijst bereikt de plaat ook de zesde plaats van de gewone lijst. Voor Emmylou is het de eerste keer dat ze een platinaplaat mag ontvangen – en ook de enige keer. Verder zijn er ook nog twee Grammy onderscheidingen.

 

Precies omdat het allemaal akoestisch is gehouden is Trio een tijloze plaat die perfect vandaag zou kunnen worden uitgebracht – maar evengoed vijftig jaar geleden. Een klassieker dus.

 

‘Those Memories’ uit een TV-show in 1987

 

 

Nog een heel mooi filmpje (bijna tien minuten lang) waarbij de drie dames, om de beurt, de leadvoacls voor hun rekening nemen. En tussendoor ook nog wat uitleg geven bij hun songkeuze.

 

‘Dear Companion’, ‘Hobo’s Meditation’ en ‘Those Memories Of You’

 

Eric, Bonnie, Delaney, George

Eric, Bonnie, Delaney, George

 

Onlangs overleed Delaney Bramlett op 69 jarige leeftijd. Voor vele muziekfans zal hij een illustere onbekende zijn, maar voor diegenen die vertrouwd zijn met de fijnere details van de Beatleshistorie nam hij toch wel een bijzondere plaats in. Delaney was er namelijk verantwoordelijk voor dat George Harrison tijdens zijn solo-carrirère zo prachtig slide gitaar is gaan spelen.

 

 

 

De Amerikaanse gitarist had al zowat van alles gedaan, voor hij beroepsmuzikant werd: van katoenplukken tot het leger. Hij verdiende al een tijdje bij als sessiemuzikant, maar na zijn huwelijk met de eerste blanke Ikette (backingzangeressen van Ike Turner), Bonnie O’Farell, begon hij een eigen groep: Delaney & Bonnie. Het weet een uitstekende groep muzikanten rond zich te verzamelen met drummers Jim Gordon en Jim Keltner, bassist Carl Radle, gitarist/organist Bobby Whitlock, de blazers Bobby Keys (sax) en Jim Price (trompet) en backing zangeres Rita Coolidge.

 

Wanneer de Harrison de groep in november 1968 ziet optreden in Los Angeles is hij diep onder de indruk. Hij stelt prompt voor om hun debuutplaat Accept No Substitute, die in de Verenigde Staten door Stax is uitgebracht, in Engeland bij Apple Records onder te brengen. Peter Asher, de man verantwoordelijk voor zulke zaken bij de platenmaatschappij van The Beatles wordt naar op missie gezonden. “Maar toen hij een auditie wou afnemen om hun te tekenen viel hij in slaap,” merkt George droogjes op. “Dus besloten ze met Atlantic Records in zee te gaan.”

 

Eens terug thuis laat hij de plaat horen aan zijn goede vriend Eric Clapton. Die is er meteen helemaal weg van en vraagt de groep als voorprogramma voor de Amerikaanse tournee van Blind Faith in juni 1969.

 

In november 1969 komt de hele bende overgevlogen voor een Britse tournee. Eric Clapton heeft hen uitgenodigd om in zijn huis in Surrey te komen logeren. Meteen na hun aankomst neemt Clapton de hele bende mee, naar een sessie van de zangeres Doris Troy. George Harrison treedt op als producer.

Zoals bij vele projecten waarin de Beatles betrokken zijn is de bezetting indrukwekkend: Ringo Starr en Alan White, Billy Preston, Leon Russell, Stephen Stills, Klaus Voormann, Jackie Lomax en een jonge Peter Frampton.

Bassist Klaus Voorman verteld: “Ik zat in de studio met George voor die Doris Troy LP. Ik had een nummer geschreven: ‘So Far’ toen plots de hele band binnen kwam gevallen. Ze gingen zitten en begonnen te spleen. Dat was onze eerste ontmoeting. Ze waren fantastisch. Ze waren echt blije mensen. Ze waren net van het vliegtuig gestapt en we vroegen: ‘Willen jullie niet naar bed?’ ‘Nee, we willen spelen’. Ze vielen om van de slaap, maar ze speelden geweldig.”

 

Het eerste Britse optreden van Delaney and Bonnie vindt plaats op 1 december 1969 in de Londense Royal Albert Hall. George en Ringo gaan samen met hun vrouwen kijken. Eric Clapton staat ook op het podium, gewoon als anonieme gitarist.

Achteraf gaat George de groep feliciteren in de kleedkamer. Daarbij vraagt hij aan Delaney of hij ook mee mag. Die heeft natuurlijk geen bezwaar. “Kom me morgen dan maar oppikken,” roept de Beatle nog.

 

Wanneer ze de volgende dag bij George langsrijden blijkt dat hij het meende.

“We reden naar zijn huis,” verteld Delaney ” en zijn materiaal stond al buiten. Hij was er klaar voor. Ik klopte op de deur en hij zei: ‘ik pak nog een paar spullen en we zijn weg.’ Ik denk dat [George’s vrouw] Patti het maar niks vond – dat George met een stelletje hillbillies op stap ging (lacht). Maar ze was vriendelijk genoeg. Hij zei alleen maar: ‘Ik ga op tournee. Ik weet niet hoe lang we weg zijn’.

Wat hij nog even was gaan halen was een cadeautje voor mij. Hij zei: ‘Ik heb hier iets dat ik je wil geven, omwille van gisterenavond.’ Hij gaf me een handgemaakte gitaar van Leo Fender, een Rosewood Telecaster. Een uniek exemplaar.“

 

Die avond speelt George in de Colston Hall in Briston, als één van de friends uit de begeleidingsgroep van Delaney & Bonnie. Hij is echter nauwelijks herkenbaar, met erg lang haar en baard, achteraan staande tussen de andere muzikanten. “Het was goed dat haast niemand wist dat ik er was,” meende George achteraf. “De mensen kwamen om Delaney and Bonnie te zien – sommigen wisten dat Eric Clapton mee speelde. Ik deed gewoon mee voor de lol. Ik bleef achteraan staan en hoefde niemand te zijn. Dat was echt fijn. Zelfs achteraan bij The Beatles stond ik altijd in de schijnwerpers. We konden ons niet verbergen achter een paar blazers.”

 

Het is een package tour, waarbij ze iedere avond twee shows spelen. De band staat daarbij telkens 40 minuten op het podium.

 

De volgende avond staan ze in de Town Hall in Birmingham. Het is daar dat George, met enige hulp van Delaney Bramlett en Dave Mason slide gitaar leert spelen. “Later vertelde hij dat ik hem geleerd heb om slide te spelen,” minimaliseert Delaney het gebeuren achteraf, “Hij heeft dat wel verklaard – maar ik heb hem niks geleerd. George kon al spelen, hij wou alleen mijn techniek kennen: wat ik er van kende en hoe ik dat deed. Ik leerde hem alleen mijn manier van spelen.”

 

Na afloop van het Britse luik trekken zowel George als Eric ook mee naar Scandinavië voor het vervolg van de tournee. Omdat Dave Mason niet mee kon naar Scandinavië springt George in voor de slidegitaarsolo voor ‘Coming Home’.

 

Rond een piano in een kleedkamer in Kopenhagen wordt ook de basis gelegd voor de grootse solohit uit de carrière van George Harrison.

“George vroeg me hoe je een gospelnummer schrijft,” verteld Billy Preston. “Dus toonde ik hem wat akkoorden. Delaney en Bonnie begonnen prompt te zingen: ‘Oh, my Lord, Hallelujah’. George pikte dat op en schreef de strofen.”

Het vormt de aanzet voor ‘My Sweet Lord’.

 

‘Coming Home’

Met al die sneeuwpracht buiten kom ik weer helemaal in de Kerstsfeer. Maar ‘Jingle Bells’ is niet echt mijn soort muziek. Gelukkig zijn er genoeg alternatieven.

Zo vond er onlangs een wel erg fijn familiefeestje plaats in de Londense Queen Elizabeth Hall. Teddy Thompson, zoon van Richard en Linda Thompson organiseerde er “een familie moment dat slechts eens om de dertig jaar voorkomt”. De gehele familie was er, plus talrijk ander schoon volk: Kamila Thompson, Bert Jansch, Chris Difford, Katherine Williams, Ed Harcourt, Justin Bond, Brendan Campbell, Jenni Muldaur en Rachel Unthank & The Winterset.  

Jammer dat Emmylou Harris en de gezusters McGarrigle er niet bij konden zijn. Maar dat werd goedgemaakt door dat pa en ma Thompson nog eens samen op het podium stonden – en dat was wel heel erg lang geleden.

Hier is een bespreking van het drie uur durende concert.  

Op 17 december 2008 zond BBC Radio 2 een stukje van deze A Thompson Family Christmas uit. En daardoor kunnen wij hier ook van genieten.

Met dank aan Never Get Out Of the Boat voor de link.

 

De setlist:

  1. Teddy Thompson & Katherine Williams – Silent Night
  2. Kamila Thompson – Purple Snowflakes
  3. Ed Harcourt – Christmas Time Is Here
  4. Justin Bond – New Depression
  5. Brendan Campbell – Albert’s Ashes
  6. Teddy Thompson – Christmas
  7. Katherine Williams – Bright Morning Stars
  8. Kamila Thompson – Last Christmas
  9. Chris Difford – Let’s Not Fight This Christmas
  10. Richard Thompson – Cutty Wren
  11. Rachel Unthank & The Winterset – Tar Barrel In Dale
  12. Bert Jansch – Moonshine
  13. Jenni Muldaur – Christmas Will Be Just Another Day
  14. Thompsons – Blue Christmas