juni 2009


Dit vind ik nu prachtig, zie.

Cyndi Lauper met ‘True Colours’.  Ze zingt het in een soort sportpaleis, maar haast a capella, met alleen maar de viool van Larry Campbell als begeleiding.

Kippenvel.

Advertenties

Het platenlabel Motown vierde zijn 25 jarig bestaan in 1983. Alle grote namen kwamen opdraven, maar het was Michael Jackson die de show stal met dit optreden. Zo herinner me ik hem het liefste: als een zeer getalenteerde zanger en danser.
Als ik me niet vergis was dit ook de eerste keer dat hij zijn moonwalk demonstreerde.

mandolines

Italiaanse Spanjaarden

De introductie van het mediterane instrument in de Amerikaanse muziek gebeurde op een wel heel bijzondere manier: door imitatoren die de verkeerde instrumenten gebruikten.

 

Aan het einde van de 19de eeuw was Henry Abbey een van de vele impresario’s in New York. In 1879 had hij op de wereldtentoonstelling in Parijs de ‘Estudiantina Figaro’ opgemerkt. De groep van een twintigtal muzikanten was afkomstig uit Madrid en stond onder leiding van Carlos Garcia Tolsa.

Het orkest bracht swingende versies van allerhande muziekstukken, uitgevoerd op traditionele snaarinstrumenten als de chitarra en bandurria. Met hun bontgekleurde kostuums en aanstekelijke muziek waren ze een groot succes bij de vele bezoekers. De impresario nodigde de groep uit om hun kunsten te komen vertonen in de Nieuwe Wereld.

 

Op nieuwjaardsag 1880 presenteerde hij zijn nieuwste ontdekking aan het New Yorkse publiek. Dat reageerde dolenthousiast en de concertreeks kreeg een vervolg met een tournee door het hele continent.

 

Een collega impressario, de Italiaan Carlo Curti was violist en orkestleider in het Waldorf Astorio Hotel in New York. Toen hij zag hoezeer de ‘Estudiantina Figaro’ in de smaak vielen, dacht hij dat er voor hem ook wel wat profijt in zou kunnen zitten. Hij besloot zijn eigen groep op te richten. Bandurria’s waren echter zeer moelijk te vinden in Amerika. Maar precies omdat het snaarinstrument er zo onbekend was zou niemand het merken wanneer het werd vervangen door een gelijkaardig instrument waarmee hij beter vertrouwd was: de Napolitaanse mandoline.

 

Het was voor Curti niet moeilijk om in New York voldoende mandolinespelers te vinden. Tijdens het laatste kwartaal van de 19de eeuw waren vele Italianen naar de Nieuwe Wereld getrokken. Terwijl er in 1870 slechts een kleine drieduizend in heel de Verenigde Staten waren, woonden er tegen het einde van de eeuw, alleen al in New York, honderdvijfenzeventigduizend.

Hoewel Curti’s groep dus uitsluitend gevormd werd door Italiaanse muzikanten presenteerde hij ze toch onder de naam ‘Spanish Students’. Het bleek een goede gok want zijn mandolineorkest werd al snel even populair als het origineel. Zeker toen de Spanjaarden terug naar huis keerden en Carlos (let op de toegevoegde ‘s’) alleen overbleef met zijn mandolinespelers.

 

De vijf-snarige banjo was op dat moment al een rage bij de middenklasse. Overal aan de Oostkust en – in mindere mate – het Midwesten schoten in de jaren tachtig banjoclubs als paddestoelen uit de grond. Maar door het succes van de ‘Spanish Students’ steeg nu ook de vraag naar mandolines en tegen het einde van de eeuw had de mandoline de banjo naar de tweede plaats verwezen. 

 

 

Ontwikkelingen

 

De instrumenten werden eerst nog ingevoerd vanuit Italië en Duitsland. Vanaf 1890 echter begonnen verschillende Amerikaanse bedrijven hun eigen mandolines te bouwen. Langzaamaan slopen er allerlei aanpassingen en verbeteringen in de ontwerpen. Zo kwam Merrill’s Aluminium Instrument Company met een klankkast uit aluminium gekoppeld aan een houten hals. Andere firma’s experimenteerden met allerlei vormen en stijlen. Het populairst waren de Washburn instrumenten van Lyon & Healy uit Chicago, waarvan er tegen 1894 jaarlijks meer dan zevenduizend werden geproduceerd. 

 

Het meest succesvol waren de vernieuwingen van ene Orville Gibson. De excentrieke klerk uit Kalamazoo, Michigan bouwde instrumenten puur als hobby. In 1896 vroeg hij een patent aan voor een “spanningsvrije” mandoline. Grofweg gebaseerd op de stijl van een viool ontwierp hij het prototype van de “Amerikaanse mandoline” zoals die er nog steeds uitziet: een asymetrisch instrument met een gestoken, gewelfd voor- en achterblad en gebogen zijkanten. De klank is hierdoor steviger, warmer en meer van een ‘houten’ karakter dan van de luitvormige mandolines.

 

Met de hulp van lokale geldschieters richtte Gibson in oktober 1902 de Gibson Mandolin-Guitar Manufacturing Co, Ltd op. Dankzij een agressieve marketingcampagne was de firma, amper acht jaar later al marktleider.

 

Het mooie liedje bleef echter niet duren: toen Amerika in 1917 betrokken raakte bij de Eerste Wereldoorlog kwam er een einde aan de populariteit van de mandoline ten voordele van de ukelele en de 4-snarige banjo.

 

Toch betekende dat niet het einde voor de ontwikkeling van het instument. In een poging om de verkoop terug aan te zwendelen ontwikkelde Lloyd Loar voor Gibson het ‘Master model’. De peervormige Gibson F5 die vanaf 1922 op de markt kwam, was niet alleen steviger, ze had bovendien ook een vollere, diepere klank.

Maar de verkoop bleef dalen en Loar verliet in december 1924 de firma. In de vijf jaar dat hij er had gewerkt had hij 326 mandolines gebouwd.

 

De doorbraak van de Gibson F5 kwam er pas halverwege de jaren veertig toen de mandoline aan een tweede jeugd begon als het bluegrass instrument bij uitstek.

 

Sinds die tijd zijn de originele, door Loar gesigneerde en gedateerde exemplaren zeer gezocht, net als een Stradivarius viool. Elk van zijn mandolines is inmiddels een klein fortuin waard en haalt prijzen tot € 200 000.

 

 

Bluegrass

 

Tot halverwege de jaren dertig werd de mandoline haast uitsluitend gebruikt als begeleidingsinstrument in klassieke en volksmuziek: de zogenaamde mandolineorkesten.

 

Daar kwam verandering in door het duo Mac & Bob. Lester McFarland en Robert Gardner, allebei blank en blind, hadden mekaar gevonden op de blindenschool in Kentucky. Samen namen ze vanaf de jaren dertig zo’n 200 songs op, meestal met begeleiding van gitaar en mandoline. Ze waren erg succesvol en verkochten meer dan een miljoen platen.

Dat voorbeeld inspireerde anderen, zodat er in de jaren dertig heel wat duo’s en groepjes onstonden, veelal broers, waarvan de Blue Sky Boys en de Monroe Brothers het meest aanspraken.

 

De echte doorbraak van de mandoline in de country kwam er door één man uit dat laatste groepje.

 

Billl Monroe (1911- 1996) was de jongste van acht kinderen, geboren op een boerderij in Rosine, Kentucky. Zijn moeder kwam uit een muzikaal begaafde familie. Er werd dan ook veel gemusiceerd in huiselijke kring. Omdat zijn oudere broers Birch en Charlie respectievelijk voor de fiddle en de gitaar hadden gekozen, kreeg de jongste het minst gewilde instrument toegespeeld: de mandoline.

Toen zijn ouders vrij kort na mekaar overleden werd Bill verder opgevoed door de broer van zijn moeder: fiddlespeler Pendleton “Uncle Pen” Vandiver. Door met hem op te treden leerde hij veel bij.

Zodra hij 18 werd reisde Bill zijn broers achterna. Die waren naar Indiana getrokken om er te gaan werken in de olie industrie. Daar vormden ze de Monroe Brothers, waarmee ze optraden op feestjes en partijen. 

Vanaf 1936 hadden Bill en Charlie flink wat succes met hun blanke gospel en “old-time” muziek, maar de echt grote doorbraak kwam er pas in 1946. Bill was toen al een aantal jaren aan het experimenteren met zijn nieuwe band, de Blue Grass Boys. In de loop van het vorige jaar had hij zijn puur akoestische band versterkt met een paar uitstekende nieuwe muzikanten: banjospeler Earl Scruggs, zanger/gitarist Lester Flatt, fiddler Chubby Wise en bassist Howard Watts. Hiermee viel alles mooi in zijn plaats: in plaats van de muziek in de stringbandtraditie, waarbij alle instrumenten samen de melodie spelen, kwam iets geheel nieuws.

Net als bij jazz spelen bij bluegrass de muzikanten beurt om beurt een solo. Ze gebruiken daarvoor uitsluitend akoestische snaarinstrumenten als mandoline, banjo en fiddle. Opvallend is dat ze de indrukwekkende “breaks” meestal in een razendsnel tempo doen. In combinatie met de meerstemmige zang levert dat prachtige muziek op.

 

Voor zijn virtuose, vingervlugge mandolinesolo’s gebruikte Bill Monroe een Gibson F5 model, getekend en gedateerd door Lloyd Loar op 9 juli 1923.

Bill Monroe and his Bluegrass Boys – ‘Blue Moon of Kentucky’ uit 1946

 

De Blue Grass Boys bleef amper twee jaar samen in de originele bezetting. Flatt en Scruggs richtten, in 1948, hun eigen groep op: de Foggy Mounatin Boys. Maar inmiddels was bluegrass enorm populair geworden en was de banjo onlosmakelijk met het genre verbonden. Om zich te onderscheiden van de meester, zochten andere banjospelers naar een eigen speelstijl: Jesse McReynolds (van Jim and Jesse) en  Bobby Osborne van de Osborne Brothers bijvoorbeeld.

 

Halverweg de jaren vijftig echter werd bluegrass naar de marge verwezen, door de opkomst van de rock ‘n’ roll en de meer gelikte country uit Nashville. De mandoline verdween opnieuw uit beeld.

 

 

Countryrock

 

De bekendste mandolinespeler van de countryrock is ongetwijfeld Chis Hillman. Na een pure bluegrass start met zijn eigen The Hillmen trad hij zelden nog op voor de voorgrond. Toch speelde hij niet te onderschatten rol bij baanbrekende bands als de Byrds, de Flying Burrito Brothers, Manassas, Souther-Hillman-Furay en de Desert Rose Band. De eerste jaren bespeelde hij een Gibson mandoline uit 1950. Maar in 1972 kreeg hij een echte Lloyd Loar F5 cadeau van Stephen Stills.

 

Chris Hillman & Herb Pederson – Mr. Tambourine Man

 

Misschien dat de sierlijke krul bovenaan de mandoline muzikanten met krulhaar aantrekt, maar David Mansfield is al evenzeer gezegend met een mooie krullenbol. Na de tweede helft van jaren zeventig te hebben doorgebracht in de bands van Bob Dylan, legde hij zich toe op een bestaan als studiomuzikant en componist van filmmuziek (Heaven’s Gate en Songcatcher). 

 

Bruce Hornsby – ‘Mandoline Rain’

 

Loudon Wainwright III – Breakfast in Bed

 

 

 

Bluegrass is here to stay

 

Vanaf het einde van de jaren tachtig kwam bluegrass terug in de belangstelling en daarmee ook de banjo terug in hitlijsten. Dat was vooral te wijten aan enkele jonge vrouwen: Alison Krauss en de Dixie Chicks. Krauss kon rekenen op de samenwerking met de band Union Station, met banjospeler Ron Block. Bij de Chicks bespeelt Emily Robinson het instrument.

 

Later gingen ook andere countryzangers zich herbronnen aan het genre: Dolly Parton (The Grass Is Blue, met Jim Mills– 1999), Steve Earle (The Mountain met Ronnie McCoury – 1999) of Patty Loveless (Mountain Soul – 2001).

 

Na het succes van de film Oh Brother, Where Art Thou kwamen er meer films met een zelfde soundtrackconcept: een mengeling van oude muziek en nieuwe versies gebracht door grote namen: Songcatcher en Cold Mountain.   

In die laatste speelt Jack White van The White Stripes mee. Hij spelt ‘Wayfairing Stranger’ op banjo aan het kampvuur. Daarna gebruikt hij het snareninstrument op verschillende songs van de volgende White Stripes de Icky Thump.

 

 

Mandolines in de Britse rock

 

In Ierse folkmuziek was de mandoline al langer geaccepteerd. Via die omweg sloop het instument aan het einde van de jaren zestig binnen bij Britse folkrockgroepen als The Incredible String Band. Later volgden Lindisfarne (‘Fog on the Tyne’) en McGuinness Flint (‘When I’m Dead And Gone’).

Ray Jackson, de mandolinespeler uit Lindisfarne, speelde ook mee op de eerste soloelpees van Rod Stewart, tussen 1970 en 1974. Zijn bijdrage speelt een prominente rol op hits als ‘Maggie Mae’, ‘Gasoline Alley’ en natuurlijk ‘Mandoline Wind’.

 

Zelfs Led Zeppelin was er niet vies van: bassist John Paul Jones toont zijn kunsten op ‘Going to California’ en ‘That’s the Way’. Jimmy Page wou niet voor hem onderdoen en kwam met ‘The Battle of Evermore’.

 

Begin jaren tachtig volgden nog Yes (‘Wonderous Stories’), The Smiths (‘Please Please Please Let Me Get What I Want’) en Steve Winwood (‘Back In The High Life’).

De jaren negentig brachten The Levellers.

 

Meer recent dook de mandoline op bij Indigo Moss en de man die elk instrument en elk genre wel eens ooit heeft geprobeerd: Paul McCartney. In andere tijden zou zijn ‘Dance Tonight’ een dikke hit zijn geweest.

 

McGuinness Flint – ‘When I’m Dead And Gone’ met Benny Gallager op mandoline

 

Paul McCartney – ‘Dance Tonight’

 

 

 

Waarschijnlijk is het bekendste nummer gebouwd rond een mandoline er eentje van R.E.M. uit 1991: ‘Losing My Religion’. Aan biograaf Johnny Black vertelde Peter Buck dat het nummer eerder toevallig was onstaan. Hij had pas een mandoline gekocht en waseen beetje aan het oefenen terwijl hij TV aan het kijken was. Om te kunnen nagaan of het op iets trok liet hij een bandopnemer meelopen. Toen hij de volgende dag terugluisterde viel hem de riff op, tussen heel veel oefenriedeltjes. En dat was de basis van een van hun grootste hits.

 

In de serie over Americana en  roots instrumenten zal het volgende deel gaan over de mandoline.

Ter voorbereiding alvast was filmkes:

John Hiatt – ‘Cry Love’ met David Immerglück of the Counting Crows op mandoline

 

Steve Earle – ‘Copperhead Road’. Steve doet het zelf. En zonder doedelzakken, deze keer.

 

Alison Krauss – Everytime You Say Goodbye
Sierra Hull is pas zestien, maar dat meiske zal nog veel groter worden. Figuurlijk dan.

 

Fleet Foxes – Blue Ridge Mountains

 

Emmylou Harris and The Nash Ramblers – ‘The Other Side Of Life’ met Sam Bush op mandoline

 

Joan Osborne – ‘St.-Theresa’.
Een prachtige song, met een belangrijke rol voor de mandoline. Eerst in een wat pompeuze uitvoering.

En dan in een heel sobere versie, met Jerry Douglas en Donal Lunny.

 

 

John Lennon en Phil Spector
John Lennon en Phil Spector

 

John Lennon – ROCK ‘N’ ROLL (Roots)

 

 

 

Op 27 mei werd Phil Spector veroordeeld tot een gevangenis van minstens 19 jaar. Hij was eerder al schuldig bevonden aan moord op een vrouw, die hij enkele uren daarvoor had opgepikt in een bar. De reden waarom hij dat heeft gedaan blijven onduidelijk. Zoals zoveel in het leven van een van de grootste producers in de geschiedenis van de muziek.

Dat heeft ook John Lennon mogen ervaren. Aan het begin van de solo carrière van de ex-Beatle hebben beide mannen samen schitterende dingen gedaan. Denk maar aan de single ‘Instant Karma’ en de LP’s Plastic Ono Band en Imagine. Maar toen John een plaat vol covers van oude rock ’n’ roll songs wou opnemen liep het fout. Al was dat niet allemaal alleen de schuld van Spector.

Het verhaal achter John Lennons Rock ‘n’ Roll plaat is boeiend genoeg voor een prachtige documentaire…. of een aflevering van The Sopranos.

 

De aanleiding

Fans van die mafiaserie kennen zeker Herman “Hesh” Rabkin, de joodse adviseur van Tony Soprano. Een man die in de jaren vijftig en zestig vele zwarten een kans heeft gegeven om sterren te worden in de muziekwereld. Maar daar vooral zelf een mooie cent aan over heeft gehouden.

De rol is voor een groot stuk gemodelleerd op een bestaande figuur: Moishe “Morris” Levy. Morris was begonnen als nachtclubuitbater in New York. Toen hem gevraagd werd om maandelijks rechten te betalen op de liedjes die er in zijn club werden gespeeld, begreep hij dat er geld te verdienen was met auteursrechten. In 1956 richtte hij ‘Roulette Records’ op, om zelf opnamen te maken van artiesten die optraden in zijn clubs. Wanneer artiesten schulden hadden zorgde hij er voor dat die werden ingelost, in ruil voor hun deel van de auteursrechten. Zo werd hij eigenaar van een groot aantal bekende songs.

Toen The Beatles Abbey Road uitbrachten zag hij een kans om de kassa nog wat meer te laten rinkelen. De eerste regels van ‘Come Together’ zijn “Here come old flat-top, he comes groovin’ up with me”. Dat lijkt sterkt op “Here come a flat-top, he was movin’ up with me” uit Chuck Berry’s nummer ‘You Can’t Catch Me’. En daarvan bezat één van zijn vele firma’s, Big Seven Music, nu toevallig de rechten.

Levy spande een rechtszaak aan tegen MacLen Music, Inc., Northern Songs, Ltd. en Apple Records, Inc.

Na drie jaar touwtrekken werd op 12 oktober 1973 de zaak in der minne geregeld. Big Seven liet de aanklacht vallen in ruil voor Lennons belofte om drie nummers waarvan de rechten berusten bij de muziekuitgeverij op te nemen voor zijn volgende langspeelplaat.

De catalogus van Big Seven omvat vooral rock en pop nummers uit de late jaren vijftig en begin zestig.

 

Een lang weekend

John is dan net begonnen aan zijn Lost Weekend: achttien maanden zonder Yoko Ono. Na aanslepende huwelijksproblemen heeft ze hem het huis uitgezet. Om een oogje in het zeil te houden heeft ze hem gekoppeld aan haar Chinese assistente, May Pang.

Het kersverse koppeltje besluit het mooie weer te gaan opzoeken. En waar kun je dan beter zijn dan ergens waar het haast nooit regent? Enkele reis Californië, dus.

Toch denkt John niet meteen aan feesten en lekker luieren. Integendeel, om de scheiding te verwerken besluit hij zich meteen op het werk te werpen. Hij ziet dat wel zitten: wat covers van de rock n’ roll songs uit zijn tienertijd op te nemen. Hij wil zich vooral amuseren in de studio. “John zei: ‘Ik wil zelfs niet producen deze keer,’” vertelt May Pang. “Ik wil gewoon de zanger zijn in de band en mijn hart uitschreeuwen… al mijn favoriete songs zingen.”

Al dat gedoe dat er bij komt: muzikanten bij elkaar zoeken, arrangementen maken of de banden mixen… Daar moet iemand anders maar voor zorgen. En wie kan dat beter dan Phil Spector, de architect van de Wall of Sound?

Maar Spector laat niet in zijn kaarten kijken. Wekenlang blijft hij de boot afhouden, tot John hem verzekert dat hij de volledige zeggenschap krijgt. “Phil vroeg hem: ‘Weet je dat zeker?’” herinnert May Pang zich. “John had de hint moeten snappen.

En ik had moeten zien aankomen wat er ging gebeuren toen hij voor het eerst naar ons toe kwam om de arrangementen te bespreken. Hij kwam midden in de nacht aan – iedereen lag al in bed. En hij bleef tot het terug licht werd.”

 

Back To Mono

De opnamen vinden plaats in de A&M’s Studios A in Los Angeles. Voor de duur van de opnamen zijn John en May te gast in Bel Air, in het huis van platenbaas en producer Lou Adler.

De eerste sessies voor Oldies But Mouldies, zoals John het project heeft gedoopt, is gepland voor woensdag 17 oktober 1973. En dat is meteen al een verrassende ervaring.

May Pang: “We hadden gedacht dat er een stuk of zes muzikanten zouden klaarstaan, maar het bleken er 28 te zijn! Er waren zes gitaristen – drie elektrische en drie akoestische – en twee drummers: Hal Blaine en Jim Keltner… Tot mijn verbazing zag ik (gitarist) Steve Cropper, (percussionist) Jeff Barry, Michael Hazelwood, de man die ‘The Air That I Breathe’ schreef en ‘It Never Rains In Southern California’, speelde akoestische gitaar…

Barry Mann was er, Leon Russell, Dr. John….”

Een van de vele aanwezigen is Booker T and the MG’s guitarist Steve Cropper: ”Ik kwam binnen en zag al die andere gitaristen. Ik dacht: wat kom ik hier doen? Ik had nog nooit zoveel gitaristen bij elkaar gezien tijdens één sessie. Het was letterlijk een muur van geluid.”

Nog meer namen: Jesse Ed Davis, Jose Feliciano, Jim Gordon, Nicky Hopkins, Jim Horn, Bobby Keys, Dan Phillips, David Scott, Nine Tempo, Larry Carlton, David Cohen en Klaus Voorman.

Bovendien houdt Spectors manier van werken in dat iedereen constant beschikbaar moet zijn. Erg kostelijk, vooral als niemand iets om handen heeft. Want zelf komt hij drie uur te laat opdagen. “[Spector] was erg onvoorspelbaar, “ weet May. “John had … nooit problemen [met hem] gehad. Maar nu was hij veel te laat en daar hield John niet van. Het bleek al snel dat het elke keer van dat was. En wanneer hij dan arriveerde was hij verkleed.”

“Iedere nacht droeg hij een ander kostuum,” bevestigt Jim Keltner. “Nu eens als een chirurg en dan weer als een karate expert… Hij had ook naamkaartjes en versieringen voor iedereen. Hij wou er iets plezants van maken.”

En daar hoort drank bij – veel drank. “Phil dronk een fles sterke drank,” volgens Pang. “Hij gaf de toon aan. En iedereen ging uit de bol.” John had hem de leiding gegeven en had geen greep meer op wat er gebeurde. “Hoewel ik hem nooit eerder had zien drinken tijdens het werk, maakte John nu ook iedere avond een fles Courvoisier soldaat.”

De feestvreugde wordt nog vergroot door de vele bezoekers die langs komen om John Lennon aan het werk te zien: Jack Nicholson, Joni Mitchell, Warren Beaty, Mick Jagger, David Geffen, Cher… “Ik moest buiten gaan zitten want het werd een circus daarbinnen,” zucht May.

Toch slagen ze er in om, tijdens elke sessie, één nummer op band te krijgen. De eerste nacht is dat:‘Bony Moronie’ (een hit van Larry Williams uit 1957) en de tweede ‘Angel Baby’ (een obscure doo-wop song van Rosie and the Originals uit 1960).

Een van de bezoekers tijdens de derde avond is de zanger Harry Nilsson. Maar wanneer die arriveert kan hij de ex-Beatle nergens vinden dus al dat volk. Hij gaat meteen op zoek en treft hem uiteindelijk aan in een ander studio…. vastgebonden op een stoel. John was agressief geworden van de drank en Spector had hem met een paar stropdassen laten vastbinden.

“Die man is gevaarlijk,” gaf Spector als uitleg aan Pang, “hou hem op afstand. Trouwens,” zo voegde hij er nog aan toe: “was het geen fantastische sessie?”

Wanneer Lennon gedronken heeft wordt hij wel vaker agressief. Dat is ook het geval op de verjaardag van May Pang: 24 oktober. Die avond gaan ze uit eten, in het gezelschap van Elton John. Toevallig ontmoeten ze daar ook het dan erg populaire tieneridool David Cassidy. Het wordt heel gezellig en het feest wordt achteraf verder gezet in de studio. De sessie voor de Chuck Berry song ‘Sweet Little Sixteen’ loopt tot halfvier in de ochtend.

Maar na afloop is John niet te genieten. Hij is opnieuw stomdronken en eens terug in het huis van Lou Adler, begint hij May uit te schelden. Hij meent dat ze zou hebben geflirt met Cassidy. Hij trapt haar bril kapot, trekt een kroonluchter van het plafond en gooit Adlers gouden platen uit het raam. Daarna belt hij naar Yoko om haar te vertellen dat May hem bedriegt en dat hij terugkomt naar New York. Doodsbang boekt May meteen een vlucht en ze vertrekken zo snel mogelijk.

Wanneer ze in New York landen is John terug nuchter genoeg om zich te realiseren waar hij mee bezig is. Hij biedt May zijn verontschuldigingen aan en vraagt haar met hem terug te keren naar Los Angeles.

Daar arriveren ze net op tijd voor de volgende sessie.

Na de zevende sessie op zondag 28 oktober wordt er even een pauze ingelast.

Er volgen enkele ontspannen weken voor John en May. Phil komt af en toe langs en John componeert nummers voor een nieuwe LP.

Na een onderbreking van een maand worden de opnamen op 28 november hernomen.

Het gaat er nog steeds even wild aan toe. Zo erg zelfs dat hen de verdere toegang tot de studio worden ontzegd. “Eén of andere dronken idioot had een fles sterke drank over het mengpaneel gegoten,” verklaart May Pang. “John was er kapot van. Zoiets doe je niet.”
“Het was een beetje uit de hand gelopen,“ meent zelfs Phil Spector: “Het was dan ook voor ons allebei de eerste vakantie die we hadden sinds we onze carrières waren begonnen. We vierden feest en nodigden teveel volk uit. (…) Dat was niet gezond en het was niet goed. Zo wou ik niet meer werken en John ook niet.”

Omdat ze niet langer welkom zijn in de A & M studio’s wordt uitgekeken naar een andere locatie. Die vinden ze in de Record Plant West, waar op 3 december terug verzameld wordt. Een van de bezoekers die avond is Stevie Wonder. Wanneer die al te lang met een van de geluidstechnici staat te praten, bedreigt Phil Spector hem met twee revolvers. Hij meende dat de zanger de man wou inpikken voor zijn eigen sessies.

Tijdens de volgende sessie, op 11 december, zou er opnieuw een ernstig incident hebben plaatsgevonden. In haar boek Loving John, beschrijft May Pang wat er is gebeurd: “[Beatlesassistent] Mal [Evans] was er bij en ook Phils moeder [Bertha]. We waren naar de resultaten van die avond aan het luisteren toen we een schot hoorden. Iedereen ging op de grond liggen, maar ik rende naar buiten om te zien wat er aan de hand was. Phil had een revolver vast en Mal Evans pakte die van hem af. Mensen waren aan het schreeuwen.

John stond daar met zijn vingers in zijn oren en riep: ‘’Phil, als je me wil neerschieten, doe dat dan, maar maak mijn oren niet kapot. Die heb ik nodig.’”

Hoewel vertegenwoordigers van Record Plant West steeds zijn blijven ontkennen dat er effectief is geschoten, wordt het verhaal bevestigd door drummer Jim Keltner.

Pang verklaartw at er is gebeurd: “Phil had Mal een paar keer op zijn neus geslagen. Mal had hem gezegd daar mee op te houden, maar Phil had geroepen dat niemand hem orders te geven had. Toen hij naar zijn revolver greep was die per ongeluk afgegaan.

John en ik hadden altijd gedacht dat er geen kogels in zaten, maar de volgende dag kwam Mal langs en zei: ‘Hier is de kogel van gisteren’.”

 

De grote verdwijntruc

De volgende sessie komt Spector niet opdagen. Nu had hij eerder ook al eens een sessie afgeblazen met de mededeling dat de studio afgebrand was. Een telefoontje van John aan Record Plant had uitgewezen dat er niks aan de hand was.

Maar die avond blijven ze vergeefs wachten. Erger nog: ook de volgende dagen is hij nergens meer te bereiken.

Noodgedwongen vallen de opnamen stil.

Pas na een week hoort John iets van de excentrieke producer. In een kort telefoontje meldt Spector hem dat hij de mastertapes van de sessies heeft. Het blijkt dat hij de kosten voor de opnamen zelf heeft betaald en daarom de banden iedere avond mee naar huis mocht nemen.

En hij is niet van plan ze terug te bezorgen.

Daarna lijkt het opnieuw of Spector in rook is opgegaan. Wekenlang ontbreekt elk teken van leven

Pas in april laat zijn secretaresse een mededeling verspreiden: Phil zou rond 10 februari een zwaar ongeval hebben gehad met zijn auto, in de buurt van Phoenix.

Op 31 maart zou hij dan een tweede ongeval hebben gehad, dit keer in Los Angeles. Spector zelf verklaart later dat hij daarbij door de voorruit van zijn wagen werd gekatapulteerd. 72 uur lang zweefde hij tussen leven en dood. Daarna was er ingrijpende plastische chirurgie  nodig om hem terug toonbaar te maken. Nog steeds volgens zijn eigen verklaringen waren er 380 hechtingen nodig in zijn gezicht plus 480 aan de achterkant van zijn hoofd, zijn neus moest terug worden aangenaaid en zijn haar was op slag wit geworden. 

In ieder geval kon hij het ziekenhuis pas op 8 juli verlaten. De eerste keer dat hij terug in het openbaar verscheen was op in de rechtszaal van Santa Monica. Daar probeerde hij zijn ex-vrouw, Veronica Bennett (Ronnie Spector van The Ronettes) te beletten om de jongste van hun drie geadopteerde kinderen te mogen zien. De scheiding was eerder dat jaar uitgesproken en Spector had het hoederecht verkregen. Ook van de identieke tweeling die hij haar eerder voor Kerstmis had cadeau gedaan.

Zij krijgt wel alimentatie. Al heeft hij een vrachtwagen nodig om die te laten afleveren: in stukjes van één cent. Wanneer een rechter daar een einde aan maakt laat hij cheques drukken met op de achterzijde een boodschap: “Fuck Off”.

 

Poesjes

Omdat John de banden nodig heeft om zijn verplichtingen tegenover Morris Levy te vervullen, laat hij Capitol Records een proces aanspannen tegen Phil Spector. Hij hoopt, via gerechtelijke weg, de banden terug op te kunnen eisen.

Met niets meer om handen stort John zich in het nachtleven. Zonder vaste stekt hij met zijn vriendin van de ene tijdelijke verblijfplaats naar de andere: New York, Las Vegas, Los Angeles… Nergens blijven ze lang en overal wordt er hard gefeest. Regelmatig staan er foto’s in de kranten van een stomdronken Lennon die uit een of andere nightclub wordt gezet omdat hij er zich weer eens misdragen heeft.

In maart besluit John om met drinkebroer Harry Nilsson een LP te gaan maken: Pussycats. Maar de sessies lopen opnieuw in het honderd. Het dramatische dieptepunt is wanneer Harry bloed begint op te hoesten: een gescheurde stemband. Het zware leven heeft zijn tol geëist.

Het is een keerpunt voor John. Hij ziet in dat er snel iets moet gebeuren. Om te ontnuchteren sluit hij zich een aantal dagen op in zijn slaapkamer. Wanneer hij terugkeert is hij helemaal veranderd: hij is rustiger en gebruikt geen drank en drugs meer. Hij begint terug fatsoenlijk te eten en zoekt contact met zijn familieleden in Liverpool. Uren hangt hij aan de telefoon met zijn tantes en zijn zussen Julia en Jacqui.

Hij vat de afgelopen weken mooi samen in een nieuw nummer: ‘Nobody Loves You (When You’re Down And Out)’. Hij wil weer een eigen lp opnemen.

Begin juli is hij er helemaal klaar voor. Deze keer houdt hij alles strak in de hand. Hij heeft zelf de muzikanten uitgekozen, de studio geboekt en staat er op om uitgebreid te repeteren.

de hoes van Walls and Bridges

de hoes van Walls and Bridges

Levy is niet blij

Op 26 september 1974 verschijnt Walls And Bridges. Op de hoes staan stroken van drie tekeningen die John als kind heeft gemaakt. Hij had ze speciaal uit Liverpool laten overvliegen, met de bedoeling ze te gebruiken voor de hoes van de oldies plaat.  

Met de plaat zelf is er echter een probleem: volgens de overeenkomst met Big Seven Music, hadden er drie songs op de plaat moeten staan, waarvan de auteursrechten beheert worden door die muziekuitgeverij. In een zwakke poging om hen tevreden te stellen heeft John een cover van één van hun songs als afsluiter geplaatst: ‘Ya Ya’. Of liever een stukje van een jam, met zijn zoontje Julian als drummer.

Morris Levy is er de man niet naar om zich zo gemakkelijk te laten afschepen. Al op 30 september belt hij Lennon’s advocaat, Harold Seider, op en dringt aan op een ontmoeting met John.

Tijdens een lunch in de New Yorkse Club Cavallero, op 8 oktober, legt John aan Morris Levy en Phil Kahl van Big Seven uit wat er gebeurd is met de Spector opnamen. Dat hij inderdaad drie nummers van Big Seven heeft opgenomen, voor wat hij dacht dat zijn volgende lp zou worden. Hij vreest echter dat het publiek inmiddels de interesse heeft verloren in de nostalgierage die in 1973 heerste na het uitbrengen van de film American Graffiti.

 

Fase 2 van de Rock ’n’ Roll opnamen

Vlak voor de opnamen van Walls and Bridges was er iemand tien dozen komen brengen: de tapes die Phil Spector zo lang had achtergehouden. De platenmaatschappij A&M had de banden kunnen overnemen van de producer, voor $90,000. John was echter helemaal gefocust op zijn nieuwe LP en liet de dozen voorlopig onaangeroerd.

Wanneer de zanger de banden eindelijk beluisterde schrokt hij van wat hij hoorde. ”Ik zag hem voortdurend gezichten trekken,’” verteld May Pang: “Hij vond het vreselijk. Te pijnlijk om te beluisteren. Hij maakte een gebaar met zijn hand en riep: ‘volgende’.

Het was één zatte boel, maar bovendien had Spector de 24 sporen voortdurend allemaal open gelaten. Niets had enige helderheid. Alles liep in elkaar over: gitaren op de pianosporen, elektrische en akoestische gitaren allemaal door elkaar…”

Na veel zoeken houdt John vier nummers over die geschikt zijn om te worden uitgebracht. Wanneer John de opnamen aan Levy laat horen begrijpt die dat er  onvoldoende materiaal beschikbaar is. Even wordt met het idee gespeeld om een EP (een single met vier nummers) te maken, maar dat formaat wordt in Amerika al lang niet meer verkocht. En voor twee singles zijn de nummers niet sterk genoeg.

Er wordt overeengekomen dat Lennon bijkomende opnamen zal maken.

Levy nodigt John meteen uit om met de sessiemuzikanten van de opnamen van Walls And Bridges te komen repeteren, in zijn buitenverblijf bij Ghent, New York.

Op vrijdag 18 oktober komt Levy persoonlijk John en May oppikken om hen naar zijn farm in Sunnyview te brengen. Een select groepje uitstekende muzikanten wordt per limo aangevoerd: gitaristen Jesse Ed Davis en Eddie Mottau, pianist Kenny Ascher, bassist Klaus Voormann en drummer Jim Keltner. In een ontspannen sfeer wordt er gerepeteerd. Levy maakt opnamen van de repetities.

De volgende maandag kunnen de opnamen worden hervat. Deze keer wordt er gewerkt in de Record Plant East, New York. Dat de sfeer nu veel beter is, bevestigt Jim Keltner: “Het was fantastisch. John dronk niet meer – hij had alles onder controle nu en dat maakte een enorm verschil.”

Ze nemen twee nummers per dag op, alles zo veel mogelijk live. John staat er op zo min mogelijk af te wijken van de oorspronkelijke arrangementen.

Aan het einde van de week zijn de opnamen achter de rug. Het laatste werk was het inzingen van ‘Just Because’, waarvan de backing al in Los Angeles was opgenomen.

Op vijf dagen hebben ze elf covers op band gezet. Tussendoor is er ook één nieuwe compositie van John aan bod gekomen: ‘Move Over Ms. L’ – een boodschap aan Yoko.

 

Een misverstand?

John heeft echter zo zijn twijfels over het uitbrengen van de oldies lp. De opnamen uit Los Angeles zijn niet denderend en voor die uit New York heeft hij niet genoeg tijd uitgetrokken. Bovendien vindt hij het idee voorbijgestreefd.

Hij heeft dan ook geen haast om de banden af te mixen. 

Maar Levy begint ongeduldig te worden en vraagt John om de opnamen eens te kunnen horen. Ze spreken af om mekaar die avond in de Club Cavallero te ontmoeten.

Tijdens het etentje overhandigt John twee dozen met een kopie van de ongemixte stereo dubs van de vijftien oldies songs. “Dat gebeurde in het volste vertrouwen, “weet May Pang, “Het was alleen bedoeld om naar te luisteren. Het was niet de standaard kwaliteit van een plaat.”

Dat weekend begint hij dan toch aan het mixen. “Het voornaamste probleem daarbij was het enorme verschil tussen beide groepen opnamen,” vertelde John achteraf: “De Spector sound tegenover mijn eigen geluid – van achtentwintig muzikanten naar acht. Maar ze passen prima bij elkaar, vind ik.”

Tijdens het gesprek begin oktober had Levy het terloops over Adam VIII ltd., een mail-oder label dat hij heeft opgericht om via TV platen te verkopen. Het idee sprak John wel aan, maar hij had er op gewezen dat in zijn geval EMI en Capitol hun rechten zouden doen gelden.

Later beweert Levy dat John hem toen mondeling toelating heeft gegeven om het afgewerkte “oldies” album via TV te verkopen op zijn Adam VIII. Dat wordt door May Pang formeel ontkend.

 

Twee platen tegelijk

Pas maanden later komt Capitol toevallig te weten dat Levy zijn plannen doorgezet heeft om de plaat van hun artiest in eigen beheer te gaan verkopen.

Tijdens een spoedvergadering wordt besproken dat een rechtszaak lang kan duren en veel geld zal kosten. Capitol beslist om Johns plaat vervroegd uit te brengen. Er is geen tijd voor uitgebreide hoesnota’s of een bewerkelijke hoes. Een foto van Jurgen Vollmer uit 1961, waarop John staat in zijn Hamburgperiode kan uitkomst bieden. De drie schimmen die voorbijlopen zijn overigens de andere Beatles.

Maar Capitol wordt in snelheid gepakt. Op zaterdag 8 februari 1975 verschijnen de eerste spotjes op de Amerikaanse televisie. Adam VIII biedt JOHN LENNON SINGS THE GREAT ROCK ‘N’ ROLL HITS (ROOTS) te koop wordt aan. De vraagprijs is $4.98, twee dollar onder de gangbare $6.98.

Op aanraden van zijn advocaten reageert John onmiddellijk met een telegram naar Levy: “Het gebruik van mijn muziek, mijn naam en beeltenis op de plaat genaamd Roots… zijn ontoelaatbaar. John Lennon.”

Capitol Records zelf spant een proces aan tegen Morris Levy om hem te dwingen de plaat terug te trekken.

Op 17 februari 1975 brengt Capitol Records vervroegd een paar duizend LP’s en eight-track tapes van ROCK ‘N’ ROLL op de markt. De winkelprijs is één dollar meer dan wat Adam VIII vraagt.

De tracklist wijkt lichtjes af van die van Adam VIII. Door ‘Angel Baby’, één van de drie Big Seven Music songs weg te laten, verbreekt John openlijk de afgesproken regeling.

 

En ook twee rechtszaken

Het hele verhaal eindigt zoals het ook is begonnen: met rechtszaken.

Morris Levy spant, op 25 februari, via zijn maatschappijen Big Seven Music Corp (eigenaar van de copyrights) en Adam VIII (platenmaatschappij) een proces in tegen John Lennon wegens het verbreken van een mondelinge overeenkomst. Hij stelt dat deze overeenkomst bedoeld was om de ‘Come Together’ regeling te vervangen en dat Lennon deze overeenkomst verbrak door hem niet toe te laten het contract ten uitvoer te brengen. Dat de andere verdedigers (Capitol Records, EMI Records en Lennons advocaat) samenspanden om hem te dwarsbomen en dat hij financieel verlies leed door de contractbreuk. Hij eist daarom een schadevergoeding van $42 miljoen. Hij maakt geen enkele melding dat John de oorspronkelijke overeenkomst niet is nagekomen.

John Lennon, Capitol Records en EMI Records reageren met een tegeneis. Wegens ongeoorloofd gebruik van Johns opnamen, naam en afbeelding eisen ze een schadevergoeding omdat ze minder exemplaren van hun LP kunnen verkopen door Roots en door de verminderde verkoopprijs. John Lennon zelf vraagt ook een schadevergoeding omdat zijn reputatie werd geschaad door de “shoddiness” van de verpakking van Roots.

De rechtszaak wordt vrij vlug afgehandeld. Op 13 juli 1976 beslist de rechter in het voordeel van John Lennon en Capitol Records. Morris Levy moet $144.700 in verloren royalties betalen, plus een regeling aan John voor de schade aan zijn reputatie.

Levy gaat nog in beroep, maar ook dan wordt hij weer in het ongelijk gesteld.

Voor Spector waren de gouden jaren voorbij: hij zou nooit meer een fatsoenlijke plaat maken. John Lennon zou wel nog één keer een plaat opnemen.