januari 2010


Het kan zijn dat het slechts een indruk is, maar het valt mij op dat er de afgelopen maanden veel mensen uit de muziekwereld van ons zijn heen gegaan. Sinds Kerstmis alleen al, denk ik dan aan singer/songwriters Vic Chesnutt, Lhasa de Sela en Bobby Charles, Birthday Party gitarist Rowland S. Howard, Tim Hart, oprichter van de folkrock groep Steeleye Span, soul producer Willie Mitchell, punkrocker Jay Reatard en soulzanger Teddy Pendergrass.

Maar het meeste heeft me het nieuws aangegrepen van het overlijden van Kate McGarrigle.

 Kate vormde samen met haar twee jaar oudere zus het erg sympathieke duo dat hier in Vlaanderen en Nederland vooral bekend is omwille van hun hitje uit 1975: ‘Complainte pour Sainte-Catherine’. Ik denk dat iedereen het refrein nog wel zal kunnen meezingen:

“Y’a longtemps qu’on fait d’la politique
Vingt ans de guerre contre les moustiques
Croyez pas qu’on n’est pas chretiens
Le dimanche on promene son chien”

Hier is het nog eens.
 

Gek genoeg sloeg het nummer alleen hier aan. Het wordt bijvoorbeeld in geen enkel Engelstalig in memoriam vernoemd.

Na dat debuut hebben de zussen nog een tiental platen gemaakt, allemaal van hoge kwaliteit, maar echt doorgebroken zijn ze nooit. Misschien wel omdat ze muziek niet zagen als een carriere. Het was hun passie. 

Kate werd op 6 februari 1946 geboren, in Saint-Sauveur-Des-Monts in Québec. Haar zus Anne volgde twee jaar later. Er is ook nog een oudere zus, Jane.

Hun vader, Frank McGarrigle, was een grote fan van 19de eeuwse songs, vooral dan van die van Stephen Foster. Kate verwerkte haar herinneringen aan die tijd waarin ze die “songs that may no longer please us” zongen in ‘The Work Song’, een nummer gebracht door Maria Muldaur in 1973:

When I was a little thing
Papa tried to make me sing
‘Home, Sweet Home’ and ‘Aura Lee’
These were songs my daddy taught me
‘Camptown Races’ and ‘Susanna, don’t you cry’
‘Gentle Annie’ still brings a tear to my eye.

De zussen kregen pianoles van de nonnen in St. Sauveur en zeurden lang genoeg tot ze een gitaar kregen om rock ‘n’ roll te kunnen spelen, zoals de Everly Brothers. Maar het was een optreden van Pete Seeger dat hen, in 1960, het folkpad deed volgen. Met twee jongens vormden ze de Mountain City Four, waarbij ze een repertoire brachten van Britse balladen en Canadeese liedjes. 

Na haar studies voor ingenieur trok Kate naar New York, waar ze kennis maakt met een beginnende folkzanger, Loudon Wainwright III. Ze trouwen en keren terug naar Québec. In 1973 wordt Rufus geboren en drie jaar later volgt Martha.

Ondertussen is Kate zelf ook begonnen met nummers te schrijven. Haar eerste poging is ‘Heart Like A Wheel’. Dat wordt, in 1974, door Linda Ronstadt opgenomen als titelsong van haar elpee. Het wordt een dike hit. Maria Muldaur volgt met ‘Work Song’. Die vraagt de zussen ook om backing vocals te doen voor haar volgende plaat.

Dat vormt de opstap naar hun eigen debuutplaat Kate & Anna McGarrigle. Warner Brothers investeert serieus: Joe Boyd producet en mensen als Lowell George, bassist Tony Levin en  Bobby Keys, saxspeler bij The Stones komen meespelen.

Een van de hoogtepunten is ‘Talk To Me of Mendocino’.

Linda Ronstadt vertelde over die song, in 1998: “Hun spul is zo ontroerend. Het is geen muziek die je op de achtergrond draait. Ik moet er echt voor gaan zitten en luisteren. […] De eerste keer dat ik hun nummer ‘Talk To Me of Mendocino’ hoorde, zat ik in de auto. Ze had me op een bandje gestuurd, mijn manager had het me en ik was naar huis aan het rijden… Ik moest aan de kant gaan staan, het bracht me aan het huilen. Niet dat ik… Ik ween niet gemakkelijk… Het greep me zo aan dat het jaren heeft geduurd voor ik het kon opnemen. Ik moest wachten tot ik het aankon.”

De opvolger is Dancer With Bruised Knees (1977), opnieuw in een productie van Boyd en met John Cale en Bill Monroe als gasten. Daarop staan drie Franstalige songs, hetgeen dan weer lijdt tot een volledig Franstalige plaat Entre Lajeunesse Et La Sagesse (1981- ook gekend als  The French Album).

Via Linda Ronstadt kwamen ze in contact met Emmylou Harris, die zeer graag met de zussen samenwerkte en regelmatig bij hun thuis logeerde. Emmylou stond trouwens tussen de rest van de familie, aan het sterfbed toen Kate op 19 januari overleed aan kanker.

Maar eigenlijk doen Martha en Rufus het hele verhaal veel grappiger uit de doeken, in dit filmpje over hun moeder en tante:

Advertenties

In het januari nummer van Mojo (uitgebracht op 1 december, maar tijdschriften werken blijkbaar volgens een andere kalender) staat een artikel over Laura Nyro. Opvallend is het verslag van haar optreden tijdens een van de eerste festivals: dat van Monterey in Californië, in juni 1967. Ze stond er geprogrammeerd vlak na The Byrds en voor Jefferson Airplane. En ze werd uitgejouwd. Niet omdat haar muziek slecht zou zijn, maar omdat het publiek geen idee had wat ze met haar verschijning aanmoesten. Het begrip singer/songwriter was namelijk nog niet uitgevonden. Van folkzangers werd verwacht dat ze oude songs zouden brengen.

Wanneer wekt mijn nieuwsgierigheid: wie lag dan aan de basis van het genre? Na enig zoeken kwam ik uit bij Tom Rush. Diens The Circle Game wordt door het tijdschrift Rolling Stone bestempeld als de allereerste elpee in het singer-songwriter genre.

En toevallig is dat een van mijn lievelingsplaten.

No Regrets

“Wie is, in Gods naam, Tom Rush?” zal u misschien denken. En wie kan u dat kwalijk nemen? Hoewel hij begin vorig jaar nog eens met nieuw materiaal kwam, dateert zijn vorige studioalbum 1974 – 35 jaar geleden. Toen was u misschien nog niet eens geboren!

Nochtans kent u ongetwijfeld toch minstens één nummer van hem: ‘No Regrets’:

There’s no regrets, no tears goodbye
I don’t want you back, we’d only cry again
Say goodbye again

Tientallen keren is het nummer gecoverd. In Vlaanderen bijvoorbeeld door Dirk Blanchart, in 1990. U2 bracht het al eens live.

De bekendste versie echter werd gezongen door Scott Walker: in 1976 was het een Britse top 10 hit als de comeback single van zijn groep, de Walker Brothers.

The Walker Brothers

De originele versie van ‘No Regrets’ dateert uit 1968 en was het sluitstuk van The Circle Game, de elpee dus waarmee alles begon.

Tom Rush

Tom Rush werd 68 jaar geleden geboren in Portsmouth, New Hampshire. Tijdens zijn studies Engelse literatuur aan de universiteit van Harvard begon hij op te treden. Begin jaren zestig was Boston, na Greenwich Village in New York, het tweede centrum van de folkbeweging in Amerika. Rush deelde er een kamer met de later producer Joe Boyd (Nick Drake, Fairport Convention…).

Zoals gebruikelijk bestonden zijn eerste elpee’s uit covers van akoestische blues en folksongs. In het spoor van Bob Dylan werd hij op zijn derde plaat Take A Little Walk With Me (uit 1966), bijgestaan door een elektrische versterkte band met mensen als Bruce Langhorn en Al Kooper.

Voor de opvolger zocht hij naar nieuwe wegen. Hij was een beetje uitgekeken op het geijkte folkmateriaal.

“Tegen het midden van de jaren zestig had ik zowat alle traditionals gehoord: de Childe ballads, de blues opnamen, de 78 toeren plaatjes, een groot stuk van wat er in de Library of Congress te vinden was… Ik vond niets meer waar ik nog warm van werd. En toen kwam Joni met songs die folky klonken maar tegelijkertijd zeer literair waren. Het waren een beetje nieuwe kleren geknipt uit oude stoffen, of nieuwe bloemen in een oude tuin… Iets in die aard. In ieder geval, vond ik ze aantrekkelijk omdat ze fris klonken en toch ook weer gekend en eigenlijk gewoon verschrikkelijk goed.”

Joni Mitchell

De Joni in kwestie is Roberta Joan Anderson, beter gekend als Joni Mitchell.

Hij had haar in 1965 ontmoet in het clubcircuit van Detroit, Michigan. “Ik speelde er in een club: the Chessmate. Zij vroeg aan de uitbater of ze een gastoptreden mocht doen, zodat ik haar kon zien. Die vent was echt een rare kwiet. Morrie Widdenbaum heette hij. Het was een echt schaakgenie, maar hij kon niet eens zijn schoenen binden. Hij woonde in een groot onbemeubeld huis. Er was ook een zwembad, maar dat was half gevuld met bierblikjes. Rare kerel… maar met een uitstekende muzieksmaak.

In ieder geval: Joni maakte deel uit van de lokale scène. Ze mocht [het voorprogramma doen] en ik vond haar geweldig.”

De zelfgeschreven songs van de Canadese spreken hem zeer aan. Ze raken aan de praat en ze nodigt hem uit om, voor de duur van zijn verblijf in Detroit, bij haar thuis te komen slapen. Joni is enkele maanden eerder getrouwd met een folkzanger Chuck Mitchell. Ze wonen in een appartementje op de vijfde verdieping, dat ze nog volop aan het inrichten zijn.

“Hij begreep mijn songs meteen,” vult Joni Mitchell aan, in een interview uit 1970. “Hij vroeg naar meer. Ik had [wat songs] achter de hand gehouden die ik te gevoelig vond, of te vrouwelijk. Maar net die koos hij uit.” Dat zijn nummers als ‘Both Sides, Now’, ‘Urge For Going’ en ‘Little Green’ (over het dochtertje dat ze afgestaan heeft voor adoptie).

Ze vertelt verder dat de goede raad van Tom haar carrière op weg heeft geholpen: “Hij overtuigde me om weg te trekken uit Michigan. Dus trok ik naar New York en speelde er in de Gaslight, maar dat ging niet zo goed. Er was wat interesse maar er bewoog niets.”

“En toen nam Tom mijn nummer ‘Urge for Going’ op. Hij had het eerst willen geven aan Judy Collins. Hij liet het haar horen, maar ze was niet geïnteresseerd.” Hij zocht naar iemand anders die hij het kon laten brengen, maar niemand wou het.

Joni had hem een bandje toegezonden met enkele van haar songs, waarmee hij trachtte zijn platenfirma, Elektra, te overtuigen om haar te tekenen. Die vonden echter dat ze aan één Judy Collins genoeg hadden.

“Op een dag kreeg ik een brief van hem,” gaat Joni verder. “Hij schreef: ‘Ik ga ‘Urge for going’ zelf doen. Het is niet echt mijn ding, maar we zien wel.’

Tom had, in de herfst van 1966, een eerste versie van ‘Urge For Going’ opgenomen, met Bruce Langhorne op gitaar. Een kopie daarvan gaf hij aan Jefferson Kay, een bevriende DJ bij de radiozender WBZ in Boston. “Hij draaide het één keer en onmiddellijk begonnen de verzoekjes binnen te komen. Het was zeer, zeer populair. Waarschijnlijk voor een stuk omdat je het alleen maar kon horen door het aan te vragen. Dat was voor er cassetterecorders waren.”

Die opname vormde de eerste aanzet voor zijn nieuwe elpee. Hij ging op zoek naar meer fris materiaal.

Jackson en James

Via zijn platenfirma hoorde hij een demo gehoord van een andere jonge songschrijver: Jackson Browne. Jackson was pas 18 toen hij in september 1966 bij Elektra tekende. In een  paar namiddagen had hij een dertigtal zelfgeschreven nummers op band gezet.

Ontzet kijkt hij er later op terug: “Elektra maakte er kopieën van. En dan deden ze iets heel stoms: ze deelden die uit. Ik had die dingen in een uur of vier opgenomen en het was echt vreselijk slecht. Ik kon niet eens zingen [toen]. Ze duiken nog steeds op. Ik heb er een stuk of veertig van te pakken kunnen krijgen, maar er waren er honderd van gemaakt. Vreselijk.”

De platenfirma wist niet goed wat met hem aanvangen en ze lieten hem terug gaan. Jackson trok naar New York waar hij Nico en Tim Buckley ging begeleiden.

Uit die demo pikte Tom Rush het nummer ‘Shadow Dream Song’.

Toen Jackson Browne in New York arriveerde was daar net een ander Californische songwriter vertrokken. James Taylor was naar Engeland gevlucht om zijn eigen heroïneverslaving te ontlopen. In Londen presenteerde hij zich bij Apple, de pas opgerichte platenfirma van Apple. Paul McCartney reageerde enthousiast op zijn demo en meteen kreeg Taylor een contract onder de neus geschoven. Zijn titelloze debuut verscheen in december 1968. Daarop stonden songs op die Tom Rush hem net voor zijn vertrek had horen spelen.

“Ik ontmoette James Taylor via mijn producer bij Elektra. Hij zei: ‘die jongen is een goede songwriter. Ik zal hem aan je voorstellen. Hij vertrekt over een paar dagen naar Engeland.’ Een afspraak werd geregeld in het kantoor van Elektra. Ze zetten ons bij elkaar in een lege kamer, zonder meubels. We gingen op de vloer zitten en hij speelde me een paar songs voor. Ik nam ‘Something In The Way She Moves’ en ‘Sunshine, Sunshine’ op voor The Circle Game.”

In een interview met Rolling Stone vertelde James Taylor later: “Tom was niet alleen een held voor mij, maar ook een van mijn grote voorbeelden.”

The Circle Game

Tom werkte lang aan The Circle Game. De nummers had hij zorgvuldig gekozen zodat ze samen een verhaal vertellen. Over de overgang van de jeugd naar de volwassenheid: het verliezen van de onschuld, compromissen leren sluiten, de eerste liefde… Over op eigen benen staan en terugblikken zonder spijt: ‘No Regrets’.

Dat laatste nummer had hij zelf geschreven. Samen met ‘Rockport Sunday’, het instrumentale nummer dat er op de plaat net aan vooraf gaat, zijn het de twee enige eigen composities van hem op The Circle Game

Haast alle andere songs waren dus van aankomend, nieuw talent: drie van Joni Mitchell, twee van James Taylor en een van Jackson Browne.

Die vulde hij aan met nog twee andere covers: ‘The Glory Of Love’ was een song uit de film Guess Who’s Coming To Dinner, uit 1936. The Five Keys hadden er in 1951 een dikke hit mee gehad, in een doo-wop versie. En ‘So Long’ is een nummer van de latere countryster Charlie Rich, uit de tijd dat die nog voor het Sun label werkte.

The Circle Game verscheen in april 1968. Op de hoes prijkt Rush samen met zijn toenmalige vriendin Jill Lumpkin, gefotografeerd door Linda Eastman. Toen nog de favoriete fotografe van mensen als Jimi Hendrix en the Grateful Dead en later mevrouw McCartney.

De plaat maakte grote indruk. Het hielp zeker om de carrières van de drie jonge songschrijvers een zetje te geven.

“Daarmee ging de bal aan het rollen,” erkent Joni Mitchell. “Hij heeft de deuren voor mij geopend. Bij elk optreden bracht hij mijn nummers en maakte reclame en de mensen werden nieuwsgierig. Een heel nieuw circuit kreeg interesse in mij.”

Zo neemt country zanger George Hamilton IV de song op nadat hij Rush het nummer heeft horen zingen. Hij heeft er een top 10 hit mee op de countrylijst van Billboard.

Daarna veranderde Judy Collins van mening. Ze nam het nummer alsnog op in 1969 en ook haar versie behaalde de top 10. Joni zelf bracht haar versie pas in 1972 uit, als de b-kant van ‘You Turn Me on I’m a Radio’.

Het titelnummer bracht Joni zelf in april 1970 op Ladies Of the Canyon, met backing vocals van Crosby, Stills, Nash & Young. Ze had het geschreven als antwoord op Neils eigen ‘Sugar Mountain’ – een song over het onvermijdelijke verlies van onschuld bij het opgroeien.

Mocht je ooit een exemplaar van The Circle Game tegenkomen: niet twijfelen – kopen!

Zelf heb ik een er alleen oude cd-versie van, maar in mei 2008 bracht Rhino een remaster uit met wat bonus tracks en een uitgebreid boekje. En Rhino kennende zal die versie wel uitstekend verzorgd zijn

Tom Rush live