december 2011


Het uitstalraam van mijn favoriete platenwinkel ligt vol met dikke boxen, remasters en andere overbodige Deluxe edities van spullen die ik allang in huis heb. Het is duidelijk: de Kerstperiode staat voor de deur. Tijd om terug te blikken! Dat doen we traditiegetrouw met het jaarlijstje.

Er viel opnieuw heel wat lekkers te beleven. Voor we aan het lijstje beginnen wil ik toch even wat dingetjes vernoemen die niet in aanmerking komen, om diverse redenen.

Zo moet ik toch zeker een plaatje vermelden dat vorig jaar is uitgekomen, maar dat ik te laat heb ontdekt: Folk Songs For the American Longhair van Brother Dege.

Verder heb ik erg genoten van een paar compilaties, vol zuiderse klanken. Wie mij een beetje kent, weet dat ik hiermee doel op het zuiden van de Verenigde Staten, de bakermat van zowat alle muziek die mij dierbaar is. Delta Swamp draagt als vlotbekkende ondertitel Sounds From The South: At The Crossroads of Rock, Country and Soul. De dubbel-cd brengt wat hij belooft: muziek die niet te vangen is onder één hoedje.

Al ligt de klemtoon op soul, geldt datzelfde eigenlijk ook voor The Fame Studios Story 1961-1973. Op drie cd’s krijgen we een greep songs die zijn opgenomen in de legendarisch Muscle Shoals studio, gelegen in Alabama, vlakbij de grens met Tennessee en Mississippi. Hoewel dat zowat het hart is van  Dixieland, werkten blank en zwart er broederlijk samen. Een hele prestatie in die tijd.

Tenslotte wil ik Smile ook even vermelden. Het legendarische verloren meesterwerk van Brian Wilson is eindelijk, zo’n 45 jaar na de opnamen, verschenen. Vijftien jaar geleden zou ik er heel blij mee zijn geweest. Toen heb ik, aan de hand van verschillende bootlegs, verschillende cassettes gemaakt met mijn eigen versie van wat had kunnen zijn. Brian Wilson bracht een jaar of zeven een nieuwe interpretatie van het materiaal en dat was goed. Eigenlijk voegt die schitterend uitgegeven, ontzettend dure box set niets meer toe aan het verhaal. Vooral jammer vind ik dat de tracklist van Brian Wislon Present Smile is aangehouden voor deze uitgave. Dat was toch meer de visie van Darian Sahanaja, dan die van de opper Beach Boy zelve. Ik had dan ook liever iets gehoord dat dichter bij de oorspronkelijke opzet zat.
Jammer.
Maar het blijft een prachtig hebbeding.

Onze jeugdhelden worden oud. Paul McCartney wordt volgend jaar 70 en Bob Dylan is het in mei al geworden. Dat werd gevierd en hoe! Natuurlijk was er mijn boek, Bob Dylan in de studio, dat – tot mijn verrassing en grote vreugde – over het algemeen zeer goed werd ontvangen.

A Nod To Bob, Vol. 2 is een heel mooi eerbetoon van een select groepje Americana artiesten die een voortreffelijke interpretatie hebben gemaakt van songs uit Dylans oeuvre. Dikwijls leidt zoiets nogal eens tot tenenkrommende resultaten (wacht op die vier cd’s box set van Amnesty International), maar dit plaatje kon mij zeer bekoren.

Nonkel Bob kwam de feestelijkheden zelf luister bijzetten, middels een bij momenten uitstekend concert in het Sportpaleis.

En dan nu… tromgeroffel: het lijstje!

1.         Gillian Welch – The Harrow & The Harvest


2.         Thurston Moore – Demolished Thoughts

3.         The Bony King of Nowhere – Eleonore

4.         Raphael Saadiq – Stone Rollin’

5.         Ryan Adams – Ashes And Fire

6.         Jeffrey Foucault – Horse Latitudes
7.         Sarah Lee Guthrie & Johnny Irion – Bright Examples
8.         Buddy Miller – Majestic Silver Strings
9.         Josh T. Pearson – Last Of The Country Gentlemen
10.      Eilen Jewell – Queen Of The Minor Key

11.      PJ Harvey – Let England Shake
12.      Israel Nash Gripka – Barn Doors And Concrete Floors
13.      John Hiatt – Dirty Jeans and Mudslide Hymns
14.      Joe Henry – Reverie
15.      Lucinda Williams – Blessed
16.      Tom Russell – Mesabi
17.      The Walkabouts – Travels In The Dustland
18.      Laura Marling – A Creature I Don’t Know
19.      William Elliott Whitmore – Field Songs
20.      Wilco  – The Whole Love

Verder zijn er nog eervolle vermeldingen voor:

  • Amatorski – TBC
  • Matt Bauer – The Jessamine County Book of the Livin
  • Blackie and the Rodeo Kings – Kings and Queens
  • Ray Bonneville – Bad Man’s Blood
  • Kate Bush – 50 Words For Snow
  • Ry Cooder – Pull Up Some Dust And Sit Down
  • King Creosote & Jon Hopkins – Diamond Mine
  • The Decembrists – The King Is Dead
  • Bon Iver – Bon Iver
  • Paul Simon – So Beautiful or So What
Advertenties

Wanneer John op de proppen komt met ‘Strawberry Fields Forever’ reageert Paul onmiddellijk met een eigen nummer over zijn jeugd in Liverpool.  ‘Ik denk dat we die [nummers] in dezelfde periode schreven,’ probeert Paul zich in 1994 te herinneren. ‘We antwoorden vaak mekaars songs. Het kan best zijn dat het mijn versie was van een herrinneringsong.’

Penny Lane is een straat in Liverpool. Gek genoeg heeft Paul er echter nooit gewoond, maar John wel. Vlak voor zijn dood vertelde hij: ‘Penny Lane is niet enkel een straat, maar een district… een voorstad waar ik met met mijn moeder en vader gewoond heb, tot mijn vier jaar. Ik was de enige Beatle die in Penny Lane heeft gewoond.’

Penny Lane is dus meer dan een straatnaam, het is vooral een aanduiding voor een hele buurt. Er was een belangrijk busstation in Penny Lane en vele groene dubbeldekkers Liverpool gaven dan ook aan dat ze naar Penny Lane reden.  Het busstation was een verzamelpunt voor de jeugd: de plaats van waar uit je naar het stadscentrum kon rijden.

Paul liep al langer rond met het idee. Een jaar eerder, tijdens de opnamen van de het TV-programma The Music Of Lennon And McCartney, op 1 november 1965 vermelde hij terloops dat hij een nummer over Penny Lane wil schrijven. Ook John gebruikte de naam Penny Lane in een vroege versie van ‘In My Life’, maar dat werd niks.

In december 1966 zet hij zich echt aan het schrijven. ‘Het waren jeugdherinneringen: er is een bushalte die Penny Lane heet. Er was een kappersazaak: Bioletti’s, met foto’s van hoofden in de etalage, als voorbeeld van haarsnit die je er kan vragen. Ik dikte dat wat aan en maakte er van dat het was alsof hij een tentoonstelling hield in zijn uitstalraam. Het was allemaal gebaseerd op echte dingen. Op de hoek was er een bank. Dus bedacht ik een bankier – geen bestaande persoon – met lichtjes dubieuze gewoontes, en de kinderen die hem uitlachen en de gietende regen.

Ook de brandweerkazerne was een beetje een dichterlijke vrijheid. Er is een brandweerkazerne, maar die licht een paar kilometer verder. Niet echt in Penny Lane. Maar we hadden een derde strofe nodig… Ik vond het stukje over ‘It’s a clean machine’ erg geslaagd. Ik vind het nog steeds een mooie uitdrukking. Soms heb je geluk en klinkt iets mooi en wordt het een vaste uitdrukking.

Kortom: de bank, de kapper en de brandweerkazerne bestonden allemaal echt.’

John bevestigt: ‘We waren echt op dreef toen we ons Penny Lane voor de geest haalden: de bank was er, en het busstation met de tramhokjes en de wachtende mensen en de controleur stond er… de brandweerwagens waren in de buurt. Het was als je jeugd herleven.’

Toch is er meer aan de hand dan je op het eerste gezicht zou zeggen. Wat eerst een mooie zomerdag lijkt, ‘beneath the blue suburban skies’, wordt plots verstoord door stortregen ‘the fireman rushes in from the pouring rain’. Even later staat zelfs de winter voor deur: ‘selling poppies from a tray’ verwijst immers naar 11 november. Op Remembrance Day wordt het einde van de Eerste Wereldoorlog herdacht. In Engeland en Amerika verkoopt men dan ‘poppies’: rode bloemen, een verwijzing naar de papavers, de rode bloemen op de slagvelden van Vlaanderen.

Dat de tijdsverwarring in de tekst geen slordigheid is, maar een bewust surrealistische toets, valt op te maken uit Pauls terzijde over de verpleegster: ‘She feels as if she’s in a play… she is anyway’.

‘John en ik spraken vaak af in Penny Lane,’ verklaart Paul. ‘Ieder jaar, op Poppy Day, stond daar iemand van het Britse leger om poppies te verkopen. John en ik stopten dan een shilling in het blikje en namen een bloemetje. Dat was onze herinnering. We fantaseerden over een verpleegster die de poppies verkocht – Amerikanen dachten vaak dat het om puppies ging!
Dat is ook weer een interessant beeld.’

Paul heeft twee strofen geschreven wanneer hij het nummer aan John toont. Samen schrijven ze de derde strofe. vast te zitten.

‘Het waren jeugdherinneringen: half vergeten dingen van een jaar of acht, tien eerder. Recente nostalgie, fijne herinneringen voor ons allebei.’

Een zicht op Penny Lane, in 1957. De foto is gemaakt van uit de bushalte. In het midden is de kapperszaak.

 

Opnamen

De opnamen beginnen op 29 december 1966 om 7 uur ‘s avonds. Terwijl John in een andere studio druk doende is met de post-synchronisatie van de film How I Won The War, neemt Paul in zijn eentje, de basistrack op.

Voor de opname vertelt hij aan George Martin: ‘Ik wil een heel zuivere opname … Misschien iets in de aard van de Beach Boys.’

Gezeten aan de piano speelt hij het nummer zes keer. Enkel de laatste twee pogingen het einde. Take 6 wordt als basis genomen om op verder te werken.

Deze basismelodie, op spoor 1, vult hij aan met een tweede piano-opname, deze keer vervormd weergegeven door een gitaarversterker. Op spoor 3 komen tamboerijn en een derde piano, op halve snelheid opgenomen. Spoor 4 tenslotte is een combinatie van enkele tonen van een harmonium, opnieuw door een gitaarversterker, vreemde percussie effecten en enkele tikken op een cimbaal.

Van deze opnamen worden twee ruwe mono-mixen gemaakt en dan is het kwart na 2 en tijd om naar huis te gaan.

De volgende avond wordt eerst een mono mix gemaakt, om de 4-sporen band terug te brengen tot één spoor, take 7. Op een van de vrijgekomen sporen wordt dan de eerste zang toegevoegd, door Paul, met John op tweede stem. Haast vanzelfsprekend wordt ook daar weer mee geëxperimenteerd: de zang wordt iets vertraagd opgenomen, zodat die wat hoger klinkt bij het afspelen. 

Het is weer ver na middernacht wanneer ze opnieuw twee mono-mixen maken als demo’s.

Na nieuwjaar, op 4 januari 1967, wordt het werk hernomen. Eerst is er nog maar eens een piano-overdub, dit keer gespeeld door John, plus een gitaarsolo van door George. De beiden instrumenten staan op hetzelfde spoor. Paul zingt het nummer opnieuw in op een ander.

Beatleshulpje Mal Evans noteert in zijn dagboek: : “Opname ‘Penny Lane’, maar Paul en John zijn nog niet tevreden. Dus doen de we de zang morgen opnieuw. Gingen naar de [club] Bag O’ Nails omstreeks 3:45 na de sessie. Cyn, Terry en Stan. Jane kwam naar de studio in haar auto. Aten vis met friet in de studio. Overal brandende wierookstokjes vannacht – begin van de geur te houden.’

De volgende dag doet Paul de zang dus over. Met de geur van de frieten nog in de studio, wijzigt hij daarbij de tekst lichtjes. Hij voegt de opmerking “very strange” toe, maar ook het aangebrande woordspelletje ‘four of fish and finger pies’. ‘A four of fish’ is een vaste uitdrukking waarmee men voor 4 penny vis met friet bestelde, terwijl ‘finger pie’ verwijst naar gefoefel van tieners in het slipje van hun vriendinnetje. Het openbare toilet bij de bushalte was daarvoor een ideale plek.

De rest van de avond nemen The Beatles, onder leiding van Paul ‘Carnival of Light’ op. Dat is een 13’48” durende collage van geluiden voor een underground-feest, in het Roundhouse Theatre. Een voorloper van Johns ‘Revolution N° 9’.

De dag daarna, op 6 januari, worden bas (Paul), drums (Ringo) en slaggitaar (John) toegevoegd aan de opnamen. Alle instrumenten worden vertraagd opgenomen. Ook de conga drums die John daarna bespeeld worden vervormd en vertraagd opgenomen. 

Omdat alle sporen opnieuw vol zijn, wordt take 7 teruggebracht tot twee sporen als take 8. Hierbij sneuvelen de opnamen van de gitaren: zowel George’s sologitaar als Johns slaggitaar worden gewist.

De vrijgekomen sporen raken diezelfde avond opnieuw gevuld. Spoor 3 met nog meer pianospel van John en George Martin, aangevuld met handgeklap. Op spoor 4 geven Paul, John en George, door middel van scatzang aan waar blazers moeten komen.

Tegen 1 uur ‘s nachts wordt take 8 weer gemixt tot take 9, waarbij opnieuw twee sporen vrijkomen. Spoor 3 wordt daarbij echter alweer gewist.

Tijdens het weekend schrijft George Martin een blazersarrangement. Op 9 januari staan daarvoor negen muzikanten opgetrommeld. Het instrumentarium bestaat uit vier fluiten, twee trompetten, twee piccolo’s en een bugel. John maakt stiekem opnamen van de sessie.

Na afloop worden weer twee ruwe mono-mixen gemaakt: remix 5 en 6 van take 9.

De volgende dag volgt nog meer scatzang. De stemming is blijkbaar opperbest want ze besluiten wat grapjes toe te voegen: telkens de brandweerwagen wordt vermeld, wordt er even heftig geschud met een handbel. Ook het geluid van een bus (op 3:32) is een aardigheidje.

Drie dagen later, op 12 januari, worden nog meer blazers toegevoegd: twee trompetten, twee hobo’s en twee althobo’s.

Er wordt zelfs een contrabassist bijgehaald voor een piepklein accentje. Vanaf 2:03 speelt de bassist twee maten of vier seconden lang, telkens opnieuw dezelfde noot. Het geluid van de staande bas onderlijnt de traagheid van de bankier, die lijdt aan artritis. Dat komt er van als je halsstarrig weigert een regenjas (mackintosh, afgekort tot mack) te dragen in de regen.

Er worden opnieuw twee mono mixen gemaakt: RM7 en RM8. Paul neemt een acetate van RM 8 mee naar huis.

De Anthology mix, met de hobo’s

Maar Paul is niet helemaal tevreden.

Een paar dagen eerder, op 11 januari, heeft hij op TV een uitvoering gezien van Bachs tweede Brandenburgse concert door het English Chamber Orchestra. Hij is behoorlijk onder de indruk van de bijzondere klank van de piccolo trompet. De volgende dag legt hij tegen George Martin uit, dat hij ook dit geluid wil toevoegen. Hij neuriet voor wat hij wil dat er gespeeld wordt. Het is aan Martin om de partituur uit te schrijven. 

De beroemde piccolo trompet solo wordt toegevoegd op 17 januari. Het is David Mason die het uitvoert. Mason is ook de man die het instrument bespeelde tijdens de uitvoering op TV. Volgens de aanwijzingen van Paul, speelt hij twee solo’s: één in het middenstuk en één aan het einde.

David Mason, die eerder dit jaar overleed, vertelt doet hier zijn verhaal uit de doeken.

Na afloop van de opnamen worden opnieuw drie mono-mixen gemaakt van take 9. De beste daarvan wordt onmiddellijk naar de Verenigde Staten gestuurd, om daar als master te dienen voor de single. In afwachting worden alvast wat promo kopieën geperst en verspreid.

Maar ondertussen bedenkt Paul zich en op 25 januari, laat hij George Martin het nummer opnieuw mixen, maar zonder het laatste stukje van de tweede trompetsolo.

Deze versie verschijnt op de single ‘Strawberry Fields Forever’/’Penny Lane’ die op 17 februari 1967 wordt uitgebracht. De eerste 25 000 exemplaren zitten in een fotohoesje – een primeur voor Engeland.

Filmpje

Net als voor ‘Strawberry Fields Forever’, maakt regisseur Peter Goldman een 35 mm filmpje voor ‘Penny Lane’.

‘Het ging allemaal razendsnel,’ getuigt Goldman. ‘Ik zat al goed en wel in het vliegtuig voor het tot me doordrong waar ik aan begonnen was. Zenuwen en opwinding kwamen opzetten. Hoe zou ik  iets kunnen maken dat grappig-bizar-slim-gek-gesofistikeerd genoeg zou zijn om The Beatles tevreden te stellen? Het was tijdens de vlucht dat ik bedacht om paarden te gebruiken.

“Hou je van paarden?” vroeg ik The Beatles, toen ik hen mijn ideeën voorlegde voor het promofilmpje  voor ‘Penny Lane’.  “Tuurlijk, paarden. We hebben veel vrienden die paarden hebben.” Ze dachten alle vier wel paard te kunnen rijden, als het kalme dieren waren tenminste.”

Op 5 februari zien verbaasde passanten The Beatles heen en weer lopen de nauwe straatjes van het plaatsje Stratford, in het Londense East End. Het nieuws verspreidt zich razendsnel. ‘De aanblik van de vier paarden bleek te veel voor de heuse menigte die zich inmiddels had verzameld,’ weet Peter Goldman. ‘Het roepen en krijsen maakte de paarden angstig.’ In afwachting dat de situatie wat bekoelt, trekken de jongens zich terug in een pub. ‘Natuurlijk was het dolle pret toen The Beatles en de film crew daar binnen kwamen. Er werd een fotograaf bij gehaald om de gelegenheid te vereeuwigen. De uitbater, zijn personeel, vrouwen, kinderen… iedereen kwam er bij. Iedereen moest er bij voor een familieportret met The Beatles. Oma werd wakker gemaakt, de baby uit de wieg gehaald.  … The Beatles zeiden nooit nee, tegen dit soort situaties. Geduldig kreeg iedereen een handje, mensen mochten hun jassen passen….’

De opnamen worden twee dagen later verder gezet in Knole Park, Sevenoaks, waar ook de scènes voor ‘Strawberry Fields Forever’ zijn gedraaid. ‘De scènes met de paarden zouden daar worden overgedaan,’ legt Goldman uit, ‘ maar dat was ook geen succes. Het viel nogal mee dat Paul een beetje kon rijden, toen zijn paard plots voor iets schrok en op de vlucht ging, dwars door een grote vlakte in dat enorme park.’ De andere paarden lopen er achter en het is een heel gedoe om de dieren weer te vangen. Uiteindelijk kunnen ze toch nog een paar minuten filmen. ‘De jongens waren blij dat de opnamen er op zaten.’ 

Gelukkig is er ook nog een minder gevaarlijke scène voorzien: een diner bij kaarslicht… overdag.

Daarvoor komt de enorme catering bus van de groep mooi van pas. ‘John, Paul, George en Ringo hielden van lekker eten,’ weet de regisseur. ‘Ze werden behoorlijk boos als ze hun speciale gerechten niet kregen, zelfs tijdens buitenopnamen.

Dus volgde de grote metalen, bontgekleurde bus hun overal. … Het eten werd geserveerd in een strikte volgorde: eerst John, Paul, George en Ringo, dan kwam ik, als hoofd van de filmploeg, daarna mijn assistant en zo voort.’

Enkele dagen later draait Goldman ook wat beelden in Liverpool, om toch de indruk te wekken dat de opnamen daar hadden plaatsgevonden. Daarop zijn onder andere de karakteristieke groene bussen te zien en natuurlijk ook de bushalte waar het allemaal om draait: ‘the shelter in the middle of the roundabout’.

Doorheen het filmpje zij er ook nog beelden van Lennon die , in zijn eentje, door King’s Road in Chelsea loopt.

Het filpje wordt gemonteerd door Tony Bramwell, een van de vertrouwensmannen van de groep. ‘Het was echt een mini-film. Allemaal gedraaid in dat verdomde park en die straten. Daarna werkten Andrew Gosling en ik als gekken, 36 uur, om alles te ontwikkelen en achter elkaar te plakken. Het heeft een pak geld gekost.’