Deel 2 – GP

 Gram Parsons

Ingram Cecil Connor III wordt geboren op 5 november 1946 in Winter Haven, Florida. Zijn moeder is van zeer rijke afkomst en bezit uitgestrekte citrusplantages. Vader is een held uit de Tweede Wereldoorlog. Maar allebei hebben ze problemen, die ze trachten te verdringen met alcohol. Na de zelfmoord van haar man, hertrouwt zijn moeder met Robert Parsons. Een aantal jaren gaat het goed, tot Robert een buitenechtelijke affaire blijkt te hebben. Moeder drinkt zich letterlijk dood.

Gram Parsons, zoals hij zich inmiddels is gaan noemen, vlucht in de muziek. Eerst is Elvis zijn grote held, later sluit hij aan bij de folkbeweging. Maar wanneer hij, aan de universiteit van Harvard, in de ban raakt van de countrymuziek van Merle Haggard, vindt hij zijn roeping. Hij besluit zijn studie filosofie op te geven om ‘Cosmic American Music’ op de kaart te zetten, een vermenging van alle Amerikaanse muzieksoorten: rock en country, met soul en folkinvloeden.

Een eerste elpee met de International Submarine Band komt niet van de grond. Via Chris Hillman komt hij bij The Byrds terecht, als jazzpianist (!). Hij drukt zijn stempel op het baanbrekende Sweetheart Of The Rodeo. Tijdens een Europese tournee met de groep, komt hij in contact met the Rolling Stones. Zijn passie voor countrymuziek maakt grote indruk op Keith Richard.

Terug in Los Angeles richt hij, samen met Hillman The Flying Burrito Brothers op. De eerste elpee, The Gilded Palace Of Sin brengt de Bakersfield Sound naar een rock publiek. Maar zijn druggebruik maakt hem onberekenbaar en in juni 1970, kort na het verschijnen van de tweede elpee, wordt hij uit de groep gezet.

Zoektocht naar een zangeres

 

Terwijl Gram probeert een solocarrière uit de grond te stampen, gaat de groep door met een aantal nieuwe mensen. Maar het loopt niet zoals het hoort. Na een geflopte derde plaat denkt Chris Hillman er zelfs over om op het aanbod van Stephen Stills in te gaan om samen een nieuwe groep op te richten.

 

Na afloop van een concert in Washington, DC, krijgt Rick Roberts, de nieuwe gitarist van de band, bezoek van een oude kennis. Ze staan te praten wanneer Chris Hillman er bij komt staan. Die meent dat er iets moet gebeuren om de band weer wat schwung te geven. Een zangeres zou misschien een oplossing kunnen zijn.

Wanneer Hillman weg is, vertelt Roberts vriend hem over een zangeres die hij onlangs aan het werk heeft gezien. Ze heeft niet alleen een mooie stem, maar ziet er ook heel goed uit. 

Roberts is geïnteresseerd en samen trekken ze naar Clyde’s. Daar merkt hij dat zijn vriend niet heeft overdreven. De zangeres maakt indruk. Zeker wanneer ze, met een cover van ‘It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels’ van Kitty Wells, ook blijkt country te kunnen brengen. Emmylou Harris zou wel eens precies kunnen zijn waarnaar The Flying Burrito Brothers op zoek zijn.

De volgende avond brengt Roberts, Chris Hillman mee. Ze blijven hangen tot Emmylou’s set afgelopen is en vragen dan aan de zangeres of ze zin heeft om de volgende dagen enkele nummers mee te komen doen, bij hun verdere optredens in de club. Dat gebeurt een keer of twee, drie.

– – –

Enkele weken later zijn de Burrito’s weer in de buurt van Washington: ze spelen in Baltimore, zo’n veertig kilometer van de hoofdstad. Gram is net terug van Europa, waar hij rondgehangen heeft met Keith Richards en Anita Pallenberg. Er is afgesproken dat hij komt  meespelen bij het concert.

In de kleedkamer vertelt Parsons over zijn soloplannen en dat ie op zoek is naar een geschikte zangeres. Iemand met wie hij close harmony kan zingen, in de stijl van zijn geliefde Louvin Brothers, zoiets als George Jones met Tammy Wynette.

Hillman vertelt hem over het zangeresje dat enkele keren met hen heeft meegezongen. ‘Chris Hillman was zo enthousiast, toen hij me vertelde over Emmylou dat ik haar wel moest zien,’ getuigt Parsons.

Alleen: niet weet hoe met haar in contact te komen.

Opnieuw komt het toeval ter hulp. Een van de meisjes die backstage rondhangen is de babysit voor Emmy’s dochtertje. Zij komt met het telefoonnummer dat het leven van Emmylou Harris een heel nieuwe wending zal geven.

‘Ik wist niet eens wie hij was,’ lacht Emmylou, terugdenkend aan het telefoontje van Gram Parsons. ‘Hij wou dat ik naar Baltimore kwam. Maar dat ging niet: ik moest spelen. Dus kwam hij met de trein naar D.C.

We spraken af aan het station. Gram was daar met zijn nieuwe vrouw, Gretchen. Zo’n charmante Southern boy, met uitstekende manieren en een brede glimlach. Ik speelde die avond in Clyde’s. Tussen twee sets deden we een paar songs samen, voor die paar aanwezigen.’

Parsons is onder de indruk: ‘Ik was er kapot van toen ik haar hoorde. Ik wou uittesten hoe goed ze was, of ze de manier van zingen en het gevoel van country kon oppikken. … We zongen één van de moeilijkste countryduetten die ik ken: ‘That’s All It Took’ [van George Jones en Gene Pitney]. Emmy zong het alsof ze nooit iets anders had gedaan.’

‘Gram zei dat het goed klonk,” vertelt Emmylou, ‘en dat hij me zou bellen. Ik dacht: Dat zal wel.’

 

GP

Zowat een jaar gaat voorbij.

Het heeft even geduurd eer Gram doorhad dat een platencontract met Rolling Stones Records er niet in zat. Daarna ging hij aankloppen bij Warner Brothers/Reprise Records. Mo Ostin wou hem wel tekenen. Een van Parsons idolen, Merle Haggard zou als producer optreden. Maar Haggard vindt Gram een hippie en grijpt zijn huwelijksproblemen aan om de zaak af te blazen.

Haggards geluidstechnicus, Hugh Davies, ziet de samenwerking wel zitten. Op zoek naar een andere producer, laat Parsons Ric Gretch overkomen. Hij is met de bassist van de Britse groep Family bevriend geraakt tijdens de Europese tournee met The Byrds. Hij heeft van Gretch zelfs een countryfan gemaakt.

Het is augustus 1972, wanneer Emmylou een vliegtuigticket voor Los Angeles in de bus krijgt. ‘Ik verwachtte niet dat de elpee er echt zou komen. Maar ik dacht: Ik neem dat vliegtuig, voor het avontuur. […] Ze boden me $500 om mee te doen aan de sessies. Dat was een berg geld voor iemand die moeite had om $100 per week te bij elkaar te krijgen.’

Parsons heeft een uitstekende groep muzikanten bij elkaar kunnen krijgen. Naast zijn vriend Barry Tashian op bas, treffen we de kern van Elvis Presley’s TCB Band: pianist Glen D. Hardin, drummer Ronnie Tutt en gitarist James Burton. ‘Gram kon echt onder de indruk raken van sommige mensen,’ meent Al Perkins. ‘Mensen als Elvis en Merle… Daarom wou hij hun muzikanten er bij betrekken.’ 

Emmylou is niet onder de indruk: ‘Weet je, ik had geen idee wie die mensen waren. Muzikaal was ik helemaal geïsoleerd. Ik had wel wat country gezongen, maar ik snapte er eigenlijk niks van. Ik wist toen ook niets van wat er in de popmuziek gebeurde.’

In de studio gaat het echter al meteen mis: Gretch heeft nierproblemen en moet de tweede dag verstek geven. Gelukkig zijn de muzikanten zo ervaren dat het gebrek aan een producer geen probleem vormt.

Erger is het drankmisbruik van Gram zelf. Emmylou schrikt als ze merkt hoeveel hij drinkt. ‘Zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Zo stevig doordrinken…. en de drugs… Ik zal niet beweren dat ik nog nooit iemand had zien gebruiken…‘ 

Volgens Parsons manager Phil Kaufman was zijn client er slecht aan toe: ‘Cocaine en alcohol. Op een bepaald moment hebben we de zaak moeten stil leggen. We hadden de band van Elvis, we hadden een paar opnamen gemaakt, we hadden Emmylou daar, maar hij was te ver heen om iets te presteren.

Dus nam ik hem even apart en zei hem waar het op stond. Ik zei: “Zo komt er geen plaat.” […] Helemaal nuchter werd ie niet, maar toch voldoende om een beetje samenhangend te werken.

Zijn huwelijk was toen al naar de botten. Dat hielp zeker niet. [Gretchen] was een probleem. […] Ze was, weet je… een feeks. Ze wou de vrouw/vriendin van een rockster zijn. En dat lukte niet echt.’

Daarna verliepen de sessies in de Wally Heider’s Studio in Los Angeles, over het algemeen, tamelijk vlot. Glen D. Hardin werpt zich op als leider van de muzikanten. ‘Ik vond de muziek echt goed,’ meent Davis. ‘Ik amuseerde me. Het was country, maar tegelijk funky… niet echt rock, maar toch zeker geen traditionele country.’ 

Hoewel zijn muziek wordt geklasseerd als country–rock, had Gram, volgens Emmylou, een hekel aan de term. ‘Dat hield voor hem in iets in dat minder voorstelde dan de som van de delen. Ik weet dat hij erg hield van schoonheid van de traditionele muziek, maar daar wou hij dan zijn eigen poëzie aan toevoegen. Neem een nummer als ‘Sin City’: de structuur is zoals die van een van die prachtige songs van The Louvin Brothers, maar de tekst kon enkel geschreven zijn door iemand van zijn generatie en met zijn ervaringen.’

In het begin is Emmylou nogal nerveus, maar daarna wordt ze zowat de mascotte van het team: de chick-singer!. ‘Zij was gewoon een lief meisje,’ weet Phil Kaufman. ‘Ze zat daar maar te breien. Ze had haar dochtertje bij.’

Haar aanwezigheid werkt kalmerend. 

Gram laat het uitwerken van de harmoniezang helemaal aan Emmylou over. ‘We bespraken niets op voorhand. We begonnen er gewoon aan. Gram zei me nooit om zo of zo te zingen. Af en toe stelde hij iets voor: ‘Aan het einde van de song kun je misschien omhoog gaan, in plaat van naar beneden.’ Dat was bij ‘We’ll Sweep Out The Ashes In The Morning’, maar er werd nooit iets gerepeteerd. Hij begon te zingen en ik viel in. Ik ontdekte dat ik een aangeboren aanleg had voor harmoniezang. Omdat ik geen opleiding had gevolgd, koos ik nooit een bepaalde noot omdat het zo moest […] Ik zag het gewoon als een tweede melodie.’

‘Het was allemaal nogal chaotisch,’ weet ze nog. ‘Gram was al een tijdje niet meer aan het werk geweest, in een studio. Ik zag geen lijn in wat we bezig waren. Eigenlijk was het de aanzet tot een fenomenale muzikale opvoeding voor mij. Achteraf bekeken snap ik niet hoe ik er door ben geraakt. Ik denk dat het louter naïviteit was.‘ 

‘De songs hadden geen begin of einde,’ gruwt  Emmylou. ‘Ik dacht eerst nog dat het zo hoorde. Gram zong iets en schakelde dan over op een ander nummer. Ik had een cassetterecorder en nam alles op, om het dan te leren. Het was absoluut niet plezierig, dat mag je weten.

Op een dag beluisterde ik een opname van de vorige avond. Ik hoorde hem zingen – we deden ‘The Angels Rejoiced Last Night’, van de Louvin Brothers – en ik dacht: Lieve help, die man kan zingen! Opeens drong het tot me door. Daarvoor was ik zo geconcentreerd bezig geweest met mijn eigen zang, het leren van de liedjes, mijn gitaarspel en het samenspel met de band  – ik had nog nooit met een band gewerkt. Ik was dus altijd druk bezig geweest met mijn eigen ding en had nooit echt geluisterd. Opeens hoorde ik het en ik werd verliefd op zijn stem. Toen begon ik het te snappen.’

‘Ze deed het perfect,’ meent Kaufman. ‘’Ze had haar huiswerk gedaan en had aandacht voor wat Gram wou. Ze kon de beide partijen zingen. Ze ving zijn tekorten op, gewoon door hem te volgen [lacht].’

De samenwerking levert hartverscheurende duetten op, met als hoogtepunt  ‘We’ll Sweep Out the Ashes in the Morning’, een cover van een nummer van Joyce Allsup. De oorspronkelijke versie is van Carl and Pearl Butler uit ’69. Het is een van de drie countrycovers. De anderen zijn ‘Streets of Baltimore’ van Tompall Glaser en Harlan Howard – vooral bekend in de versie van countryzanger Bobby Bare. En ‘That’s All It Took’, een pure countrysong, uit  ’62 gezongen door George Jones in duet met Margie Singleton.  

Daarnaast is er een nummer van Ric Gretch en een cover van een recente rocksong van de J. Geils Band. De zes overige nummers zijn eigen composities van Gram.  Het bekendst daarvan is waarschijnlijk ‘She’, een gospel-getint nummer, dat hij enkele jaren eerder geschreven heeft met de bassist van The Flying Burrito Brothers.

GP verschijnt in januari 1973 bij Reprise Records. Ondanks de kwaliteit, de verschillende enthousiaste besprekingen en het succes van volgelingen als The Eagles en Poco blijft de plaat een commerciële flop. 

Geen van beide singles (‘She’ en ‘Cry One More Time’) maakt brokken, noch in de rock-, noch in de countrylijsten.

 

Advertenties