mei 2012


Een tijdje geleden plaatste ik hier een foto van mijn Dylancollectie.
Iemand vroeg toen of ik zoiets kon doen met mijn verzameling Beatlesspullen.

Mijn passie voor The Beatles begon in 1973. Toen kocht ik de blauwe en rode verzamelaars. Tot mijn verbazing (her)kende ik veel meer songs van de groep dan ik had verwacht.  In eerste instantie vond ik de beginperiode het leukst, maar algauw fascineerde de songs op de blauwe elpees me meer. Het einde van ‘A Day In The Life’ vond ik zelf ronduit angstaanjagend.

Korte tijd later zag ik in het uitstalraam van een boekenwikel in Maastricht Het complete platenverhaal (zie foto 3 onderaan). Toen ik aan de juffrouw in de winkel naar het boek vroeg, antwoordde ze: “Die metde kostuums van Sgt. Peppers op de omslag?” Ik had geen idee waarover ze het had.

In dit boek staat het chronologische verhaal van alle Britse singles en elpees van de groep.  Daardoor kon ik netjes alle juiste platen kopen, want toen lagen nog vele vreemde (Amerikaanse, Franse… persingen) in de winkels. 
Het heeft een jaar of vier geduurd eer ik alles bij elkaar had. Daarna begon ik aan de platen van Paul, John, George en Ringo (in die volgorde).

In 1989 ontdekte ik in een platenwinkel in Aken een aantal bootlegs Unsurpassed Masters. Die lagen toen nog gewoon in de rekken. Het was kort na het verschijnen van het fantastische boek The Complete Beatles Recording Sessions van Mark Lewisohn, waarin sprake was van die outtakes. Opeens had ik er een heel pak nieuwe nummers bij.Daardoor was ik weer een hele tijd zoet met mijn liefde voor de groep.

In het midden van de jaren negentig kwam er dan The Beatles Anthology, met drie dubbel-cd’s, het boek en een TV-reeks. Die nieuwe singles hadden voor mij echt niet gehoeven.

Tegen 2003 ben ik gestopt met het kopen van nieuwe dingen van The Beatles.

En nu de foto’s. Wanneer je er op klikt, kun je, in een nieuw blad, de foto’s op groter formaat zien.    

Soms open je, onbewust, een blik wormen. Ik wou een stukje schrijven over een link tussen enkele van mijn favoriete country-songs. Maar gaandeweg  bleek er meer aan de hand dan ik eerst had vermoed. Er is een achterliggende melodie die steeds weer opduikt.

Volgt u mij?

1929 – ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’

De eerste keer dat de melodie werd vastgelegd, was tijdens een opnamesessie voor de Victor Talking Machine Company, in februari 1929. Heel toepasselijk was het de First Family of Country Music die aan het werk was: The Carter Family.

Hoewel het auteursrecht voor ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ wordt opgeëist door A.P. Carter, is dit niet helemaal terecht.  Daar zit manager Ralph Peer voor iets tussen. Peer is een gewiekst zakenman, die al snel begrepen heeft dat er veel geld te verdienen valt met auteursrechten. Hij heeft een muziekuitgeverij opgericht en moedigt al zijn artiesten aan zoveel mogelijk songs op hun naam te zetten. Natuurlijk worden die allemaal ondergebracht bij zijn muziekuitgeverij, waardoor hij 50% van de rechten kan opstrijken.
Pa Carter trekt er dus op uit om songs te verzamelen. Vooral songs waarop geen auteursrecht rust zijn interessant. Voor de tekst van ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ speelt A.P. Carter leentjebuur bij de flarden van ‘Prisoner’s Song’ van Vernon Dalhart. Hij modelleert de tekst zodanig dat hij past op een melodie van een ander nummer, een meodie die moeder Maybelle “al heel lang” kende.

Volgens Arnold Rypens is de oerversie ‘Blue Eyes’ van Roy Harper & The North Carolina Ramblers, die brachten hun versie van de traditional in oktober 1927 op de b-kant van ‘Kitty Blye’. Het zou gaan om een instrumentaal nummer, met een belangrijke rol voor gitarist Charlie Poole.
Maar die heb ik zelf nooit gehoord.

1936/’37 – ‘The Great Speckled Bird’

Zes jaar na de opname van The Crater Family publiceert een krant in Carolina de tekst van een hymne, geschreven door ene Guy Smith: ‘The Great Speckled Bird’. Zoals dat past voor een dominee, heeft hij zich bij het schrijven laten inspireren op een citaat uit de Bijbel. In dit geval is het negende vers van het twaalfde hoofdstuk van Boek van Jeremia: “Mine heritage is unto me as a speckled bird, the birds round about are against her.”
Om het de mensen gemakkellijk te maken om een tekst mee te zingen wordt wel vaker het truukje gebruikt een bestaande melodie te recycleren: “op de wijze van…” De brave dominee heeft dus zijn tekst gemodelleerd op het oude nummer. Geen overbodige luxe trouwens, want de preciese betekenis van de tekst is moeilijk te achterhalen.

Roy Acuff is een zanger en fiddlespeler die zijn sporen heeft verdiend bij de medicine show van Dr. Hauer. Dat soort rondreizende wonderdokters gebruiken artiesten om de plaatselijke bevolking naar hun kraam te lokken. In de buurt van Knoxville, Tennessee, hoort Acuff de hymne zingen door Charlie Swain and the Black Shirts. Het  bevalt hem zeer en hij weet Swain te overhalen de tekst voor hem op te schrijven. Voor 50 cent wil die dat wel doen.
“… Ik begon het ook te zingen,” vertelt Acuff. “Ik had geen idee wie de rechten bezat. Dat ontdekte ik pas later.”  Met de hulp van zijn vader en de Bijbel vult hij de tekst aan met vier nieuwe strofen tot een totaal van tien.
Het is die versie die een talentenjager van de American Radio Corporation overtuigt om hem een platencontracxt aan te bieden. De opnamen vinden plaats op 26 oktober 1936 in een studio in Chicago. De volledige versie overschrijdt echter ruimschoots de drieminuten grens en daarom wordt de song weer ingekort. Daarbij blijft ook één nieuwe strofe behouden.

De overblijvende strofen gebruikt Acuff tijdens zijn tweede sessie, in maart 1937 voor ‘Great Speckled Bird No.2”.

1937 – Roy Acuff – ‘The Great Speckled Bird No.2’

1950/‘52 – ‘I’m Using My Bible for a Roadmap’

Don Reno en Red Smiley zijn twee muzikanten in de band  van Tommy Magness. Die luistert, begin jaren vijftig, met zijn Tennessee Buddies feesten en partijen op in South Virgina. In1951 beginnen de twee mannen voor zichzelf, als The Tennessee Cut-Ups. Het volgende jaar mogen ze enkele songs opnemen voor King Records. Eentje daarvan is een gospelsong, geschreven door Don Reno, in 1950: ‘I’m Using My Bible for a Roadmap’. Blijkbaar heft hij bij het schrijven niet de Bijbel maar het nummer van The Carter Family als gids gebruikt.

1951/’52 – ‘The Wild Side Of Life’

Zo’n vijftien jaar later wordt dezelfde melodie opnieuw gerecycleerd. Ditmaal levert het één van de grootste hits uit de geschiedenis van de countrymuziek op. Ene William Warren van Cameron, Texas, was amper acht maanden getrouwd, toen zijn vrouw hem verliet. Tijdens een avondje stappen ziet hij haar weer…  in een plaatselijke bar met een bedenkelijke reputatie – een zogenaamde honky-tonk. 
Teleurgesteld en enigszins geschokt legt hij zijn emoties vast in een tekst:

I didn’t know God made honky tonk angels
I might have known you’d never make a wife
You gave up the only one that ever loved you
And went back to the wild side of life.

Met deze cynische tekst benadert hij een band, die lokaal heel wat succes heeft: Jimmy Heap and His Melody Masters. Hun pianist, Arlie Carter, merkt dat de tekst past op de melodie van ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ en claimt meteen maar het mede-auteursschap voor zichzelf.

Met Jimmy Heap als zanger wordt ‘The Wild Side Of Life’ opgenomen als eerste single van de Western Swingband voor het lokale label, Imperial. Hoewel het de eerste countryplaat is voor het label, is het meteen een enorm succes. Al snel zijn er 10 000 exemplaren de deur uit, enkel in Texas.
De vrouw van countryzanger Hank Thompson, hoort het plaatje toevallig en dringt er bij haar man op aan om het op te nemen. Die doet het met enige tegenzin, op 11 december 1951, tijdens een eerste sessie met zijn nieuwe producer Ken Nelson. Thompson vindt er eigenlijk niets aan en het belandt, in maart 1952, dan ook op de b-kant van zijn volgende single, ‘Crying In The Deep Blue Sea’.
Wanneer een disc jockey echter de b-kant draait, volgt onmiddellijk veel respons. ‘The Wild Side of Life” bereikt al snel de top van de Billboard hitlijsten en blijft die maar liefst 15 weken aanvoeren. Het wordt een countryklassieker, met coverversies door zowat alle grote namen.
William Warren schrijft daarna nooit meer iets van betekenis – maar dat hoeft ook niet meer. Hij is binnen.

1952 – ‘It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels’

Wanneer songschrijver J.D. Miller het nummer hoort op zijn autoradio, vindt ie dat het vraagt om een antwoord: een soort verdediging, gezongen door een vrouw. Miller schrijft ‘It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels’ op dezelfde melodie, al legt hij het tempo wat hoger. Een eerste versie van ene Alice Montgomery op Feature is niet helemaal wat Miller er van verwachtte. Er moet meer inzitten, zo meent hij. Dus stapt hij naar het veel grotere Decca Records. Die benaderen Kitty Wells, een zangeres die in de jaren veertig onder contract stond bij RCA Victor. Ze was echter nooit echt doorgebroken. Daarom had ze besloten zich meer te gaan toeleggen op haar gezin. Kitty verklaart geen interesse te hebben. Haar man meent echter dat het geen kwaad kan om de song op te nemen, vooral omdat ze hoe dan ook betaald wordt voor de sessie.
De song, uitgebracht in juni 1952, doet het haast even goed als het origineel. Kitty Wells wordt de eerste solo-zangeres om de countrylijst van Billboard aan te voeren en dat zes weken lang!  Het levert haar de titel Queen of Country op. Maar belangrijker nog: met deze song baant ze de weg voor Dolly Parton, Patsy Cline, Loretta Lynn en Tammy Wynette. Allemaal sterke vrouwen die durven ingaan tegen de gangbare normen van het gehoorzame vrouwtje dat alles maar moet pikken van hare vent.

1972 – ‘Heavenly Houseboat Blues’

Hier uit een tribute voor Townes, door Emmylou Harris en Rodney Crowell

De late jaren zestig en begin jaren zeventig vormen het hoogtepunt uit de carrière van de Texaanse singer-songwriter Townes Van Zandt. Hij brengt dan vijf platen uit die allemaal van zeer hoge kwaliteit zijn. Hoewel hij
High Low And In Between al heft laten verschijnen in 1972, sluit hij die periode af met het cynisch getitelde The Late Great Townes Van Zandt. Daarop staan zijn “semi-hits”, zoals hij het zelf noemt: ‘Panch And Lefty’ en ‘If I Needed You’.  De plaat eindigt met een wat speels gospelachtig nummer: ‘Heavenly Houseboat Blues’, dat hij samen heeft geschreven met Susanna Clark, de vrouw van zijn goede vriend Guy Clarck. Het is allemaal niet zo serieus bedoeld, zoals blijkt uit de laatste strofe, die hij zingt mt een mond vol water. Misschien dat hij daarom het wel prettig vond om een vette knipoog et geven door die fameuze melodie nog eens op te rakelen.

1972 – ‘Stars in My Life’

In de legendarische Sun studio, maken drie muzikanten uit Lubbock, Texas,in 1972 opnamen voor een elpee: All American Music. The Flatlanders bestaan uit Jimmie Dale Gilmore, Joe Ely en Butch Hancock. De elpee komt er nooit en de mannen gaan elk hun eigen weg. Wanneer ze echetr elk afzonderlijk doorgebroken zijn, verschijnen de opnamen alsnog, in 1992, onder de titel More A Legend Than A Band.
Op die plaat staat ‘Stars In My Life’ van Butch Hancock. En daarin horen we opnieuw…

David Allan Coe krijgt het laatste woord. Hij staat niet bekend als de meest subtiele countryzanger. Hij durft wel eens grof uit e hoek te komen. Op zijn elpee David Allan Coe Rides Again, uit 1977 staat als slotnummer ‘If That Ain’t Country’. Daarin somt hij de connectie tuseen een atal van deze songs netjes op:

“I’m thinkin’ tonight of my blue eyes
Concerning the great speckled bird
I didn’t know god made honky- tonk angels
(talk) and if that ain’t country, I’ll kiss your ass”

Naar aanleiding van het recente overlijden van Levon Helm, de drummer van The Band, kunt u hier een tekst lezen, waaraan ik al een tijdje geleden begon, maar die nooit was afgeraakt.

‘The Night They Drove Old Dixie Down’

Merkwaardig toch, dat een van de mooiste liedjes over the South, het zuiden van de Verenigde Staten, geschreven is door een Canadees: Robbie Robertson, de gitarist van The Band. Maar misschien is er net een buitenstaander voor nodig om de dingen beter te kunnen waarnemen.

Een melodie zonder woorden

Voor de Classic Albums serie, uit 1997 beklemtoont Robbie Robertson dat hij de muziek geschreven had, voor de sessies voor hun tweede elpee begonnen. “Toen we The Band opnamen, was mijn dochter Alexandra net geboren. … Met zo’n pasgeboren baby in huis, moest ik me stil houden, terwijl ik schreef. Het ging zo van: “De baby slaapt! Maak geen lawaai!” Dus werkte ik in stilte. Het was niet dat ik het subtiel wou houden. Ik was gewoon verplicht om subtiel te spelen. En dat leidde tot die melodie.”

Aan Barney Hoskyns, auteur van de band-biografie Across The Great Divide (1993) vertelt Robertosn: “Alles samen, deed ik er zo’n maand of acht over, om dat nummer te schrijven. Ik had enkel de muziek en had geen idee waarover het moest gaan. Ik zat aan de piano en speelde telkens weer datzelfde akkoordenschema. En opeens kwam de rest. Soms moet je een song de tijd geven. Ik ben blij dat ik deze de tijd heb gegeven.”

“Ik had de muziek in mijn hoofd voor ‘The Night They Drove Old Dixie Down’,” gaat hij verder in het boekje bij de prachtige box set The Band – A Musical History. “Maar ik had geen idee waar de song over moest gaan. Ik neuriede maar wat. Ik speelde de akkoorden en ik hield van het akkoordenschema dat ik had bedacht. En opeens kwam het [concept] in mij op.”

De inspiratie vond hij een belangrijke chroniqueur van het leven in het mytische zuiden: “Tennessee Williams sprak mij erg aan,” vertelt hij in 1988, tijdens een interview, “zijn manier van schrijven, [alleen al] de titels van die dingen: Sweet Bird of Youth, Cat On A Hot Tin Roof. Ik werd er door gegrepen, omdat ik naar het zuiden was getrokken, vanuit Canada. Dat was echt ying en yang: het andere uiterste. Het greep mij veel meer aan dan wanneer iemand vanuit Washington, DC naar South Carolina zou trekken. Ik ging van Toronto naar de Mississippi Delta….En ik hield van de manier waarop ze daar spreken, hoe ze daar bewegen. Ik hou er van om ergens te zijn waar er muziek in de lucht hangt. Ik dacht: het is niet voor niets dat ze hier rock ‘n’ roll hebben uitgevonden. Alles klinkt er als muziek…

Ik kwam in deze wereld terecht, als een buitenstaander… Omdat ik het allemaal niet als iets vrijblijvend opnam schreef ik er ‘The Night They Drove Old Dixie Down’ over.”

Ook een ontmoeting met de vader van Levon Helm maakt grote indruk op de tekstschrijver. Als authentieke zuiderling tussen een bende Canadezen had de drummer recht van spreken. Helm werd geboren in Marvell, Arkansas en groeide op in Turkey Scratch, een boerengat wat verder op. Zijn ouders verbouwden er katoen – zuidelijker kan haast niet.

“Levons vader zei tegen me: ‘Hey Robbie, ooit zal het zuiden herrijzen’,” vertelt Robertson. “In het begin vond ik het vreemd, maar na een tijdje begon ik in te zien dat het diep moest zitten: de pijn en de droefenis.”

Daarom is ‘The Night They Drove Old Dixie Down’ geschreven vanuit het standpunt van de verliezers: de zuidelijken.

Een beetje geschiedenis

Dixie is de geuzennaam voor de zuidelijke staten van Noord Amerika.
De naam zou zijn oorsprong vinden in New Orleans. Tot 1860 gaf de plaatselijke bank er bankbiljetten uit. Op die van tien dollar stond de waarde ook in het Frans vermeld, in letters: “dix”. New Orleans werd dus “dixie-land”. De benaming verspreidde zich over Louisiana en uiteindelijk over het gehele zuiden. Ene Daniel Decatur Emmett – die, gek genoeg, uit Ohio kwam – schreef in 1859 de song ‘Dixie’.
Wanneer twee jaar later, de zuidelijke staten in opstand kwamen tegen het noorden werd ‘Dixie’ hun strijdlied.

Elf zuidelijke staten wilden zich afscheuren van de Verenigde Staten en vormden de Confederate States of America (de Confederatie). Onder leiding van Jefferson Davis, bevochten ze de federale overheid van de Verenigde Staten (de Unie). Hoewel achteraf nogaleens gesteld wordt dat de strijd ging over de afschaffing van de slavernij, was dit lang niet de voornaamste reden voor de vreselijke broederstrijd. Het was de culminatie van oplopende meningsverschillen tussen het industriële noorden en het agrarische zuiden.

De Amerikaanse Burgeroorlog vond plaats van 1861 tot 1865 en vormt zowat het laatste hoofdstuk van de Amerikaanse Revolutie. Door het zuiden op zijn knieën te dwingen werd de machtstrijd voor eens en voor altijd beslecht.

Schaven aan de tekst

Waneer Robertson de ruwe versie van de song aan de andere leden van The Band voorstelt, komt er protest van Levon Helm. “In een van de regels zei ik iets over Lincoln,” vertelt Robbie. “Levon wees mij terecht: ‘dat zullen ze niet zo graag horen in het zuiden’.”

Levon stelt voor om Robbie’s kennis over de Burgeroorlog  wat bij te spijkeren.
“Robbie en ik werkten aan ‘The Night They Drove Old Dixie Down’ in Woodstock,” schrijft Levon in zijn boek. “Ik nam hem mee naar de bibliotheek om er wat opzoekingswerk te doen over de geschiedenis en de kaarten te bestuderen. Ik wou vooral dat generaal Robert E. Lee het nodige respect zou krijgen.”

‘The Night They Drove Old Dixie Down’ gaat het over de laatste maanden van die burgeroorlog en zijn nasleep. Merkwaardig genoeg ligt de focus niet op één van de grote veldslagen waarbij de strijd werd beslecht. Integendeel, Stoneman’s Raid is slechts een voetnoot in de geschiedenis van de oorlog. Vooral ook omdat de geschiedenisboeken altijd worden geschreven door de winnaars.

De zanger, Virgil Caine, is een soldaat van het zuidelijke leger. Hij loopt dienst onder generaal Robert E. Lee. Diens troepen bewaken de aanvoer van voorraden naar Richmond, de hoofdstad van de Confederatie. Heel voornaam daarbij is het stadje Petersburg in Virginia, strategisch gelegen op een knooppunt van spoorwegen. In 1864 besluit de Noordelijke generaal Ulysses S. Grant het stadje aan te vallen. Dankzij een netwerk van loopgraven kunnen echter tweeduizend soldaten er de veel grotere vijandelijke troepenmacht weerstaan. Er volgt een langdurend beleg. Om een eind te maken aan de patstelling krijgt generaal George Stoneman de opdracht om “het land te ontmantelen” en te “vernielen, maar zonder veldslagen.” Grant specifieert zelfs dat de vruchtbare Shenandoah vallei zo grondig moet worden aangepakt dat “een kraai die over de vallei vliegt, zijn eigen voorraden moet meenemen”.

Vanaf maart 1965 trekken de troepen door North Carolina naar Virginia, om er de taktiek van de verbrande aarde toe te passen. De Yankees terroriseren de plaatselijke bevolking, vernietigen de oogst en vernielen de sporen van de Virginia & Tennessee Railroad over een lengte van 250 km: “…Stoneman’s cavalry came and tore up the tracks again.” Het werkt, want de voorraden raken uitgeput en Lee’s troepen hebben geen eten meer. “We were hungry / Just barely alive”.

Op 2 april, na een beleg van 292 dagen, moet generaal Lee Richmond prijsgeven. President Jefferson Davis en zijn kabinet ontvluchten de stad per trein. Maar ook in Danville blijken alle voedselvoorraden uitgeput. Op Palmzondag, 9 april 1865, geeft Lee zich over aan Grant.

Hoewel Virgil Caine zingt, “By May the tenth, Richmond had fell, it’s a time I remember, oh so well,” blijkt zijn geheugen hem, 104 jaar na de feiten, wat parten te spleen. Richmond viel al op 9 april, maar het eigenlijke einde van de oorlog was pas vijf weken later: op 10 mei. Op die dag wordt Jefferson Davis, president van de Confederatie gevangen genomen in de buurt van Irwinville, Georgia. Meteen daarna kondigt president Andrew Johnson aan dat het zuiden zijn gewapend verzet heeft opgegeven. Het betekent het einde voor Dixie.

Het leven gaat echter verder, maar niets is nog hetzelfde. De verwoesting van het land en de economie (“The money’s no good”) treft de verslagen bewoners diep. Virgil verzucht: “… they should never have taken the very best.”

The Night They Drove Old Dixie Down

Virgil Caine is the name, and I served on the Danville train,
‘Til Stoneman’s cavalry came and tore up the tracks again.
In the winter of ’65, We were hungry, just barely alive.
By May the tenth, Richmond had fell, it’s a time I remember, oh so well,

The Night They Drove Old Dixie Down, and the bells were ringing,
The Night They Drove Old Dixie Down, and the people were singin’.
They went: La,  La, La, La, La, La,   La, La, La, La, La, La,    La, La,

Back with my wife in Tennessee, When one day she called to me,
“Virgil, quick, come see, there goes Robert E. Lee!”
Now I don’t mind choppin’ wood, and I don’t care if the money’s no good.
Ya take what ya need and ya leave the rest,
But they should never have taken the very best.

(Refrein)

Like my father before me, I will work the land,
And like my brother above me, who took a rebel stand
He was just eighteen, proud and brave, but a Yankee laid him in his grave,
I swear by the mud below my feet,
You can’t raise a Caine back up when he’s in defeat.

(Refrein)

Opname

Gezien het onderwerp van de song lijkt het haast vanzelfsprekend dat Levon Helm, als enige Amerikaan in het gezelschap, de zang voor zijn rekening neemt. Bovendien drijft hij, met zijn prachtig drumwerk, het nummer vooruit.
Daarnaast is Rick Danko te horen op bas en viool, Richard Manuel op piano en Robbie Robertson op akoestische gitaar.
Opmerkelijk zijn de bijdragen van Garth Hudson. Wat lijkt op een harmonica in de tweede strofe is het geluid van een accordeon, vervormd door een roterende Lowrey-organ, vermengd met een Hohner melodica. “Garth was een wereld op zich,” weet producer John Simon. “Hij bouwde zelf zijn eigen instrumenten. Daarmee  was hij een voorloper op dat gebeid. Hij vond het geweldig om zoiets te doen.”
Aan het einde voegt Garth ook nog wat bugel toe.

 

Release

‘The Night They Drove Old Dixie Down’  staat op de elpee The Band, die in september 1969  verschijnt. Daarbij staat Robbie Robertson als enige componist vermeld. In zijn autobiografie This Wheel’s On Fire, vertelt Levon dat alle bandleden hun steentje hebben bijgedragen. Dat geldt trouwens wel voor meer songs van The Band, zo laat hij verstaan.
Robertson ziet dat echter anders: “Ik deed wat research en ik schreef de tekst.”

Voor die tijd is het erg ongebruikelijk om de Burgeroorlog te bekijken vanuit het standpunt van het Zuiden. Dat deel van de Verenigde Staten gaat gebukt onder een uiterst conservatief en zelfs negatief imago. Het roept beelden op van racisme en rednecks, brandende kruisen, de Ku Klux Klan, de moorden op Kennedy en Martin Luther King…

De platenmaatschappij durft het dan ook niet aan om het nummer op single uit te brengen. Toch slaat het nummer onmiddellijk aan, voor een stuk ook omdat veel jongeren er parallellen in zien met de oorlog in Vietnam, die op dat moment in alle hevigheid woedt.

De laatste keer dat Levon het nummer zong, was tijdens het afscheidsconcert van The Band, in november 1976. Bij de reunie van de groep in de jaren tachtig en negentig heeft hij het nooit meer willen brengen. “Het was te moeilijk,” is zijn enige verklaring