Soms open je, onbewust, een blik wormen. Ik wou een stukje schrijven over een link tussen enkele van mijn favoriete country-songs. Maar gaandeweg  bleek er meer aan de hand dan ik eerst had vermoed. Er is een achterliggende melodie die steeds weer opduikt.

Volgt u mij?

1929 – ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’

De eerste keer dat de melodie werd vastgelegd, was tijdens een opnamesessie voor de Victor Talking Machine Company, in februari 1929. Heel toepasselijk was het de First Family of Country Music die aan het werk was: The Carter Family.

Hoewel het auteursrecht voor ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ wordt opgeëist door A.P. Carter, is dit niet helemaal terecht.  Daar zit manager Ralph Peer voor iets tussen. Peer is een gewiekst zakenman, die al snel begrepen heeft dat er veel geld te verdienen valt met auteursrechten. Hij heeft een muziekuitgeverij opgericht en moedigt al zijn artiesten aan zoveel mogelijk songs op hun naam te zetten. Natuurlijk worden die allemaal ondergebracht bij zijn muziekuitgeverij, waardoor hij 50% van de rechten kan opstrijken.
Pa Carter trekt er dus op uit om songs te verzamelen. Vooral songs waarop geen auteursrecht rust zijn interessant. Voor de tekst van ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ speelt A.P. Carter leentjebuur bij de flarden van ‘Prisoner’s Song’ van Vernon Dalhart. Hij modelleert de tekst zodanig dat hij past op een melodie van een ander nummer, een meodie die moeder Maybelle “al heel lang” kende.

Volgens Arnold Rypens is de oerversie ‘Blue Eyes’ van Roy Harper & The North Carolina Ramblers, die brachten hun versie van de traditional in oktober 1927 op de b-kant van ‘Kitty Blye’. Het zou gaan om een instrumentaal nummer, met een belangrijke rol voor gitarist Charlie Poole.
Maar die heb ik zelf nooit gehoord.

1936/’37 – ‘The Great Speckled Bird’

Zes jaar na de opname van The Crater Family publiceert een krant in Carolina de tekst van een hymne, geschreven door ene Guy Smith: ‘The Great Speckled Bird’. Zoals dat past voor een dominee, heeft hij zich bij het schrijven laten inspireren op een citaat uit de Bijbel. In dit geval is het negende vers van het twaalfde hoofdstuk van Boek van Jeremia: “Mine heritage is unto me as a speckled bird, the birds round about are against her.”
Om het de mensen gemakkellijk te maken om een tekst mee te zingen wordt wel vaker het truukje gebruikt een bestaande melodie te recycleren: “op de wijze van…” De brave dominee heeft dus zijn tekst gemodelleerd op het oude nummer. Geen overbodige luxe trouwens, want de preciese betekenis van de tekst is moeilijk te achterhalen.

Roy Acuff is een zanger en fiddlespeler die zijn sporen heeft verdiend bij de medicine show van Dr. Hauer. Dat soort rondreizende wonderdokters gebruiken artiesten om de plaatselijke bevolking naar hun kraam te lokken. In de buurt van Knoxville, Tennessee, hoort Acuff de hymne zingen door Charlie Swain and the Black Shirts. Het  bevalt hem zeer en hij weet Swain te overhalen de tekst voor hem op te schrijven. Voor 50 cent wil die dat wel doen.
“… Ik begon het ook te zingen,” vertelt Acuff. “Ik had geen idee wie de rechten bezat. Dat ontdekte ik pas later.”  Met de hulp van zijn vader en de Bijbel vult hij de tekst aan met vier nieuwe strofen tot een totaal van tien.
Het is die versie die een talentenjager van de American Radio Corporation overtuigt om hem een platencontracxt aan te bieden. De opnamen vinden plaats op 26 oktober 1936 in een studio in Chicago. De volledige versie overschrijdt echter ruimschoots de drieminuten grens en daarom wordt de song weer ingekort. Daarbij blijft ook één nieuwe strofe behouden.

De overblijvende strofen gebruikt Acuff tijdens zijn tweede sessie, in maart 1937 voor ‘Great Speckled Bird No.2”.

1937 – Roy Acuff – ‘The Great Speckled Bird No.2’

1950/‘52 – ‘I’m Using My Bible for a Roadmap’

Don Reno en Red Smiley zijn twee muzikanten in de band  van Tommy Magness. Die luistert, begin jaren vijftig, met zijn Tennessee Buddies feesten en partijen op in South Virgina. In1951 beginnen de twee mannen voor zichzelf, als The Tennessee Cut-Ups. Het volgende jaar mogen ze enkele songs opnemen voor King Records. Eentje daarvan is een gospelsong, geschreven door Don Reno, in 1950: ‘I’m Using My Bible for a Roadmap’. Blijkbaar heft hij bij het schrijven niet de Bijbel maar het nummer van The Carter Family als gids gebruikt.

1951/’52 – ‘The Wild Side Of Life’

Zo’n vijftien jaar later wordt dezelfde melodie opnieuw gerecycleerd. Ditmaal levert het één van de grootste hits uit de geschiedenis van de countrymuziek op. Ene William Warren van Cameron, Texas, was amper acht maanden getrouwd, toen zijn vrouw hem verliet. Tijdens een avondje stappen ziet hij haar weer…  in een plaatselijke bar met een bedenkelijke reputatie – een zogenaamde honky-tonk. 
Teleurgesteld en enigszins geschokt legt hij zijn emoties vast in een tekst:

I didn’t know God made honky tonk angels
I might have known you’d never make a wife
You gave up the only one that ever loved you
And went back to the wild side of life.

Met deze cynische tekst benadert hij een band, die lokaal heel wat succes heeft: Jimmy Heap and His Melody Masters. Hun pianist, Arlie Carter, merkt dat de tekst past op de melodie van ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ en claimt meteen maar het mede-auteursschap voor zichzelf.

Met Jimmy Heap als zanger wordt ‘The Wild Side Of Life’ opgenomen als eerste single van de Western Swingband voor het lokale label, Imperial. Hoewel het de eerste countryplaat is voor het label, is het meteen een enorm succes. Al snel zijn er 10 000 exemplaren de deur uit, enkel in Texas.
De vrouw van countryzanger Hank Thompson, hoort het plaatje toevallig en dringt er bij haar man op aan om het op te nemen. Die doet het met enige tegenzin, op 11 december 1951, tijdens een eerste sessie met zijn nieuwe producer Ken Nelson. Thompson vindt er eigenlijk niets aan en het belandt, in maart 1952, dan ook op de b-kant van zijn volgende single, ‘Crying In The Deep Blue Sea’.
Wanneer een disc jockey echter de b-kant draait, volgt onmiddellijk veel respons. ‘The Wild Side of Life” bereikt al snel de top van de Billboard hitlijsten en blijft die maar liefst 15 weken aanvoeren. Het wordt een countryklassieker, met coverversies door zowat alle grote namen.
William Warren schrijft daarna nooit meer iets van betekenis – maar dat hoeft ook niet meer. Hij is binnen.

1952 – ‘It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels’

Wanneer songschrijver J.D. Miller het nummer hoort op zijn autoradio, vindt ie dat het vraagt om een antwoord: een soort verdediging, gezongen door een vrouw. Miller schrijft ‘It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels’ op dezelfde melodie, al legt hij het tempo wat hoger. Een eerste versie van ene Alice Montgomery op Feature is niet helemaal wat Miller er van verwachtte. Er moet meer inzitten, zo meent hij. Dus stapt hij naar het veel grotere Decca Records. Die benaderen Kitty Wells, een zangeres die in de jaren veertig onder contract stond bij RCA Victor. Ze was echter nooit echt doorgebroken. Daarom had ze besloten zich meer te gaan toeleggen op haar gezin. Kitty verklaart geen interesse te hebben. Haar man meent echter dat het geen kwaad kan om de song op te nemen, vooral omdat ze hoe dan ook betaald wordt voor de sessie.
De song, uitgebracht in juni 1952, doet het haast even goed als het origineel. Kitty Wells wordt de eerste solo-zangeres om de countrylijst van Billboard aan te voeren en dat zes weken lang!  Het levert haar de titel Queen of Country op. Maar belangrijker nog: met deze song baant ze de weg voor Dolly Parton, Patsy Cline, Loretta Lynn en Tammy Wynette. Allemaal sterke vrouwen die durven ingaan tegen de gangbare normen van het gehoorzame vrouwtje dat alles maar moet pikken van hare vent.

1972 – ‘Heavenly Houseboat Blues’

Hier uit een tribute voor Townes, door Emmylou Harris en Rodney Crowell

De late jaren zestig en begin jaren zeventig vormen het hoogtepunt uit de carrière van de Texaanse singer-songwriter Townes Van Zandt. Hij brengt dan vijf platen uit die allemaal van zeer hoge kwaliteit zijn. Hoewel hij
High Low And In Between al heft laten verschijnen in 1972, sluit hij die periode af met het cynisch getitelde The Late Great Townes Van Zandt. Daarop staan zijn “semi-hits”, zoals hij het zelf noemt: ‘Panch And Lefty’ en ‘If I Needed You’.  De plaat eindigt met een wat speels gospelachtig nummer: ‘Heavenly Houseboat Blues’, dat hij samen heeft geschreven met Susanna Clark, de vrouw van zijn goede vriend Guy Clarck. Het is allemaal niet zo serieus bedoeld, zoals blijkt uit de laatste strofe, die hij zingt mt een mond vol water. Misschien dat hij daarom het wel prettig vond om een vette knipoog et geven door die fameuze melodie nog eens op te rakelen.

1972 – ‘Stars in My Life’

In de legendarische Sun studio, maken drie muzikanten uit Lubbock, Texas,in 1972 opnamen voor een elpee: All American Music. The Flatlanders bestaan uit Jimmie Dale Gilmore, Joe Ely en Butch Hancock. De elpee komt er nooit en de mannen gaan elk hun eigen weg. Wanneer ze echetr elk afzonderlijk doorgebroken zijn, verschijnen de opnamen alsnog, in 1992, onder de titel More A Legend Than A Band.
Op die plaat staat ‘Stars In My Life’ van Butch Hancock. En daarin horen we opnieuw…

David Allan Coe krijgt het laatste woord. Hij staat niet bekend als de meest subtiele countryzanger. Hij durft wel eens grof uit e hoek te komen. Op zijn elpee David Allan Coe Rides Again, uit 1977 staat als slotnummer ‘If That Ain’t Country’. Daarin somt hij de connectie tuseen een atal van deze songs netjes op:

“I’m thinkin’ tonight of my blue eyes
Concerning the great speckled bird
I didn’t know god made honky- tonk angels
(talk) and if that ain’t country, I’ll kiss your ass”

Advertenties