juni 2012


Het verhaal is welgekend. Dick Rowe van Decca was de man die The Beatles niet wou tekenen, na hun auditie op 1 januari 1962. “Guitar groups are on the way out, Mr. Epstein.”

17 maand later is de man in de Philharmonic Hall in Liverpool. Hij zit er in een jury van een talentenwedstrijd: the Lancashire and Chesire Beat Group Contest. Naast hem zit George Harrison. Erg vervelend, natuurlijk.

Maar de man ziet zijn kans om zijn gezicht en misschien wel zijn carrière te redden. Hij vraagt aan George of die hem een tip kan geven voor een andere groep, voor zijn label. George raadt hem aan eens naar The Rolling Stones te gaan kijken. “Je kunt ze vinden in de Crawdaddy Club, in Richmond” voegt George er nog aan toe.

Volgens Stephen Davis in Old Gods, Almost Dead, reed Rowe in een ruk van Liverpool naar Londen, om er de band in actie te zien. In die tijd waren er nog geen snelwegen en was dat een rit van 7 à 8 uur. Diezelfde avond nog tekende Andrew Loog Oldham, de nagelnieuwe manager van de band, het contract.

In Rolling With The Stones, plakt Bill Wyman er de exacte datum op: 5 mei 1963.

Fantastisch verhaal, toch?

Nemen we er de boeken van Mark Lewisohn bij. De man heeft alle kranten van Liverpool en omstreken uitgeplozen om dag aan dag te kunnen weergeven wat The Beatles deden. Waar ze optraden enz. Hij heeft geen enkele advertentie gevonden voor die talentenwedstrijd.

Sterker nog: The Beatles waren niet eens in England op dat moment.

Op zondag, 28 april 1963, vlogen George, Paul en Ringo naar Santa Cruz, Tenerife, voor een vakantie met hun vrienden uit Hamburg. Ze keerden weer op 9 mei.

Het lijkt er dus op dat het één van de vele verhalen is, die verzonnen zijn door Andrew Loog Oldham, om zijn groep in de pers te krijgen.

Rock

Gitaarmerken als Gibson en Martin, die eerst niet geïnteresseerd waren in de 12-snarige gitaar, willen nu toch een graantje meepikken van de folk boom. Niets te vroeg, want in 1964 is de rage voorbij. De Amerikaanse jeugd valt massaal voor The Beatles. Folkmuziek moet plaats maken voor de Britse beatgroepen. Rickenbacker speelt daar handig op in. Wanneer John, Paul, George en Ringo in februari 1964 voor het eerst in Amerika zijn, gaat  Francis C. Hall, de eigenaar van de Rickenbacker fabrieken hen persoonlijk opzoeken. Hij biedt hen gratis versterkers en gitaren aan. Maar hij is niet alleen gekomen. Hij heeft Jean “Toots” Tielemans en gitaarleraar Tony Saks mee. Eeen van de gitaren die hij hen aanbiedt is een prototype van een elektrische 12-snarige gitaar: de ’63 Rickenbacker 360-12 De Lux. Het instrument is eigenlijk bedoeld voor country artiesten, maar wanneer The Beatles er mee op TV komen, is dat goed voor de zaken…

George vertelt: ‘Het was in 1964 dat ik die gitaar kreeg, in het Plaza Hotel in New York. We waren daar voor de Ed Sullivan shows. Ik was er meteen weg van. Ik wist onmiddellijk wat elke snaar was. Sommige 12-snarige ben je uren zoet mee om ze te stemmen. Je draait aan de verkeerde knoppen en zo… het zijn e rook zoveel. Dus gebruikte ik hem onmiddellijk bij de volgende sessie, na de eerste tournee van the Beatles in Amerika. Het was waarschijnlijk ‘Hard Day´s Night’. Je hoort hem al direct bij de intro, dat akkoord. En dan op ‘I Should Have Known Better’, zowat alle nummers van Hard Day´s Night. Het laatste Beatles nummer waarop ik de 12-snarige Rickenbacker gebruikte was, dacht ik,  ‘Ticket To Ride’ [van Help!].’

 

Natuurlijk willen anderen ook die klank. Een van de eersten is Mike Pender van The Searchers: ‘Chris Curtis en ik zochten iets nieuws voor onze volgende single, ‘When You Walk In The Room’. Toen ik George Harrison op TV zag met zijn Rick, moest ik er rook één hebben – die klank!’

Ook in Amerika zijn er volgelingen. Wanneer Jim McGuinn de Beatlesfilm ziet, is ook hij meteen weg van Georges elektrische 12-snarige gitaar. Hij gaat meteen op zoek. De folkie verandert zijn naam in Roger McGuinn en gaat voortaan rock spelen. De combinatie van een tekst van Bob Dylan, met de beat van The Beatles blijkt een gouden zet. ‘Mr. Tambourine Man’ vliegt naar de top van de hitlijsten. Het enige instrument dat The Byrds zelf bespelen, is McGuinns 12-snarige Rickenbacker.

In 1965 lijkt een 12-snarige gitaar onmisbaar voor een hitsingle: The Hollies met ‘Look Through Any Window’, The Rolling Stones met hun eigen versie van ‘As Tears Go By’, of The Beatles zelf met ‘Ticket To Ride‘ en ‘If I Needed Someone’. Voor live uitvoeringen van ‘For Your Love’ bespeelde Eric Clapton een 12-snarige gitaar om de klavecimbelsolo te vervangen.

 

 

The Who hinkt wat achterop want zij komen pas in 1966 met ‘Substitute’.

Daarna zijn het toch vooral weer de folkies, of zoals ze nu heten, de singer-songwriters die de akoestische 12-snarige koesteren: Paul Simon, John Phillips (intro van ‘California Dreaming’), Tim Buckley, Gordon Lightfoot, Leo Kottke, … en David Bowie (‘Space Oddity’).

Dubbele hals.

Gitaren met een dubbele hals bestonden al decennialang. In de jaren dertig en veertig doken de eerste types op in de swingorkesten. Het betrof dan de combinatie van een akoestische en een steelgitaar. In 1958 kwam Gibson met de EDS-1275, waarbij een 6- en een 12-snarige gitaar warden gecombineerd. In 1962 werd dit model aangepast tot een elektrische gitaar met vaste body. Dit instrument werd in de jaren zeventig populair bij rockers die nummers met een folk inslag combineerden met het geweld van een rocksong. In de studio kan dat allemaal perfect worden ingespeeld, maar live is er geen tijd om van gitaar te wisselen, midden in een song.

Jimmy Page gebruikt een 12-snarige op songs als ‘Stairway To Heaven,’ ‘Over The Hills’, ‘The Rain Song’ en ‘The Song Remains The Same.’

 

Andere (over)bekende songs uit deze periode, met een prominent gebruik van de 12-snarige gitaar: ‘A Horse With No Name’, van America , ‘More Than A Feeling’ van Boston, ‘Wish You Were Here’ van Pink Floyd, ‘Hotel California’ van The Eagles en ‘Give A  Little Bit’ van Supertramp.

 

Pete Seeger

Folk

De titel King of the 12-String gaat dan ook naar Lead Belly. Huddie Ledbetter wordt in 1888 geboren op een kleine boerderij in Louisiana. Als tiener trekt hij er weg, op zoek naar een beter leven. Onderweg neemt hij alle mogelijke werk aan. Tussendoor leert hij piano, concertina, mandoline en gitaar bespelen. Omstreeks 1912 kan hij een 12-snarige Stella gitaar op de kop tikken in een pandjeswinkel in Dallas. Het instrument blijkt hem erg te liggen.

Maar de man heeft ook een kort lontje en in 1917 wordt hij veroordeeld wegens moord. Er wacht hem dertig jaar dwangarbeid. Door hard te werken en zijn muzikale gaven wordt hij een van de populairste gevangenen. Wanneer hij verneemt dat de gouverneur op bezoek zal komen, schrijft hij een nummer waarin hij om gratie verzoekt. Het werkt en in 1924 is hij opnieuw vrij. Zijn vrijheid blijkt van korte duur, want zes jaar later belandt hij opnieuw achter de tralies. Dit keer krijgt hij tien jaar dwangarbeid.

Opnieuw is het de muziek die hem er uit helpt. Folklorist John Lomax meent dat in gevangenissen de meest authentieke folk muziek kan worden aangetroffen, omwille van de geïsoleerde situatie waarin de gevangenen zich bevinden. Wanneer hij, samen met zijn zoon Alan Lomax, Lead Belly “ontdekt” in de gevangenis van Louisiana, zijn beiden zeer onder de indruk. Zij slagen er in de man vrij te krijgen, door te beloven hem in vaste dienst te nemen, als chauffeur en contactpersoon met de zwarte bevolking. Later trekken ze naar het noorden om lezingen te geven, waarbij Ledbetter dan enkele nummers uit zijn uitgebreide repertoire speelt.

Wanneer ze in New York aankomen springt de pers echter op het verhaal. Promotoren komen met voorstellen voor concerten. Iemand wil zijn leven zelfs verfilmen. Al snel volgen er discussies over het geld en Huddie gaat in zijn eentje verder. De zwarte bevolking van Harlem blijkt niet geïnteresseerd in de oude folk en blues songs. Linkse, blanke intellectuelen uit Greenwich Village echter wel. Lead Belly wordt er de ster voor de vooroorlogse folk beweging. Hij trekt op met mensen als Woody Guthrie, Pete Seeger en Josh White.

Na het overlijden van Huddie Ledbetter, in december 1949, is er niemand die zijn rol overneemt. De 12-snarige gitaar dreigt te verdwijnen.  Als eerbetoon aan zijn collega en vriend, neemt Pete Seeger neemt met zijn groep The Weavers een cover op van diens ‘Good Night Irene’. Het wordt een enorme hit en bereikt de top van de hitlijsten.  Op de versie van The Weavers is echter geen 12-snarige gitaar te horen. Pete Seeger bespeelt dan nog vooral de 5-snarige banjo.

In de eerste helft van de jaren vijftig wordt de populariteit van de eerste folk revival in de kiem gesmoord door de blinde Communistenjacht van de republikeinse senator Joseph McCarthy. Folk muzikanten hebben de reputatie linkse sympathieën te hebben. Ze zijn dus hoogst verdacht. McCarthy zet de pers en de media onder druk. Iedereen met een een uitgesproken mening wordt verbannen van radio en TV, promotoren zeggen optredens af… Kortom: de meeste muzikanten kunnen beter uitkijken naar een andere job.

In 1958, komt echter een tweede folk revival op gang. Het Kingston Trio brengt een zeer aaibare versie van een heel oud nummer: ‘Hang Down Your Head, Tom Dooley’.  Hun folk is grondig opgekuist. Keurige samenzang is de norm. Folk is radiovriendelijk geworden. Dat geldt ook voor The Rooftop Singers, die in 1963 doorbreken met ‘Walk Right In’. The band is speciaal opgericht om een nieuwe versie op te nemen van het oude nummer van Gus Cannon. Initiatiefnemer is Eric Darling, een van de mannen uit The Weavers. De klank van ‘Walk Right In’ wordt naast de zang, vooral gekenmerkt door de 12-snarige gitaren, bespeeld door beide gitaristen:  Eric Darling dus en Bill Svanoe. De daaropvolgende maanden  wordt de 12-snarige het folk instrument bij uitstek.

Dat is vooral de verdienste van Pete Seeger. Wanneer zijn carrière op een laag pitje komt te staan, als één van de vele slachtoffers van McCarthy, legt hij zich toe op de studie van de 12-snarige gitaar. “Ik was zowat 30 toen Lead Belly stierf,” vertelt hij in 2002 aan Acoustic Guitar. “Vele mensen vroegen me toen: ‘Waarom leer jij niet 12-snarige gitaar spelen?’ Een vriend hielp me op weg door te beginnen met de Travis methode. Ik leerde dus wat van Lead Belly’s stijl en wat van (Merle) Travis methode. Lead Belly speelde geen moeilijke akkoorden, maar man, wat kon hij een prachtige baslijnen verzinnen.”

Seeger kan het niet laten: “Mijn  basisfilosofie is dat ik een leraar ben. Ik leer de mensen om mee te doen, of het nu gaat om banjo’s of gitaren of politiek, of om het even wat.” Net als hij eerder met de banjo heeft gedaan, schrijft ook nu weer een handboek: A Folksinger’s Guide to the 12-String Guitar as Played by Leadbelly.

Hij trekt door het land om workshops te gaan geven. Aan al wie dat wil geeft hij lessen op de banjo en de 12-snarige gitaar. Op die manier komt een nieuwe generatie in contact met de folkmuziek. Mensen als Jim McGuinn, Bob Gibson, Dick Rosmini en Fred Gerlach ontdekken de 12-snarige gitaar door Seeger.

Het mooiste voorbeeld van zijn invloed is het nummer ‘Turn Turn Turn’’ In 1963 is Jim McGuinn is door Judy Collins aangetrokken om arrangementen uit te werken voor haar derde elpee. Met zijn vorige groep, The Limeliters, heeft hij een onuitgegeven nummer van Pete Seeger opgenomen:  ‘To Everything There Is a Season”. Dit keer bedenkt hij een ‘Bach-achtige riff’ op 12-snarige gitaar. De song wordt omgedoopt tot ‘Turn Turn Turn’. Maar de echte hitversie brengt hij twee jaar later zelf, als derde single van zijn nieuwe folkrock groep, The Byrds.

Seeger zelf gebruikt de kracht en het nieuwe van de 12-snarige gitaar om maximaal aandacht te trekken voor de boodschap die hij wil overbrengen met ‘We shall overcome’, een hit in 1963.

12-snarige gitaar

Hoewel het muziekinstrument niet eens zo oud is, is er geen zekerheid over de precieze herkomst van de 12-snarige gitaar. Vast staat dat het instrument is ontstaan in de Verenigde Staten, aan het einde van de 19de eeuw. In die periode wordt er driftig geëxperimenteerd met het bouwen van allerlei nieuwe instrumenten. Patentbureaus worden bedolven onder de aanvragen. Vooral varianten op bestaande snaarinstrumenten zijn daarbij erg populair.

Het ontstaan zou het resultaat kunnen zijn van een experiment, naar analogie van andere dubbel besnaarde instrumenten. Sommigen verwijzen daarbij naar Mexico, waar zulke instrumenten niet ongewoon zijn in mariachi orkesten. Anderen menen dan weer dat Italiaanse immigranten hun inspiratie haalden bij de luit.

Mogelijk begint de geschiedenis in Columbus, Ohio. Daar woont ene Carl E. Brown. De man is een nogal prettig gestoorde uitvinder van merkwaardige muziekinstrumenten. Hij heeft zich tot doel gesteld instrumenten te bedenken die het voor amateurs gemakkelijker maken om muziek te spelen. Zo bedenkt hij een aantal varianten op de citer (een van oorsprong Duits snareninstrument), waarbij hij veelal het aantal snaren reduceert tot drie of vier. Een van zijn bedenkingen is de Harp-o-chord, een merkwaardige combinatie van harmonica en citer.

Op 8 februari 1896 vraagt meneer Brown patent aan voor van de zogenaamde Harp-Guitar. Hij noemt het combinatie van “mandoline(!) en gitaar”. Vreemd genoeg zoekt hij het dit keer in het verdubbelen (!) van een aantal snaren, waardoor “het veel eenvoudiger is dan een gitaar,” zo stelt hij. “De melodie wordt met de duim aangeslagen op de dubbele snaren, terwijl de begeleiding gespeeld wordt met de vingers (en de duim wanneer die niet bezet is) op alle beschikbare snaren.”

Inspelend op de wijze van spelen van de meeste amateurgitaristen, verdubbeld hij dus de vier laagste snaren, zodat ze een veel breder bereik ter beschikking krijgen, gewoonweg door de snaren van boven naar beneden aan te slaan, of integendeel net van beneden naar boven.

Het volgend jaar al brengen twee fabrikanten de 10-snarige gitaar op de markt: Gordon uit New York en Grunewald uit Louisiana. Een paar jaar later komt een concurrerende firma, Holzapfel & Beitel, uit Baltimore, Maryland met een verbeterde harp-gitaar: een groter, 12-snarig instrument. Omstreeks 1904 schakelt Grunewald ook over op de 12-snarige versie. In advertenties wordt gepocht met “The Grunewald Harp-Guitar: A New Invention!” met  “Twice the Tone of any Guitar.”

Net als de andere nieuwigheden, de 7- en 11-snarige gitaren, slaat het 12-snarige variant echter nooit echt aan. Dat blijkt wel uit het feit dat de grootste gitaarbouwers, Martin en Gibson, geen eigen versie op de markt brengen. Een aantal instrumenten belandt dan ook in pandjeshuizen, waar ze worden opgepikt door de minder bemiddelden: straatmuzikanten bijvoorbeeld, die door de extra mogelijkheden, een tweede man kunnen uitsparen.

De firma Stella, uit New Jersey pikt daar op in en fabriceert goedkope, maar stevige 12-snarige gitaren, die via postorder kunnen besteld worden. Hun 12-snarige gitaren zijn bovendien een stuk groter dan die van de concurrentie, waardoor ze veel harder klinken – een enorm voordeel om over het geroezemoes van de stad heen te komen.

Atlanta Blues

In Walnut Grove, Georgia, leren twee broers, Robert en Charley Hicks gitaar spelen van de moeder van een vriendje. In 1923 trekken ze naar Atlanta, waar ze hopen werk te vinden. Robert wordt kok bij Tidwell’s Barbecue.  Zijn karige loon vult hij aan met optredens. Enkele maanden na zijn aankomst ruilt hij zijn gewone gitaar in voor een twaalfsnarig exemplaar, dat hij bespeelt in de bottleneck-stijl.

Een talentscout van Columbia merkt hem op en in maart 1927 neemt hij zijn eerste 78-toerenplaat op: ‘Barbecue Blues’. De platenmaatschappij doopt hem dan maar meteen om in Barbecue Bob en laat hem kokskledij aantrekken voor de publiciteitsfoto. Het plaatje slaat aan en met 15 000 verkochte exemplaren wordt hij de best verkopende artiest van Columbia, tot dan toe.

Hij slaagt er in het succes te bestendigen met ‘Mississippi Heavy Water Blues’, geïnspireerd op de recente overstromingen. Hij neemt alles samen zo’n zestig plaatkanten op, waarvan ‘Motherless Child Blues’ het bekendst is, dank zij een cover door Eric Clapton.

Robert sterft in 1931, aan tuberculose, amper 29 jaar oud. Hoewel zijn carrière kort is, is hij van grote invloed op Atlanta-bluesmuzikanten als Curley Weaver en Blind Willie McTell.

William McTell werd waarschijnlijk blind geboren, in 1898, in Thompson, Georgia. Mogelijk als William McTier.  Hij kan zich echter prima behelpen. Na de dood van zijn moeder, die hem gitaar leerde spelen, sluit hij zich aan bij een rondtrekkend circus of  trekt rond in het gezelschap van een andere blues muzikant Buddy Moss, op zoek naar plaatsen om op te treden.

Omstreeks 1922 vestigt hij zich in Atlanta, waar hij in de blindenschool braille leert lezen.

Aangespoord door het succes van Barbecue Bob schakelt hij in 1927 over op de 12-snarige gitaar. Binnen de kortste keren wordt hij een meester op het instrument. Hij speelt zowel in de fingerpickingstijl als slide, waardoor het lijkt alsof hij twee instrumenten tegelijkertijd bespeelt. De platenmaatschappij Victor laat hem acht plaatkanten opnemen, waaronder ‘Statesboro Blues’. Door voor verschillende labels op te nemen onder pseudoniemen als Georgia Bill, Hot Shot Willie, Barrel House Sammy en Pig ‘n’ Whistle Red slaagt hij er in om zichzelf en zijn vrouw in hun levensonderhoud te voorzien, als beroepsmuzikant.

De Grote Depressie van de jaren dertig nekt de meeste muzikanten, waardoor McTell terug straatmuzikant moet worden. In 1940 maakt Alan Lomax opnamen van hem en in 1949 krijgt hij een contract bij Atlantic. Het succes blijft echter uit en Willie overlijdt in 1959, net te vroeg om weer te worden opgepikt in de folk en blues revival. Daardoor duurt het lang eer Blind Willie McTell de erkenning krijgt die hij verdient.

Wat is de gemeenschappelijke factor tussen deze drie songs?