augustus 2012


 

In 1962 bedacht Berry Gordy dat een tournee wel eens de beste manier kon zijn om zijn artiesten en hun songs te promoten. Met de MotorTown Revue kon hij bovendien zijn labels en zijn platenmaatschappij wat meer bekendheid geven. Het opzet is een avondvullende show, waarbij artiesten van Tamla Motown elk hun grootste hits brengen, binnen een strikt afgemeten schema. Na heel wat repeteren vindt, in juni 1962, een try-out plaats in het Regal Theatre in Chicago. De zaal is gekend omwille van zijn uitstekende akoestiek en er wordt besloten daarvan gebruik te maken om live opnamen te maken.

Eén van de acts is een jongetje dat onlangs zijn twaalfde verjaardag heeft gevierd. Steveland Judkins werd in mei 1950 geboren in Saginaw, Michigan. Daarbij liep er wat mis. In de couveuse kreeg hij teveel zuurstof toegediend, waardoor hij blind werd. Dat gemis compenseerde hij met flink wat muzikaal talent. Op zijn vijfde leerde hij harmonica spelen, het volgend jaar begon hij met pianolessen en op acht ook nog drums.

In 1961 werd de jongen “ontdekt” door Ronnie White van The Miracles, een van de topacts van Motown. Die stelde Stevie en zijn moeder voor aan Berry Gordy. De auditie was overtuigend genoeg voor een contract. Onder de naam Little Stevie Wonder maakte hij, kort na elkaar, twee jazzplaten. Op A Tribute to Uncle Ray, bracht Stevie versies van nummer van zijn held, Ray Charles. De opvolger The Jazz Soul of Little Stevie, was helemaal instrumentaal. Geen van beide elpees maakt indruk op de hitlijsten.   

Toch mag Stevie één nummer brengen in de revue. De keuze valt op een song uit zijn tweede plaat: ‘Fingertips’.
De jongen beseft dat hij zijn kans moet grijpen. Meteen al roept hij het publiek op om niet passief toe te kijken: ‘The name of the song is called, uh, Fingertips. Now I want you to clap your hands. Come on, come on. Yeah. Stomp your feet, jump up and down, and do anything that you WANNA DO!! ‘

Na een intro op bongo’s, volgt een samenspel van drummer Freddie Waits, bassist Larry Moses en de harmonica van Stevie. Wanneer de song na twee minuten afgerond is, verlaten de muzikanten het podium om plaats te maken voor de volgende act: The Marvelettes.

Dan loopt Stevie plots terug naar de microfoon en roept: ‘Everybody say yeah!’.
Het publiek reageert: ‘Yeah’.
Dat kan beter: ‘Everybody say yeah, yeah, yeah …’
’Yeah, Yeah, Yeah…’
De muzikanten pikken de draad weer op. Maar een aantal van hen zijn niet vertrouwd met het nummer. Je hoort bassist Joe Swift roepen: ‘What key? What key?’
Stevie moedigt aan: ‘Clap yo’ hands just a little bit louder…’
Improviserend werken ze samen naar een climax, tien minuten later. Het publiek gaat uit de bol. Het dak gaat er af. Het hoogtepunt van de avond.

In mei 1963 verschijnt een flink stuk van de opname, 6’40” in totaal, op de live elpee The Twelve Year Old Genius. Tegelijk brengt Motown ‘Fingertips’ ook uit als single, met de laatste drie minuten van de improvisatie, als ‘Fingertips Part 2’ op de b-kant.

Maar wanneer DJ’s de bijna 7-minuten lange elpeeversie beginnen draaien, brengt de platenmaatschappij de single opnieuw uit, met ‘Fingertips Part 2’ als a-kant. In augustus 1963 bereikt de single de top van de Billboard hitlijsten: niet alleen de R&B Singles maar ook de Pop Singles. Drie weken op de eerste plaats maakt van Stevie Wonder een ster. Zeker wanneer The Twelve Year Old Genius ook de elpeelijst gaat aanvoeren. Zoiets is nog nooit gebeurt. Voor het eerste staat een artiest op hetzelfde moment op 1 in de single- en de elpeelijsten. En bovendien – nog een primeur – met een liveopname!

Advertenties

Een experimentje.

Ik kom de naam van Rita Coolidge tegen op heel wat van mijn favoriete platen van het einde van de jaren zestig. Ik ken haar eigenlijk vooral als zangeres van ballads en duetten met Kris Kristofferson. Dus heb ik wat research gedaan.

Gelukkig wou ze, speciaal voor de lezers van Peerke’s Plaatjes  haar verhaal hier zelf vertellen.

Rita Coolidge

“Zingen heb ik altijd graag gedaan. Iedereen in onze familie. Mijn zussen Priscilla en Linda zongen in het kerkkoor in Lafayette, Tennessee. Papa was dominee in Lafayette. Dominee Coolidge. Ik mocht al meedoen toen ik nog heel klein was. Ik heb leren zingen en dansen in dat kerkkoor. Wij waren The Coolidge Sisters en ik was de jongste.

Met The Coolidge Sisters hebben we heel wat prijzen gewonnen, op talentenwedstrijden en zo. We zongen overal waar we konden: op feestjes en braderieën en zo. Tot Priscilla een beurs kreeg, om professioneel zanglessen te gaan volgen. Linda is toen gestopt met zingen. Ze had er genoeg van. Later ben ik dan naar Florida getrokken om er kunst te gaan studeren  aan de universiteit.

Na het behalen van mijn diploma, wou ik het eerst even proberen als zangeres, in Memphis. Naast optredens, soms samen met Priscilla, zong ik af en toe wat reclamespotjes in, bij Pepper-Tanner. Een van de mensen daar, Marty Lacker, was een goede vriend van Elvis Presley. Hij had net een platenfirma opgericht: Pepper Records. Hij vond mijn stem zo mooi dat hij aanbood om een singeltje op te nemen, in de American Studio, in Memphis. Maar ‘Turn Around and Love You’ werd een dikke flop.

Toen hebben Delaney en Bonnie mij “ontdekt”.

Delaney Bramlett en Bonnie O’Keefe – dat was me een stel! Heftig! Ze hingen altijd aan mekaar. Ofwel waren ze smoorverliefd, ofwel hadden ze kletterende ruzie. Altijd wat met die twee. Ze waren getrouwd, vijf dagen nadat ze mekaar hadden leren kennen!

Delaney was een Shindog geweest. Je weet wel, een van de muzikanten van de band van het TV programma Shinding. En Bonnie was de eerste blanke in de groep van Ike en Tina Turner: de Ikettes.

Enfin, ze gingen een elpee opnemen voor Stax, in Los Angeles. En ze vroegen of ik geen zin had om mee te doen. Ik had toch geen andere plannen, dus…

Heel gek: in L.A. kende iedereen mijn naam! Het bleek dat ‘Turn Around and Love You’ er in de top 10 had gestaan. Nergens had het plaatje iets gedaan, behalve in L.A.  Ik ben nooit terug gekeerd naar Memphis. Ik liet alles achter en begon opnieuw.

Waar we daar terecht kwamen! Een bende hippies. Maar wel stuk voor stuk heel fijne muzikanten. Het draaide allemaal zo’n beetje rond Leon Russell. Leon was jarenlang sessiemuzikant geweest. Hij heeft piano en gitaar gespeeld bij iedereen: van Frank Sinatra tot the Beach Boys en The Byrds. Maar nu wou hij iets anders. Hij had een groot huis gekocht in Skyhill Drive, in de heuvels boven Hollywood. Daar had hij een studio ingericht. Het was eigenlijk een soort clubhuis. Veel jonge beginnende muzikanten hingen daar rond, voor de sfeer en in de hoop carrière te kunnen maken.

De vaste kern was The Flying Burrito Brothers. Dat waren twee mannen die uit de International Submarine Band van Gram Parsons waren gestapt. Gram wou meer de richting van country uit en zij wilden meer rock spelen. De band wisselde dikwijls van bezetting. Leon speelde mee en gitarist Jesse Ed Davis – een volbloed indiaan. Wij zijn trouwens halfbloed: van mama’s kant zijn we Cherokee. Saxofonist Bobby Keys… Taj Mahal was er ook, J.J. Cale… Dr. John kwam langs…

Rare jongens die twee Burrito Brothers. Heel principieel. Ze hadden een absolute afkeer van de muziekindustrie. Ze wilden geen platencontract. Toen ze fans begonnen te krijgen in LA, zijn ze naar New York vertrokken. Parsons heeft de naam later overgenomen.

Maar dat was later. Met Delaney en Bonnie  hebben we dus Accept No Substitutes opgenomen. We hadden een heel fijne band, met bassist Carl Radle, drummer Jim Gordon, Bobby Whitlock op orgel en gitaar, Bobby Keys op sax en Jim Price op trompet. Allemaal Southernes, mensen uit het zuiden.

In afwachting dat de plaat zou gaan verkopen, speelden we de clubs in en rond L.A.

In de zomer van 1968 kwam Gram Parsons zijn oude makkers opzoeken. Hij had Keith Richards bij en Anita Pallenberg. De Stones waren in stad om er Beggars Banquet af te werken. Ze kwamen kijken naar ons optreden in de Palomino. Gram was enthousiast. Hij vond dat we het verdienden om door te breken. Toen hij de volgende keer langs, in november, kwam had hij weer iemand anders bij: George Harrison.

George wou de plaat in Engeland laten uitbrengen door Apple Records, maar dat ging uiteindelijk niet door.

Later kregen we een telefoontje van Eric Clapton. Die had een nieuwe groep: Blind Faith. George Harrison had hem onze plaat laten horen en hij vroeg of we zin handen om het voorprogramma te doen van hun Amerikaanse tournee.
Die tournee vond plaats in de zomer van ’69. Clapton kwam elke avond naar ons kijken. Hij hing voortdurend bij ons rond, om te jammen en zo. Hij reisde zelfs mee in onze tourbus.

Na afloop van die tournee wou hij een plaat opnemen met ons. Clapton had altijd alleen gitaar gespeeld. Zingen liet hij aan anderen over. Maar Delaney had hem over de streep getrokken. ‘Je hebt een prima stem,’ hoorde ik hem zeggen, als je er niets mee doet, neemt God die stem weg!’

De opnamen vonden plaats  in Los Angeles, met Delaney als producer. Hij heeft ook de meegeschreven aan een groot aantal nummers, waaronder ‘Let It Rain’. En hij heeft hem laten kennis maken met de liedjes van J.J. Cale. ‘After Midnight’ is een dikke hit geworden.

In november zijn we dan naar Engeland gevlogen, voor een Britse tournee. Eric Clapton had ons uitgenodigd. We mochten allemaal logeren in zijn huis Hurtwood Edge, in Surrey. We stapten pas van het vliegtuig of hij nam ons al meteen mee naar zijn vriend George Harrison. Die was in de studio aan het werk met Doris Troy. Daar hebben we meteen ‘So Far’ opgenomen, een nummer dat Klaus Voorman had geschreven. Die was er trouwens ook bij. ‘Willen jullie niet naar bed?’ vroeg hij. ‘Jullie komen net van het vliegtuig!’ Euh… nee. Wij willen spelen!”

Bij Eric thuis.
Achterste rij Eric Clapton, Judy Keys, Rita Coolidge, Jim Gordon, Jim Price.
Voorste rij: Bobby Whitlock, Bonnie Bramlett, Delaney Bramlett, PP Arnold (voorprogramma), Carl Radle, Bobby Keys (vooraan).

Tijdens de tournee hadden wij opeens drie extra gitaristen: Eric Clapton, Dave Mason van Traffic en George Harrison van The Beatles. Die drie stonden er op om elke avond mee te spelen, achteraan op het podium. Anoniem. Zo enthousiast waren ze.

Maar  voor mij had de tour een wrang nasmaakje. Jim Gordon en ik waren een koppel, maar af en toe gedroeg Jim zich heel vreemd. Hij hoorde stemmen en zo. Een keer kwamen we net van het podium en opeens gaf hij mij een vuistslag in mijn gezicht. Zomaar, zonder enige aanleiding. Achteraf gezien was het misschien maar goed, dat het daarna over was tussen ons, want later heeft hij zijn moeder vermoord. Ook iets met die stemmen…

In januari hebben we nog die eerste plaat van Eric verder afgewerkt in in Los Angeles, maar daarna was het gedaan. Dat gedoe tussen Delaney en Bonnie werkte iedereen op zijn zenuwen en de band is gesplit.

***

Maar de rust heeft niet lang geduurd.

Voor ik bij Jim was, had ik nog een tijdje iets gehad met Leon Russell en die had ‘Delta Lady’ voor mij geschreven. Mooi, he? Delta Lady was zijn koosnaampje voor mij. Hij had het nummer aan Joe Cocker gegeven en die heeft het opgenomen voor zijn tweede elpee. Leon was namelijk producer voor die plaat.

Begin maart ’70 was Joe op bezoek gekomen bij ons. Hij wou wat uitrusten van een uitputtende tournee met zijn Grease Band. Die band was trouwens ook gesplit – teveel stress en teveel… van alles. Bon, Joe was dus net bij ons, toen hij van zijn manager te horen kreeg dat hij opnieuw de baan op moest. Die had hem geboekt voor een nieuwe tournee van zeven weken… te beginnen binnen één week!

De manager liet hem verstaan dat, als hij niet zou komen opdagen, hij zijn carrière verder wel kon vergeten. Daar zou hij wel voor zorgen.

Paniek!

Leon stelde voor om hem te helpen. Hij zou de muzikale leiding van de tour op zich nemen, een band bijeen zoeken, de repetities leiden,  gitaar en piano spelen… Kortom: alles. De volledige band van Delaney en Bonnie werd terug opgetrommeld  – minus dat koppel natuurlijk. Plus Bobby Whitlock die bij Clapton gebleven was om samen aan songs te werken. Daar kwamen wat leden van de Grease Band bij en nog wat anderen. Uiteindelijk stonden we met dertig man klaar voor de repetities. Twee drummers, blazers, een koor van tien man… Tien uur per dag hebben we gerepeteerd. De tournee heette niet voor niets Mad Dogs and Englishmen.

Het was groots. Fantastisch! Iets helemaal nieuws. Je moet de film zeker eens bekijken, als je hem te pakken krijgt. Ik zou wel eens de beelden willen zien die de film niet gehaald hebben. Dat was zeker “kinderen niet toegelaten”!

http://www.youtube.com/watch?v=n6splB7acXc

Iedere avond kreeg ik een solo spot met mijn versie van ‘Groupie (Superstar)’, een nummer dat Bonnie, samen met Leon had geschreven.

Na  de tournee zijn Carl Radle en Jim Gordon weer naar Engeland gevlogen om er de nummers op te nemen waaraan Eric Clapton en Bobby Whitlock hebben gewerkt. Dat is de plaat Layla and Other Assorted Love Songs geworden. Je kent ‘Layla’ toch, he. Tuurlijk. Wie kent dat niet?

Dat tweede deel, dat  lange pianostuk, dat komt eigenlijk een beetje van mij.

Dat zit zo. Op een keer had Eric iets vergeten in de studio. Toen hij daar aankwam was Jim, Jim Gordon dus, in zijn eentje aan het werk. Hij gaf toe dat hij, in de vrijgekomen studiotijd een plaat aan het opnemen was. Eric vond dat pianostuk dat hij gehoord had heel mooi en vroeg of hij het zelf mocht gebruiken. Dat mocht.

Maar eigenlijk had ik die melodie geschreven, toen we nog bij Delaney and Bonnie waren, in een gastenverblijf bij John Garfield Jr. Jim heeft me dat zo dikwijls horen spelen. Het nummer heet eigenlijk ‘Time.’ Mijn zus Priscilla heeft het later ook opgenomen, samen met haar man, Booker T. Jones.

***

In de lente van 1970 ging ik terug naar LA, om er mijn solodebuut op te nemen met David Anderle als producer. Natuurlijk kreeg ik daarbij hulp van vele vrienden en collega’s: Priscilla en Booker T., Donald Duck Dunn, Leon Russell en Marc Benno, Bobby Womack, Spooner Oldham, een aantal Byrds, Jim Keltner, … noem maar op. Tussendoor werkten we ook nog aan een ander solodebuut: dat van Dave Mason van Traffic. Fijne tijden.

Maar toen kwam dat gedoe met Stephen en Graham. Stephen Stills was toen zowat de toonaangevende figuur bij Crosby, Stills, Nash & Young – de carrière van Neil kwam pas later echt van de grond. Stephen woonde toen in Londen, in een huis dat hij van Ringo Starr had gekocht. Ik had hem ontmoet tijdens de sessies met Clapton, in Londen. Hij speelde mee op ‘Let It Rain’. Daarna maakte hij er zijn eigen soloplaat, in de Island Studios. Hij maakte altijd eerste de basistracks in zijn eentje en dan vulde hij die aan met andere dingen. Daarvoor kon hij krijgen wie hij wou: Jimi Hendrix kwam langs, Eric Clapton, Ringo…

In de zomer [juni 1970 – nvdr] was hij terug in Los Angeles voor een tournee met CSN en Young. Tussendoor werkte hij de plaat af. Hij had Booker T er bij gevraagd en Priscilla en mij ook, om de backing in te zingen. Er was nog veel bekend volk: Mama Cass, John Sebastian en zo… en natuurlijk Graham Nash.

Graham nodigde me uit om eens naar een show van CSN & Y te komen kijken. Hij gaf me zijn telefoonnummer.

Maar toen ik belde nam Stephen op. Hij vertelde me dat Graham zich had bedacht, maar dat hij me wel een backstage pasje kon bezorgen.

Toen hij me kwam oppikken, vertelde Stephen me  dat hij verliefd op me was. Al een hele tijd. We kusten en … enfin. We waren een koppeltje voor we de backstage kwamen. Stephen speelde die avond fantastisch. Hij bleef maar doorgaan: het ene nummer na het andere. Prachtig. Tijdens de pauze bleek dat het helemaal niet de bedoeling was dat Stephen zoveel nummers speelde. Bedoeling was om beurt om beurt eentje te doen. Vooral Graham leek nogal gepikeerd. Tegenover mij deed hij koel en afstandelijk.

De dagen en weken daarna was Stephen heel lief. Hij noemde me The Raven, omwille van mijn lange zwarte haar. Hij had zelfs twee nummers over mij geschreven: ‘Sit Yourself Down’ en ‘Cherokee’. …

Maar, een paar weken later, vertelde Graham me dat Stephen eigenlijk vuil spel had gespeeld. Dat hij helemaal niet gezegd had dat hij niet met mij wilde gaan. Ik was er echt door geschokt. Ik wou hem dat zelf gaan vertellen. We reden naar zijn huis. Hij lag in een zetel bij het zwembad, toen we aankwamen. Toen ik hem confronteerde met zijn bedrog en hem vertelde dat ik Graham eigenlijk leuker vond dan, werd Stephen razend. Hij spuwde zelfsnaar Graham. Daarna heeft hij maandenlang geen woord meer tegen hem gezegd.

David Crosby heeft er een nummer over geschreven: ‘Cowboy Movie’, op zijn eerste soloelpee, If I Could Only Remember My Name. De namen zijn verandert, maar verder kun je ons allemaal wel herkennen. Ik ben “the indian maiden”, waarover Stephen – “Eli the Gunner” – en Graham -“theDuke” – ruziën. Davis is “Fat Albert” en Neil is “Young Billy”. Zij kijken toe hoe hun clubje uitelkaar valt.
Achteraf beweerde men dat dit de reden was waarom de band uit elkaar ging, maar dat geloof ik niet. Er was veel geld mee gemoeid… en drugs en ego’s en zo.

Korte tijd later, op 9 november 1970, stond ik in de vlieghaven van Los Angeles te wachten op mijn vliegtuig. Ik wou terug naar Memphis. Daar kwam ik Kris Kristofferson tegen. Hij had net zijn eerste plaat uit en hij was onderweg naar Nashville om er een interview te gaan geven. We raakten aan de praat. Hij had een tijdje iets gehad met Janis Joplin maar die was kort daarvoor gestorven [4 oktober 1970 – nvdr]. Mijn relatie met Graham leed onder de spanningen in de groep. Het klikte meteen met Kris en hij vloog met me mee naar huis.

Drie jaar later zijn we getrouwd.