juni 2014


‘Daarom begonnen ze al die [roots]muziek op te nemen. Daarvoor was het allemaal klassieke muziek en liedjes uit shows. Toen ze die niet meer verkocht kregen, omdat de radio ze gratis in huis bracht, trokken ze naar het zuiden, waar er geen elektriciteit was. Daar maakten ze opnamen met katrollen en gewichten. De originele countrysong zijn opgenomen zonder elektriciteit.’
T Bone Burnett – 2012

Alle liedjes op de radio…

Zoals wel meer nuttige uitvindingen begon ook de radio als een strikt militair gegeven. Vrij kort na het begin van de Eerste Wereldoorlog verbrak het Duitse leger de trans-Atlantische telegraafkabels. Ter vervanging zette de Amerikaanse marine massaal in op het draadloze radiocontact.

Het is dan ook vast geen toeval dat de allereerste commerciële radio-uitzending plaatsvond in Pittsburgh, Pennsylvania. De Steel City was namelijk de thuisbasis van de Westinghouse Electric and Manufacturing Company, waar de zendapparatuur voor het Amerikaanse leger werd gebouwd.

Aan het hoofd van die afdeling stond ene Frank Conrad. Frank nam zijn werk mee naar huis, want vanaf 1916 experimenteerde hij met een 75 watts versterker. Van uit een schuurtje in de tuin zond hij korte boodschappen uit, die door andere radioamateurs in de regio konden worden beluisterd. Hij draaide zelfs plaatjes, zodat je hem meteen kunt bestempelen als de eerste DJ.

Op 29 september 1920 pikte een plaatselijke winkel in op het gebeuren, door voor $10 radiosets aan te bieden waarmee men de uitzending van Conrad kon beluisteren. Wanneer zijn directeur, Harry P. Davis, daarvan hoorde, besefte die het economische potentieel van de radio. In plaats van beperkt te blijven tot een experiment tussen hobbyisten, wou hij het fenomeen doen doorbreken bij het grote publiek en zo natuurlijk de vraag naar meer radiotoestellen van Westinghouse aanwakkeren.
Hij geeft Conrad de opdracht om een krachtiger versterker te bouwen en vraagt officieel een eigen bereik aan bij de marine.

Op 2 november 1920 is de allereerste uitzending van KDKA een feit. De datum is slim uitgekozen. Die dag zijn het namelijk presidentsverkiezingen. Door de resultaten live bekend te maken is hij meteen de geschreven pers voor en bewijst zo de kracht van het nieuwe medium.

De geluidskwaliteit laat in eerste instantie nog te wensen over, maar van zodra de techniek het toelaat om de beperkingen weg te werken, wordt de radio gemeen goed in de grote steden en kelderen de verkoopcijfers van de opgenomen muziek.

De platenmaatschappijen proberen nog even het nieuwe medium tegen te werken door hun belangrijkste artiesten te verbieden er voor op te treden. Wanneer dat niet blijkt te lukken moet naar andere oplossingen worden gezocht. Bijvoorbeeld door andere muziek aan te bieden dan het standaard repertoire van klassieke muziek, hymnes en liedjes uit shows.

Mamie Smith & The Jazz Hounds

Mamie Smith & The Jazz Hounds

Zwarte muziek voor een zwart publiek

Perry Bradford is een jonge, zwarte pianist en songschrijver. Vanaf zijn elfde werkt hij als pianist bij de rondtrekkende New Orleans Minstrels. Drie jaar later vormt hij een zang-en dansduo met Jeanette Taylor: Bradford & Jeanette. De ervaringen die hij tijdens het vele reizen opdoet, verwerkt hij in songs. De verkoop van bladmuziek vormt een extra bron van inkomsten bij de optredens. In 1918 vestigt hij zich in New York, waar hij de Made in Harlem Revue op poten zet. Zoals de naam het aangeeft staat de revue met beide voeten in de zwarte cultuur – erg ongewoon voor die tijd. Het hoogtepunt van de show is zijn compositie ‘Harlem Blues’, gezongen door Mamie Smith.

‘Ik vond dat onze mensen een verhaal te vertellen hebben,’ meent Bradford, ‘en dat zoiets alleen maar kon in gezongen en niet in instrumentale opnamen.’ Daarom stapt hij naar OKeh Records. OKeh is een klein platenlabel, opgericht door een Duitse ondernemer, Otto K. E. Heinemann. Het label legt zich toe op muziek gericht op verschillende etnische bevolkingsgroepen, vooral dan immigranten uit Oost Europa. Bradford wil er een plaatopname maken met zwarte muzikanten, voor een zwart publiek. ‘Veertien miljoen negers zullen platen kopen, als ze door hun eigen mensen zijn gemaakt,’ betoogt hij.

Fred Hager geeft hem een kans. Op 14 februari 1920 zingt Mamie Smith twee songs van Bradford: ‘That Thing Called Love’ en ‘You Can’t Keep A Good Man Down’ . Voor de begeleiding staat de studioband van het label in. Dat het Milo Rega Orchestra helemaal bestaat uit blanken is er goed aan te merken: hoewel er wel wat jazz en bluesaccenten in beide nummers terug te vinden zijn, blijven het in essentie popdeuntjes. Maar Bradford blijkt een punt te hebben, want binnen de maand gaan er tienduizend exemplaren van het plaatje de deur uit.

De verkoop is voldoende om een tweede opnamesessie te organiseren. Bradford staat er op, dit keer de muzikanten zelf te mogen selecteren. Hij kiest voor allemaal zwarten: The Jazz Hounds. ‘It’s Right Here For You’ en ‘Crazy Blues’ zijn opnieuw door hem geschreven. ‘Crazy Blues’ slaat geweldig aan en in een mum van tijd zijn er 75 000 exemplaren verkocht.

Aangespoord door dit succes gaan ook andere platenlabels op zoek naar zwarte zangeressen. Niet dat er nooit eerder opnamen zijn gemaakt van zwarte muzikanten. In 1890 al was George W. Johnson de allereerste met het gefloten ‘The Whistling Coon’. Maar dat was een novelty dingetje, bedoeld ter vermaak van een blank publiek. ‘Crazy Blues’ is van een andere orde en vormt het begin van de bloeiperiode voor de blues. Als dusdanig betekent het een doorbraak voor zwarte muzikanten, zowel in het blues als jazz genre.

Peer en de boerenkinkels

Een van de mensen die aanwezig zijn wanneer Mamie de songs in de grote akoestische hoorn zingt, is de assistent van Fred Hager: Ralph Peer. De jonge Peer (sympathieke naam 😉 ) krijgt de leiding over de afdeling die speciaal gericht is op het zwarte publiek: de 8000 serie van Okeh. ‘We hadden platen van allerhande inwijkelingen’, blikt hij einde jaren vijftig terug, ‘Duitse platen, Zweedse platen, Poolse platen, maar we durfden geen reclame maken voor negerplaten. Dus zette ik ze in de catalogus als ‘race’ platen.’

Peer gaat op zoek naar meer zwart talent. Waar kun je die het gemakkelijkst vinden? Daar waar er veel zwarten wonen: in het Diepe Zuiden. Dus vertrekt hij in juni 1923 op reis. Het is een revolutionair idee. “OKeh had nog nooit opnamen gemaakt buiten de studio,’ vertelt hij trots. “We trokken naar Atlanta, keken daar wat rond en vonden er een kleine leegstaande opslagplaats… Ik was een paar dagen eerder afgereisd om er al naar talent te gaan zoeken.’
Omdat hij nog nooit in Georgia is geweest, zoekt hij de enige man op die hij er kent: een lokale verdeler van de platen van OKeh Records. ‘Die kerel had dus een meubelwinkel. Hij had al wat rondgekeken, maar, tot mijn verbazing, kende hij geen zwarte muzikanten.’
Ze bezoeken samen een theater “alleen voor zwarten”. Het niveau ligt daar echter zeer laag en niets blijkt bruikbaar.
De winkelier stelt dan voor om een zanger uit de lokale kerk te gaan opzoeken. De jongeman heeft een goede reputatie. Er wordt een opnamedatum afgesproken. Maar dan komt het bericht dat de vader van de jongen plots ziek is geworden en dat hij niet kan komen.
‘Om de vrijgekomen tijd nuttig te gebruiken, kwam mijn distributeur met [een blanke fiddlespeler] John Carson.’ De muzikant heeft onlangs een old time fiddler wedstrijd gewonnen in Virginia. ‘Hij zei dat Fiddlin’ John op de radio was geweest en dat nogal wat mensen hem goed vonden.’
Even later staat Ralph Peer, in het leegstaande gebouw in Atlanta, te luisteren naar de kunsten van de muzikant. Hij vindt het maar niks. De zangstijl van de man omschrijft hij onomwonden als ‘vreselijk voltooid verleden tijd’. De winkelier dringt echter aan. Pas wanneer hij belooft 500 platen te zullen afnemen, gaat Peer overstag. Fiddlin’ John Carson mag twee nummers opnemen. De keuze valt op ‘The Little Old Log Cabin In The Lane’ en ‘The Old Hen Cackled and the Rooster’s Going to Crow’.
‘Het was zo slecht dat we er niet eens een serienummer aan gaven’ vertelt Peer. ‘We dachten dat, eens die man zijn voorraad had, we er nooit meer iets van zouden horen. We stuurden hem zijn bestelling.’
De man uit Atlanta trekt er mee naar de volgende fiddler wedstrijd… en verkoopt er meteen zijn hele voorraad. ‘Diezelfde avond nog belde hij New York om er 5 000 extra te sturen, per express, en nog eens 10 000 per gewone vracht.’
Ook in andere staten blijkt er belangstelling te bestaan en uiteindelijk overschrijdt de verkoop het half miljoen. ‘We waren zo beschaamd [over de kwaliteit van de oorspronkelijke opname] dat we Fiddlin’ John naar New York lieten komen om de songs opnieuw op te nemen.’

Het debuut van John Carson wordt beschouwd als de officiële start van de countrymuziek. En opnieuw was Peer er bij betrokken. Met een mengeling van trots en minachting snoeft Peer in een interview in 1958: ‘Ik ging naar New York en werkte er voor OKeh Records. Daar bedacht ik dat hillbilly- en nikkerspul.’

“Hillbilly”, wat zoveel betekent als “boerenkinkel” is de naam die hij geeft aan wat later countrymuziek zal worden genoemd, maar dan nog bekend staat onder vele namen: Mountain music, Old Time Music, …

Peer begrijpt dat er een markt is voor die volksmuziek. Vooral op het platteland blijken veel mensen geïnteresseerd in de muziek van lokale muzikanten.
De volgende twee jaar doorkruist hij de Verenigde Staten, op zoek naar interessant muzikaal talent: Chicago, St. Louis, Cincinnati, Dallas, Cleveland, Detroit en New Orleans. Onderweg ontdekt hij latere jazzgrootheden als trompettist Louis Armstrong, cornetspeler King Oliver, pianisten Fats Waller en Bennie Moten, maar ook blueszangeressen Sippie Wallace en Sara Martin.
De artiesten krijgen $50 per song, plus een percentage op de verkoop. Voor velen is dat een riante verloning.

Muziekuitgevers

Peer leert nog meer van de ervaringen van Bradford. Voor de auteur betekende het succes van zijn ‘Crazy Blues’ meteen ook het begin van alle ellende. De tekst van die song was eigenlijk identiek aan die van zijn ‘Harlem Blues’… en daarvan had hij de auteursrechten verkocht. “Ik vreesde er eigenlijk al voor, dat het nummer een hit zou worden, “verklaart hij later. ‘Ik had dezelfde tekst daarvoor al drie keer gebruikt.’
Een terechte vrees, zo blijkt. Een eerste rechtszaak kan hij in der minne regelen, maar bij de tweede keer belandt hij voor vier maanden in de nor.

Zodra hij weer vrijkomt, bedenkt hij dat het leven misschien eenvoudiger is wanneer hij zelf muziekuitgever wordt.

Door de Copyright Act van 1909, heeft een auteur recht op een percentage van de verkoop of uitvoering van zelfgeschreven materiaal. Tekst en muziek moeten daarvoor worden ondergebracht bij een muziekuitgeverij. In ruil voor 50% van de inkomsten, zorgen die voor het innen van de centen. Ze hebben er natuurlijk alle belang bij dat de muziek zo veel mogelijk wordt verspreid. Hoe meer mensen een song opnemen, hoe hoger de inkomsten.

Bradford heeft begrepen dat een uitgever dus meer overhoudt aan de songs dan de schrijver. Binnen een paar jaar heeft hij vier uitgeverijen die samen de rechten van meer dan 1 400 songs beheren. Maar omdat hij geen band heeft met een platenmaatschappij, raken zijn songs niet verkocht.

Peer pakt het slimmer aan. In 1924 begint hij ook voor zichzelf, als manager van de artiesten die hij her en der heeft ontdekt. Zijn eerste klant is Ernest Stoneman en het is meteen raak. Diens ‘The Titanic’ wordt een enorme hit, met een verkoop van twee miljoen exemplaren.

Het succes blijft niet onopgemerkt bij de grotere platenmaatschappijen en in 1925 bedenkt Peer een systeem dat hem schatrijk zal maken. ‘In die periode ging ik een zakelijke verbintenis aan met Victor Talking Machine Company, die jaren zou standhouden,’ vertelt hij in 1959. ‘De afspraak was dat ik de artiesten en het materiaal zou uitkiezen voor de hillbilly opnamen van Victor.’
Hij aanvaardt daarvoor een belachelijk klein salaris: 1 dollar per jaar. Daar staat tegenover dat alle zelfgeschreven materiaal dat onder zijn bevoegdheid wordt opgenomen, wordt ondergebracht bij zijn eigen muziekuitgeverij: Southern Music.

In zijn functie van A & R-manager spoort Ralph Peer zijn artiesten dan ook aan om vooral zelfgeschreven nummers op te nemen. Of minstens oude songs zo aan te passen dat ze als nieuw kunnen doorgaan.
Kassa, kassa!

De Bristol sessies

In zijn zoektocht naar nieuwe artiesten, belandt Ralph Peer, in de zomer van 1927, in Bristol, Tennessee – een van de weinige steden in het Appalachengebergte. De opkomst valt echter tegen.
Daarom laat hij in de krant een artikel plaatsen over Stoneman. Hij benadrukt dat de man $3.600 heeft verdiend aan ‘The Titanic’ (zowat het loon van drie jaar werken voor een arbeider) en dat hij $100 per dag krijgt voor opnamen.
De volgende dagen stromen belangstellenden toe uit de wijde omgeving. Tot diep in de nacht is Peer aan de slag. Uiteindelijk neemt hij 76 songs op, van 19 verschillende artiesten. Daar maken niet alleen de Carter Family hun debuut, maar ook Jimmie Rodgers. Toevallig worden met deze twee artiesten ook meteen de grote thema’s van de country vastgelegd: de Carters staan voor familie, haard en religie, terwijl Rodgers de vrijheid van het onderweg zijn bezingt: treinen en wegen.
Johnny Cash stelt onomwonden dat die auditie in Bristol niets minder is dan “de oerknal in de geschiedenis van de country muziek”.

PaulMcCartneyalbum_-_McCartneyII

‘Het was niet de bedoeling om een plaat te maken. He was louter om me wat te amuseren . Maar toen ik een wat nummers liet horen aan een paar mensen, zeiden die: “Ah, je nieuwe plaat.” Dus werkte ik de dingen wat beter af, om er een plaat van te maken.’ – Paul McCartney, mei 1980

Opgenomen: juni-juli 1979

Uitgebracht:

november 1979: single ‘Wonderful Christmastime’ van Paul McCartney

juni 1980: elpee McCartney II van Paul McCartney
‘Comin’ Up’, ‘Temporary Secretary’, ‘On The Way’, ‘Waterfalls’, ‘Nobody Knows’, ‘Front Parlour’, ‘Summer’s Day Song’, ‘Frozen Jap’, ‘Bogey Music’, ‘Darkroom’, ‘One Of These Days’

Juli 1980: ’Check My Machine’ – als b-kant van de single ‘Waterfalls’van Paul McCartney
September 1980: ‘Secret Friend’ – als b-kant van de 12” single ‘Temporary Secretary’ van Paul McCartney

East Gate Farm in Peasmarsh, Sussex

Na het uitbrengen van Back To The Egg breekt er een drukke periode aan voor Wings. Er moeten heel wat interviews gegeven en iemand heeft het briljante idee om promofilmpjes te draaien bij zeven songs.

Maar Paul staat al te popelen om nog meer muziek te maken, al is het puur voor zijn plezier: ‘om de spinnewebben te verdijven’, zoals hij het later uitlegt. Dat mag zelfs letterlijk genomen worden, want de opnamen vinden plaats in een leegstaande boerderij in Peasmarsh, een dorpje bij Rye in East Sussex. Paul heeft het goed, met zo’n 70 ha grond, in juni 1978 gekocht. Vanaf 1982 zal het de uitvalsbasis worden van de familie McCartney, nadat hij er een zelfontworpen huis met vijf slaapkamers heeft laten bouwen.

Maar nu heeft Paul vooral zin om te experimenteren met synthesizers. Hij heeft er inmiddels een hele batterij van: Roland Jupiter 4, Mellotron, Yamaha CS80, Arp Pro-Soloist en de Mini Moog.
‘Synthesizers zijn fantastisch,’ verklaart hij in mei 1980 enthousiast aan Paul Gambcini. ‘In plaats van uren te spenderen aan het werken met strijkers, kun je het gewoon in een handomdraai met zo’n machine doen en het klinkt haast net het zelfde.’

Omdat hij alles in zijn eentje wil doen, huurt hij voor twee weken een 16-sporen Studer opnameapparaat. Geluidstechnicus Eddie Klein komt het toestel installeren en maakt hem wegwijs met de knopjes en spoelen. Net als tien jaar eerder, toen hij zijn eerste solo elpee McCartney opnam, plugt hij de microfoon rechtstreeks in, in de Studer, zonder eerst via een mixer te passeren.

‘Ik ken niemand die zoiets ooit gedaan heeft,’ merkt Klein verbaasd op. ‘Het lijkt zo primitief, maar tegelijk vernieuwend. Het idee sprak me wel aan. Ik moest enkel de opnameapparatuur en wat microfoons klaar zetten en dat was alles wat hij nodig had. In feite, zag ik hem nauwelijks. Hij deed echt alles in zijn eentje.’

De aftrap is ‘Front Parlour’ – de naam geeft het al aan: ‘[…] opgenomen in de zitkamer van een oude boerderij,’ legt Paul uit. ‘Het stond allemaal leeg, dus brachten we de machines binnen en gebruikten de keuken als echokamer.’

Als basis legt Paul eerst het ritme vast. Dat doet hij in drie keer: eerst de basdrum, daarna de tom-toms en tenslotte de cimbalen. Ter afwissleing experimenteert hij soms ook met een drummachine.
‘Daarop bouwde ik voort,’ vertelt Paul, ‘zonder te weten waar ik zou uitkomen. Aan die drumsporen voegde ik dan gitaren en bas toe om een basistrack op te bouwen.’ Maar vooral veel synthesizers, dus.
Klinkt het niet, dan botst het. Ook niet erg, want dan neemt hij er gewoon iets anders overheen op. Omdat het helemaal niet commercieel hoeft te zijn kan hij vrijuit experimenteren: dingetjes trager of sneller opnemen, zodat ze hoger of lager weergegeven worden, wanneer ze worden afgespeeld.

Als er al zang is, dan is ook die louter geïmproviseerd en de woorden zijn veel meer gekozen voor de klank dan voor enige betekenis. Vaak ook zeer repetitief, zoals ‘You Know I’ll Get You Babe’ of ‘Temporary Secretary’. Dat laatste ontstond uit een typemachine achtig effect van de ARP synthesizer, net als ‘All You Horseriders’ dat voortkwam uit een ander effect dat hem deed denken aan hoefgetrappel.

Spirit of Ranachan Studio in Campbeltown, Schotland

Zodra de schoolvakantie begint, trekt de familie McCartney steevast naar het boerderijtje in Schotland. Paul amuseert zich zo met zijn hobbyproject, dat hij de Studer nog vier weken langer reserveert en het toestel meezeult naar Campbeltown, waar hij het installeert in zijn studio.

Het eerste nummer dat hij daar opneemt is ‘Coming Up’. Na het vastleggen van een basistrack met drums, bas en gitaar, leeft hij zich uit als ‘een gekke professor, alsof ik in een laboratorium zat. Ik voel me dan net een verstrooide professor . Je gaat er zo in op – heel vreemd, gek… maar daar hou ik wel van. […] Ik werkte met een machine waarmee je de snelheid van de opnamen kunt regelen: je stem wat versnellen of vertragen. Daar komt het geluid van de zang vandaan: het is lichtjes versneld en dan door een echomachine gehaald. Ik deed er van alles mee en de helft daarvan ben ik vergeten, want ik deed maar wat. Wat ik goed vond, hield ik en de rest veegde ik weer af.’

In Schotland ontstaan er nog meer songs die min of meer conventioneel klinken: ‘One of These Days’ – zowaar gewoon akoestische gitaar en zang – is geïnspireerd door een bezoeker. ‘Er kwam een Hare Krishna kerel langs. Een sympathieke gast, heel zachtaardig. Toen hij weg was, ging ik naar de studio en de sfeer bleef hangen. Ik begon iets wat zachtaardiger te maken.’
‘Waterfalls’ is het enige nummer dat vooraf al geschreven was. In mei heeft hij er al een demo van opgenomen. Nu neemt hij een nieuwe versie op met elektrische piano, synthesizer en akoestische gitaar.

Einde juli heeft Paul, in zijn eentje, 19 nummers opgenomen – alles samen zo’n 80 minuten muziek.

Wonderfull Christmastime

Maar na de vakantie is het weer back to business. Er staat een wereldtournee met Wings op het programma: eerst een 20-tal concerten in Engeland, en dan, na nieuwjaar, naar Japan, dan China en Australië, Europa en tenslotte de gehele zomer touren door Noord-Amerika.
Paul presenteert zijn groep ook enkele nummers van zijn solo experiment: ‘Coming Up’ en ‘Wonderfull Christmastime’. Wings gitarist Laurence Juber bevestigt: ‘We leerden die beide nummers. Toen ik de solo versie van ‘Coming Up’ voor het eerst hoorde vond ik die wat te snel en grillig. Ik vond onze versie, met de band beter. Het was meer rock en het was erg fijn om te spelen. ‘Wonderful Christmastime’ was meer een novelty. Het is een leuke, vrolijke melodie – nog steeds een van de 25 bestverkochte Kerstplaten. Wat mij betreft had ik liever iets in de aard van ‘White Christmas’ gehoord, maar het is toch wel een originele invalshoek voor een Kerstliedje. Live zong ik backing vocals en kreeg daarbij steeds mijn mond vol van die namaaksneeuwvlokken die ze naar beneden lieten dwarrelen tijdens dat nummer.’

Vlak voor de aftrap van de tournee, verschijnt op 16 november 1979, de eerste solo-single van Paul McCartney sinds ‘Another Day’ uit 1971: ‘Wonderfull Christmastime’/’Rudolph The Red-Nosed Reggae’.
De b-kant is iets uit het archief. Het instrumentaaltje dat al in juni 1975 is opgenomen, tijdens een sessie in de Abbey Road Studios. Terwijl Paul er wat aan het inspelen was, kwam een koerier een viool afleveren. Paul vroeg de man of hij er op kon spelen. Dat kon hij toevallig. De man speelt een stukje van de Kerstklassieker. Paul betaalt hem het standaardtarief voor een sessie, maar niemand denkt er aan zijn naam te noteren.
Nadat de koerier vertrokken is, bouwt Paul een track op rond het vioolspel.

De dag van verschijnen brengt Paul met Wings door in de Fountain Inn in Ashurst, West Sussex. Daar draait Russell Mulcahy een promoclipje voor de single. ‘Fantastisch was dat,’ meent Juber. ‘We zaten de hele dag op café en dan was er ook nog vuurwerk toe.’

De Kerstsingle is catchy as hell en doet het dan ook goed in de hitlijsten: 6 in Engeland en 8 in de Verenigde Staten. Doordat het nummer voortaan elk jaar wordt heruitgebracht op allerhande compilatieplaten levert dat ene verdomde nummertje heeft Paul tot nog toe zo’n 11 miljoen euro aan royalties opgebracht.

Japanese Tears

Op 16 januari 1980 arriveert Wings in Tokio voor de eerste tournee van de band door Japan. De band zal er elf concerten spelen, vanaf 21 januari. Paul, die in 1976 geen visa kreeg, mag nu enkel het land in omdat hij maar 18 dagen blijft en daarna van plan is door te reizen naar China, waar Wings enkele onaangekondigde concerten zal geven.
Maar dan gaat het fout….
Bij aankomst in de vlieghaven vindt een douanier een zakje met 219 gram marihuana in Pauls bagage. De ex-Beatle wordt onmiddellijk gearresteerd, geboeid, ondervraagd en in de gevangenis opgesloten. Iedereen zit erg met de zaak verveeld. De promotoren hebben meer dan honderdduizend tickets verkocht. De politie wijst er op dat Paul zelfs niet kan worden uitgewezen, omdat hij officieel het land nog niet in was. Het Ministerie van Justitie meent dat een gevangenisstraf van zeven jaar niet onmogelijk is.

McCartney%20arrested

Wanneer vijf dagen later, er van vrijlating nog steeds geen sprake is, verlaten de andere muzikanten van Wings Japan. Laurence en Steve vliegen naar Amerika. Denny vliegt naar Cannes, waar hij een contract tekent voor een solo-elpee: Japanese Tears. In het titelnummer bekijkt hij het gebeuren vanuit het standpunt van een ontgoochelde Japanse fan.

Na negen dagen wordt Paul plots vrijgelaten en onmiddellijk uitgewezen. De autoriteiten zijn er van overtuigd dat de marihuana voor eigen gebruik was en dat Paul al genoeg gestraft is als resultaat van het incident. Op het vliegtuig wordt hij herenigd met Linda en de kinderen.

Ter compensatie aan de platenmaatschappij biedt Paul zijn recente solo-opnamen aan. Een demonstratie plaat, gedateerd maart 1980, toont aan dat er genoeg materiaal is voor een dubbel-elpee.

kant 1: ‘Front Parlour’, ‘Frozen Jap’, ‘All You Horse Riders’, ‘Blue Sway’, ‘Temporary Secretary’
kant 2:, ‘On The Way’, ‘Mr H Atom’, ‘Summer’s Day Song’, ‘You Know I’ll Get You Baby’, ‘Bogey Wobble’
kant 3: ‘Darkroom’, One of These Days’, ‘Secret Friend’, ‘Bogey Music’
kant 4: ‘Check My Machine’, ‘Waterfalls (I Need Love)’, ‘Nobody Knows’, ‘Coming Up’

Merk op dat ‘Wonderfull Christmastime’ ontbreekt. Dat nummer is immers al uitgebracht.

De platenmaatschappij ziet het echter niet zitten om, na de tegenvallende verkoopscijfers van Back To The Egg, een dubbelelpee te promoten. Daarom moet Paul een selectie maken zodat het materiaal onder de 45-minutengrens blijft.

Coming Up

Als smaakmaker voor de elpee verschijnt op 11 april 1980 ‘Coming Up’ met als b-kant een live versie van Wings, plus een oud instrumentaaltje uit de Venus and Mars sessies: ‘Lunch Box-Odd Sox’.
De single doet het erg goed en bereikt net niet de top in Engeland. In Amerika wel: daar prijkt de single die zomer drie weken lang bovenaan de hitlijsten. Omdat een live versie van Wings er echter meer gedraaid wordt op de radio en jukeboxen dan de soloversie van Paul McCartney, besluit Billboard de derde week die versie als topsingle te vermelden. Hierdoor wordt ‘Coming Up’ het eerste en enige nummer dat zichzelf opvolgt in de hitlijst in twee verschillende versies.

Die live versie is opgenomen in Glasgow, op 17 december 1979, tijdens het slotconcert van de Britse tournee. Wingsdrummer Steve Holley vertelt: ‘Het hoogtepunt [van mijn tijd bij Wings] was voor mij het optreden in Glasgow. Dat viel toevallig samen met de finale van het voetbal: Schotland tegen Engeland. Paul had zich voorgenomen om zich [voor de bisnummers] te tooien met de vlag van het winnende team. De Campbeltown Pipe Band was er, met kilts en alles, voor ‘Mull of Kintyre’. Het menigte ging helemaal uit de bol, zeker toen Schotland won.’
Dat is ook goed te horen aan de finale van het laatste nummer. Na het, voor iedereen dan nog total onbekende ‘Coming Up’, beginnen de fans Pauls naam te scanderen, zoals dat normal bij voetbalwedstrijden gebeurt. Paul doet vrolijk mee, alleen zingt hij “bloody rubbish”.
‘Dat was heel special,’ besluit Holley. ‘Een onbeschrijfelijk hoogtepunt. Ik kreeg er zelf tranen van in mijn ogen en ik ben niet eens een Schot. Het zegt veel over de absolute magie van die man.’

De hit is zeker voor een stuk ook te danken aan het erg leuke promofilmpje, waarbij Paul en Linda in een tiental vermommingen te zien zijn, als een imaginaire groep: The Plastic Macs. Zo is Paul tegelijkertijd Buddy Holly, Hank Marvin van The Shadows, David Gilmour van Pink Floyd, Ron Mael van The Sparks, Andy Mackay van Roxy Music en zijn jongere ik , als Beatle omstreeks 1964, complete met zijn Hofner bas.

McCartney II

Paul’s tweede solo-elpee McCARTNEY II wordt op 16 mei 1980 uitgebracht.
De Amerikaanse platenmaatschappij Columbia staat er op dat de liveversie van ‘Coming Up’ op de plaat zou staan. Paul komt met een compromis: in de Vernigde Staten wordt de Wings versie als bonus bij de elpee gestopt, op een extra singeltje.

Door het grote succes van de hitsingle, doet de elpee het erg goed in de verkoop, hetgeen leidt tot een eerste plaats in de Britse hitlijst en 3 in de VS.

‘Waterfalls’ – het beste nummer van de elpee – verschijnt op 13 juni 1980 als tweede single in het Verenigd Koninkrijk. Het erg repetitieve ’Check My Machine’ is de b-kant. De hoogste notering is 9.
Omdat ‘Coming Up’ het zo goed doet in de Verenigde Staten, wordt ‘Waterfalls’ er een maand later uitgebracht. Columbia voert er echter zo weinig promotie voor dat een maand na het uitbrengen een DJ aan Paul vraagt waarom het nummer niet als single is uitgebracht. Het resultaat is dan ook een erg magere 106de plaats. En dat ondanks een dure clip.

De derde single ‘Temporary Secretary’ wordt enkel in Engeland uitgebracht, op 15 september 1980. Bovendien verschijnt de 12” in een beperkte oplage van 25 000 exemplaren, die in 16 uur allemaal verkocht raken. Toch geen hitnotering.
De b-kant is het onuitgebrachte ‘Secret Friend’.