favoriete songs


een draadje:

one-way-road-sign-my-way-001

Jacques Revaux

Parijs, begin jaren zestig.
De jonge Jacques Revaud heeft gedurende een paar jaar geprobeerd, om voet aan grond te krijgen in de cabarets van de linkeroever. Tevergeefs. Zijn liedjes zijn goed genoeg, maar het charisma ontbreekt hem, om aan te slaan bij het publiek. Ook het handvol singletjes die van hem zijn uitgebracht (bij een van zijn eerste optredens heeft de drukker zijn naam verkeerd gespeld op de affiche: Revaux. Herdrukken kost geld, dus gaat hij voortaan zo door het leven) zijn eigenlijk haast uitsluitend gekocht door vrienden en familie.

De genadeslag is de yé-yé rage. Een frisse wind, die in het zog van The Beatles en The Stones, de Franse populaire muziek vooral richt op een tienerpubliek. Salut les copains!

Jacques besluit zich voortaan toe te leggen op een carrière achter de schermen. Hij neemt zich voor om iedere dag een nummer te schrijven. Om ongestoord te kunnen werken, trekt hij zich terug in een bergdorpje in de Franse Alpen. Daar, op de bovenste verdieping van een klein hotelletje, schrijft hij nummers voor Johnny Hallyday, Eddy Mitchell, Sylvie Vartan, Sheila….

Meestal beperkt hij zich tot de muziek. Voor de tekst houdt hij op wat klanken. ‘Chanter en yaourt’, zoals dat zo mooi heet in het Frans. De echte teksten laat hij liever over aan mensen als Pierre Delanoë, Vline Buggy, Jean-Michel Rivat of Ralph Bernet.

In mei 1967 heeft hij een opdracht voor vier nummers voor de muziekuitgever Norbert Saada. De opdracht is dat het moet klinken als iets dat in Engeland is geschreven. Want de Franse zangers hebben liever een vertaling uit het Engels, dan een originele Franse compositie.

Hugues Aufray krijgt de eerste keuze. Daarna komen Petula Clark, Claude François, Dalida en Sacha Distel aan de beurt. Niemand heeft interesse in ‘For Me’.

Clo Clo

Tijdens een feestje in Cannes, enkele maanden later, vraagt Claude François aan Jacques waarom hij hits schrijft voor zowat iedereen, maar nooit voor hem. De componist antwoordt dat hij hem laatst een nummers heeft aangeboden, maar dat Clo Clo het toen niet wou. Ze spreken af voor een herkansing.

Op 27 augustus 1967 rijdt Revaux naar Dannemois, waar de Franse zanger een buitenverblijf heeft. In en rond het zwembad is een hele troep mensen uit de wereld van radio en TV verzameld. ‘Hij wou dat ik het nummer op de piano speelde, voor iedereen,’ vertelt Jacques Devaux in 1993 aan het tijdschrift Platine. ‘Dat duurde bijna tien minuten. Toen hebben we samen de melodie aangepast. Claude heeft drie of vier noten gewijzigd: eentje in het begin en drie in het refrein. En inderdaad: het was een stuk beter.
Hij zette zich aan de piano en kwam met de openingszin: “Je m’lève et je te bouscule…”
Met in zijn achterhoofd de recente breuk met France Gall, met wie hij een bijna drie jaar een relatie heeft gehad, beschrijft Claude hoe de dagelijkse routine, ongemerkt leidt tot sleur in het leven van elk koppel: ‘Comme d’habitude’.

‘Later heeft hij de tekst uitgewerkt met Gilles Thibault,’ verklaart Revaux. ‘Daar was ik niet bij. Ik weet alleen dat het idee van hem kwam.’
Voor zijn aanpassingen krijgt Claude François een vermelding als co-auteur van de melodie. Hij brengt het ook onder bij zijn pas opgezette muziekuitgeverij Jeune Musique.

Korte tijd later neemt hij het op met het orkest van David Whitaker en brengt het, in november 1967 uit, als aller eerste single van zijn eigen platenlabel Disques Flèche.


Met zo’n driehonderdduizend verkochte exemplaren is het een hit, maar geen monstersucces.

David Bowie

In Londen probeert ene David Jones al een paar jaar om aan de bak te komen in de muziekwereld. In afwachting van zijn doorbraak als David Bowie, schnabbelt hij wat bij voor de muziekuitgever Essex Music. Geoffrey Heath brengt hem in contact met de Belgische jazzpianist Willy Albimoor. Willy heeft een vriendinnetje dat hij graag wil lanceren als zangeres: Andrée Giraud. Hij heeft enkele nummers voor haar gecomponeerd, maar er ontbreekt nog een tekst.
Bowie zet zich aan het werk en in juni 1967 verschijnt ‘Pancho’ van Dee Dee and her Panchos. Van het meisje wordt na deze flop niets meer vernomen, maar voor Albimoor rinkelt de kassa wanneer in 1971 Les Chakachas een dik hit scoren met zijn ‘Jungle Fever’.

Blijkbaar vindt de uitgever dat David een tweede kans verdient. In de winter krijgt hij een stapeltje Franstalige singles toegeschoven. De methode om nummers die hun hitpotentieel bewezen hadden, te slijten aan een Engelstalig publiek kwam wel meer voor in die tijd. Denk maar aan ‘You Don’t Have to Say You Love Me’ van Dusty Springfield: een bewerking van een Italiaans nummer van Pino Donaggio.
Een van de plaatjes is ‘Comme d’habitude’.
Bowie voorziet de melodie van een Engelse tekst over een jongen die zich populair maakt door de clown uit te hangen en daarom niet serieus wordt genomen door het meisje van zijn dromen.

In februari 1968 zingt Bowie zijn tekst in, over het plaatje van François heen. De muziekuitgever is niet onder de indruk van ‘Even A Fool Learns To Love’. Noch van de amateuristische aanpak, noch van de geforceerde tekst vol zelfbeklag. Het commentaar van de grote baas is duidelijk : men ‘zoekt een ster op het nummer op te nemen en geen Johnny uit Bromley.’

Paul Anka / Frank Sinatra

De Canadese zanger en liedjesschrijver Paul Anka (onder andere ‘It Doesn’t Matter Anymore’ van Buddy Holly) verblijft veel in Frankrijk, omdat zijn vrouw – hoewel net als hijzelf van Libanese afkomst – ook Frans bloed heeft. ‘Ik had een huis gehuurd in de buurt van Mougins,’ vertelt hij in 2005. ‘Ik hoorde die melodie op de radio en ik dacht : daar moet ik iets mee doen.’
Hij verwerft de rechten voor de Verenigde Staten, maar daar blijft het bij. Voorlopig toch.

Enkele maanden bevindt hij zich in Florida, in het gezelschap van Frank Sinatra en ’een paar leden van de maffia’. Tijdens het diner verklapt Old Blue Eyes dat hij is uitgekeken op de showbizz, dat hij er over denkt om er mee op te houden.

Zodra hij weer thuis is, in New York, haalt hij de partituur van ‘Comme d’habitude’ te voorschijn. Gezeten aan de piano verandert hij het ritme, beetje bij beetje. Vervolgens begint hij aan de tekst.
‘Om een uur of één ’s nachts,’ gaat Paul verder, ‘zette ik me aan mijn oude IBM typmachine, met de vraag: Wat zou Frank schrijven? Ik begon: “And now, the end is near…”
Het was me opgevallen dat er in tijdschriften veel sprake was van “mijn dit” en “mijn dat”. Met was de ik-generatie en Frank was voor mij de verpersoonlijking daarvan. Zoiets als “I ate it up and spit it out” zou ik zelf nooit zeggen. Maar hij sprak zo. Die kerels van de Rat Pack namen het taaltje over van de maffia – zelfs al hadden ze schrik van hun eigen schaduw.’

Het wordt een tekst waarin de zanger een balans op aan het einde van zijn levensweg. Niet ontevreden stelt hij vast dat hij misschien niet altijd het juiste heeft gedaan, maar in elk geval uniek is geweest. ‘I did it my way.’

Tegen 5 uur in de ochtend is de song klaar. “Ik belde Frank op, in Nevada – hij was in Caesar’s Palace. Ik zei hem: “Ik heb iets, speciaal voor jou.”

Sinatra is blij met het resultaat en legt het vast tijdens een sessie in Los Angeles, op 30 december 1968.

Uitgebracht in maart 1969, bereikt het een 27ste plaats in de Amerikaanse hitlijsten. Opnieuw: een goed resultaat, maar geen megasucces.
Dat is anders in het Verenigd Koninkrijk: hoewel de hoogste notering slechts een vijfde plaats is, blijft de single maar liefst 75 weken onafgebroken in de top 40 (van april 1969 tot september 1971). Inclusief de 49 weken dat het plaatje daarna nog in de top 75 blijft hangen, is het er de langst genoteerde hitsingle ooit.

David Bowie – opnieuw

David Bowie heeft inmiddels enige bekendheid verworven dankzij het nummer ‘Space Oddity’ van zijn tweede elpee. Rijk is hij er echter nog niet mee geworden, want hij neemt nog steeds de bus om de stad in te gaan. Zo ook op een van de eerste lentedagen van 1971. Hij wil een hemd en schoenen gaan kopen en wandelt naar de bushalte. Onderweg hoort hij Sinatra ergens met ‘My Way’. De afwijzing van zijn versie van ‘Comme d’habitude’ is hij nog niet vergeten. De melodie blijft in zijn hoofd malen en vormt langzaam een soort van parodie. Twee haltes verder springt hij van de bus en loopt terug naar huis.

In de flat in Southend Road staat niet veel meer dan een ligstoel, een asbak en een piano. Tegen het einde van de namiddag heeft hij de tekst en melodie klaar van ‘Life on Mars?’ – “Inspired by Frankie” zoals aangegeven op de hoes van zijn derde elpee.

Het onderwerp is een tienermeisje dat, na een aanvaring met haar ouders èn haar vriendje, verstrooiing zoek t in een bioscoop. Allerlei beelden en indrukken komen op haar af en ze vraagt zich af of er misschien ergens anders een betere wereld zou zijn. Misschien is er leven op Mars?

Mick Ronson zorgt voor een prachtig strijkersarrangement, maar voelt zich nog niet zeker genoeg om zelf de pianopartij in te spelen. Daarvoor zorgt Rick Wakeman, op de piano van de Trident studio – dezelfde waarmee Paul McCartney ‘Hey Jude’ heeft gespeeld.

‘Life on Mars?’ verschijnt in december 1971 op Hunky Dory. In eerste instantie is het gewoon een albumtrack, maar anderhalf jaar later, na de doorbraak van Ziggy Stardust wordt het nummer ook als single uitgebracht. Met succes: top 3 in Engeland. In Amerika is men dan nog niet onder de indruk van Bowie: zelfs geen notering in de top 100 van Billboard.

Elvis Presley

Terwijl Bowie zijn ‘Life On Mars’ opneemt in Londen, legt duizenden kilometers daar vandaan, Elvis Presley een versie vast van ‘My Way’. Dat gebeurt op 10 juni 1971 in de RCA studio B, in Nashville, Tennessee. Die opname gaat echter het archief in. Misschien ook omdat Paul Anka Elvis negatief adviseert over het nummer: ‘Laat dat. Het past niet voor jou.’

Toch brengt The King het nummer tijdens twee optredens in Hawaii, in januari 1973. Deze worden, via satelliet wereldwijd uitgebracht en bekeken door zowat een miljard kijkers.

Op 3 oktober 1977, enkele weken na zijn overlijden, wordt een recente live opname van ‘My Way’ dan toch als single uitgebracht. Met een 22ste plaats in de Amerikaanse hitlijst is het een groter succes dan dat van Sinatra. In de Country lijsten stoot het nummer zelfs door tot de top.

Claude François

In een poging door te breken op de Amerikaanse markt, neemt Clo Clo datzelfde jaar een Engelstalige elpee op, in de Londense Abbey Road studio. Daarbij mag natuurlijk zijn interpretatie van ‘My way’ niet ontbreken. Hij kan dan niet vermoeden dat het inderdaad zijn grafschrift zal worden, want op 11 maart 1978 komt hij om het leven, wanneer hij in zijn badkamer een lamp wil vervangen.

Sid Vicious

Tijdens een desastreuse Amerikaanse tournee, stapt Johnny Rotten in januari 1978, uit de Sex Pistols. Manager Malcolm McLarren heeft daardoor een probleem, want hij heeft nog grootse plannen voor de band. Zo is Julien Temple een documentaire film aan het draaien : The Great Rock ‘n’ Roll Swindle. McLarren probeert ieder van de drie overgebleven leden als lead-zanger uit. Tijdens een sessie in Parijs laat hij Sid Vicious een cover opnemen van ‘My Way’. De rebelse bassist gaat enkel akkoord, op voorwaarde dat McLarren een papier ondertekent waardoor hij niet langer Sids manager is.

Hoewel het een spontane punkversie lijkt, is er behoorlijk over nagedacht. Producer Bill Price heeft een strijkersarrangement voorzien, geschreven door Simon Jeffes van het Penguin Cafe Orchestra.

Vicious zelf heeft zijn huiswerk echter niet zo goed gedaan : hij kent de tekst maar half. Daarom improviseert hij er op los, waarbij hij een sneer geeft naar John Lydon gewoonte om een hoed te dragen : “prat who wears hats”

‘Zijn manier van zingen was grotesk,’ meent Simon Jeffes, ‘maar tegelijk liet het je toch niet onberoerd. Toen we het arrangement bedachten hadden we niet de bedoeling om het belachelijk te maken. Ik vond het zelfs pakkend. Want hoewel het enerzijds helemaal van de pot gerukt was, zat het vol van angst en wanhoop. En leven… er zat echt leven in.’

De opname wordt in juni 1978 uitgebracht op een single met ‘No One Is Innocent’, een in Brazilië opgenomen, gezongen door treinrover Ronnie Biggs met begeleiding van de beide andere overgebleven bandleden. Met de hulp van een controversieel clipje raakt ‘My Way’ tot een 7de plaats in de Britse hitlijsten.

Zelfs Paul Anka moet, in een interview in 2007 toegeven, dat het een zekere kwaliteit heeft: ‘Ik was wat uit mijn lood geslagen door de versie van The Sex Pistols, maar ik had de indruk dat hij het echt meende.’

Herman Brood

Wanneer iemand als Herman Brood een cd vol covers opneemt, hoeft hij over zo’n statement als ‘My Way’ natuurlijk geen twee keer na te denken. Dat doet ie, in een bigband uitvoering voor zijn plaat vol swing nummers, Back on the Corner, uitgebracht in juni 1999.
Toch besluit hij om het uiteindelijk niet op dat album te zetten. ‘Breng het maar uit voor je weet wel’, zou hij tegen zijn manager hebben gezegd.

Twee jaar later, op 11 juli 2001, springt hij van het dak van Amsterdamse Hilton hotel. Hermans uitvoering van ‘My Way’ klinkt tijdens zijn crematie, op het moment dat de kist, met daarop een fles Grand Marnier neerdaalt.
Op datzelfde moment draaien, tegelijkertijd een dozijn radiozenders de plaat. Het nummer verschijnt nog diezelfde week op single en wordt postuum de eerste en enige nummer één hit voor Brood.

Raymond van het Groenewoud

Recalcitrant als altijd kiest Raymond ervoor om voor een Vlaamse versie ‘My Way’ links te laten liggen en ‘Comme d’habitude’ te bewerken als ‘Zoals gewoonlijk’. In de zomer van 2004 verschijnt het nummer, als een van de twee nieuwe opnamen op de compilatie cd Ballades. Het is een eerste samenwerking met producer Peter Vermeersch.

Nawoord

Er bestaan inmiddels meer dan 1200 versies van het nummer. Het komt daarmee in de buurt van ‘Yesterday’ van The Beatles. Wereldwijd zou het elke minuut te horen zijn op radio of tv. De zonen van Claude François alleen al verdienen er elk jaar zo’n 750 000 euro aan auteursrechten mee.

‘My Way’ groeide dan ook uit tot een vast onderdeel op het repertoire van elke nachtclubzanger. Maar ook amateurs wagen zich er, met veel overgave aan. In de Filipijnen is het echter tegenwoordig verboden tijdens karaoke avonden. Dit is het gevolg van een half dozijn moorden, wanneer de zanger maar bleef doorgaan met het kwelen van ‘Maaaaaai weeeeeei’, ondanks klachten uit het publiek.

Voor wie het zelf eens wil proberen, hier is je kans:

Advertenties

wildwood_flower_by_ava_art_ro

‘[‘Wildwood Flower’] is het populairste liedje dat we ooit hebben opgenomen. Zowat elke countrygroep heeft het op zijn repertoire staan.’ – Maybellene Carter, 1973

1860 – I’ll Twine ‘Mid The Ringlets

Voor de oorspronkelijke versie moeten we een heel stuk terug in de tijd: naar de periode van de Amerikaanse burgeroorlog: 1861 -1865.

Joseph Philbrick Webster (°1819) – J.P. voor de vrienden – is al heel jong gepassioneerd door muziek. Hij leert zichzelf viool, fluit en drums spelen. Na zijn studies aan de Boston Academy of Music trekt hij naar New York City waar hij een carrière begint las concertzanger. Daaraan komt echter een einde in 1948, door een zware bronchitis. Hij is dan nog geen 30 en heeft een vrouw en kinderen te onderhouden. Een aantal jaren is hij manager, pianoverkoper of leidt hij een zangschool. Maar de doorbraak komt er in 1857, wanneer zijn ‘Lorena’ een enorm succes wordt. Zijn compositie, op een tekst van dominee Henry D.L. Webster, is een van de populairste nummers tijdens de secessieoorlog, zowel in het noorden als in het zuiden. Het blijvend succes wordt misschien wel het best geïllustreerd door het gebruik van het nummer meer dan 80 jaar later, in de film Gone With The Wind.

J.P. gaat op zoek naar meer teksten. Na afloop van de oorlog opent hij een “respectable saloon”, in Elkhorn, Michigan. Op die manier hoopt hij literair aangelegde jonge mannen bijeen te brengen, die teksten kunnen aandragen. Het werkt: iemand komt met een gedicht van een zekere Maud Irving: ‘I’ll Twine Mid the Ringlets’. Over deze dame is weinig bekend. Alleen dat een ander gedicht van, ‘Mildred’ in november 1860 is gepubliceerd in het populaire damestijdschrift Godey’s Lady Book.

‘I’ll Twine Mid the Ringlets’ verhaalt over een Victoriaans meisje dat in de steek is gelaten door haar geliefde. Dapper probeert ze haar verdriet te verbergen door een lachend gezicht op te zetten en wilde bloemen te vlechten door haar krullend haar.

Zowat een deccenium lang publiceert Webster maandelijks minstens één tekst. Een laatste groot succes komt er in 1968 met de religieuze hymne ‘In The Sweet By and By’, op tekst van Sanford Fillmore Bennett.
Maar drie jaar later slaat het noodlot opnieuw toe: tijdens de grote brand van Chicago in 1871 gaan veel van zijn mauscripten en bezittingen verloren. Daarmee zijn ook de bewijzen verdwenen van zijn rechten, waardoor hij geen inkomsten meer krijgt van de bladmuziek. Zijn gezondheid en gemoedstoestand gaat daarna snel achteruit en hij overlijdt op 18 januari 1875, net geen 56 jaar oud.

1928 – The Carter Family

Ook Alvin Pleasant Delaney Carter (°1891) – A.P. voor de vrienden – is al jong gepassioneerd bezig met muziek. Zijn vader leert hem fiddle spelen en van zijn moeder leert hij vele oude Britse en Appalachian folksongs. Als jongeman vormt hij met twee ooms en een oudere zus in een gospelkwartet.
Maar met zijn rusteloze aard kan hij niet lang blijven in de Clinch Mountains van Virginia. Hij wil de wereld zien. Spoorlijnen leggen in Indiana blijkt toch niet zo spannend en in 1911 is hij weer thuis. Als verkoper van fruitbomen kan hij veel rondtrekken. Dat geeft hem de mogelijkheid om overal waar hij komt, op zoek te gaan naar nieuwe songs, die hij netjes noteert in een schrift.
Op een van zijn tochten vindt hij nog iets anders: Sara Dougherty (°1898) , een jong meisje dat betoverend mooi kan zingen en muziek spelen: autoharp, gitaar en banjo. Na hun huwelijk in 1915 vormen ze een zangduo en spelen ze overal waar ze worden gevraagd: op feestjes en religieuze bijeenkomsten.

In juli 1927 trekt een advertentie in The Bristol Herald de aandacht van A.P.: The Victor Talking Machine Company houdt audities voor muzikanten. Voor elk nummer dat wordt opgenomen biedt men $50 – zowat een maandloon.
Bristol, Tennessee is slechts 40 km vanuit Maces Springs, Virginia, waar de Carters wonen. Ezra, de jongere broer van A.P., wil hen wel zijn auto lenen. Zijn 8-maanden zwangere vrouwtje, Maybelle Addington (°1909) mag ook mee, om het duo te ondersteunen met haar gitaar. Maybelle heeft een hoogst originele manier van spelen: terwijl ze de melodie speelt op de bassnaren van haar gitaar, geeft ze het ritme aan met de hoge tonen. Hierdoor vormt de gitaar tegelijktijd het solo- als het ritme-instrument. Een stijl die decennia lang de toonaangevende gitaarstijl zal vormen en bekend staat als ‘Carter picking’.

De combinatie van Sara’s heldere tenor met het unieke gitaarspel van Maybelle zorgt ervoor dat The Carter Family er boven uitspringt bij de hoopvolle kandidaten. De talentenjager Ralph Peer is immers op zoek naar “iets anders, iets nieuws”. Countrymuziek – of zoals het toen heette: old-timemusic of mountainmusic – bestond toen immers vooral uit instrumentale fiddlemuziek.

Peer selecteert zes nummers uit het repertoire van het trio. Die worden op 2 augustus 1927 opgenomen, met mobiele apparatuur in een provisorisch ingericht warenhuis.

De beide 78 toeren plaatjes die Victor Records er van uitbrengt, slaan aan en The Carter Family krijgen een contract aangeboden. Voor de volgende opname moeten ze wel naar de studio komen, in Camden, New Jersey. Een hele trip vanuit het zuidwesten van Virginia: 800 km.

Op 9 en 10 mei 1928 nemen ze er een dozijn songs op: genoeg voor zes singles. ‘Keep On The Sunny Side’ zit daarbij, ‘John Hardy Was A Desperate Little Man’ en ‘Wildwood Flowers’.

Dat laatste nummer begint met de regels:

Oh, I’ll twine with my mingles and waving black hair,
With the roses so red and the lilies so fair,
And the myrtle so bright with the emerald dew,
The pale and the leader and eyes look like blue

Een opvallende gelijkenis is merkbaar met de eerste strofe van een 70 jaar oude song: ‘I’ll Twine ‘Mid The Ringlets’.

I’ll twine ‘mid the ringlets of my raven black hair
The lilies so pale and the roses so fair
The myrtle so bright with an emerald hue
And the pale aronatus with eyes of bright blue.

Tijdens een interview in 1973, verklaart Maybelle Carter: ‘Ik ken het nummer uit mijn jeugd. Mijn moeder zong het en haar moeder zong het. Het werd doorgegeven van generatie op generatie. […] Op een gegeven moment moeten de woorden wat door elkaar gehaspeld zijn. Er moet oorspronkelijk wat anders hebben gestaan, want [zoals ze nu zijn] betekent het niet veel.’

Het copyright op ‘I’ll Twine ‘Mid The Ringlets’ ‘is in 1902 verlopen. Hoewel het dus strikt genomen in ‘Public domain’ is, vermeldt het label ongegeneerd A.P. Carters naam als enige auteur. Ongetwijfeld zit Ralph Peer daar voor iets tussen. Hij is immers een gewiekst zakenman: bij zijn toetreden tot de platenmaatschappij heeft hij zijn jaarloon beperkt tot $1, op voorwaarde dat hij de manager en muziekuitgever wordt van al zijn artiesten. Hij beseft, als een van de eersten, dat de echte winst zit in de auteursrechten. Wanneer er van ‘Wildwood Flower’ 300 000 exemplaren worden verkocht, is dat vooral goed voor Southern Music Publishing Co., Inc en dus de bankrekening van Ralph Peer.

The Carter Family zelf moet het vooral hebben van optredens. Maar daar komt de Grote Depressie roet in het eten gooien. Door de financiële crisis worden veel concerten afgezegd en weldra valt The Carter Family uit elkaar, wanneer elk zijn eigen weegs zoekt. De vrouwen brengen hun kinderen groot en A.P. verhuist naar Detroit om daar te gaan werken.

Toch is de pure, eenvoudige samenzang van de beide vrouwen de blauwdruk voor vele familiegroepen in de jaren ’30 en ’40. Ook in de latere folk, bluegrass en rockmuziek blijft hun invloed doorklinken, met ‘Wildwood Flower’ als één van hun gekendste nummers en, als instrumentaal nummer, een standaard voor gitaristen.

(wordt vervolgd)

Een cd’tje voor ’s avonds laat, als het stil is in huis.

1. Come Home Amatorski 2010

2.Video Games Lana Del Rey 2011

3.Calling You Jevetta Steele 1987

4.By This River Eno 1977

5. Riverside Agnes Obel 2010

6. Wise Up Aimee Mann 2000

7. Round The Bend Beck 2002

8. The Dolphins Fred Neil 1966

9. Song To The Siren Tim Buckley 1970

10. Amsterdam John Cale 1970

11. Through December Laura Veirs 2001

12. Fade Into You Mazzy Star 1984

13. Thirteen Big Star 1972

14. Coyotes Don Edwards 2007

15. Wooden Roses Jesse Sykes & The Sweet Hereafter 2007

16. Baby’s Got New Plans Alejandro Escovedo 1994

17. The Jeweler Pearls Before Swine 1970

18. You Cut Her Hair Tom McRae 2000

19. Everybody’s Gotta Learn Sometimes The Korgies 1980

Dolly Parton en Porter Wagoner

1973-‘74

Als er punten gegeven worden voor street credibility bij muzikanten, staat Dolly Parton aan de top bij de countryzangers. Een vet Southern accent geeft al aan dat ze is opgegroeid in het Appalachengebergte. En inderdaad: het houten éénkamerhuisje waarin ze is grootgebracht, stond in Locust Ridge in Tennessee – een dorpje aan de voet van de Smoky Mountains. ‘Dirt poor’, omschrijft ze zelf haar familie. Vader probeerde zijn veertien kinderen in leven te houden met de opbrengsten van zijn tabakskweek. Moeder maakte kleding voor haar kroost van allerhande lappen stof.

Haar zuivere stem brengt Dolly al op 13-jarige leeftijd in de befaamde Grand Ole Opry radioshow, die vanuit het Ryman theater in Nashville wordt uitgezonden. Ze ontmoet er Johnny Cash, die haar adviseert om vooral haar eigen weg te volgen. Een raad die ze ter harte neemt: de dag na haar afstuderen in 1964, verhuist ze naar Nashville om er een carrière in de muziek na te streven.

In 1967 wordt ze geïnviteerd door countryster Porter Wagoner om zijn vaste partner, Norma Jean, te vervangen in zijn wekelijkse TV-show: The Porter Wagoner Show. Wagoner werpt zich op als haar mentor en produceert een reeks succesvolle duetsingles met haar. Solo-succes laat langer op zich wachten. Maar wanneer de doorbraak er eindelijk komt, in het begin van de jaren zeventig, probeert ze zich los te maken van haar mentor. Het is een moeizaam proces, want de man duldt geen tegenspraak. Bovendien is hij verliefd op zijn protegé – die daar echter niets van wil weten. ‘Hij was … en ik bedoel dat echt niet verkeerd, maar hij was een echte macho’, verklaart Dolly later. ‘Hij was de baas. Het was zijn show. Maar hij was ook erg koppig. Dar kwamen hevige ruzies van, want ik laat niet met me sollen.’
In 1993 licht ze verder toe: ‘Er ontstaat een liefde-haat verhouding wanneer je lang met iemand samenwerkt. Porter en ik waren beiden erg competitief en gepassioneerd. Dan komt er jaloezie bij kijken. Ik schaam mij niet voor die gevoelens. Maar uiteindelijk moest ik wel weggaan. Hij wou niet luisteren. Ik kon niets doen om de breuk te verzachten. Daarom schreef ik deze song.’ Ze doelt op ‘I Will Always Love You’, dat ze in juni 1973 opneemt.

In februari 1974 maakt Dolly Parton bekend dat ze de samenwerking met stop zet. In april treden ze een laatste keer samen op. Op 6 juni 1974 – een jaar na de opname – brengt Dolly Parton het nummer uit. Het slaat meteen aan en bereikt de top de van country lijst van Billboard.

De tekst wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd en soms zelfs als openingsdans gebruikt op trouwfeesten. Het gaat echter over een vrouw die beseft dat de relatie voorbij is. Toch hoopt ze dat de man die ze verlaat, gelukkig wordt.

Elbis Presley herkent de gevoelens, na zijn eigen breuk met Priscilla. Hij wil het nummer graag opnemen. Maar wanneer zijn manager, Kolonel Parker de helft van de publicatierechten opeist, bedankt Dolly voor de eer.

1975
Daardoor is Linda Ronstadt één van de eersten om het nummer te coveren. Dat doet ze op haar elpee Prisoner in Disguise , uitgebracht in september 1975. Ronstadt laat daarbij de laatste strofe (“I wish you joy and I wish you happiness…”) achterwege.

1982

Begin jaren tachtig is Dolly Parton voor het eerst te zien in de bioscoop. In Nine To Five speelt ze een secretaresse die heeft af te rekenen met een seksistische baas. Een rol die grotendeels gebaseerd is op haar verhouding met Porter Wagoner. Haar acteerprestaties worden gewaardeerd met twee Golden Globe nominaties en ook de titelsong is een groot succes.

Haar volgende film is The Best Little Whorehouse In Texas, gebaseerd op een recente Broadway musical. Dolly schrijft een aantal nieuwe nummers voor de filmadaptie. Maar het grootste succes blijkt weggelegd voor een nieuwe versie van ‘ Will Always Love You’. De song bereikt voor de tweede keer de top van de country lijst.

1992

Tien jaar verder en opnieuw een film met een zangeres in de hoofdrol: The Bodyguard, met Whitney Houston.

Oorspronkelijk is het de bedoeling dat de R&B zangeres, voor de finale van de film, een nieuwe versie zal opnemen van ‘What Becomes of the Brokenhearted’. Maar dan heeft Paul Young plots een hit met zijn cover van de Motownhit. Hij heeft het nummer van Jimmy Ruffin uit 1966, opgenomen voor een andere film: Fried Green Tomatoes.
Kevin Costner, die de mannelijke hoofdrol spelt in The Bodyguard komt met het voorstel om ‘I Will Always Love You’ te gebruiken.
Clive Davis, de grote baas van Arista Records, de platenmaatschappij waarbij Whitney Houston onder contract staat, vindt het maar niets: een R&B artieste met een countrysong? Costner houdt echter voet bij stuk: ‘Ik zei: “We gaan het begin a cappella doen. Het moet gewoon a cappella zijn , omdat ze daarmee aantoont hoeveel ze van die kerel houdt: ze zingt het zonder muziek!’
Omdat Whitney het nummer niet kent, geeft David Foster haar de elpee van Linda Ronstadt, zodat ze kan instuderen. Maar wanneer de producer Dolly Parton belt om haar te vertellen van de plannen, grijpt die in. Ze staat er op dat de laatste strofe weer in eer wordt hersteld. De toon van het nummer verandert helemaal er zonder, zo meent ze. Foster moet op zijn beurt de regisseur overtuigen om de scene 40 seconden langer te laten duren.

Whitney’s coverversie wordt een ongezien succes: ‘I Will Always Love You’ brengt maar liefst 14 weken door aan de top van de Amerikaanse hitlijsten. De rest van de wereld volgt. Met vier miljoen verkochte exemplaren is het één van de best verkochte singles ooit. De soundtrack doet het zelfs nog beter: met maar liefst 45 miljoen exemplaren is het wereldwijd de best verkochte soundtrack ooit.

Alluderend op Presley’s cover die niet doorging, grapt Dolly: ‘Whitney’s versie bracht me genoeg op om Graceland te kopen.’

1995

In 1995 besluit Parton het nummer zelf een derde keer op te nemen, voor de cd Something Special . Dit keer als een duet met Vince Gill. Deze versie brengt het niet verder dan een – relatief gezien – magere 15de plaats op de country lijst.

2012

Bijna twee decennia lang lijkt het alsof ‘I Will Always Love You’ eindelijk zijn tijd heeft gehad. Maar in 2012 duikt het plots opnieuw op.
Amber Riley heeft het nummer gecoverd voor een aflevering van de Amerikaanse tienerserie Glee. De band wordt afgeleverd bij de producers van de TV-serie op 10 februari. Netjes op tijd voor de uitzending vijf dagen later.

De volgende dag, 11 februari 2012, wordt Whitney Houston dood aangetroffen in het bad in een hotelkamer in het Beverly Hills. De 48 jarige zangeres is overleden aan een hartaanval, te wijten aan het gebruik van drugs.

Tijdens de uitreiking van de Grammy’s in Los Angeles, een dag later, brengt Jennifer Hudson het nummer als eerbetoon aan de overleden ster. Meteen volgt een nieuwe notering in de top 3.
Hiermee bereikt het nummer voor de vijfde keer de Amerikaanse hitlijsten, verspreid over vier decennia.

 

In 1962 bedacht Berry Gordy dat een tournee wel eens de beste manier kon zijn om zijn artiesten en hun songs te promoten. Met de MotorTown Revue kon hij bovendien zijn labels en zijn platenmaatschappij wat meer bekendheid geven. Het opzet is een avondvullende show, waarbij artiesten van Tamla Motown elk hun grootste hits brengen, binnen een strikt afgemeten schema. Na heel wat repeteren vindt, in juni 1962, een try-out plaats in het Regal Theatre in Chicago. De zaal is gekend omwille van zijn uitstekende akoestiek en er wordt besloten daarvan gebruik te maken om live opnamen te maken.

Eén van de acts is een jongetje dat onlangs zijn twaalfde verjaardag heeft gevierd. Steveland Judkins werd in mei 1950 geboren in Saginaw, Michigan. Daarbij liep er wat mis. In de couveuse kreeg hij teveel zuurstof toegediend, waardoor hij blind werd. Dat gemis compenseerde hij met flink wat muzikaal talent. Op zijn vijfde leerde hij harmonica spelen, het volgend jaar begon hij met pianolessen en op acht ook nog drums.

In 1961 werd de jongen “ontdekt” door Ronnie White van The Miracles, een van de topacts van Motown. Die stelde Stevie en zijn moeder voor aan Berry Gordy. De auditie was overtuigend genoeg voor een contract. Onder de naam Little Stevie Wonder maakte hij, kort na elkaar, twee jazzplaten. Op A Tribute to Uncle Ray, bracht Stevie versies van nummer van zijn held, Ray Charles. De opvolger The Jazz Soul of Little Stevie, was helemaal instrumentaal. Geen van beide elpees maakt indruk op de hitlijsten.   

Toch mag Stevie één nummer brengen in de revue. De keuze valt op een song uit zijn tweede plaat: ‘Fingertips’.
De jongen beseft dat hij zijn kans moet grijpen. Meteen al roept hij het publiek op om niet passief toe te kijken: ‘The name of the song is called, uh, Fingertips. Now I want you to clap your hands. Come on, come on. Yeah. Stomp your feet, jump up and down, and do anything that you WANNA DO!! ‘

Na een intro op bongo’s, volgt een samenspel van drummer Freddie Waits, bassist Larry Moses en de harmonica van Stevie. Wanneer de song na twee minuten afgerond is, verlaten de muzikanten het podium om plaats te maken voor de volgende act: The Marvelettes.

Dan loopt Stevie plots terug naar de microfoon en roept: ‘Everybody say yeah!’.
Het publiek reageert: ‘Yeah’.
Dat kan beter: ‘Everybody say yeah, yeah, yeah …’
’Yeah, Yeah, Yeah…’
De muzikanten pikken de draad weer op. Maar een aantal van hen zijn niet vertrouwd met het nummer. Je hoort bassist Joe Swift roepen: ‘What key? What key?’
Stevie moedigt aan: ‘Clap yo’ hands just a little bit louder…’
Improviserend werken ze samen naar een climax, tien minuten later. Het publiek gaat uit de bol. Het dak gaat er af. Het hoogtepunt van de avond.

In mei 1963 verschijnt een flink stuk van de opname, 6’40” in totaal, op de live elpee The Twelve Year Old Genius. Tegelijk brengt Motown ‘Fingertips’ ook uit als single, met de laatste drie minuten van de improvisatie, als ‘Fingertips Part 2’ op de b-kant.

Maar wanneer DJ’s de bijna 7-minuten lange elpeeversie beginnen draaien, brengt de platenmaatschappij de single opnieuw uit, met ‘Fingertips Part 2’ als a-kant. In augustus 1963 bereikt de single de top van de Billboard hitlijsten: niet alleen de R&B Singles maar ook de Pop Singles. Drie weken op de eerste plaats maakt van Stevie Wonder een ster. Zeker wanneer The Twelve Year Old Genius ook de elpeelijst gaat aanvoeren. Zoiets is nog nooit gebeurt. Voor het eerste staat een artiest op hetzelfde moment op 1 in de single- en de elpeelijsten. En bovendien – nog een primeur – met een liveopname!

Soms open je, onbewust, een blik wormen. Ik wou een stukje schrijven over een link tussen enkele van mijn favoriete country-songs. Maar gaandeweg  bleek er meer aan de hand dan ik eerst had vermoed. Er is een achterliggende melodie die steeds weer opduikt.

Volgt u mij?

1929 – ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’

De eerste keer dat de melodie werd vastgelegd, was tijdens een opnamesessie voor de Victor Talking Machine Company, in februari 1929. Heel toepasselijk was het de First Family of Country Music die aan het werk was: The Carter Family.

Hoewel het auteursrecht voor ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ wordt opgeëist door A.P. Carter, is dit niet helemaal terecht.  Daar zit manager Ralph Peer voor iets tussen. Peer is een gewiekst zakenman, die al snel begrepen heeft dat er veel geld te verdienen valt met auteursrechten. Hij heeft een muziekuitgeverij opgericht en moedigt al zijn artiesten aan zoveel mogelijk songs op hun naam te zetten. Natuurlijk worden die allemaal ondergebracht bij zijn muziekuitgeverij, waardoor hij 50% van de rechten kan opstrijken.
Pa Carter trekt er dus op uit om songs te verzamelen. Vooral songs waarop geen auteursrecht rust zijn interessant. Voor de tekst van ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ speelt A.P. Carter leentjebuur bij de flarden van ‘Prisoner’s Song’ van Vernon Dalhart. Hij modelleert de tekst zodanig dat hij past op een melodie van een ander nummer, een meodie die moeder Maybelle “al heel lang” kende.

Volgens Arnold Rypens is de oerversie ‘Blue Eyes’ van Roy Harper & The North Carolina Ramblers, die brachten hun versie van de traditional in oktober 1927 op de b-kant van ‘Kitty Blye’. Het zou gaan om een instrumentaal nummer, met een belangrijke rol voor gitarist Charlie Poole.
Maar die heb ik zelf nooit gehoord.

1936/’37 – ‘The Great Speckled Bird’

Zes jaar na de opname van The Crater Family publiceert een krant in Carolina de tekst van een hymne, geschreven door ene Guy Smith: ‘The Great Speckled Bird’. Zoals dat past voor een dominee, heeft hij zich bij het schrijven laten inspireren op een citaat uit de Bijbel. In dit geval is het negende vers van het twaalfde hoofdstuk van Boek van Jeremia: “Mine heritage is unto me as a speckled bird, the birds round about are against her.”
Om het de mensen gemakkellijk te maken om een tekst mee te zingen wordt wel vaker het truukje gebruikt een bestaande melodie te recycleren: “op de wijze van…” De brave dominee heeft dus zijn tekst gemodelleerd op het oude nummer. Geen overbodige luxe trouwens, want de preciese betekenis van de tekst is moeilijk te achterhalen.

Roy Acuff is een zanger en fiddlespeler die zijn sporen heeft verdiend bij de medicine show van Dr. Hauer. Dat soort rondreizende wonderdokters gebruiken artiesten om de plaatselijke bevolking naar hun kraam te lokken. In de buurt van Knoxville, Tennessee, hoort Acuff de hymne zingen door Charlie Swain and the Black Shirts. Het  bevalt hem zeer en hij weet Swain te overhalen de tekst voor hem op te schrijven. Voor 50 cent wil die dat wel doen.
“… Ik begon het ook te zingen,” vertelt Acuff. “Ik had geen idee wie de rechten bezat. Dat ontdekte ik pas later.”  Met de hulp van zijn vader en de Bijbel vult hij de tekst aan met vier nieuwe strofen tot een totaal van tien.
Het is die versie die een talentenjager van de American Radio Corporation overtuigt om hem een platencontracxt aan te bieden. De opnamen vinden plaats op 26 oktober 1936 in een studio in Chicago. De volledige versie overschrijdt echter ruimschoots de drieminuten grens en daarom wordt de song weer ingekort. Daarbij blijft ook één nieuwe strofe behouden.

De overblijvende strofen gebruikt Acuff tijdens zijn tweede sessie, in maart 1937 voor ‘Great Speckled Bird No.2”.

1937 – Roy Acuff – ‘The Great Speckled Bird No.2’

1950/‘52 – ‘I’m Using My Bible for a Roadmap’

Don Reno en Red Smiley zijn twee muzikanten in de band  van Tommy Magness. Die luistert, begin jaren vijftig, met zijn Tennessee Buddies feesten en partijen op in South Virgina. In1951 beginnen de twee mannen voor zichzelf, als The Tennessee Cut-Ups. Het volgende jaar mogen ze enkele songs opnemen voor King Records. Eentje daarvan is een gospelsong, geschreven door Don Reno, in 1950: ‘I’m Using My Bible for a Roadmap’. Blijkbaar heft hij bij het schrijven niet de Bijbel maar het nummer van The Carter Family als gids gebruikt.

1951/’52 – ‘The Wild Side Of Life’

Zo’n vijftien jaar later wordt dezelfde melodie opnieuw gerecycleerd. Ditmaal levert het één van de grootste hits uit de geschiedenis van de countrymuziek op. Ene William Warren van Cameron, Texas, was amper acht maanden getrouwd, toen zijn vrouw hem verliet. Tijdens een avondje stappen ziet hij haar weer…  in een plaatselijke bar met een bedenkelijke reputatie – een zogenaamde honky-tonk. 
Teleurgesteld en enigszins geschokt legt hij zijn emoties vast in een tekst:

I didn’t know God made honky tonk angels
I might have known you’d never make a wife
You gave up the only one that ever loved you
And went back to the wild side of life.

Met deze cynische tekst benadert hij een band, die lokaal heel wat succes heeft: Jimmy Heap and His Melody Masters. Hun pianist, Arlie Carter, merkt dat de tekst past op de melodie van ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ en claimt meteen maar het mede-auteursschap voor zichzelf.

Met Jimmy Heap als zanger wordt ‘The Wild Side Of Life’ opgenomen als eerste single van de Western Swingband voor het lokale label, Imperial. Hoewel het de eerste countryplaat is voor het label, is het meteen een enorm succes. Al snel zijn er 10 000 exemplaren de deur uit, enkel in Texas.
De vrouw van countryzanger Hank Thompson, hoort het plaatje toevallig en dringt er bij haar man op aan om het op te nemen. Die doet het met enige tegenzin, op 11 december 1951, tijdens een eerste sessie met zijn nieuwe producer Ken Nelson. Thompson vindt er eigenlijk niets aan en het belandt, in maart 1952, dan ook op de b-kant van zijn volgende single, ‘Crying In The Deep Blue Sea’.
Wanneer een disc jockey echter de b-kant draait, volgt onmiddellijk veel respons. ‘The Wild Side of Life” bereikt al snel de top van de Billboard hitlijsten en blijft die maar liefst 15 weken aanvoeren. Het wordt een countryklassieker, met coverversies door zowat alle grote namen.
William Warren schrijft daarna nooit meer iets van betekenis – maar dat hoeft ook niet meer. Hij is binnen.

1952 – ‘It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels’

Wanneer songschrijver J.D. Miller het nummer hoort op zijn autoradio, vindt ie dat het vraagt om een antwoord: een soort verdediging, gezongen door een vrouw. Miller schrijft ‘It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels’ op dezelfde melodie, al legt hij het tempo wat hoger. Een eerste versie van ene Alice Montgomery op Feature is niet helemaal wat Miller er van verwachtte. Er moet meer inzitten, zo meent hij. Dus stapt hij naar het veel grotere Decca Records. Die benaderen Kitty Wells, een zangeres die in de jaren veertig onder contract stond bij RCA Victor. Ze was echter nooit echt doorgebroken. Daarom had ze besloten zich meer te gaan toeleggen op haar gezin. Kitty verklaart geen interesse te hebben. Haar man meent echter dat het geen kwaad kan om de song op te nemen, vooral omdat ze hoe dan ook betaald wordt voor de sessie.
De song, uitgebracht in juni 1952, doet het haast even goed als het origineel. Kitty Wells wordt de eerste solo-zangeres om de countrylijst van Billboard aan te voeren en dat zes weken lang!  Het levert haar de titel Queen of Country op. Maar belangrijker nog: met deze song baant ze de weg voor Dolly Parton, Patsy Cline, Loretta Lynn en Tammy Wynette. Allemaal sterke vrouwen die durven ingaan tegen de gangbare normen van het gehoorzame vrouwtje dat alles maar moet pikken van hare vent.

1972 – ‘Heavenly Houseboat Blues’

Hier uit een tribute voor Townes, door Emmylou Harris en Rodney Crowell

De late jaren zestig en begin jaren zeventig vormen het hoogtepunt uit de carrière van de Texaanse singer-songwriter Townes Van Zandt. Hij brengt dan vijf platen uit die allemaal van zeer hoge kwaliteit zijn. Hoewel hij
High Low And In Between al heft laten verschijnen in 1972, sluit hij die periode af met het cynisch getitelde The Late Great Townes Van Zandt. Daarop staan zijn “semi-hits”, zoals hij het zelf noemt: ‘Panch And Lefty’ en ‘If I Needed You’.  De plaat eindigt met een wat speels gospelachtig nummer: ‘Heavenly Houseboat Blues’, dat hij samen heeft geschreven met Susanna Clark, de vrouw van zijn goede vriend Guy Clarck. Het is allemaal niet zo serieus bedoeld, zoals blijkt uit de laatste strofe, die hij zingt mt een mond vol water. Misschien dat hij daarom het wel prettig vond om een vette knipoog et geven door die fameuze melodie nog eens op te rakelen.

1972 – ‘Stars in My Life’

In de legendarische Sun studio, maken drie muzikanten uit Lubbock, Texas,in 1972 opnamen voor een elpee: All American Music. The Flatlanders bestaan uit Jimmie Dale Gilmore, Joe Ely en Butch Hancock. De elpee komt er nooit en de mannen gaan elk hun eigen weg. Wanneer ze echetr elk afzonderlijk doorgebroken zijn, verschijnen de opnamen alsnog, in 1992, onder de titel More A Legend Than A Band.
Op die plaat staat ‘Stars In My Life’ van Butch Hancock. En daarin horen we opnieuw…

David Allan Coe krijgt het laatste woord. Hij staat niet bekend als de meest subtiele countryzanger. Hij durft wel eens grof uit e hoek te komen. Op zijn elpee David Allan Coe Rides Again, uit 1977 staat als slotnummer ‘If That Ain’t Country’. Daarin somt hij de connectie tuseen een atal van deze songs netjes op:

“I’m thinkin’ tonight of my blue eyes
Concerning the great speckled bird
I didn’t know god made honky- tonk angels
(talk) and if that ain’t country, I’ll kiss your ass”

Naar aanleiding van het recente overlijden van Levon Helm, de drummer van The Band, kunt u hier een tekst lezen, waaraan ik al een tijdje geleden begon, maar die nooit was afgeraakt.

‘The Night They Drove Old Dixie Down’

Merkwaardig toch, dat een van de mooiste liedjes over the South, het zuiden van de Verenigde Staten, geschreven is door een Canadees: Robbie Robertson, de gitarist van The Band. Maar misschien is er net een buitenstaander voor nodig om de dingen beter te kunnen waarnemen.

Een melodie zonder woorden

Voor de Classic Albums serie, uit 1997 beklemtoont Robbie Robertson dat hij de muziek geschreven had, voor de sessies voor hun tweede elpee begonnen. “Toen we The Band opnamen, was mijn dochter Alexandra net geboren. … Met zo’n pasgeboren baby in huis, moest ik me stil houden, terwijl ik schreef. Het ging zo van: “De baby slaapt! Maak geen lawaai!” Dus werkte ik in stilte. Het was niet dat ik het subtiel wou houden. Ik was gewoon verplicht om subtiel te spelen. En dat leidde tot die melodie.”

Aan Barney Hoskyns, auteur van de band-biografie Across The Great Divide (1993) vertelt Robertosn: “Alles samen, deed ik er zo’n maand of acht over, om dat nummer te schrijven. Ik had enkel de muziek en had geen idee waarover het moest gaan. Ik zat aan de piano en speelde telkens weer datzelfde akkoordenschema. En opeens kwam de rest. Soms moet je een song de tijd geven. Ik ben blij dat ik deze de tijd heb gegeven.”

“Ik had de muziek in mijn hoofd voor ‘The Night They Drove Old Dixie Down’,” gaat hij verder in het boekje bij de prachtige box set The Band – A Musical History. “Maar ik had geen idee waar de song over moest gaan. Ik neuriede maar wat. Ik speelde de akkoorden en ik hield van het akkoordenschema dat ik had bedacht. En opeens kwam het [concept] in mij op.”

De inspiratie vond hij een belangrijke chroniqueur van het leven in het mytische zuiden: “Tennessee Williams sprak mij erg aan,” vertelt hij in 1988, tijdens een interview, “zijn manier van schrijven, [alleen al] de titels van die dingen: Sweet Bird of Youth, Cat On A Hot Tin Roof. Ik werd er door gegrepen, omdat ik naar het zuiden was getrokken, vanuit Canada. Dat was echt ying en yang: het andere uiterste. Het greep mij veel meer aan dan wanneer iemand vanuit Washington, DC naar South Carolina zou trekken. Ik ging van Toronto naar de Mississippi Delta….En ik hield van de manier waarop ze daar spreken, hoe ze daar bewegen. Ik hou er van om ergens te zijn waar er muziek in de lucht hangt. Ik dacht: het is niet voor niets dat ze hier rock ‘n’ roll hebben uitgevonden. Alles klinkt er als muziek…

Ik kwam in deze wereld terecht, als een buitenstaander… Omdat ik het allemaal niet als iets vrijblijvend opnam schreef ik er ‘The Night They Drove Old Dixie Down’ over.”

Ook een ontmoeting met de vader van Levon Helm maakt grote indruk op de tekstschrijver. Als authentieke zuiderling tussen een bende Canadezen had de drummer recht van spreken. Helm werd geboren in Marvell, Arkansas en groeide op in Turkey Scratch, een boerengat wat verder op. Zijn ouders verbouwden er katoen – zuidelijker kan haast niet.

“Levons vader zei tegen me: ‘Hey Robbie, ooit zal het zuiden herrijzen’,” vertelt Robertson. “In het begin vond ik het vreemd, maar na een tijdje begon ik in te zien dat het diep moest zitten: de pijn en de droefenis.”

Daarom is ‘The Night They Drove Old Dixie Down’ geschreven vanuit het standpunt van de verliezers: de zuidelijken.

Een beetje geschiedenis

Dixie is de geuzennaam voor de zuidelijke staten van Noord Amerika.
De naam zou zijn oorsprong vinden in New Orleans. Tot 1860 gaf de plaatselijke bank er bankbiljetten uit. Op die van tien dollar stond de waarde ook in het Frans vermeld, in letters: “dix”. New Orleans werd dus “dixie-land”. De benaming verspreidde zich over Louisiana en uiteindelijk over het gehele zuiden. Ene Daniel Decatur Emmett – die, gek genoeg, uit Ohio kwam – schreef in 1859 de song ‘Dixie’.
Wanneer twee jaar later, de zuidelijke staten in opstand kwamen tegen het noorden werd ‘Dixie’ hun strijdlied.

Elf zuidelijke staten wilden zich afscheuren van de Verenigde Staten en vormden de Confederate States of America (de Confederatie). Onder leiding van Jefferson Davis, bevochten ze de federale overheid van de Verenigde Staten (de Unie). Hoewel achteraf nogaleens gesteld wordt dat de strijd ging over de afschaffing van de slavernij, was dit lang niet de voornaamste reden voor de vreselijke broederstrijd. Het was de culminatie van oplopende meningsverschillen tussen het industriële noorden en het agrarische zuiden.

De Amerikaanse Burgeroorlog vond plaats van 1861 tot 1865 en vormt zowat het laatste hoofdstuk van de Amerikaanse Revolutie. Door het zuiden op zijn knieën te dwingen werd de machtstrijd voor eens en voor altijd beslecht.

Schaven aan de tekst

Waneer Robertson de ruwe versie van de song aan de andere leden van The Band voorstelt, komt er protest van Levon Helm. “In een van de regels zei ik iets over Lincoln,” vertelt Robbie. “Levon wees mij terecht: ‘dat zullen ze niet zo graag horen in het zuiden’.”

Levon stelt voor om Robbie’s kennis over de Burgeroorlog  wat bij te spijkeren.
“Robbie en ik werkten aan ‘The Night They Drove Old Dixie Down’ in Woodstock,” schrijft Levon in zijn boek. “Ik nam hem mee naar de bibliotheek om er wat opzoekingswerk te doen over de geschiedenis en de kaarten te bestuderen. Ik wou vooral dat generaal Robert E. Lee het nodige respect zou krijgen.”

‘The Night They Drove Old Dixie Down’ gaat het over de laatste maanden van die burgeroorlog en zijn nasleep. Merkwaardig genoeg ligt de focus niet op één van de grote veldslagen waarbij de strijd werd beslecht. Integendeel, Stoneman’s Raid is slechts een voetnoot in de geschiedenis van de oorlog. Vooral ook omdat de geschiedenisboeken altijd worden geschreven door de winnaars.

De zanger, Virgil Caine, is een soldaat van het zuidelijke leger. Hij loopt dienst onder generaal Robert E. Lee. Diens troepen bewaken de aanvoer van voorraden naar Richmond, de hoofdstad van de Confederatie. Heel voornaam daarbij is het stadje Petersburg in Virginia, strategisch gelegen op een knooppunt van spoorwegen. In 1864 besluit de Noordelijke generaal Ulysses S. Grant het stadje aan te vallen. Dankzij een netwerk van loopgraven kunnen echter tweeduizend soldaten er de veel grotere vijandelijke troepenmacht weerstaan. Er volgt een langdurend beleg. Om een eind te maken aan de patstelling krijgt generaal George Stoneman de opdracht om “het land te ontmantelen” en te “vernielen, maar zonder veldslagen.” Grant specifieert zelfs dat de vruchtbare Shenandoah vallei zo grondig moet worden aangepakt dat “een kraai die over de vallei vliegt, zijn eigen voorraden moet meenemen”.

Vanaf maart 1965 trekken de troepen door North Carolina naar Virginia, om er de taktiek van de verbrande aarde toe te passen. De Yankees terroriseren de plaatselijke bevolking, vernietigen de oogst en vernielen de sporen van de Virginia & Tennessee Railroad over een lengte van 250 km: “…Stoneman’s cavalry came and tore up the tracks again.” Het werkt, want de voorraden raken uitgeput en Lee’s troepen hebben geen eten meer. “We were hungry / Just barely alive”.

Op 2 april, na een beleg van 292 dagen, moet generaal Lee Richmond prijsgeven. President Jefferson Davis en zijn kabinet ontvluchten de stad per trein. Maar ook in Danville blijken alle voedselvoorraden uitgeput. Op Palmzondag, 9 april 1865, geeft Lee zich over aan Grant.

Hoewel Virgil Caine zingt, “By May the tenth, Richmond had fell, it’s a time I remember, oh so well,” blijkt zijn geheugen hem, 104 jaar na de feiten, wat parten te spleen. Richmond viel al op 9 april, maar het eigenlijke einde van de oorlog was pas vijf weken later: op 10 mei. Op die dag wordt Jefferson Davis, president van de Confederatie gevangen genomen in de buurt van Irwinville, Georgia. Meteen daarna kondigt president Andrew Johnson aan dat het zuiden zijn gewapend verzet heeft opgegeven. Het betekent het einde voor Dixie.

Het leven gaat echter verder, maar niets is nog hetzelfde. De verwoesting van het land en de economie (“The money’s no good”) treft de verslagen bewoners diep. Virgil verzucht: “… they should never have taken the very best.”

The Night They Drove Old Dixie Down

Virgil Caine is the name, and I served on the Danville train,
‘Til Stoneman’s cavalry came and tore up the tracks again.
In the winter of ’65, We were hungry, just barely alive.
By May the tenth, Richmond had fell, it’s a time I remember, oh so well,

The Night They Drove Old Dixie Down, and the bells were ringing,
The Night They Drove Old Dixie Down, and the people were singin’.
They went: La,  La, La, La, La, La,   La, La, La, La, La, La,    La, La,

Back with my wife in Tennessee, When one day she called to me,
“Virgil, quick, come see, there goes Robert E. Lee!”
Now I don’t mind choppin’ wood, and I don’t care if the money’s no good.
Ya take what ya need and ya leave the rest,
But they should never have taken the very best.

(Refrein)

Like my father before me, I will work the land,
And like my brother above me, who took a rebel stand
He was just eighteen, proud and brave, but a Yankee laid him in his grave,
I swear by the mud below my feet,
You can’t raise a Caine back up when he’s in defeat.

(Refrein)

Opname

Gezien het onderwerp van de song lijkt het haast vanzelfsprekend dat Levon Helm, als enige Amerikaan in het gezelschap, de zang voor zijn rekening neemt. Bovendien drijft hij, met zijn prachtig drumwerk, het nummer vooruit.
Daarnaast is Rick Danko te horen op bas en viool, Richard Manuel op piano en Robbie Robertson op akoestische gitaar.
Opmerkelijk zijn de bijdragen van Garth Hudson. Wat lijkt op een harmonica in de tweede strofe is het geluid van een accordeon, vervormd door een roterende Lowrey-organ, vermengd met een Hohner melodica. “Garth was een wereld op zich,” weet producer John Simon. “Hij bouwde zelf zijn eigen instrumenten. Daarmee  was hij een voorloper op dat gebeid. Hij vond het geweldig om zoiets te doen.”
Aan het einde voegt Garth ook nog wat bugel toe.

 

Release

‘The Night They Drove Old Dixie Down’  staat op de elpee The Band, die in september 1969  verschijnt. Daarbij staat Robbie Robertson als enige componist vermeld. In zijn autobiografie This Wheel’s On Fire, vertelt Levon dat alle bandleden hun steentje hebben bijgedragen. Dat geldt trouwens wel voor meer songs van The Band, zo laat hij verstaan.
Robertson ziet dat echter anders: “Ik deed wat research en ik schreef de tekst.”

Voor die tijd is het erg ongebruikelijk om de Burgeroorlog te bekijken vanuit het standpunt van het Zuiden. Dat deel van de Verenigde Staten gaat gebukt onder een uiterst conservatief en zelfs negatief imago. Het roept beelden op van racisme en rednecks, brandende kruisen, de Ku Klux Klan, de moorden op Kennedy en Martin Luther King…

De platenmaatschappij durft het dan ook niet aan om het nummer op single uit te brengen. Toch slaat het nummer onmiddellijk aan, voor een stuk ook omdat veel jongeren er parallellen in zien met de oorlog in Vietnam, die op dat moment in alle hevigheid woedt.

De laatste keer dat Levon het nummer zong, was tijdens het afscheidsconcert van The Band, in november 1976. Bij de reunie van de groep in de jaren tachtig en negentig heeft hij het nooit meer willen brengen. “Het was te moeilijk,” is zijn enige verklaring

Volgende pagina »