favoriete songs


een draadje:

one-way-road-sign-my-way-001

Jacques Revaux

Parijs, begin jaren zestig.
De jonge Jacques Revaud heeft gedurende een paar jaar geprobeerd, om voet aan grond te krijgen in de cabarets van de linkeroever. Tevergeefs. Zijn liedjes zijn goed genoeg, maar het charisma ontbreekt hem, om aan te slaan bij het publiek. Ook het handvol singletjes die van hem zijn uitgebracht (bij een van zijn eerste optredens heeft de drukker zijn naam verkeerd gespeld op de affiche: Revaux. Herdrukken kost geld, dus gaat hij voortaan zo door het leven) zijn eigenlijk haast uitsluitend gekocht door vrienden en familie.

De genadeslag is de yé-yé rage. Een frisse wind, die in het zog van The Beatles en The Stones, de Franse populaire muziek vooral richt op een tienerpubliek. Salut les copains!

Jacques besluit zich voortaan toe te leggen op een carrière achter de schermen. Hij neemt zich voor om iedere dag een nummer te schrijven. Om ongestoord te kunnen werken, trekt hij zich terug in een bergdorpje in de Franse Alpen. Daar, op de bovenste verdieping van een klein hotelletje, schrijft hij nummers voor Johnny Hallyday, Eddy Mitchell, Sylvie Vartan, Sheila….

Meestal beperkt hij zich tot de muziek. Voor de tekst houdt hij op wat klanken. ‘Chanter en yaourt’, zoals dat zo mooi heet in het Frans. De echte teksten laat hij liever over aan mensen als Pierre Delanoë, Vline Buggy, Jean-Michel Rivat of Ralph Bernet.

In mei 1967 heeft hij een opdracht voor vier nummers voor de muziekuitgever Norbert Saada. De opdracht is dat het moet klinken als iets dat in Engeland is geschreven. Want de Franse zangers hebben liever een vertaling uit het Engels, dan een originele Franse compositie.

Hugues Aufray krijgt de eerste keuze. Daarna komen Petula Clark, Claude François, Dalida en Sacha Distel aan de beurt. Niemand heeft interesse in ‘For Me’.

Clo Clo

Tijdens een feestje in Cannes, enkele maanden later, vraagt Claude François aan Jacques waarom hij hits schrijft voor zowat iedereen, maar nooit voor hem. De componist antwoordt dat hij hem laatst een nummers heeft aangeboden, maar dat Clo Clo het toen niet wou. Ze spreken af voor een herkansing.

Op 27 augustus 1967 rijdt Revaux naar Dannemois, waar de Franse zanger een buitenverblijf heeft. In en rond het zwembad is een hele troep mensen uit de wereld van radio en TV verzameld. ‘Hij wou dat ik het nummer op de piano speelde, voor iedereen,’ vertelt Jacques Devaux in 1993 aan het tijdschrift Platine. ‘Dat duurde bijna tien minuten. Toen hebben we samen de melodie aangepast. Claude heeft drie of vier noten gewijzigd: eentje in het begin en drie in het refrein. En inderdaad: het was een stuk beter.
Hij zette zich aan de piano en kwam met de openingszin: “Je m’lève et je te bouscule…”
Met in zijn achterhoofd de recente breuk met France Gall, met wie hij een bijna drie jaar een relatie heeft gehad, beschrijft Claude hoe de dagelijkse routine, ongemerkt leidt tot sleur in het leven van elk koppel: ‘Comme d’habitude’.

‘Later heeft hij de tekst uitgewerkt met Gilles Thibault,’ verklaart Revaux. ‘Daar was ik niet bij. Ik weet alleen dat het idee van hem kwam.’
Voor zijn aanpassingen krijgt Claude François een vermelding als co-auteur van de melodie. Hij brengt het ook onder bij zijn pas opgezette muziekuitgeverij Jeune Musique.

Korte tijd later neemt hij het op met het orkest van David Whitaker en brengt het, in november 1967 uit, als aller eerste single van zijn eigen platenlabel Disques Flèche.


Met zo’n driehonderdduizend verkochte exemplaren is het een hit, maar geen monstersucces.

David Bowie

In Londen probeert ene David Jones al een paar jaar om aan de bak te komen in de muziekwereld. In afwachting van zijn doorbraak als David Bowie, schnabbelt hij wat bij voor de muziekuitgever Essex Music. Geoffrey Heath brengt hem in contact met de Belgische jazzpianist Willy Albimoor. Willy heeft een vriendinnetje dat hij graag wil lanceren als zangeres: Andrée Giraud. Hij heeft enkele nummers voor haar gecomponeerd, maar er ontbreekt nog een tekst.
Bowie zet zich aan het werk en in juni 1967 verschijnt ‘Pancho’ van Dee Dee and her Panchos. Van het meisje wordt na deze flop niets meer vernomen, maar voor Albimoor rinkelt de kassa wanneer in 1971 Les Chakachas een dik hit scoren met zijn ‘Jungle Fever’.

Blijkbaar vindt de uitgever dat David een tweede kans verdient. In de winter krijgt hij een stapeltje Franstalige singles toegeschoven. De methode om nummers die hun hitpotentieel bewezen hadden, te slijten aan een Engelstalig publiek kwam wel meer voor in die tijd. Denk maar aan ‘You Don’t Have to Say You Love Me’ van Dusty Springfield: een bewerking van een Italiaans nummer van Pino Donaggio.
Een van de plaatjes is ‘Comme d’habitude’.
Bowie voorziet de melodie van een Engelse tekst over een jongen die zich populair maakt door de clown uit te hangen en daarom niet serieus wordt genomen door het meisje van zijn dromen.

In februari 1968 zingt Bowie zijn tekst in, over het plaatje van François heen. De muziekuitgever is niet onder de indruk van ‘Even A Fool Learns To Love’. Noch van de amateuristische aanpak, noch van de geforceerde tekst vol zelfbeklag. Het commentaar van de grote baas is duidelijk : men ‘zoekt een ster op het nummer op te nemen en geen Johnny uit Bromley.’

Paul Anka / Frank Sinatra

De Canadese zanger en liedjesschrijver Paul Anka (onder andere ‘It Doesn’t Matter Anymore’ van Buddy Holly) verblijft veel in Frankrijk, omdat zijn vrouw – hoewel net als hijzelf van Libanese afkomst – ook Frans bloed heeft. ‘Ik had een huis gehuurd in de buurt van Mougins,’ vertelt hij in 2005. ‘Ik hoorde die melodie op de radio en ik dacht : daar moet ik iets mee doen.’
Hij verwerft de rechten voor de Verenigde Staten, maar daar blijft het bij. Voorlopig toch.

Enkele maanden bevindt hij zich in Florida, in het gezelschap van Frank Sinatra en ’een paar leden van de maffia’. Tijdens het diner verklapt Old Blue Eyes dat hij is uitgekeken op de showbizz, dat hij er over denkt om er mee op te houden.

Zodra hij weer thuis is, in New York, haalt hij de partituur van ‘Comme d’habitude’ te voorschijn. Gezeten aan de piano verandert hij het ritme, beetje bij beetje. Vervolgens begint hij aan de tekst.
‘Om een uur of één ’s nachts,’ gaat Paul verder, ‘zette ik me aan mijn oude IBM typmachine, met de vraag: Wat zou Frank schrijven? Ik begon: “And now, the end is near…”
Het was me opgevallen dat er in tijdschriften veel sprake was van “mijn dit” en “mijn dat”. Met was de ik-generatie en Frank was voor mij de verpersoonlijking daarvan. Zoiets als “I ate it up and spit it out” zou ik zelf nooit zeggen. Maar hij sprak zo. Die kerels van de Rat Pack namen het taaltje over van de maffia – zelfs al hadden ze schrik van hun eigen schaduw.’

Het wordt een tekst waarin de zanger een balans op aan het einde van zijn levensweg. Niet ontevreden stelt hij vast dat hij misschien niet altijd het juiste heeft gedaan, maar in elk geval uniek is geweest. ‘I did it my way.’

Tegen 5 uur in de ochtend is de song klaar. “Ik belde Frank op, in Nevada – hij was in Caesar’s Palace. Ik zei hem: “Ik heb iets, speciaal voor jou.”

Sinatra is blij met het resultaat en legt het vast tijdens een sessie in Los Angeles, op 30 december 1968.

Uitgebracht in maart 1969, bereikt het een 27ste plaats in de Amerikaanse hitlijsten. Opnieuw: een goed resultaat, maar geen megasucces.
Dat is anders in het Verenigd Koninkrijk: hoewel de hoogste notering slechts een vijfde plaats is, blijft de single maar liefst 75 weken onafgebroken in de top 40 (van april 1969 tot september 1971). Inclusief de 49 weken dat het plaatje daarna nog in de top 75 blijft hangen, is het er de langst genoteerde hitsingle ooit.

David Bowie – opnieuw

David Bowie heeft inmiddels enige bekendheid verworven dankzij het nummer ‘Space Oddity’ van zijn tweede elpee. Rijk is hij er echter nog niet mee geworden, want hij neemt nog steeds de bus om de stad in te gaan. Zo ook op een van de eerste lentedagen van 1971. Hij wil een hemd en schoenen gaan kopen en wandelt naar de bushalte. Onderweg hoort hij Sinatra ergens met ‘My Way’. De afwijzing van zijn versie van ‘Comme d’habitude’ is hij nog niet vergeten. De melodie blijft in zijn hoofd malen en vormt langzaam een soort van parodie. Twee haltes verder springt hij van de bus en loopt terug naar huis.

In de flat in Southend Road staat niet veel meer dan een ligstoel, een asbak en een piano. Tegen het einde van de namiddag heeft hij de tekst en melodie klaar van ‘Life on Mars?’ – “Inspired by Frankie” zoals aangegeven op de hoes van zijn derde elpee.

Het onderwerp is een tienermeisje dat, na een aanvaring met haar ouders èn haar vriendje, verstrooiing zoek t in een bioscoop. Allerlei beelden en indrukken komen op haar af en ze vraagt zich af of er misschien ergens anders een betere wereld zou zijn. Misschien is er leven op Mars?

Mick Ronson zorgt voor een prachtig strijkersarrangement, maar voelt zich nog niet zeker genoeg om zelf de pianopartij in te spelen. Daarvoor zorgt Rick Wakeman, op de piano van de Trident studio – dezelfde waarmee Paul McCartney ‘Hey Jude’ heeft gespeeld.

‘Life on Mars?’ verschijnt in december 1971 op Hunky Dory. In eerste instantie is het gewoon een albumtrack, maar anderhalf jaar later, na de doorbraak van Ziggy Stardust wordt het nummer ook als single uitgebracht. Met succes: top 3 in Engeland. In Amerika is men dan nog niet onder de indruk van Bowie: zelfs geen notering in de top 100 van Billboard.

Elvis Presley

Terwijl Bowie zijn ‘Life On Mars’ opneemt in Londen, legt duizenden kilometers daar vandaan, Elvis Presley een versie vast van ‘My Way’. Dat gebeurt op 10 juni 1971 in de RCA studio B, in Nashville, Tennessee. Die opname gaat echter het archief in. Misschien ook omdat Paul Anka Elvis negatief adviseert over het nummer: ‘Laat dat. Het past niet voor jou.’

Toch brengt The King het nummer tijdens twee optredens in Hawaii, in januari 1973. Deze worden, via satelliet wereldwijd uitgebracht en bekeken door zowat een miljard kijkers.

Op 3 oktober 1977, enkele weken na zijn overlijden, wordt een recente live opname van ‘My Way’ dan toch als single uitgebracht. Met een 22ste plaats in de Amerikaanse hitlijst is het een groter succes dan dat van Sinatra. In de Country lijsten stoot het nummer zelfs door tot de top.

Claude François

In een poging door te breken op de Amerikaanse markt, neemt Clo Clo datzelfde jaar een Engelstalige elpee op, in de Londense Abbey Road studio. Daarbij mag natuurlijk zijn interpretatie van ‘My way’ niet ontbreken. Hij kan dan niet vermoeden dat het inderdaad zijn grafschrift zal worden, want op 11 maart 1978 komt hij om het leven, wanneer hij in zijn badkamer een lamp wil vervangen.

Sid Vicious

Tijdens een desastreuse Amerikaanse tournee, stapt Johnny Rotten in januari 1978, uit de Sex Pistols. Manager Malcolm McLarren heeft daardoor een probleem, want hij heeft nog grootse plannen voor de band. Zo is Julien Temple een documentaire film aan het draaien : The Great Rock ‘n’ Roll Swindle. McLarren probeert ieder van de drie overgebleven leden als lead-zanger uit. Tijdens een sessie in Parijs laat hij Sid Vicious een cover opnemen van ‘My Way’. De rebelse bassist gaat enkel akkoord, op voorwaarde dat McLarren een papier ondertekent waardoor hij niet langer Sids manager is.

Hoewel het een spontane punkversie lijkt, is er behoorlijk over nagedacht. Producer Bill Price heeft een strijkersarrangement voorzien, geschreven door Simon Jeffes van het Penguin Cafe Orchestra.

Vicious zelf heeft zijn huiswerk echter niet zo goed gedaan : hij kent de tekst maar half. Daarom improviseert hij er op los, waarbij hij een sneer geeft naar John Lydon gewoonte om een hoed te dragen : “prat who wears hats”

‘Zijn manier van zingen was grotesk,’ meent Simon Jeffes, ‘maar tegelijk liet het je toch niet onberoerd. Toen we het arrangement bedachten hadden we niet de bedoeling om het belachelijk te maken. Ik vond het zelfs pakkend. Want hoewel het enerzijds helemaal van de pot gerukt was, zat het vol van angst en wanhoop. En leven… er zat echt leven in.’

De opname wordt in juni 1978 uitgebracht op een single met ‘No One Is Innocent’, een in Brazilië opgenomen, gezongen door treinrover Ronnie Biggs met begeleiding van de beide andere overgebleven bandleden. Met de hulp van een controversieel clipje raakt ‘My Way’ tot een 7de plaats in de Britse hitlijsten.

Zelfs Paul Anka moet, in een interview in 2007 toegeven, dat het een zekere kwaliteit heeft: ‘Ik was wat uit mijn lood geslagen door de versie van The Sex Pistols, maar ik had de indruk dat hij het echt meende.’

Herman Brood

Wanneer iemand als Herman Brood een cd vol covers opneemt, hoeft hij over zo’n statement als ‘My Way’ natuurlijk geen twee keer na te denken. Dat doet ie, in een bigband uitvoering voor zijn plaat vol swing nummers, Back on the Corner, uitgebracht in juni 1999.
Toch besluit hij om het uiteindelijk niet op dat album te zetten. ‘Breng het maar uit voor je weet wel’, zou hij tegen zijn manager hebben gezegd.

Twee jaar later, op 11 juli 2001, springt hij van het dak van Amsterdamse Hilton hotel. Hermans uitvoering van ‘My Way’ klinkt tijdens zijn crematie, op het moment dat de kist, met daarop een fles Grand Marnier neerdaalt.
Op datzelfde moment draaien, tegelijkertijd een dozijn radiozenders de plaat. Het nummer verschijnt nog diezelfde week op single en wordt postuum de eerste en enige nummer één hit voor Brood.

Raymond van het Groenewoud

Recalcitrant als altijd kiest Raymond ervoor om voor een Vlaamse versie ‘My Way’ links te laten liggen en ‘Comme d’habitude’ te bewerken als ‘Zoals gewoonlijk’. In de zomer van 2004 verschijnt het nummer, als een van de twee nieuwe opnamen op de compilatie cd Ballades. Het is een eerste samenwerking met producer Peter Vermeersch.

Nawoord

Er bestaan inmiddels meer dan 1200 versies van het nummer. Het komt daarmee in de buurt van ‘Yesterday’ van The Beatles. Wereldwijd zou het elke minuut te horen zijn op radio of tv. De zonen van Claude François alleen al verdienen er elk jaar zo’n 750 000 euro aan auteursrechten mee.

‘My Way’ groeide dan ook uit tot een vast onderdeel op het repertoire van elke nachtclubzanger. Maar ook amateurs wagen zich er, met veel overgave aan. In de Filipijnen is het echter tegenwoordig verboden tijdens karaoke avonden. Dit is het gevolg van een half dozijn moorden, wanneer de zanger maar bleef doorgaan met het kwelen van ‘Maaaaaai weeeeeei’, ondanks klachten uit het publiek.

Voor wie het zelf eens wil proberen, hier is je kans:

wildwood_flower_by_ava_art_ro

‘[‘Wildwood Flower’] is het populairste liedje dat we ooit hebben opgenomen. Zowat elke countrygroep heeft het op zijn repertoire staan.’ – Maybellene Carter, 1973

1860 – I’ll Twine ‘Mid The Ringlets

Voor de oorspronkelijke versie moeten we een heel stuk terug in de tijd: naar de periode van de Amerikaanse burgeroorlog: 1861 -1865.

Joseph Philbrick Webster (°1819) – J.P. voor de vrienden – is al heel jong gepassioneerd door muziek. Hij leert zichzelf viool, fluit en drums spelen. Na zijn studies aan de Boston Academy of Music trekt hij naar New York City waar hij een carrière begint las concertzanger. Daaraan komt echter een einde in 1948, door een zware bronchitis. Hij is dan nog geen 30 en heeft een vrouw en kinderen te onderhouden. Een aantal jaren is hij manager, pianoverkoper of leidt hij een zangschool. Maar de doorbraak komt er in 1857, wanneer zijn ‘Lorena’ een enorm succes wordt. Zijn compositie, op een tekst van dominee Henry D.L. Webster, is een van de populairste nummers tijdens de secessieoorlog, zowel in het noorden als in het zuiden. Het blijvend succes wordt misschien wel het best geïllustreerd door het gebruik van het nummer meer dan 80 jaar later, in de film Gone With The Wind.

J.P. gaat op zoek naar meer teksten. Na afloop van de oorlog opent hij een “respectable saloon”, in Elkhorn, Michigan. Op die manier hoopt hij literair aangelegde jonge mannen bijeen te brengen, die teksten kunnen aandragen. Het werkt: iemand komt met een gedicht van een zekere Maud Irving: ‘I’ll Twine Mid the Ringlets’. Over deze dame is weinig bekend. Alleen dat een ander gedicht van, ‘Mildred’ in november 1860 is gepubliceerd in het populaire damestijdschrift Godey’s Lady Book.

‘I’ll Twine Mid the Ringlets’ verhaalt over een Victoriaans meisje dat in de steek is gelaten door haar geliefde. Dapper probeert ze haar verdriet te verbergen door een lachend gezicht op te zetten en wilde bloemen te vlechten door haar krullend haar.

Zowat een deccenium lang publiceert Webster maandelijks minstens één tekst. Een laatste groot succes komt er in 1968 met de religieuze hymne ‘In The Sweet By and By’, op tekst van Sanford Fillmore Bennett.
Maar drie jaar later slaat het noodlot opnieuw toe: tijdens de grote brand van Chicago in 1871 gaan veel van zijn mauscripten en bezittingen verloren. Daarmee zijn ook de bewijzen verdwenen van zijn rechten, waardoor hij geen inkomsten meer krijgt van de bladmuziek. Zijn gezondheid en gemoedstoestand gaat daarna snel achteruit en hij overlijdt op 18 januari 1875, net geen 56 jaar oud.

1928 – The Carter Family

Ook Alvin Pleasant Delaney Carter (°1891) – A.P. voor de vrienden – is al jong gepassioneerd bezig met muziek. Zijn vader leert hem fiddle spelen en van zijn moeder leert hij vele oude Britse en Appalachian folksongs. Als jongeman vormt hij met twee ooms en een oudere zus in een gospelkwartet.
Maar met zijn rusteloze aard kan hij niet lang blijven in de Clinch Mountains van Virginia. Hij wil de wereld zien. Spoorlijnen leggen in Indiana blijkt toch niet zo spannend en in 1911 is hij weer thuis. Als verkoper van fruitbomen kan hij veel rondtrekken. Dat geeft hem de mogelijkheid om overal waar hij komt, op zoek te gaan naar nieuwe songs, die hij netjes noteert in een schrift.
Op een van zijn tochten vindt hij nog iets anders: Sara Dougherty (°1898) , een jong meisje dat betoverend mooi kan zingen en muziek spelen: autoharp, gitaar en banjo. Na hun huwelijk in 1915 vormen ze een zangduo en spelen ze overal waar ze worden gevraagd: op feestjes en religieuze bijeenkomsten.

In juli 1927 trekt een advertentie in The Bristol Herald de aandacht van A.P.: The Victor Talking Machine Company houdt audities voor muzikanten. Voor elk nummer dat wordt opgenomen biedt men $50 – zowat een maandloon.
Bristol, Tennessee is slechts 40 km vanuit Maces Springs, Virginia, waar de Carters wonen. Ezra, de jongere broer van A.P., wil hen wel zijn auto lenen. Zijn 8-maanden zwangere vrouwtje, Maybelle Addington (°1909) mag ook mee, om het duo te ondersteunen met haar gitaar. Maybelle heeft een hoogst originele manier van spelen: terwijl ze de melodie speelt op de bassnaren van haar gitaar, geeft ze het ritme aan met de hoge tonen. Hierdoor vormt de gitaar tegelijktijd het solo- als het ritme-instrument. Een stijl die decennia lang de toonaangevende gitaarstijl zal vormen en bekend staat als ‘Carter picking’.

De combinatie van Sara’s heldere tenor met het unieke gitaarspel van Maybelle zorgt ervoor dat The Carter Family er boven uitspringt bij de hoopvolle kandidaten. De talentenjager Ralph Peer is immers op zoek naar “iets anders, iets nieuws”. Countrymuziek – of zoals het toen heette: old-timemusic of mountainmusic – bestond toen immers vooral uit instrumentale fiddlemuziek.

Peer selecteert zes nummers uit het repertoire van het trio. Die worden op 2 augustus 1927 opgenomen, met mobiele apparatuur in een provisorisch ingericht warenhuis.

De beide 78 toeren plaatjes die Victor Records er van uitbrengt, slaan aan en The Carter Family krijgen een contract aangeboden. Voor de volgende opname moeten ze wel naar de studio komen, in Camden, New Jersey. Een hele trip vanuit het zuidwesten van Virginia: 800 km.

Op 9 en 10 mei 1928 nemen ze er een dozijn songs op: genoeg voor zes singles. ‘Keep On The Sunny Side’ zit daarbij, ‘John Hardy Was A Desperate Little Man’ en ‘Wildwood Flowers’.

Dat laatste nummer begint met de regels:

Oh, I’ll twine with my mingles and waving black hair,
With the roses so red and the lilies so fair,
And the myrtle so bright with the emerald dew,
The pale and the leader and eyes look like blue

Een opvallende gelijkenis is merkbaar met de eerste strofe van een 70 jaar oude song: ‘I’ll Twine ‘Mid The Ringlets’.

I’ll twine ‘mid the ringlets of my raven black hair
The lilies so pale and the roses so fair
The myrtle so bright with an emerald hue
And the pale aronatus with eyes of bright blue.

Tijdens een interview in 1973, verklaart Maybelle Carter: ‘Ik ken het nummer uit mijn jeugd. Mijn moeder zong het en haar moeder zong het. Het werd doorgegeven van generatie op generatie. […] Op een gegeven moment moeten de woorden wat door elkaar gehaspeld zijn. Er moet oorspronkelijk wat anders hebben gestaan, want [zoals ze nu zijn] betekent het niet veel.’

Het copyright op ‘I’ll Twine ‘Mid The Ringlets’ ‘is in 1902 verlopen. Hoewel het dus strikt genomen in ‘Public domain’ is, vermeldt het label ongegeneerd A.P. Carters naam als enige auteur. Ongetwijfeld zit Ralph Peer daar voor iets tussen. Hij is immers een gewiekst zakenman: bij zijn toetreden tot de platenmaatschappij heeft hij zijn jaarloon beperkt tot $1, op voorwaarde dat hij de manager en muziekuitgever wordt van al zijn artiesten. Hij beseft, als een van de eersten, dat de echte winst zit in de auteursrechten. Wanneer er van ‘Wildwood Flower’ 300 000 exemplaren worden verkocht, is dat vooral goed voor Southern Music Publishing Co., Inc en dus de bankrekening van Ralph Peer.

The Carter Family zelf moet het vooral hebben van optredens. Maar daar komt de Grote Depressie roet in het eten gooien. Door de financiële crisis worden veel concerten afgezegd en weldra valt The Carter Family uit elkaar, wanneer elk zijn eigen weegs zoekt. De vrouwen brengen hun kinderen groot en A.P. verhuist naar Detroit om daar te gaan werken.

Toch is de pure, eenvoudige samenzang van de beide vrouwen de blauwdruk voor vele familiegroepen in de jaren ’30 en ’40. Ook in de latere folk, bluegrass en rockmuziek blijft hun invloed doorklinken, met ‘Wildwood Flower’ als één van hun gekendste nummers en, als instrumentaal nummer, een standaard voor gitaristen.

(wordt vervolgd)

Een cd’tje voor ’s avonds laat, als het stil is in huis.

1. Come Home Amatorski 2010

2.Video Games Lana Del Rey 2011

3.Calling You Jevetta Steele 1987

4.By This River Eno 1977

5. Riverside Agnes Obel 2010

6. Wise Up Aimee Mann 2000

7. Round The Bend Beck 2002

8. The Dolphins Fred Neil 1966

9. Song To The Siren Tim Buckley 1970

10. Amsterdam John Cale 1970

11. Through December Laura Veirs 2001

12. Fade Into You Mazzy Star 1984

13. Thirteen Big Star 1972

14. Coyotes Don Edwards 2007

15. Wooden Roses Jesse Sykes & The Sweet Hereafter 2007

16. Baby’s Got New Plans Alejandro Escovedo 1994

17. The Jeweler Pearls Before Swine 1970

18. You Cut Her Hair Tom McRae 2000

19. Everybody’s Gotta Learn Sometimes The Korgies 1980

Dolly Parton en Porter Wagoner

1973-‘74

Als er punten gegeven worden voor street credibility bij muzikanten, staat Dolly Parton aan de top bij de countryzangers. Een vet Southern accent geeft al aan dat ze is opgegroeid in het Appalachengebergte. En inderdaad: het houten éénkamerhuisje waarin ze is grootgebracht, stond in Locust Ridge in Tennessee – een dorpje aan de voet van de Smoky Mountains. ‘Dirt poor’, omschrijft ze zelf haar familie. Vader probeerde zijn veertien kinderen in leven te houden met de opbrengsten van zijn tabakskweek. Moeder maakte kleding voor haar kroost van allerhande lappen stof.

Haar zuivere stem brengt Dolly al op 13-jarige leeftijd in de befaamde Grand Ole Opry radioshow, die vanuit het Ryman theater in Nashville wordt uitgezonden. Ze ontmoet er Johnny Cash, die haar adviseert om vooral haar eigen weg te volgen. Een raad die ze ter harte neemt: de dag na haar afstuderen in 1964, verhuist ze naar Nashville om er een carrière in de muziek na te streven.

In 1967 wordt ze geïnviteerd door countryster Porter Wagoner om zijn vaste partner, Norma Jean, te vervangen in zijn wekelijkse TV-show: The Porter Wagoner Show. Wagoner werpt zich op als haar mentor en produceert een reeks succesvolle duetsingles met haar. Solo-succes laat langer op zich wachten. Maar wanneer de doorbraak er eindelijk komt, in het begin van de jaren zeventig, probeert ze zich los te maken van haar mentor. Het is een moeizaam proces, want de man duldt geen tegenspraak. Bovendien is hij verliefd op zijn protegé – die daar echter niets van wil weten. ‘Hij was … en ik bedoel dat echt niet verkeerd, maar hij was een echte macho’, verklaart Dolly later. ‘Hij was de baas. Het was zijn show. Maar hij was ook erg koppig. Dar kwamen hevige ruzies van, want ik laat niet met me sollen.’
In 1993 licht ze verder toe: ‘Er ontstaat een liefde-haat verhouding wanneer je lang met iemand samenwerkt. Porter en ik waren beiden erg competitief en gepassioneerd. Dan komt er jaloezie bij kijken. Ik schaam mij niet voor die gevoelens. Maar uiteindelijk moest ik wel weggaan. Hij wou niet luisteren. Ik kon niets doen om de breuk te verzachten. Daarom schreef ik deze song.’ Ze doelt op ‘I Will Always Love You’, dat ze in juni 1973 opneemt.

In februari 1974 maakt Dolly Parton bekend dat ze de samenwerking met stop zet. In april treden ze een laatste keer samen op. Op 6 juni 1974 – een jaar na de opname – brengt Dolly Parton het nummer uit. Het slaat meteen aan en bereikt de top de van country lijst van Billboard.

De tekst wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd en soms zelfs als openingsdans gebruikt op trouwfeesten. Het gaat echter over een vrouw die beseft dat de relatie voorbij is. Toch hoopt ze dat de man die ze verlaat, gelukkig wordt.

Elbis Presley herkent de gevoelens, na zijn eigen breuk met Priscilla. Hij wil het nummer graag opnemen. Maar wanneer zijn manager, Kolonel Parker de helft van de publicatierechten opeist, bedankt Dolly voor de eer.

1975
Daardoor is Linda Ronstadt één van de eersten om het nummer te coveren. Dat doet ze op haar elpee Prisoner in Disguise , uitgebracht in september 1975. Ronstadt laat daarbij de laatste strofe (“I wish you joy and I wish you happiness…”) achterwege.

1982

Begin jaren tachtig is Dolly Parton voor het eerst te zien in de bioscoop. In Nine To Five speelt ze een secretaresse die heeft af te rekenen met een seksistische baas. Een rol die grotendeels gebaseerd is op haar verhouding met Porter Wagoner. Haar acteerprestaties worden gewaardeerd met twee Golden Globe nominaties en ook de titelsong is een groot succes.

Haar volgende film is The Best Little Whorehouse In Texas, gebaseerd op een recente Broadway musical. Dolly schrijft een aantal nieuwe nummers voor de filmadaptie. Maar het grootste succes blijkt weggelegd voor een nieuwe versie van ‘ Will Always Love You’. De song bereikt voor de tweede keer de top van de country lijst.

1992

Tien jaar verder en opnieuw een film met een zangeres in de hoofdrol: The Bodyguard, met Whitney Houston.

Oorspronkelijk is het de bedoeling dat de R&B zangeres, voor de finale van de film, een nieuwe versie zal opnemen van ‘What Becomes of the Brokenhearted’. Maar dan heeft Paul Young plots een hit met zijn cover van de Motownhit. Hij heeft het nummer van Jimmy Ruffin uit 1966, opgenomen voor een andere film: Fried Green Tomatoes.
Kevin Costner, die de mannelijke hoofdrol spelt in The Bodyguard komt met het voorstel om ‘I Will Always Love You’ te gebruiken.
Clive Davis, de grote baas van Arista Records, de platenmaatschappij waarbij Whitney Houston onder contract staat, vindt het maar niets: een R&B artieste met een countrysong? Costner houdt echter voet bij stuk: ‘Ik zei: “We gaan het begin a cappella doen. Het moet gewoon a cappella zijn , omdat ze daarmee aantoont hoeveel ze van die kerel houdt: ze zingt het zonder muziek!’
Omdat Whitney het nummer niet kent, geeft David Foster haar de elpee van Linda Ronstadt, zodat ze kan instuderen. Maar wanneer de producer Dolly Parton belt om haar te vertellen van de plannen, grijpt die in. Ze staat er op dat de laatste strofe weer in eer wordt hersteld. De toon van het nummer verandert helemaal er zonder, zo meent ze. Foster moet op zijn beurt de regisseur overtuigen om de scene 40 seconden langer te laten duren.

Whitney’s coverversie wordt een ongezien succes: ‘I Will Always Love You’ brengt maar liefst 14 weken door aan de top van de Amerikaanse hitlijsten. De rest van de wereld volgt. Met vier miljoen verkochte exemplaren is het één van de best verkochte singles ooit. De soundtrack doet het zelfs nog beter: met maar liefst 45 miljoen exemplaren is het wereldwijd de best verkochte soundtrack ooit.

Alluderend op Presley’s cover die niet doorging, grapt Dolly: ‘Whitney’s versie bracht me genoeg op om Graceland te kopen.’

1995

In 1995 besluit Parton het nummer zelf een derde keer op te nemen, voor de cd Something Special . Dit keer als een duet met Vince Gill. Deze versie brengt het niet verder dan een – relatief gezien – magere 15de plaats op de country lijst.

2012

Bijna twee decennia lang lijkt het alsof ‘I Will Always Love You’ eindelijk zijn tijd heeft gehad. Maar in 2012 duikt het plots opnieuw op.
Amber Riley heeft het nummer gecoverd voor een aflevering van de Amerikaanse tienerserie Glee. De band wordt afgeleverd bij de producers van de TV-serie op 10 februari. Netjes op tijd voor de uitzending vijf dagen later.

De volgende dag, 11 februari 2012, wordt Whitney Houston dood aangetroffen in het bad in een hotelkamer in het Beverly Hills. De 48 jarige zangeres is overleden aan een hartaanval, te wijten aan het gebruik van drugs.

Tijdens de uitreiking van de Grammy’s in Los Angeles, een dag later, brengt Jennifer Hudson het nummer als eerbetoon aan de overleden ster. Meteen volgt een nieuwe notering in de top 3.
Hiermee bereikt het nummer voor de vijfde keer de Amerikaanse hitlijsten, verspreid over vier decennia.

 

In 1962 bedacht Berry Gordy dat een tournee wel eens de beste manier kon zijn om zijn artiesten en hun songs te promoten. Met de MotorTown Revue kon hij bovendien zijn labels en zijn platenmaatschappij wat meer bekendheid geven. Het opzet is een avondvullende show, waarbij artiesten van Tamla Motown elk hun grootste hits brengen, binnen een strikt afgemeten schema. Na heel wat repeteren vindt, in juni 1962, een try-out plaats in het Regal Theatre in Chicago. De zaal is gekend omwille van zijn uitstekende akoestiek en er wordt besloten daarvan gebruik te maken om live opnamen te maken.

Eén van de acts is een jongetje dat onlangs zijn twaalfde verjaardag heeft gevierd. Steveland Judkins werd in mei 1950 geboren in Saginaw, Michigan. Daarbij liep er wat mis. In de couveuse kreeg hij teveel zuurstof toegediend, waardoor hij blind werd. Dat gemis compenseerde hij met flink wat muzikaal talent. Op zijn vijfde leerde hij harmonica spelen, het volgend jaar begon hij met pianolessen en op acht ook nog drums.

In 1961 werd de jongen “ontdekt” door Ronnie White van The Miracles, een van de topacts van Motown. Die stelde Stevie en zijn moeder voor aan Berry Gordy. De auditie was overtuigend genoeg voor een contract. Onder de naam Little Stevie Wonder maakte hij, kort na elkaar, twee jazzplaten. Op A Tribute to Uncle Ray, bracht Stevie versies van nummer van zijn held, Ray Charles. De opvolger The Jazz Soul of Little Stevie, was helemaal instrumentaal. Geen van beide elpees maakt indruk op de hitlijsten.   

Toch mag Stevie één nummer brengen in de revue. De keuze valt op een song uit zijn tweede plaat: ‘Fingertips’.
De jongen beseft dat hij zijn kans moet grijpen. Meteen al roept hij het publiek op om niet passief toe te kijken: ‘The name of the song is called, uh, Fingertips. Now I want you to clap your hands. Come on, come on. Yeah. Stomp your feet, jump up and down, and do anything that you WANNA DO!! ‘

Na een intro op bongo’s, volgt een samenspel van drummer Freddie Waits, bassist Larry Moses en de harmonica van Stevie. Wanneer de song na twee minuten afgerond is, verlaten de muzikanten het podium om plaats te maken voor de volgende act: The Marvelettes.

Dan loopt Stevie plots terug naar de microfoon en roept: ‘Everybody say yeah!’.
Het publiek reageert: ‘Yeah’.
Dat kan beter: ‘Everybody say yeah, yeah, yeah …’
’Yeah, Yeah, Yeah…’
De muzikanten pikken de draad weer op. Maar een aantal van hen zijn niet vertrouwd met het nummer. Je hoort bassist Joe Swift roepen: ‘What key? What key?’
Stevie moedigt aan: ‘Clap yo’ hands just a little bit louder…’
Improviserend werken ze samen naar een climax, tien minuten later. Het publiek gaat uit de bol. Het dak gaat er af. Het hoogtepunt van de avond.

In mei 1963 verschijnt een flink stuk van de opname, 6’40” in totaal, op de live elpee The Twelve Year Old Genius. Tegelijk brengt Motown ‘Fingertips’ ook uit als single, met de laatste drie minuten van de improvisatie, als ‘Fingertips Part 2’ op de b-kant.

Maar wanneer DJ’s de bijna 7-minuten lange elpeeversie beginnen draaien, brengt de platenmaatschappij de single opnieuw uit, met ‘Fingertips Part 2’ als a-kant. In augustus 1963 bereikt de single de top van de Billboard hitlijsten: niet alleen de R&B Singles maar ook de Pop Singles. Drie weken op de eerste plaats maakt van Stevie Wonder een ster. Zeker wanneer The Twelve Year Old Genius ook de elpeelijst gaat aanvoeren. Zoiets is nog nooit gebeurt. Voor het eerste staat een artiest op hetzelfde moment op 1 in de single- en de elpeelijsten. En bovendien – nog een primeur – met een liveopname!

Soms open je, onbewust, een blik wormen. Ik wou een stukje schrijven over een link tussen enkele van mijn favoriete country-songs. Maar gaandeweg  bleek er meer aan de hand dan ik eerst had vermoed. Er is een achterliggende melodie die steeds weer opduikt.

Volgt u mij?

1929 – ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’

De eerste keer dat de melodie werd vastgelegd, was tijdens een opnamesessie voor de Victor Talking Machine Company, in februari 1929. Heel toepasselijk was het de First Family of Country Music die aan het werk was: The Carter Family.

Hoewel het auteursrecht voor ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ wordt opgeëist door A.P. Carter, is dit niet helemaal terecht.  Daar zit manager Ralph Peer voor iets tussen. Peer is een gewiekst zakenman, die al snel begrepen heeft dat er veel geld te verdienen valt met auteursrechten. Hij heeft een muziekuitgeverij opgericht en moedigt al zijn artiesten aan zoveel mogelijk songs op hun naam te zetten. Natuurlijk worden die allemaal ondergebracht bij zijn muziekuitgeverij, waardoor hij 50% van de rechten kan opstrijken.
Pa Carter trekt er dus op uit om songs te verzamelen. Vooral songs waarop geen auteursrecht rust zijn interessant. Voor de tekst van ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ speelt A.P. Carter leentjebuur bij de flarden van ‘Prisoner’s Song’ van Vernon Dalhart. Hij modelleert de tekst zodanig dat hij past op een melodie van een ander nummer, een meodie die moeder Maybelle “al heel lang” kende.

Volgens Arnold Rypens is de oerversie ‘Blue Eyes’ van Roy Harper & The North Carolina Ramblers, die brachten hun versie van de traditional in oktober 1927 op de b-kant van ‘Kitty Blye’. Het zou gaan om een instrumentaal nummer, met een belangrijke rol voor gitarist Charlie Poole.
Maar die heb ik zelf nooit gehoord.

1936/’37 – ‘The Great Speckled Bird’

Zes jaar na de opname van The Crater Family publiceert een krant in Carolina de tekst van een hymne, geschreven door ene Guy Smith: ‘The Great Speckled Bird’. Zoals dat past voor een dominee, heeft hij zich bij het schrijven laten inspireren op een citaat uit de Bijbel. In dit geval is het negende vers van het twaalfde hoofdstuk van Boek van Jeremia: “Mine heritage is unto me as a speckled bird, the birds round about are against her.”
Om het de mensen gemakkellijk te maken om een tekst mee te zingen wordt wel vaker het truukje gebruikt een bestaande melodie te recycleren: “op de wijze van…” De brave dominee heeft dus zijn tekst gemodelleerd op het oude nummer. Geen overbodige luxe trouwens, want de preciese betekenis van de tekst is moeilijk te achterhalen.

Roy Acuff is een zanger en fiddlespeler die zijn sporen heeft verdiend bij de medicine show van Dr. Hauer. Dat soort rondreizende wonderdokters gebruiken artiesten om de plaatselijke bevolking naar hun kraam te lokken. In de buurt van Knoxville, Tennessee, hoort Acuff de hymne zingen door Charlie Swain and the Black Shirts. Het  bevalt hem zeer en hij weet Swain te overhalen de tekst voor hem op te schrijven. Voor 50 cent wil die dat wel doen.
“… Ik begon het ook te zingen,” vertelt Acuff. “Ik had geen idee wie de rechten bezat. Dat ontdekte ik pas later.”  Met de hulp van zijn vader en de Bijbel vult hij de tekst aan met vier nieuwe strofen tot een totaal van tien.
Het is die versie die een talentenjager van de American Radio Corporation overtuigt om hem een platencontracxt aan te bieden. De opnamen vinden plaats op 26 oktober 1936 in een studio in Chicago. De volledige versie overschrijdt echter ruimschoots de drieminuten grens en daarom wordt de song weer ingekort. Daarbij blijft ook één nieuwe strofe behouden.

De overblijvende strofen gebruikt Acuff tijdens zijn tweede sessie, in maart 1937 voor ‘Great Speckled Bird No.2”.

1937 – Roy Acuff – ‘The Great Speckled Bird No.2’

1950/‘52 – ‘I’m Using My Bible for a Roadmap’

Don Reno en Red Smiley zijn twee muzikanten in de band  van Tommy Magness. Die luistert, begin jaren vijftig, met zijn Tennessee Buddies feesten en partijen op in South Virgina. In1951 beginnen de twee mannen voor zichzelf, als The Tennessee Cut-Ups. Het volgende jaar mogen ze enkele songs opnemen voor King Records. Eentje daarvan is een gospelsong, geschreven door Don Reno, in 1950: ‘I’m Using My Bible for a Roadmap’. Blijkbaar heft hij bij het schrijven niet de Bijbel maar het nummer van The Carter Family als gids gebruikt.

1951/’52 – ‘The Wild Side Of Life’

Zo’n vijftien jaar later wordt dezelfde melodie opnieuw gerecycleerd. Ditmaal levert het één van de grootste hits uit de geschiedenis van de countrymuziek op. Ene William Warren van Cameron, Texas, was amper acht maanden getrouwd, toen zijn vrouw hem verliet. Tijdens een avondje stappen ziet hij haar weer…  in een plaatselijke bar met een bedenkelijke reputatie – een zogenaamde honky-tonk. 
Teleurgesteld en enigszins geschokt legt hij zijn emoties vast in een tekst:

I didn’t know God made honky tonk angels
I might have known you’d never make a wife
You gave up the only one that ever loved you
And went back to the wild side of life.

Met deze cynische tekst benadert hij een band, die lokaal heel wat succes heeft: Jimmy Heap and His Melody Masters. Hun pianist, Arlie Carter, merkt dat de tekst past op de melodie van ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ en claimt meteen maar het mede-auteursschap voor zichzelf.

Met Jimmy Heap als zanger wordt ‘The Wild Side Of Life’ opgenomen als eerste single van de Western Swingband voor het lokale label, Imperial. Hoewel het de eerste countryplaat is voor het label, is het meteen een enorm succes. Al snel zijn er 10 000 exemplaren de deur uit, enkel in Texas.
De vrouw van countryzanger Hank Thompson, hoort het plaatje toevallig en dringt er bij haar man op aan om het op te nemen. Die doet het met enige tegenzin, op 11 december 1951, tijdens een eerste sessie met zijn nieuwe producer Ken Nelson. Thompson vindt er eigenlijk niets aan en het belandt, in maart 1952, dan ook op de b-kant van zijn volgende single, ‘Crying In The Deep Blue Sea’.
Wanneer een disc jockey echter de b-kant draait, volgt onmiddellijk veel respons. ‘The Wild Side of Life” bereikt al snel de top van de Billboard hitlijsten en blijft die maar liefst 15 weken aanvoeren. Het wordt een countryklassieker, met coverversies door zowat alle grote namen.
William Warren schrijft daarna nooit meer iets van betekenis – maar dat hoeft ook niet meer. Hij is binnen.

1952 – ‘It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels’

Wanneer songschrijver J.D. Miller het nummer hoort op zijn autoradio, vindt ie dat het vraagt om een antwoord: een soort verdediging, gezongen door een vrouw. Miller schrijft ‘It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels’ op dezelfde melodie, al legt hij het tempo wat hoger. Een eerste versie van ene Alice Montgomery op Feature is niet helemaal wat Miller er van verwachtte. Er moet meer inzitten, zo meent hij. Dus stapt hij naar het veel grotere Decca Records. Die benaderen Kitty Wells, een zangeres die in de jaren veertig onder contract stond bij RCA Victor. Ze was echter nooit echt doorgebroken. Daarom had ze besloten zich meer te gaan toeleggen op haar gezin. Kitty verklaart geen interesse te hebben. Haar man meent echter dat het geen kwaad kan om de song op te nemen, vooral omdat ze hoe dan ook betaald wordt voor de sessie.
De song, uitgebracht in juni 1952, doet het haast even goed als het origineel. Kitty Wells wordt de eerste solo-zangeres om de countrylijst van Billboard aan te voeren en dat zes weken lang!  Het levert haar de titel Queen of Country op. Maar belangrijker nog: met deze song baant ze de weg voor Dolly Parton, Patsy Cline, Loretta Lynn en Tammy Wynette. Allemaal sterke vrouwen die durven ingaan tegen de gangbare normen van het gehoorzame vrouwtje dat alles maar moet pikken van hare vent.

1972 – ‘Heavenly Houseboat Blues’

Hier uit een tribute voor Townes, door Emmylou Harris en Rodney Crowell

De late jaren zestig en begin jaren zeventig vormen het hoogtepunt uit de carrière van de Texaanse singer-songwriter Townes Van Zandt. Hij brengt dan vijf platen uit die allemaal van zeer hoge kwaliteit zijn. Hoewel hij
High Low And In Between al heft laten verschijnen in 1972, sluit hij die periode af met het cynisch getitelde The Late Great Townes Van Zandt. Daarop staan zijn “semi-hits”, zoals hij het zelf noemt: ‘Panch And Lefty’ en ‘If I Needed You’.  De plaat eindigt met een wat speels gospelachtig nummer: ‘Heavenly Houseboat Blues’, dat hij samen heeft geschreven met Susanna Clark, de vrouw van zijn goede vriend Guy Clarck. Het is allemaal niet zo serieus bedoeld, zoals blijkt uit de laatste strofe, die hij zingt mt een mond vol water. Misschien dat hij daarom het wel prettig vond om een vette knipoog et geven door die fameuze melodie nog eens op te rakelen.

1972 – ‘Stars in My Life’

In de legendarische Sun studio, maken drie muzikanten uit Lubbock, Texas,in 1972 opnamen voor een elpee: All American Music. The Flatlanders bestaan uit Jimmie Dale Gilmore, Joe Ely en Butch Hancock. De elpee komt er nooit en de mannen gaan elk hun eigen weg. Wanneer ze echetr elk afzonderlijk doorgebroken zijn, verschijnen de opnamen alsnog, in 1992, onder de titel More A Legend Than A Band.
Op die plaat staat ‘Stars In My Life’ van Butch Hancock. En daarin horen we opnieuw…

David Allan Coe krijgt het laatste woord. Hij staat niet bekend als de meest subtiele countryzanger. Hij durft wel eens grof uit e hoek te komen. Op zijn elpee David Allan Coe Rides Again, uit 1977 staat als slotnummer ‘If That Ain’t Country’. Daarin somt hij de connectie tuseen een atal van deze songs netjes op:

“I’m thinkin’ tonight of my blue eyes
Concerning the great speckled bird
I didn’t know god made honky- tonk angels
(talk) and if that ain’t country, I’ll kiss your ass”

Naar aanleiding van het recente overlijden van Levon Helm, de drummer van The Band, kunt u hier een tekst lezen, waaraan ik al een tijdje geleden begon, maar die nooit was afgeraakt.

‘The Night They Drove Old Dixie Down’

Merkwaardig toch, dat een van de mooiste liedjes over the South, het zuiden van de Verenigde Staten, geschreven is door een Canadees: Robbie Robertson, de gitarist van The Band. Maar misschien is er net een buitenstaander voor nodig om de dingen beter te kunnen waarnemen.

Een melodie zonder woorden

Voor de Classic Albums serie, uit 1997 beklemtoont Robbie Robertson dat hij de muziek geschreven had, voor de sessies voor hun tweede elpee begonnen. “Toen we The Band opnamen, was mijn dochter Alexandra net geboren. … Met zo’n pasgeboren baby in huis, moest ik me stil houden, terwijl ik schreef. Het ging zo van: “De baby slaapt! Maak geen lawaai!” Dus werkte ik in stilte. Het was niet dat ik het subtiel wou houden. Ik was gewoon verplicht om subtiel te spelen. En dat leidde tot die melodie.”

Aan Barney Hoskyns, auteur van de band-biografie Across The Great Divide (1993) vertelt Robertosn: “Alles samen, deed ik er zo’n maand of acht over, om dat nummer te schrijven. Ik had enkel de muziek en had geen idee waarover het moest gaan. Ik zat aan de piano en speelde telkens weer datzelfde akkoordenschema. En opeens kwam de rest. Soms moet je een song de tijd geven. Ik ben blij dat ik deze de tijd heb gegeven.”

“Ik had de muziek in mijn hoofd voor ‘The Night They Drove Old Dixie Down’,” gaat hij verder in het boekje bij de prachtige box set The Band – A Musical History. “Maar ik had geen idee waar de song over moest gaan. Ik neuriede maar wat. Ik speelde de akkoorden en ik hield van het akkoordenschema dat ik had bedacht. En opeens kwam het [concept] in mij op.”

De inspiratie vond hij een belangrijke chroniqueur van het leven in het mytische zuiden: “Tennessee Williams sprak mij erg aan,” vertelt hij in 1988, tijdens een interview, “zijn manier van schrijven, [alleen al] de titels van die dingen: Sweet Bird of Youth, Cat On A Hot Tin Roof. Ik werd er door gegrepen, omdat ik naar het zuiden was getrokken, vanuit Canada. Dat was echt ying en yang: het andere uiterste. Het greep mij veel meer aan dan wanneer iemand vanuit Washington, DC naar South Carolina zou trekken. Ik ging van Toronto naar de Mississippi Delta….En ik hield van de manier waarop ze daar spreken, hoe ze daar bewegen. Ik hou er van om ergens te zijn waar er muziek in de lucht hangt. Ik dacht: het is niet voor niets dat ze hier rock ‘n’ roll hebben uitgevonden. Alles klinkt er als muziek…

Ik kwam in deze wereld terecht, als een buitenstaander… Omdat ik het allemaal niet als iets vrijblijvend opnam schreef ik er ‘The Night They Drove Old Dixie Down’ over.”

Ook een ontmoeting met de vader van Levon Helm maakt grote indruk op de tekstschrijver. Als authentieke zuiderling tussen een bende Canadezen had de drummer recht van spreken. Helm werd geboren in Marvell, Arkansas en groeide op in Turkey Scratch, een boerengat wat verder op. Zijn ouders verbouwden er katoen – zuidelijker kan haast niet.

“Levons vader zei tegen me: ‘Hey Robbie, ooit zal het zuiden herrijzen’,” vertelt Robertson. “In het begin vond ik het vreemd, maar na een tijdje begon ik in te zien dat het diep moest zitten: de pijn en de droefenis.”

Daarom is ‘The Night They Drove Old Dixie Down’ geschreven vanuit het standpunt van de verliezers: de zuidelijken.

Een beetje geschiedenis

Dixie is de geuzennaam voor de zuidelijke staten van Noord Amerika.
De naam zou zijn oorsprong vinden in New Orleans. Tot 1860 gaf de plaatselijke bank er bankbiljetten uit. Op die van tien dollar stond de waarde ook in het Frans vermeld, in letters: “dix”. New Orleans werd dus “dixie-land”. De benaming verspreidde zich over Louisiana en uiteindelijk over het gehele zuiden. Ene Daniel Decatur Emmett – die, gek genoeg, uit Ohio kwam – schreef in 1859 de song ‘Dixie’.
Wanneer twee jaar later, de zuidelijke staten in opstand kwamen tegen het noorden werd ‘Dixie’ hun strijdlied.

Elf zuidelijke staten wilden zich afscheuren van de Verenigde Staten en vormden de Confederate States of America (de Confederatie). Onder leiding van Jefferson Davis, bevochten ze de federale overheid van de Verenigde Staten (de Unie). Hoewel achteraf nogaleens gesteld wordt dat de strijd ging over de afschaffing van de slavernij, was dit lang niet de voornaamste reden voor de vreselijke broederstrijd. Het was de culminatie van oplopende meningsverschillen tussen het industriële noorden en het agrarische zuiden.

De Amerikaanse Burgeroorlog vond plaats van 1861 tot 1865 en vormt zowat het laatste hoofdstuk van de Amerikaanse Revolutie. Door het zuiden op zijn knieën te dwingen werd de machtstrijd voor eens en voor altijd beslecht.

Schaven aan de tekst

Waneer Robertson de ruwe versie van de song aan de andere leden van The Band voorstelt, komt er protest van Levon Helm. “In een van de regels zei ik iets over Lincoln,” vertelt Robbie. “Levon wees mij terecht: ‘dat zullen ze niet zo graag horen in het zuiden’.”

Levon stelt voor om Robbie’s kennis over de Burgeroorlog  wat bij te spijkeren.
“Robbie en ik werkten aan ‘The Night They Drove Old Dixie Down’ in Woodstock,” schrijft Levon in zijn boek. “Ik nam hem mee naar de bibliotheek om er wat opzoekingswerk te doen over de geschiedenis en de kaarten te bestuderen. Ik wou vooral dat generaal Robert E. Lee het nodige respect zou krijgen.”

‘The Night They Drove Old Dixie Down’ gaat het over de laatste maanden van die burgeroorlog en zijn nasleep. Merkwaardig genoeg ligt de focus niet op één van de grote veldslagen waarbij de strijd werd beslecht. Integendeel, Stoneman’s Raid is slechts een voetnoot in de geschiedenis van de oorlog. Vooral ook omdat de geschiedenisboeken altijd worden geschreven door de winnaars.

De zanger, Virgil Caine, is een soldaat van het zuidelijke leger. Hij loopt dienst onder generaal Robert E. Lee. Diens troepen bewaken de aanvoer van voorraden naar Richmond, de hoofdstad van de Confederatie. Heel voornaam daarbij is het stadje Petersburg in Virginia, strategisch gelegen op een knooppunt van spoorwegen. In 1864 besluit de Noordelijke generaal Ulysses S. Grant het stadje aan te vallen. Dankzij een netwerk van loopgraven kunnen echter tweeduizend soldaten er de veel grotere vijandelijke troepenmacht weerstaan. Er volgt een langdurend beleg. Om een eind te maken aan de patstelling krijgt generaal George Stoneman de opdracht om “het land te ontmantelen” en te “vernielen, maar zonder veldslagen.” Grant specifieert zelfs dat de vruchtbare Shenandoah vallei zo grondig moet worden aangepakt dat “een kraai die over de vallei vliegt, zijn eigen voorraden moet meenemen”.

Vanaf maart 1965 trekken de troepen door North Carolina naar Virginia, om er de taktiek van de verbrande aarde toe te passen. De Yankees terroriseren de plaatselijke bevolking, vernietigen de oogst en vernielen de sporen van de Virginia & Tennessee Railroad over een lengte van 250 km: “…Stoneman’s cavalry came and tore up the tracks again.” Het werkt, want de voorraden raken uitgeput en Lee’s troepen hebben geen eten meer. “We were hungry / Just barely alive”.

Op 2 april, na een beleg van 292 dagen, moet generaal Lee Richmond prijsgeven. President Jefferson Davis en zijn kabinet ontvluchten de stad per trein. Maar ook in Danville blijken alle voedselvoorraden uitgeput. Op Palmzondag, 9 april 1865, geeft Lee zich over aan Grant.

Hoewel Virgil Caine zingt, “By May the tenth, Richmond had fell, it’s a time I remember, oh so well,” blijkt zijn geheugen hem, 104 jaar na de feiten, wat parten te spleen. Richmond viel al op 9 april, maar het eigenlijke einde van de oorlog was pas vijf weken later: op 10 mei. Op die dag wordt Jefferson Davis, president van de Confederatie gevangen genomen in de buurt van Irwinville, Georgia. Meteen daarna kondigt president Andrew Johnson aan dat het zuiden zijn gewapend verzet heeft opgegeven. Het betekent het einde voor Dixie.

Het leven gaat echter verder, maar niets is nog hetzelfde. De verwoesting van het land en de economie (“The money’s no good”) treft de verslagen bewoners diep. Virgil verzucht: “… they should never have taken the very best.”

The Night They Drove Old Dixie Down

Virgil Caine is the name, and I served on the Danville train,
‘Til Stoneman’s cavalry came and tore up the tracks again.
In the winter of ’65, We were hungry, just barely alive.
By May the tenth, Richmond had fell, it’s a time I remember, oh so well,

The Night They Drove Old Dixie Down, and the bells were ringing,
The Night They Drove Old Dixie Down, and the people were singin’.
They went: La,  La, La, La, La, La,   La, La, La, La, La, La,    La, La,

Back with my wife in Tennessee, When one day she called to me,
“Virgil, quick, come see, there goes Robert E. Lee!”
Now I don’t mind choppin’ wood, and I don’t care if the money’s no good.
Ya take what ya need and ya leave the rest,
But they should never have taken the very best.

(Refrein)

Like my father before me, I will work the land,
And like my brother above me, who took a rebel stand
He was just eighteen, proud and brave, but a Yankee laid him in his grave,
I swear by the mud below my feet,
You can’t raise a Caine back up when he’s in defeat.

(Refrein)

Opname

Gezien het onderwerp van de song lijkt het haast vanzelfsprekend dat Levon Helm, als enige Amerikaan in het gezelschap, de zang voor zijn rekening neemt. Bovendien drijft hij, met zijn prachtig drumwerk, het nummer vooruit.
Daarnaast is Rick Danko te horen op bas en viool, Richard Manuel op piano en Robbie Robertson op akoestische gitaar.
Opmerkelijk zijn de bijdragen van Garth Hudson. Wat lijkt op een harmonica in de tweede strofe is het geluid van een accordeon, vervormd door een roterende Lowrey-organ, vermengd met een Hohner melodica. “Garth was een wereld op zich,” weet producer John Simon. “Hij bouwde zelf zijn eigen instrumenten. Daarmee  was hij een voorloper op dat gebeid. Hij vond het geweldig om zoiets te doen.”
Aan het einde voegt Garth ook nog wat bugel toe.

 

Release

‘The Night They Drove Old Dixie Down’  staat op de elpee The Band, die in september 1969  verschijnt. Daarbij staat Robbie Robertson als enige componist vermeld. In zijn autobiografie This Wheel’s On Fire, vertelt Levon dat alle bandleden hun steentje hebben bijgedragen. Dat geldt trouwens wel voor meer songs van The Band, zo laat hij verstaan.
Robertson ziet dat echter anders: “Ik deed wat research en ik schreef de tekst.”

Voor die tijd is het erg ongebruikelijk om de Burgeroorlog te bekijken vanuit het standpunt van het Zuiden. Dat deel van de Verenigde Staten gaat gebukt onder een uiterst conservatief en zelfs negatief imago. Het roept beelden op van racisme en rednecks, brandende kruisen, de Ku Klux Klan, de moorden op Kennedy en Martin Luther King…

De platenmaatschappij durft het dan ook niet aan om het nummer op single uit te brengen. Toch slaat het nummer onmiddellijk aan, voor een stuk ook omdat veel jongeren er parallellen in zien met de oorlog in Vietnam, die op dat moment in alle hevigheid woedt.

De laatste keer dat Levon het nummer zong, was tijdens het afscheidsconcert van The Band, in november 1976. Bij de reunie van de groep in de jaren tachtig en negentig heeft hij het nooit meer willen brengen. “Het was te moeilijk,” is zijn enige verklaring

Wanneer John op de proppen komt met ‘Strawberry Fields Forever’ reageert Paul onmiddellijk met een eigen nummer over zijn jeugd in Liverpool.  ‘Ik denk dat we die [nummers] in dezelfde periode schreven,’ probeert Paul zich in 1994 te herinneren. ‘We antwoorden vaak mekaars songs. Het kan best zijn dat het mijn versie was van een herrinneringsong.’

Penny Lane is een straat in Liverpool. Gek genoeg heeft Paul er echter nooit gewoond, maar John wel. Vlak voor zijn dood vertelde hij: ‘Penny Lane is niet enkel een straat, maar een district… een voorstad waar ik met met mijn moeder en vader gewoond heb, tot mijn vier jaar. Ik was de enige Beatle die in Penny Lane heeft gewoond.’

Penny Lane is dus meer dan een straatnaam, het is vooral een aanduiding voor een hele buurt. Er was een belangrijk busstation in Penny Lane en vele groene dubbeldekkers Liverpool gaven dan ook aan dat ze naar Penny Lane reden.  Het busstation was een verzamelpunt voor de jeugd: de plaats van waar uit je naar het stadscentrum kon rijden.

Paul liep al langer rond met het idee. Een jaar eerder, tijdens de opnamen van de het TV-programma The Music Of Lennon And McCartney, op 1 november 1965 vermelde hij terloops dat hij een nummer over Penny Lane wil schrijven. Ook John gebruikte de naam Penny Lane in een vroege versie van ‘In My Life’, maar dat werd niks.

In december 1966 zet hij zich echt aan het schrijven. ‘Het waren jeugdherinneringen: er is een bushalte die Penny Lane heet. Er was een kappersazaak: Bioletti’s, met foto’s van hoofden in de etalage, als voorbeeld van haarsnit die je er kan vragen. Ik dikte dat wat aan en maakte er van dat het was alsof hij een tentoonstelling hield in zijn uitstalraam. Het was allemaal gebaseerd op echte dingen. Op de hoek was er een bank. Dus bedacht ik een bankier – geen bestaande persoon – met lichtjes dubieuze gewoontes, en de kinderen die hem uitlachen en de gietende regen.

Ook de brandweerkazerne was een beetje een dichterlijke vrijheid. Er is een brandweerkazerne, maar die licht een paar kilometer verder. Niet echt in Penny Lane. Maar we hadden een derde strofe nodig… Ik vond het stukje over ‘It’s a clean machine’ erg geslaagd. Ik vind het nog steeds een mooie uitdrukking. Soms heb je geluk en klinkt iets mooi en wordt het een vaste uitdrukking.

Kortom: de bank, de kapper en de brandweerkazerne bestonden allemaal echt.’

John bevestigt: ‘We waren echt op dreef toen we ons Penny Lane voor de geest haalden: de bank was er, en het busstation met de tramhokjes en de wachtende mensen en de controleur stond er… de brandweerwagens waren in de buurt. Het was als je jeugd herleven.’

Toch is er meer aan de hand dan je op het eerste gezicht zou zeggen. Wat eerst een mooie zomerdag lijkt, ‘beneath the blue suburban skies’, wordt plots verstoord door stortregen ‘the fireman rushes in from the pouring rain’. Even later staat zelfs de winter voor deur: ‘selling poppies from a tray’ verwijst immers naar 11 november. Op Remembrance Day wordt het einde van de Eerste Wereldoorlog herdacht. In Engeland en Amerika verkoopt men dan ‘poppies’: rode bloemen, een verwijzing naar de papavers, de rode bloemen op de slagvelden van Vlaanderen.

Dat de tijdsverwarring in de tekst geen slordigheid is, maar een bewust surrealistische toets, valt op te maken uit Pauls terzijde over de verpleegster: ‘She feels as if she’s in a play… she is anyway’.

‘John en ik spraken vaak af in Penny Lane,’ verklaart Paul. ‘Ieder jaar, op Poppy Day, stond daar iemand van het Britse leger om poppies te verkopen. John en ik stopten dan een shilling in het blikje en namen een bloemetje. Dat was onze herinnering. We fantaseerden over een verpleegster die de poppies verkocht – Amerikanen dachten vaak dat het om puppies ging!
Dat is ook weer een interessant beeld.’

Paul heeft twee strofen geschreven wanneer hij het nummer aan John toont. Samen schrijven ze de derde strofe. vast te zitten.

‘Het waren jeugdherinneringen: half vergeten dingen van een jaar of acht, tien eerder. Recente nostalgie, fijne herinneringen voor ons allebei.’

Een zicht op Penny Lane, in 1957. De foto is gemaakt van uit de bushalte. In het midden is de kapperszaak.

 

Opnamen

De opnamen beginnen op 29 december 1966 om 7 uur ‘s avonds. Terwijl John in een andere studio druk doende is met de post-synchronisatie van de film How I Won The War, neemt Paul in zijn eentje, de basistrack op.

Voor de opname vertelt hij aan George Martin: ‘Ik wil een heel zuivere opname … Misschien iets in de aard van de Beach Boys.’

Gezeten aan de piano speelt hij het nummer zes keer. Enkel de laatste twee pogingen het einde. Take 6 wordt als basis genomen om op verder te werken.

Deze basismelodie, op spoor 1, vult hij aan met een tweede piano-opname, deze keer vervormd weergegeven door een gitaarversterker. Op spoor 3 komen tamboerijn en een derde piano, op halve snelheid opgenomen. Spoor 4 tenslotte is een combinatie van enkele tonen van een harmonium, opnieuw door een gitaarversterker, vreemde percussie effecten en enkele tikken op een cimbaal.

Van deze opnamen worden twee ruwe mono-mixen gemaakt en dan is het kwart na 2 en tijd om naar huis te gaan.

De volgende avond wordt eerst een mono mix gemaakt, om de 4-sporen band terug te brengen tot één spoor, take 7. Op een van de vrijgekomen sporen wordt dan de eerste zang toegevoegd, door Paul, met John op tweede stem. Haast vanzelfsprekend wordt ook daar weer mee geëxperimenteerd: de zang wordt iets vertraagd opgenomen, zodat die wat hoger klinkt bij het afspelen. 

Het is weer ver na middernacht wanneer ze opnieuw twee mono-mixen maken als demo’s.

Na nieuwjaar, op 4 januari 1967, wordt het werk hernomen. Eerst is er nog maar eens een piano-overdub, dit keer gespeeld door John, plus een gitaarsolo van door George. De beiden instrumenten staan op hetzelfde spoor. Paul zingt het nummer opnieuw in op een ander.

Beatleshulpje Mal Evans noteert in zijn dagboek: : “Opname ‘Penny Lane’, maar Paul en John zijn nog niet tevreden. Dus doen de we de zang morgen opnieuw. Gingen naar de [club] Bag O’ Nails omstreeks 3:45 na de sessie. Cyn, Terry en Stan. Jane kwam naar de studio in haar auto. Aten vis met friet in de studio. Overal brandende wierookstokjes vannacht – begin van de geur te houden.’

De volgende dag doet Paul de zang dus over. Met de geur van de frieten nog in de studio, wijzigt hij daarbij de tekst lichtjes. Hij voegt de opmerking “very strange” toe, maar ook het aangebrande woordspelletje ‘four of fish and finger pies’. ‘A four of fish’ is een vaste uitdrukking waarmee men voor 4 penny vis met friet bestelde, terwijl ‘finger pie’ verwijst naar gefoefel van tieners in het slipje van hun vriendinnetje. Het openbare toilet bij de bushalte was daarvoor een ideale plek.

De rest van de avond nemen The Beatles, onder leiding van Paul ‘Carnival of Light’ op. Dat is een 13’48” durende collage van geluiden voor een underground-feest, in het Roundhouse Theatre. Een voorloper van Johns ‘Revolution N° 9’.

De dag daarna, op 6 januari, worden bas (Paul), drums (Ringo) en slaggitaar (John) toegevoegd aan de opnamen. Alle instrumenten worden vertraagd opgenomen. Ook de conga drums die John daarna bespeeld worden vervormd en vertraagd opgenomen. 

Omdat alle sporen opnieuw vol zijn, wordt take 7 teruggebracht tot twee sporen als take 8. Hierbij sneuvelen de opnamen van de gitaren: zowel George’s sologitaar als Johns slaggitaar worden gewist.

De vrijgekomen sporen raken diezelfde avond opnieuw gevuld. Spoor 3 met nog meer pianospel van John en George Martin, aangevuld met handgeklap. Op spoor 4 geven Paul, John en George, door middel van scatzang aan waar blazers moeten komen.

Tegen 1 uur ‘s nachts wordt take 8 weer gemixt tot take 9, waarbij opnieuw twee sporen vrijkomen. Spoor 3 wordt daarbij echter alweer gewist.

Tijdens het weekend schrijft George Martin een blazersarrangement. Op 9 januari staan daarvoor negen muzikanten opgetrommeld. Het instrumentarium bestaat uit vier fluiten, twee trompetten, twee piccolo’s en een bugel. John maakt stiekem opnamen van de sessie.

Na afloop worden weer twee ruwe mono-mixen gemaakt: remix 5 en 6 van take 9.

De volgende dag volgt nog meer scatzang. De stemming is blijkbaar opperbest want ze besluiten wat grapjes toe te voegen: telkens de brandweerwagen wordt vermeld, wordt er even heftig geschud met een handbel. Ook het geluid van een bus (op 3:32) is een aardigheidje.

Drie dagen later, op 12 januari, worden nog meer blazers toegevoegd: twee trompetten, twee hobo’s en twee althobo’s.

Er wordt zelfs een contrabassist bijgehaald voor een piepklein accentje. Vanaf 2:03 speelt de bassist twee maten of vier seconden lang, telkens opnieuw dezelfde noot. Het geluid van de staande bas onderlijnt de traagheid van de bankier, die lijdt aan artritis. Dat komt er van als je halsstarrig weigert een regenjas (mackintosh, afgekort tot mack) te dragen in de regen.

Er worden opnieuw twee mono mixen gemaakt: RM7 en RM8. Paul neemt een acetate van RM 8 mee naar huis.

De Anthology mix, met de hobo’s

Maar Paul is niet helemaal tevreden.

Een paar dagen eerder, op 11 januari, heeft hij op TV een uitvoering gezien van Bachs tweede Brandenburgse concert door het English Chamber Orchestra. Hij is behoorlijk onder de indruk van de bijzondere klank van de piccolo trompet. De volgende dag legt hij tegen George Martin uit, dat hij ook dit geluid wil toevoegen. Hij neuriet voor wat hij wil dat er gespeeld wordt. Het is aan Martin om de partituur uit te schrijven. 

De beroemde piccolo trompet solo wordt toegevoegd op 17 januari. Het is David Mason die het uitvoert. Mason is ook de man die het instrument bespeelde tijdens de uitvoering op TV. Volgens de aanwijzingen van Paul, speelt hij twee solo’s: één in het middenstuk en één aan het einde.

David Mason, die eerder dit jaar overleed, vertelt doet hier zijn verhaal uit de doeken.

Na afloop van de opnamen worden opnieuw drie mono-mixen gemaakt van take 9. De beste daarvan wordt onmiddellijk naar de Verenigde Staten gestuurd, om daar als master te dienen voor de single. In afwachting worden alvast wat promo kopieën geperst en verspreid.

Maar ondertussen bedenkt Paul zich en op 25 januari, laat hij George Martin het nummer opnieuw mixen, maar zonder het laatste stukje van de tweede trompetsolo.

Deze versie verschijnt op de single ‘Strawberry Fields Forever’/’Penny Lane’ die op 17 februari 1967 wordt uitgebracht. De eerste 25 000 exemplaren zitten in een fotohoesje – een primeur voor Engeland.

Filmpje

Net als voor ‘Strawberry Fields Forever’, maakt regisseur Peter Goldman een 35 mm filmpje voor ‘Penny Lane’.

‘Het ging allemaal razendsnel,’ getuigt Goldman. ‘Ik zat al goed en wel in het vliegtuig voor het tot me doordrong waar ik aan begonnen was. Zenuwen en opwinding kwamen opzetten. Hoe zou ik  iets kunnen maken dat grappig-bizar-slim-gek-gesofistikeerd genoeg zou zijn om The Beatles tevreden te stellen? Het was tijdens de vlucht dat ik bedacht om paarden te gebruiken.

“Hou je van paarden?” vroeg ik The Beatles, toen ik hen mijn ideeën voorlegde voor het promofilmpje  voor ‘Penny Lane’.  “Tuurlijk, paarden. We hebben veel vrienden die paarden hebben.” Ze dachten alle vier wel paard te kunnen rijden, als het kalme dieren waren tenminste.”

Op 5 februari zien verbaasde passanten The Beatles heen en weer lopen de nauwe straatjes van het plaatsje Stratford, in het Londense East End. Het nieuws verspreidt zich razendsnel. ‘De aanblik van de vier paarden bleek te veel voor de heuse menigte die zich inmiddels had verzameld,’ weet Peter Goldman. ‘Het roepen en krijsen maakte de paarden angstig.’ In afwachting dat de situatie wat bekoelt, trekken de jongens zich terug in een pub. ‘Natuurlijk was het dolle pret toen The Beatles en de film crew daar binnen kwamen. Er werd een fotograaf bij gehaald om de gelegenheid te vereeuwigen. De uitbater, zijn personeel, vrouwen, kinderen… iedereen kwam er bij. Iedereen moest er bij voor een familieportret met The Beatles. Oma werd wakker gemaakt, de baby uit de wieg gehaald.  … The Beatles zeiden nooit nee, tegen dit soort situaties. Geduldig kreeg iedereen een handje, mensen mochten hun jassen passen….’

De opnamen worden twee dagen later verder gezet in Knole Park, Sevenoaks, waar ook de scènes voor ‘Strawberry Fields Forever’ zijn gedraaid. ‘De scènes met de paarden zouden daar worden overgedaan,’ legt Goldman uit, ‘ maar dat was ook geen succes. Het viel nogal mee dat Paul een beetje kon rijden, toen zijn paard plots voor iets schrok en op de vlucht ging, dwars door een grote vlakte in dat enorme park.’ De andere paarden lopen er achter en het is een heel gedoe om de dieren weer te vangen. Uiteindelijk kunnen ze toch nog een paar minuten filmen. ‘De jongens waren blij dat de opnamen er op zaten.’ 

Gelukkig is er ook nog een minder gevaarlijke scène voorzien: een diner bij kaarslicht… overdag.

Daarvoor komt de enorme catering bus van de groep mooi van pas. ‘John, Paul, George en Ringo hielden van lekker eten,’ weet de regisseur. ‘Ze werden behoorlijk boos als ze hun speciale gerechten niet kregen, zelfs tijdens buitenopnamen.

Dus volgde de grote metalen, bontgekleurde bus hun overal. … Het eten werd geserveerd in een strikte volgorde: eerst John, Paul, George en Ringo, dan kwam ik, als hoofd van de filmploeg, daarna mijn assistant en zo voort.’

Enkele dagen later draait Goldman ook wat beelden in Liverpool, om toch de indruk te wekken dat de opnamen daar hadden plaatsgevonden. Daarop zijn onder andere de karakteristieke groene bussen te zien en natuurlijk ook de bushalte waar het allemaal om draait: ‘the shelter in the middle of the roundabout’.

Doorheen het filmpje zij er ook nog beelden van Lennon die , in zijn eentje, door King’s Road in Chelsea loopt.

Het filpje wordt gemonteerd door Tony Bramwell, een van de vertrouwensmannen van de groep. ‘Het was echt een mini-film. Allemaal gedraaid in dat verdomde park en die straten. Daarna werkten Andrew Gosling en ik als gekken, 36 uur, om alles te ontwikkelen en achter elkaar te plakken. Het heeft een pak geld gekost.’

STRAWBERRY FIELDS FOREVER

de achterzijde van het hoesje van de single

Schrijven

De Amerikaanse zomertournee van The Beatles in 1966 was niet bepaald een pretje geweest. (Zie hier en hier.)  Zelfs Paul, de man die er altijd al het meest van al die aandacht genoot, heeft er genoeg van. Ze besluiten dan ook er mee stoppen. Er valt een enorme druk van hun schouders. ‘Dat was het,’ roept George opgelucht, ‘Ik ben geen Beatle meer.’

Ieder gaat een tijdje zijn eigen weg. George reist naar Indië om er te leren sitar spelen en er kennis te maken met de Oosterse religies. Paul richt zijn nieuwe huis in en trekt dan naar Kenia, op safari. Ringo blijft thuis bij vrouw en kinderen en John gaat in op het aanbod van regisseur Dick Lester om te acteren in een film. Hij krijgt de rol van soldaat Gripweed in de anti-oorlogskomedie How I Won The War.

De filmopnamen vinden grotendeels plaats in het woestijnachtige Almeria, in Spanje. Maar de verveling slaat als snel toe. John ervaart al vlug dat filmen vooral wachten betekent. Bovendien is er in Santa Isabel, waar ze verblijven, ook al niet veel te zien. John en Cynthia delen er een grote villa met een van de andere acteurs,  Micheal Crawford en diens vrouw. ‘Almeria was vreselijk,’ vertelt Crawford. ‘Er viel absoluut niets te beleven ’s avonds. We vermaakten ons met Monoploy en Risk… ‘

Om iets om handen te hebben grijpt John naar zijn gitaar. Dan zat hij in zijn slaapkamer en werkte aan een melodie op zijn gitaar,’ weet Crawford. ‘Ik hoorde hem steeds weer hetzelfde spelen tot hij een mooie akkoordenreeks had. Het was interessant om te horen hoe een song werd geschreven. Hij heeft me toen niets uitgelegd over de tekst, of waarom hij dat schreef. ‘

De eerste aanzet is een langzame talking blues, waarbij John ‘de tekst [wil] laten klinken als een gesprek,’ zoals hij het later uitlegt. Het begint als een nostalgische terugblik op zijn jeugd.

Een van de hoogtepunten van de zomervakanties was het jaarlijkse tuinfeest van een weeshuis in de buurt van zijn thuis aan Menlove Avenue, in Liverpool. ‘Strawberry Field (John voegde de ‘s’ toe) was een groot Victoriaans gebouw te midden van een uitgestrekte bos, aan Beaconsfield Road. Sinds 1936 bood  het Leger Des Heils er opvang voor weesjongens. De gotische architectuur van het huis en het mysterieuze van de bossen fascineerde de kleine John.

Na een tijdje ontdekte hij een manier om ongemerkt op het terrein te komen. Het werd een favoriete schuilplaats. Het was een plek waar hij alleen kon zijn en zijn verbeelding de vrije loop kon laten gaan.

In 1995 licht Paul toe: ‘Ik heb ergens gelezen dat iemand Strawberry Field omschreef als een saaie, grauwe plek. En dat het enkel in Johns verbeelding een mooie plaats was. Maar in de zomers was het er niet saai of grauw: het was een geheime tuin. John dacht helemaal niet aan dat weeshuis. Er was een plekje waar je over de muur kon klimmen en dan kwam je in een verwilderde tuin. Helemaal niet onderhouden. Het was zoiets als de tuin in The Lion, the Witch and the Wardrobe [van de Narnia films] en zo zag hij het ook. Het was een plaats waar hij zich kon verstoppen, om wat te gaan roken, wat te dromen. Een plek waar hij kon ontsnappen.’

Door de romantische associaties wordt Strawberry Field een symbool van zijn verlangen om zich terug te trekken. Het versterkt het  gevoel dat hij op de een of andere wijze anders is dan zijn tijdgenoten. ‘Ik was altijd al hip,’ verklaart John in 1968, ‘Ik was hip in de kleuterklas. Ik was anders dan de anderen. Heel mijn leven ben ik al anders.’ ‘Niemand zit op zijn golflengte’, verwoordt hij als: ‘No one I think is in my tree/ I mean it must be high or low’.

Meteen probeert hij zichzelf gerust te stellen: ‘That is, I think, it’s not too bad’.

‘Ik was te verlegen en twijfelde aan mezelf. Niemand was zoals ik. Dus moest ik gek zijn of geniaal: ‘I mean it must be high or low’. Er was iets mis met me, dacht ik, omdat ik dingen zag die anderen niet zagen.’

In het volgend couplet probeert hij te omschrijven hoezeer de aanpassingsproblemen aan hemzelf te wijten zijn: ‘Always, no sometimes think it’s me’.

Hij is hier nog maar amper mee begonnen, of hij corrigeert zichzelf al. Het lijkt heel sterk op spreektaal, op iemand die iets probeert te formuleren, terwijl hij er over nadenkt.

Ook even verder, nadat hij beweerd heeft het verschil tussen realiteit en droom te kennen, herziet hij zijn uitspraak, opnieuw midden in een redenering: ‘I think I know, I mean …” voordat hij haast wanhopig roept: ‘but it’s all wrong.’ Meteen vindt hij ook dat weer te sterk uitgedrukt, dus gaat hij verder: ‘That is, I think I disagree.’

 Dan vat hij het refrein aan: ‘Let me take you back to Strawberry Fields.’ Terug naar zijn kindertijd. Een tijd waar ‘nothing is real.’  Later maakt hij er ‘take you down’ van.

Demo’s

In het huurhuis in Santa Isabel, neemt John een zestal demo’s op van het nummer, onder de werktitel ‘It’s Not Too Bad’. In totaal zowat 8 minuten opnamen. John bespeelt daarbij een klassieke gitaar met nylon snaren.

W anneer John en Cynthia, begin november terugkeren naar huis, ziet de toekomst van The Beatles er zeer onzeker uit. ‘Ik dacht:  dit is het einde. Geen tournees meer… ik begon er over na te denken wat ik nu moest doen. Een leven zonder The Beatles: hoe zou dat zijn? De zes weken [in Spanje] had ik daar over nagedacht.’

Maar Paul ziet het helemaal anders. Hij wil verder met de groep. Hij wil opnieuw de studio in – dat nieuwe contract, daar zorgt Brian Epstein wel voor. Hij wil een plaat maken die nog sterker is dan Pet Sounds van The Beach Boys. ‘Ze waren het beu om de gevangenen te zijn van hun eigen roem,’ weet George Martin. ‘De Nieuwe Plaat zou een een pure studiocreatie zijn. Ze hoefden de songs helemaal niet live te kunnen brengen.’ Alles kan voortaan: blazers, strijkers, exotische instrumenten…

John begint meteen te experimenteren met verschillende manieren om het nummer op band te zetten. In zijn muziekkamer in zijn huis in Weybridge, probeert hij eerst een basistrack te maken met zang en zijn elektrische Epiphone Casino gitaar. Vijf pogingen die zijn bewaard, raken niet verder dan de derde regel: “No one I think is in my tree”.

Aan die opname voegt hij dan allerlei overdubs toe: zang, fingerpicking Casino gitaar en mellotron. Twee van deze demo’s worden in 1996 uitgebracht op Anthology 2 van The Beatles.

Daarop staat ook één volledige versie, op zacht aangeslagen elektrische gitaar. De strofe die begint met “Living is easy…” is nog niet geschreven. Op de take is ook een orgel te horen, dat John er later bij heeft gevoegd.

Opnamen

De eigenlijke opnamen beginnen in studio 2 aan Abbey Road in Londen,

Op donderdag 24 november 1966 beginnen de opnamen voor Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Voor het eerst hebben ze geen voorgeschreven datum waarop de plaat af moet zijn. Zij  bepalen dus zelf het tempo en kunnen net zo lang aan een nummer werken tot zij vinden dat het af is.

‘Strawberry Fields’ is het eerste nummer waaraan gewerkt wordt. John toont het nummer aan de anderen door het voor te spelen op zijn akoestische gitaar. Hij heeft de tekst uitgebreid met een nieuwe strofe “Living is easy …”. Die komt helemaal aan het begin.

Na uitgebreide repetities beginnen The Beatles aan de eerste take.

Paul slaat meteen al aan het experimenteren: hij wil fluit spelen, op een mellotron. ‘Een vreselijk instrument is dat eigenlijk,’ licht producer George Martin toe. ‘Het was een voorloper van de synthesizer, al zou had het meer gemeen met een sample apparaat. Het geluid dat we gebruikten op ‘Strawberry Fields’ was bedoeld als een echte fluit, maar geen enkele fluitist zou zo kunenn spelen! Het was een fantastisch geluid en je kunt je het niet meer wegdenken. In plaats van de Mellotron te gebruiken om authentieke instrumenten te imiteren, namen we het zoals het was en dat was eigenlijk veel interessanter.’

Op die eerste take horen we behalve Paul op de mellotron, de zang en gitaar van John, George speelt bas op de laagste snaren van een elektrische gitaar en Ringo natuurlijk drums.

Deze basistrack wordt vervolgens aangevuld met tomtoms, maracas, slide gitaar op Stratocaster (George) op spoor 2, een tweede keer zang van John, plus mellotron van Paul op spoor 3 en tenslotte nog eens zang van John (voor het refrein) en woordenloze harmonies door John, Paul en George.

Na het weekend, op 28 november, keren the Beatles terug naar de studio om een nieuwe versie op te nemen van ‘Strawberry Fields Forever’. Op aandringen van George Martin begint het nummer nu met het refrein. Paul speelt nu ook voor het eerst de mellotron-intro whoo-whoo, whoo-whoo, whoo-whoo, hoo-oo

Take 2 is een basis-track, gespreid over twee sporen. Take 3 is een valse start, maar take 4 is volledig. In eerste instantie speelt John niet mee. De basis-track wordt opgenomen met drums, mellotron en maracas. Dan voegt George elektrische gitaar toe, bespeeld in de fingerpicking stijl, op spoor 2. Op spoor 3 staan Paul op bas en John met enkele aflopende swoops van de mellotron, plus George die slide speelt op zijn Stratocaster.     Pas op spoor 4 komt de zang van John. Die wordt versneld opgenomen.

Van take 4 worden daarna 3 mono-mixen gemaakt om er lakplaatjes van te kunnen maken, zodat de mannen thuis kunnen beluisteren wat ze hebben opgenomen. 

De volgende dag wordt vroeg opnieuw begonnen. Take 5 is opnieuw een valse start. Take 6 is weer een volledige track, ongeveer zoals take 4, alleen in een wat hoger tempo. Tevreden met dat resultaat wordt een eerste mix gemaakt, zodat het geheel kan worden overgezet op een nieuwe take 7, waarbij wat sporen vrij komen. Hierop komen dan andere overdubs: Lennon’s zang, piano’s en bas. Deze versie wordt aangeduid als beste en er worden dan weer drie mono-mixen van gemaakt.

De volgende dagen wordt er gewerkt aan een nummer van Paul: ‘When I’m 64’, een nummer in vaudeville-stijl dat nog dateert uit de Cavern Club dagen, toen The Beatles het nummer brachten wanneer de versterkers uitvielen.

Wanneer dat klaar is, vertelt John aan George Martin dat hij niet echt tevreden is over de opnamen (“too heavy”) en dat hij het nog eens wilde proberen, in een sneller tempo en misschien met de hulp van andere muzikanten.

Op 8 december, om 19 uur beginnen de opnamen voor een nieuwe basistrack. Omdat George Martin en Geoff Emerick naar de première van Cliff Richards nieuwe film Finders, Keepers moeten, beginnen the Beatles alvast te werken met geluidstechnicus Dave Harries.

Ze profiteren van de situatie om eens lekker wild te gaan doen: Ringo tracht moedig het ritme erin te houden met zijn drums, John en Paul spelen bongo’s en George en Paul hebben pauken aangesleept. Zelfs de roadies mogen meedoen: Neil Aspinall schraapt over de grond, terwijl Mal Evans schudt met een tamboerijn en Terry Doran de maracas mishandelt… Ondertussen wordt er geroepen  (‘Tell you… What?’), gelachen (‘Ho, huh-huh. Can you hear… buh, da-da dup…’) en gemompeld (‘Cranberry sauce. Cranberry sauce. My mother made it for me.’).

Wanneer George en Geoff om 23 uur binnenwandelen vinden ze de studio in chaos. Martin beveelt: ‘Zo kan het wel weer, jongens.’

Wanneer om 20 voor 4 ‘s nachts de opnamen afgelopen zijn, staan er vijftien nieuwe takes op band: takes 9 tot 24, waarvan elf volledige. Het zijn allemaal enkel instrumentale opnamen.

George Martin heeft dan bovendien al een nieuwe backingtrack samengesteld, door twee van de onvolledige takes, takes 15 en 24 aan elkaar te plakken.

Hiervan maakt Martin dan de volgende dag een tape reductie naar take 25. Hiervoor brengt hij de drums, bongo’s, pauken, maracas en tamboerijn allemaal samen op spoor 1. Hierdoor hebben ze weer drie nieuwe sporen om op te werken. Op spoor 2 komt svaramandal, een soort Indische harp – een klusje voor George, plus nog meer percussie, waaronder stevige drumwerk van Ringo.

Hiervan wordt een mono mix (RM4) gemaakt zodat er weer lakplaatjes van kunnen worden getrokken.

Daarna worden, met de grootste zorg cimbalen toegevoegd aan spoor 2. Om een andere klank te krijgen wordt het geluid echter achterstevoren afgespeeld.

Aan de hand van dit plaatje kan George Martin, op aanwijzingen van John, een arrangement schrijven voor de blazers en strijkers.

De studiomuzikanten die op 15 december hun opwachting maken zijn vier trompettisten en drie cellisten. Samen vullen ze sporen 3 en 4, zodat take 25 opnieuw helemaal vol is.

Daar wordt take 26 van gemaakt, waardoor opnieuw twee sporen vrij komen voor Johns zang. Na het inzingen wordt nog een mono-mix RM9 gemaakt en ‘Strawberry Fields Forever’ is eindelijk klaar.

Alhoewel, op 21 december voegt John toch nog wat zang en piano toe aan take 26.

Maar opnieuw is John nog niet tevreden. Hij vraagt aan George Martin: ‘Kun je het begin van de eerste versie niet aan het eind van de tweede hangen?’

‘Dan hebben we twee problemen,’ antwoordt George: ‘Ten eerste zijn ze in verschillende toonaarden en ten tweede zijn ze in een verschillend tempo. Verder geen probleem, hoor.’
‘Ach, daar zul je wel iets op vinden,’ meent John, ‘Jij kan dat, George.’
George Martin gaat de uitdaging aan. Door monoremix 10 van take 7 wat te versnellen en monoremix 11 van take 26 wat te vertragen kan hij er een master van maken. Een prachtig werkstuk.
De overgang zit precies op 1:00. Let er op en ‘Strawberry Fields Forever’ zal nooit meer hetzelfde klinken.
Oorspronkelijk wou George het einde laten uitsterven, maar omdat hij het laatste stukje zo prachtig vond, fade hij dat weer terug in. Vandaar het ‘valse einde’.

Geen enkel ander Beatlesnummer is zo sterk veranderd tijdens het opnameproces.
In de vier weken waarover de opnamen verspreid lagen, investeerden the Beatles al hun talent en alle trucks die ze de twee jaren daarvoor hadden geleerd in een monumentaal product. Dat verschilde echter zo sterk van het oorspronkelijke akoestische concept dat John in zijn hoofd had, dat hij tot het eind van zijn leven volhield dat ‘Strawberry Fields Forever’ slecht opgenomen was.   

Single

Op 27 januari 1967 tekenen The Beatles een nieuw contract voor negen jaar met EMI. Omdat de platenmaatschappij dringend een nieuwe single vraagt, moet George Martin – onder protest – twee nummers selecteren uit de drie die tot dan toe zijn afgewerkt. De keuze valt op ‘Strawberry Fields Forever’ van John en ‘Penny Lane’ van Paul – toevallig twee songs die gaan over hun jeugd in Liverpool.

Omdat ze de nummers niet live willen of kunnen promoten, wordt de Zweedse regisseur Peter Goldman gevraagd om promofilmpjes te maken voor beide songs. Met een cameraploeg van Don Long Productions maakt hij eerst filmopnamen voor ‘Strawberry Fields Forever’.

Het idee voor het vreemde instrument in de boom, komt van Klaus Voorman (de man die de hoes van Revolver heeft getekend). Tony Bramwell krijgt de opdracht om een geschikte boom te zoeken. Die vindt hij in Kent: in Knole Park, Sevenoaks. ‘We vonden een piano,’ legt Bramwell uit, ‘haalden die uit elkaar en spendeerden uren met telkens weer in en uit die verdomde boom te klimmen. Die glanzende snaren zijn van dat spul dat gebruikt wordt voor Kerstgeschenken.’

‘De wind speelde met die slingers: ze bleven maar uit de boom vallen,‘ vult Goldman aan. ‘Het was een zootje. The Beatles zaten in Johns Rolls Royce. Ze hadden dolle pret. Door een microfoon en een luidspreker moedigden ze ons aan en gaven commentaar.’  

‘Er was niet echt een verhaal,’ gaat Bramwell verder, ‘We probeerden van alles uit: de snelheid van de camera aanpassen en de film achteruit spoelen…’

De volgende dag wordt, opnieuw in Sevenoaks, de scene opgenomen waarin Paul in de boom springt.
Volgens Peter Goldman droegen The Beatles elk zeven verschillende kostuums voor de opnamen. Het is haast allemaal hun eigen kledij. Enkel de rode jassen werden speciaal voor het filmpje gemaakt.

Tijdens een wandeling in het stadje vindt John een circus poster uit 1843. De tekst op de poster gebruikt hij later, zowat letterlijk, voor ‘Being For The Benefit Of Mr. Kite’.

De single met dubbele a-kant verschijnt op 17 februari 1967. Hoewel het een van de allerbeste singles allertijden is, bereikt het plaatje toch niet de top van de Britse hitlijst. Die eer is voorbehouden aan ‘Release Me’ van Engelbert Humperdinck. De geruchten dat ‘The Beatles passé zijn’ blijken echter wat voorbarig.

 

Parchman Farm

 

 

 

 

 

Mose Allison

 

Tegenwoordig lijkt het wel alsof er geen tijdschrift of krant meer verkocht kan worden zonder dat je er een cd of dvd bij krijgt. Humo, De Morgen, Dag allemaal en Flair zijn allemaal voorzien van extraatjes. Britse muziektijdschriften proberen op die manier hun extra hoge prijzen wat dragelijker te maken.

 

Dikwijls zijn die cd’s vooral geschikt om een bierpint op te zetten. Maar af en toe zit er een mooie compilatie bij. Een van de betere was In God’s Country: The Music that Inspired The Joshua Tree. Die cd, samengesteld door Roy Carr en Allan Jones zat in het najaar van 2003 bij Uncut. Er stonden uitsluitend Amerikaanse nummers op uit de jaren dertig tot zestig: blues, country, soul…  

 

Een van de tracks was ‘Parchman Farm’ van Mose Allison. De naam van Mose was ik al eerder tegen gekomen. The Who brachten een stevige live versie van zijn ‘Young Man Blues’ op hun Live At Leeds en The Clash coverden ‘Look Here’ op Sandinista!.

 

Maar er zijn nog meer redenen om de man te kennen: Norah Jones coverde zijn ‘Mercy’, Elvis Costello bracht ‘Everybody’s Cryin’ Mercy’ op zijn Kojak Variety en een ‘Your Mind Is On Vacation’ is een bonustrack op King Of America.  Van Morrison nam zelfs een hele cd met zijn songs op: Tell Me Something: The Songs of Mose Allison. En Black Francis van The Pixies schreef een nummer over hem, toepasselijk getiteld: ‘Allison’ (op Bossanova).

 

En voor wie van country chiks houdt: Amy Allison is zijn dochter.

 

Mose Allison

 

Mose Allison werd geboren op 11 november 1927 in Tippo, Talahachie Country. Tippo is een onooglijk klein dorpje in het hart van de Mississippi Delta. In de jaren zestig stond er een bord aan de grens: “Tippo, Mississippi, Population 50 (not including the blacks)”.
Zijn vader, een vroegere ragtime pianist baatte er een grote katoenboerderij uit en zijn moeder was de plaatselijke onderwijzeres.

 

Vanaf zijn zes jaar volgde hij pianoles, later aangevuld met trompet.

 

“Ik zong en schreef songs vanaf mijn twaalfde. Ik schreef een nummer dat heette ‘The 14-Day Palmolive Plan’ toen ik een jaar of 13 was. Ik speelde het overal, tijdens feestjes en zo. Het ging over reclame op de radio: je zet je radio aan om muziek te horen en, lap, daar heb je alweer reclameblok. Dat was zowat mijn eerste song.”

 

Er is blijkbaar niet veel veranderd op dat gebied.

 

Op de middelbare school richtte hij een Dixieland band op. Na zijn legertijd – als pianist – studeerde hij Engels en filosofie aan de universiteit van Mississippi.

 

Muzikaal ondervond hij invloed van mensen als Bullmoose Jackson, Percy Mayfield, Charles Brown, John Lee Hooker en Sonny Boy Williamson, die hij allemaal aan het werk zag. Zijn grote voorbeeld was Nat King Cole, maar ook hield hij veel van boogie-woogie.

 

In 1950 begon hij professioneel op te treden. “Een vriend had een club in Jackson, Mississippi. Ik trok er naar toe met een kwartet en bleef er een tijdje. Ik dacht, zolang ik er van kan leven blijf ik dit doen.

 

Gelukkig had ik een bassist, Taylor LaFargue, met een auto. En hij was bereid om er mee op zoek te gaan naar optredens. We kenden een aantal drummers, dus redden we gewoon van stad tot stad. Werk zoeken en er dan zo lang mogelijk blijven hangen.

 

Omstreeks ’56 trok ik naar New York. Ik had voor mezelf uitgemaakt dat als ik er iets aan wou overhouden ik naar New York moest trekken. De jazz boom was er volop aan de gang. Er gebeurde dus van alles in New York op dat moment. Het waren opwindende tijden. Natuurlijk ging het moeilijk in het begin: weekend jobs, een optreden hier of daar, tot ik wat naam gemaakt had en het werk kwam.”

 

Hij speelde er eerst bij Stan Getz, daarna bij Gerry Mulligan en dan de Al Cohn-Zoot Sims groep.

 

In 1957, kwam het debuut van Mose Allison: Back Country Suite, waarvan vooral het plaatkant lange titelnummer  opviel: een “Suite for Piano, Bass and Drums”.

 

De muziek klonk zo zwart dat een reporter van Ebony Magazine hem, tijdens een telefonisch interview, vroeg of hij de eerste zwarte was die was afgestudeerd aan de LSU.

 

 

 

 

Local Color

 

De opvolger verscheen in januari 1958:  Local Color ( Prestige OJCCD-457-2). De tien nummers waren op 8 november 1957 opgenomen, in de Van Gelder Studios in Hackensack, New Jersey. Samen met bassist Addison Farmer en drummer Nick Stabulas nam Mose die dag acht instrumentale semi-improvistaies op.

 

“Ik ga nooit zitten om iets op te schrijven. Ik laat de dingen zo een beetje vorm krijgen in mijn brein. Ik sla voortdurend frazen en ideeën op die ik in een song zou kunnen verwerken. Maandenlang doe ik niks en dan schiet ik opens aan het werk. Dan ga ik aan de piano zitten en begin wat te rommelen.”

 

Maar het mooist zijn de twee gezongen nummers die hij die dag op band zette: een cover van ‘Lost Mind’ van Percy Mayfield en dan vooral ‘Parchman Farm’.

 

 

Mississippi State Penitentiary

 

Parchman Farm is de bijnaam voor het Mississippi State Penitentiary, de oudste en belangrijkste gevangenis van de staat Mississippi. Een stevig stuk land van meer dan zevenduizend hectare in Parchman, werd in 1901 afgeschermd om er de criminelen aan het werk te zetten.

De bedoeling was dat de gevangenis zichzelf zou terug betalen of liefst zelfs nog winst maken. Daarom werd het “trusty system” op touw gezet, waarbij slechts een minimum aan betaald personeel nodig was. Voor de bijna vijfduizend gevangenen waren er slechts honderdvijftig personeelsleden. Daarnaast werd er een hiërarchie in het leven geroepen waarbij gevangenen macht kregen over hun medegevangene. Sommigen mochten zelfs wapens dragen.

Het leven was er ongemeen hard voor de overwegend zwarte bevolking. Vernederingen waren dagelijkse kost, maar ook  mishandeling, verkrachting en moord kwamen veel voor.

Pas in 1972 werd het systeem afgeschaft.  

 

Een aantal blueszangers “logeerden” er een tijdje. Bukka White schreef ‘Parchman Farm Blues’ over zijn ervaringen en ook ‘The Midnight Special’ vond er zijn oorsprong.  De Midnight Special was een trein die de bezoekers naar de gevangenis bracht. Volgens de legende kon een gevangene die door de koplichten van de trein werd beschenen binnenkort zijn vrijlating verwachten.

En dat was dan weer de basis voor Dylan’s eigen interpretatie, als ‘I Shall Be Released’.

Parchman Farm

Well I’m sittin’ over here on Parchman Farm.  
Well I’m asittin’ over here on Parchman Farm.  
Well I’m asittin’ over here on Parchman Farm,
An I ain’t never done no man no harm..

Well I’m puttin’ that cotton in a ‘leven foot sack.
Well I’m puttin’ that cotton in a ‘leven foot sack.
Well I’m puttin’ that cotton in a ‘leven foot sack,
With a twelve-gauge shotgun at my back.

I’m sittin’ over here on Number Nine.
I’m sittin’ over here on Number Nine.
Well I’m sittin over here on Number Nine,
And all I did was drink my wine.

Well I’m gonna be here for the rest of my life.
I’m gonna be on this farm for the rest of my natural life.  
Well I’m gonna be here for the rest of my life,
And all I did was shoot my wife.

I’m sittin’ here on Parchman Farm…. 

‘Parchman Farm’ wordt gezongen vanuit het standpunt van een dwangarbeider in de meedogenloze  gevangenis.

Drie strofen lang laat de verteller ons geloven dat hij ten onrechte veroordeeld is tot dat harde, eindeloze werk. “Ik heb nooit iemand kwaad gedaan,” vertelde hij ons. “Ik had gewoon wat gedronken”. Het lijkt haast een protestsong. 

Hoe hebben ze die arme man voor iets onbenulligs kunnen opsluiten. Dat is toch niet eerlijk…

Maar dan komt de aap uit de mouw: “De rest van mijn leven zal ik hier zitten en al wat ik gedaan heb is mijn vrouw doodschieten.”

Korte pauze en dan terug ” I’m sittin’ here on Parchman Farm….”

Verdorie, hij had ons liggen. In feite is het een gewetenloze smeerlap die zijn vrouw heeft vermoord en vind dat hij voor zo’n akkefietje niet had mogen worden gestraft.

In de hoesnota’s bij de uitstekende recente Rhino compilatie Allison Wonderland: The Mose Allison Anthology geeft Patti Jones wat uitleg: “Nee, Mose heeft nooit gezeten – het is gewoon pure fictie gebaseerd op de levensechte gevangenis in de buurt van waar hij opgroeide. Hij bezocht er ooit een vriend die er een straf uitzat. Net als andere van zijn “katoenzak” songs, weigert hij dit nummer nog te brengen.  De regel “all I did was shoot my wife” was ironisch en humoristisch, maar hij vindt het nu niet grappig meer.”

Net als Randy Newman een paar keer heeft mogen ervaren, nemen sommige luisteraars de tekst letterlijk. Zij vinden het werkelijk schandalig dat de man daarvoor de gevangenis is ingevlogen. Hij wil dit soort mensen niet aanmoedigen en heeft het uit zijn repertoire geschrapt.

 

 

 

Misschien nog mooier is de versie van Bobbie Gentry op haar prachtige tweede elpee The Delta Sweete.  Ze brengt de tekst haast woordelijk, zoals Allison hem heeft geschreven. Alleen I wordt he. Ze zingt dus dat haar man is opgesloten in de Parchman Farm. De laatste regel wordt dus: “All he did, was shoot his wife.” Waarmee ze hem meteen een motief geeft voor de moord.

 

Prachtig toch?

 

 

Volgende pagina »