instrumenten


Rock

Gitaarmerken als Gibson en Martin, die eerst niet geïnteresseerd waren in de 12-snarige gitaar, willen nu toch een graantje meepikken van de folk boom. Niets te vroeg, want in 1964 is de rage voorbij. De Amerikaanse jeugd valt massaal voor The Beatles. Folkmuziek moet plaats maken voor de Britse beatgroepen. Rickenbacker speelt daar handig op in. Wanneer John, Paul, George en Ringo in februari 1964 voor het eerst in Amerika zijn, gaat  Francis C. Hall, de eigenaar van de Rickenbacker fabrieken hen persoonlijk opzoeken. Hij biedt hen gratis versterkers en gitaren aan. Maar hij is niet alleen gekomen. Hij heeft Jean “Toots” Tielemans en gitaarleraar Tony Saks mee. Eeen van de gitaren die hij hen aanbiedt is een prototype van een elektrische 12-snarige gitaar: de ’63 Rickenbacker 360-12 De Lux. Het instrument is eigenlijk bedoeld voor country artiesten, maar wanneer The Beatles er mee op TV komen, is dat goed voor de zaken…

George vertelt: ‘Het was in 1964 dat ik die gitaar kreeg, in het Plaza Hotel in New York. We waren daar voor de Ed Sullivan shows. Ik was er meteen weg van. Ik wist onmiddellijk wat elke snaar was. Sommige 12-snarige ben je uren zoet mee om ze te stemmen. Je draait aan de verkeerde knoppen en zo… het zijn e rook zoveel. Dus gebruikte ik hem onmiddellijk bij de volgende sessie, na de eerste tournee van the Beatles in Amerika. Het was waarschijnlijk ‘Hard Day´s Night’. Je hoort hem al direct bij de intro, dat akkoord. En dan op ‘I Should Have Known Better’, zowat alle nummers van Hard Day´s Night. Het laatste Beatles nummer waarop ik de 12-snarige Rickenbacker gebruikte was, dacht ik,  ‘Ticket To Ride’ [van Help!].’

 

Natuurlijk willen anderen ook die klank. Een van de eersten is Mike Pender van The Searchers: ‘Chris Curtis en ik zochten iets nieuws voor onze volgende single, ‘When You Walk In The Room’. Toen ik George Harrison op TV zag met zijn Rick, moest ik er rook één hebben – die klank!’

Ook in Amerika zijn er volgelingen. Wanneer Jim McGuinn de Beatlesfilm ziet, is ook hij meteen weg van Georges elektrische 12-snarige gitaar. Hij gaat meteen op zoek. De folkie verandert zijn naam in Roger McGuinn en gaat voortaan rock spelen. De combinatie van een tekst van Bob Dylan, met de beat van The Beatles blijkt een gouden zet. ‘Mr. Tambourine Man’ vliegt naar de top van de hitlijsten. Het enige instrument dat The Byrds zelf bespelen, is McGuinns 12-snarige Rickenbacker.

In 1965 lijkt een 12-snarige gitaar onmisbaar voor een hitsingle: The Hollies met ‘Look Through Any Window’, The Rolling Stones met hun eigen versie van ‘As Tears Go By’, of The Beatles zelf met ‘Ticket To Ride‘ en ‘If I Needed Someone’. Voor live uitvoeringen van ‘For Your Love’ bespeelde Eric Clapton een 12-snarige gitaar om de klavecimbelsolo te vervangen.

 

 

The Who hinkt wat achterop want zij komen pas in 1966 met ‘Substitute’.

Daarna zijn het toch vooral weer de folkies, of zoals ze nu heten, de singer-songwriters die de akoestische 12-snarige koesteren: Paul Simon, John Phillips (intro van ‘California Dreaming’), Tim Buckley, Gordon Lightfoot, Leo Kottke, … en David Bowie (‘Space Oddity’).

Dubbele hals.

Gitaren met een dubbele hals bestonden al decennialang. In de jaren dertig en veertig doken de eerste types op in de swingorkesten. Het betrof dan de combinatie van een akoestische en een steelgitaar. In 1958 kwam Gibson met de EDS-1275, waarbij een 6- en een 12-snarige gitaar warden gecombineerd. In 1962 werd dit model aangepast tot een elektrische gitaar met vaste body. Dit instrument werd in de jaren zeventig populair bij rockers die nummers met een folk inslag combineerden met het geweld van een rocksong. In de studio kan dat allemaal perfect worden ingespeeld, maar live is er geen tijd om van gitaar te wisselen, midden in een song.

Jimmy Page gebruikt een 12-snarige op songs als ‘Stairway To Heaven,’ ‘Over The Hills’, ‘The Rain Song’ en ‘The Song Remains The Same.’

 

Andere (over)bekende songs uit deze periode, met een prominent gebruik van de 12-snarige gitaar: ‘A Horse With No Name’, van America , ‘More Than A Feeling’ van Boston, ‘Wish You Were Here’ van Pink Floyd, ‘Hotel California’ van The Eagles en ‘Give A  Little Bit’ van Supertramp.

 

Pete Seeger

Folk

De titel King of the 12-String gaat dan ook naar Lead Belly. Huddie Ledbetter wordt in 1888 geboren op een kleine boerderij in Louisiana. Als tiener trekt hij er weg, op zoek naar een beter leven. Onderweg neemt hij alle mogelijke werk aan. Tussendoor leert hij piano, concertina, mandoline en gitaar bespelen. Omstreeks 1912 kan hij een 12-snarige Stella gitaar op de kop tikken in een pandjeswinkel in Dallas. Het instrument blijkt hem erg te liggen.

Maar de man heeft ook een kort lontje en in 1917 wordt hij veroordeeld wegens moord. Er wacht hem dertig jaar dwangarbeid. Door hard te werken en zijn muzikale gaven wordt hij een van de populairste gevangenen. Wanneer hij verneemt dat de gouverneur op bezoek zal komen, schrijft hij een nummer waarin hij om gratie verzoekt. Het werkt en in 1924 is hij opnieuw vrij. Zijn vrijheid blijkt van korte duur, want zes jaar later belandt hij opnieuw achter de tralies. Dit keer krijgt hij tien jaar dwangarbeid.

Opnieuw is het de muziek die hem er uit helpt. Folklorist John Lomax meent dat in gevangenissen de meest authentieke folk muziek kan worden aangetroffen, omwille van de geïsoleerde situatie waarin de gevangenen zich bevinden. Wanneer hij, samen met zijn zoon Alan Lomax, Lead Belly “ontdekt” in de gevangenis van Louisiana, zijn beiden zeer onder de indruk. Zij slagen er in de man vrij te krijgen, door te beloven hem in vaste dienst te nemen, als chauffeur en contactpersoon met de zwarte bevolking. Later trekken ze naar het noorden om lezingen te geven, waarbij Ledbetter dan enkele nummers uit zijn uitgebreide repertoire speelt.

Wanneer ze in New York aankomen springt de pers echter op het verhaal. Promotoren komen met voorstellen voor concerten. Iemand wil zijn leven zelfs verfilmen. Al snel volgen er discussies over het geld en Huddie gaat in zijn eentje verder. De zwarte bevolking van Harlem blijkt niet geïnteresseerd in de oude folk en blues songs. Linkse, blanke intellectuelen uit Greenwich Village echter wel. Lead Belly wordt er de ster voor de vooroorlogse folk beweging. Hij trekt op met mensen als Woody Guthrie, Pete Seeger en Josh White.

Na het overlijden van Huddie Ledbetter, in december 1949, is er niemand die zijn rol overneemt. De 12-snarige gitaar dreigt te verdwijnen.  Als eerbetoon aan zijn collega en vriend, neemt Pete Seeger neemt met zijn groep The Weavers een cover op van diens ‘Good Night Irene’. Het wordt een enorme hit en bereikt de top van de hitlijsten.  Op de versie van The Weavers is echter geen 12-snarige gitaar te horen. Pete Seeger bespeelt dan nog vooral de 5-snarige banjo.

In de eerste helft van de jaren vijftig wordt de populariteit van de eerste folk revival in de kiem gesmoord door de blinde Communistenjacht van de republikeinse senator Joseph McCarthy. Folk muzikanten hebben de reputatie linkse sympathieën te hebben. Ze zijn dus hoogst verdacht. McCarthy zet de pers en de media onder druk. Iedereen met een een uitgesproken mening wordt verbannen van radio en TV, promotoren zeggen optredens af… Kortom: de meeste muzikanten kunnen beter uitkijken naar een andere job.

In 1958, komt echter een tweede folk revival op gang. Het Kingston Trio brengt een zeer aaibare versie van een heel oud nummer: ‘Hang Down Your Head, Tom Dooley’.  Hun folk is grondig opgekuist. Keurige samenzang is de norm. Folk is radiovriendelijk geworden. Dat geldt ook voor The Rooftop Singers, die in 1963 doorbreken met ‘Walk Right In’. The band is speciaal opgericht om een nieuwe versie op te nemen van het oude nummer van Gus Cannon. Initiatiefnemer is Eric Darling, een van de mannen uit The Weavers. De klank van ‘Walk Right In’ wordt naast de zang, vooral gekenmerkt door de 12-snarige gitaren, bespeeld door beide gitaristen:  Eric Darling dus en Bill Svanoe. De daaropvolgende maanden  wordt de 12-snarige het folk instrument bij uitstek.

Dat is vooral de verdienste van Pete Seeger. Wanneer zijn carrière op een laag pitje komt te staan, als één van de vele slachtoffers van McCarthy, legt hij zich toe op de studie van de 12-snarige gitaar. “Ik was zowat 30 toen Lead Belly stierf,” vertelt hij in 2002 aan Acoustic Guitar. “Vele mensen vroegen me toen: ‘Waarom leer jij niet 12-snarige gitaar spelen?’ Een vriend hielp me op weg door te beginnen met de Travis methode. Ik leerde dus wat van Lead Belly’s stijl en wat van (Merle) Travis methode. Lead Belly speelde geen moeilijke akkoorden, maar man, wat kon hij een prachtige baslijnen verzinnen.”

Seeger kan het niet laten: “Mijn  basisfilosofie is dat ik een leraar ben. Ik leer de mensen om mee te doen, of het nu gaat om banjo’s of gitaren of politiek, of om het even wat.” Net als hij eerder met de banjo heeft gedaan, schrijft ook nu weer een handboek: A Folksinger’s Guide to the 12-String Guitar as Played by Leadbelly.

Hij trekt door het land om workshops te gaan geven. Aan al wie dat wil geeft hij lessen op de banjo en de 12-snarige gitaar. Op die manier komt een nieuwe generatie in contact met de folkmuziek. Mensen als Jim McGuinn, Bob Gibson, Dick Rosmini en Fred Gerlach ontdekken de 12-snarige gitaar door Seeger.

Het mooiste voorbeeld van zijn invloed is het nummer ‘Turn Turn Turn’’ In 1963 is Jim McGuinn is door Judy Collins aangetrokken om arrangementen uit te werken voor haar derde elpee. Met zijn vorige groep, The Limeliters, heeft hij een onuitgegeven nummer van Pete Seeger opgenomen:  ‘To Everything There Is a Season”. Dit keer bedenkt hij een ‘Bach-achtige riff’ op 12-snarige gitaar. De song wordt omgedoopt tot ‘Turn Turn Turn’. Maar de echte hitversie brengt hij twee jaar later zelf, als derde single van zijn nieuwe folkrock groep, The Byrds.

Seeger zelf gebruikt de kracht en het nieuwe van de 12-snarige gitaar om maximaal aandacht te trekken voor de boodschap die hij wil overbrengen met ‘We shall overcome’, een hit in 1963.

12-snarige gitaar

Hoewel het muziekinstrument niet eens zo oud is, is er geen zekerheid over de precieze herkomst van de 12-snarige gitaar. Vast staat dat het instrument is ontstaan in de Verenigde Staten, aan het einde van de 19de eeuw. In die periode wordt er driftig geëxperimenteerd met het bouwen van allerlei nieuwe instrumenten. Patentbureaus worden bedolven onder de aanvragen. Vooral varianten op bestaande snaarinstrumenten zijn daarbij erg populair.

Het ontstaan zou het resultaat kunnen zijn van een experiment, naar analogie van andere dubbel besnaarde instrumenten. Sommigen verwijzen daarbij naar Mexico, waar zulke instrumenten niet ongewoon zijn in mariachi orkesten. Anderen menen dan weer dat Italiaanse immigranten hun inspiratie haalden bij de luit.

Mogelijk begint de geschiedenis in Columbus, Ohio. Daar woont ene Carl E. Brown. De man is een nogal prettig gestoorde uitvinder van merkwaardige muziekinstrumenten. Hij heeft zich tot doel gesteld instrumenten te bedenken die het voor amateurs gemakkelijker maken om muziek te spelen. Zo bedenkt hij een aantal varianten op de citer (een van oorsprong Duits snareninstrument), waarbij hij veelal het aantal snaren reduceert tot drie of vier. Een van zijn bedenkingen is de Harp-o-chord, een merkwaardige combinatie van harmonica en citer.

Op 8 februari 1896 vraagt meneer Brown patent aan voor van de zogenaamde Harp-Guitar. Hij noemt het combinatie van “mandoline(!) en gitaar”. Vreemd genoeg zoekt hij het dit keer in het verdubbelen (!) van een aantal snaren, waardoor “het veel eenvoudiger is dan een gitaar,” zo stelt hij. “De melodie wordt met de duim aangeslagen op de dubbele snaren, terwijl de begeleiding gespeeld wordt met de vingers (en de duim wanneer die niet bezet is) op alle beschikbare snaren.”

Inspelend op de wijze van spelen van de meeste amateurgitaristen, verdubbeld hij dus de vier laagste snaren, zodat ze een veel breder bereik ter beschikking krijgen, gewoonweg door de snaren van boven naar beneden aan te slaan, of integendeel net van beneden naar boven.

Het volgend jaar al brengen twee fabrikanten de 10-snarige gitaar op de markt: Gordon uit New York en Grunewald uit Louisiana. Een paar jaar later komt een concurrerende firma, Holzapfel & Beitel, uit Baltimore, Maryland met een verbeterde harp-gitaar: een groter, 12-snarig instrument. Omstreeks 1904 schakelt Grunewald ook over op de 12-snarige versie. In advertenties wordt gepocht met “The Grunewald Harp-Guitar: A New Invention!” met  “Twice the Tone of any Guitar.”

Net als de andere nieuwigheden, de 7- en 11-snarige gitaren, slaat het 12-snarige variant echter nooit echt aan. Dat blijkt wel uit het feit dat de grootste gitaarbouwers, Martin en Gibson, geen eigen versie op de markt brengen. Een aantal instrumenten belandt dan ook in pandjeshuizen, waar ze worden opgepikt door de minder bemiddelden: straatmuzikanten bijvoorbeeld, die door de extra mogelijkheden, een tweede man kunnen uitsparen.

De firma Stella, uit New Jersey pikt daar op in en fabriceert goedkope, maar stevige 12-snarige gitaren, die via postorder kunnen besteld worden. Hun 12-snarige gitaren zijn bovendien een stuk groter dan die van de concurrentie, waardoor ze veel harder klinken – een enorm voordeel om over het geroezemoes van de stad heen te komen.

Atlanta Blues

In Walnut Grove, Georgia, leren twee broers, Robert en Charley Hicks gitaar spelen van de moeder van een vriendje. In 1923 trekken ze naar Atlanta, waar ze hopen werk te vinden. Robert wordt kok bij Tidwell’s Barbecue.  Zijn karige loon vult hij aan met optredens. Enkele maanden na zijn aankomst ruilt hij zijn gewone gitaar in voor een twaalfsnarig exemplaar, dat hij bespeelt in de bottleneck-stijl.

Een talentscout van Columbia merkt hem op en in maart 1927 neemt hij zijn eerste 78-toerenplaat op: ‘Barbecue Blues’. De platenmaatschappij doopt hem dan maar meteen om in Barbecue Bob en laat hem kokskledij aantrekken voor de publiciteitsfoto. Het plaatje slaat aan en met 15 000 verkochte exemplaren wordt hij de best verkopende artiest van Columbia, tot dan toe.

Hij slaagt er in het succes te bestendigen met ‘Mississippi Heavy Water Blues’, geïnspireerd op de recente overstromingen. Hij neemt alles samen zo’n zestig plaatkanten op, waarvan ‘Motherless Child Blues’ het bekendst is, dank zij een cover door Eric Clapton.

Robert sterft in 1931, aan tuberculose, amper 29 jaar oud. Hoewel zijn carrière kort is, is hij van grote invloed op Atlanta-bluesmuzikanten als Curley Weaver en Blind Willie McTell.

William McTell werd waarschijnlijk blind geboren, in 1898, in Thompson, Georgia. Mogelijk als William McTier.  Hij kan zich echter prima behelpen. Na de dood van zijn moeder, die hem gitaar leerde spelen, sluit hij zich aan bij een rondtrekkend circus of  trekt rond in het gezelschap van een andere blues muzikant Buddy Moss, op zoek naar plaatsen om op te treden.

Omstreeks 1922 vestigt hij zich in Atlanta, waar hij in de blindenschool braille leert lezen.

Aangespoord door het succes van Barbecue Bob schakelt hij in 1927 over op de 12-snarige gitaar. Binnen de kortste keren wordt hij een meester op het instrument. Hij speelt zowel in de fingerpickingstijl als slide, waardoor het lijkt alsof hij twee instrumenten tegelijkertijd bespeelt. De platenmaatschappij Victor laat hem acht plaatkanten opnemen, waaronder ‘Statesboro Blues’. Door voor verschillende labels op te nemen onder pseudoniemen als Georgia Bill, Hot Shot Willie, Barrel House Sammy en Pig ‘n’ Whistle Red slaagt hij er in om zichzelf en zijn vrouw in hun levensonderhoud te voorzien, als beroepsmuzikant.

De Grote Depressie van de jaren dertig nekt de meeste muzikanten, waardoor McTell terug straatmuzikant moet worden. In 1940 maakt Alan Lomax opnamen van hem en in 1949 krijgt hij een contract bij Atlantic. Het succes blijft echter uit en Willie overlijdt in 1959, net te vroeg om weer te worden opgepikt in de folk en blues revival. Daardoor duurt het lang eer Blind Willie McTell de erkenning krijgt die hij verdient.

Hoewel een banjo er op het eerste gezicht een beetje uitziet als een ietwat rare gitaar is het eigenlijk een heel ander soort instrument. In essentie is een banjo een drum: een drum met snaren. Daarom is de wijze van bespelen ook helemaal anders. Een gitarist tokkelt: hij plukt aan de snaren van beneden naar boven, terwijl een banjospeler “slaat” met de achterkant van de nagels, met een beweging richting de vloer.

 

Er zijn zelfs twee geheel verschillende speelwijzen voor de banjo.

Bij clawhammer of “oldtime” gebruikt de speler enkel de duim en de wijs- of middelvinger van zijn rechterhand.

 

de clawhammer techniek

 

Ofwel worden er plastic of metalen fingerpicks op de vingertoppen geplaatst. Bij deze techniek gebruikt de speler, behalve de duim, drie vingers. Dit levert een veel drukker geluid op, dat vooral bij bluegrass erg populair is.

 

de fingerpicks techniek

 negro-playing-banjo

Herkomst

Midden 18de eeuw was de banjo het instrument van de zwarte slaven. Het was terug te vinden op elke plantage in Maryland en Virginia. “Een uniek instrument is de banjar,” getuigt ene Thomas Jefferston, wanneer hij in 1781 het leven van de slaven op een plantage in Virginia beschrijft. “Die hebben ze mee overgebracht uit Afrika,” concludeert hij.

 

Verdere studie leert echter dat de eerste beschrijving van een banjo-achtig instrument helemaal niet uit het Appalachengebregte stamt, maar uit Martinique. Daar dook de banjo ruim een eeuw eerder op: in 1678. Later volgen nog getuigenissen uit Jamaica (1869) en Barbados (1708).

 

Vanaf het begin van de 17de eeuw werden massaal mensen uit West-Afrika naar de Nieuwe Wereld  getransporteerd om er te werken als slaven op de plantages. Onder de harde omstandigheden was muziek een van de weinige dingen die hun troost kon bieden. In eerste instantie was dat zang, met begeleiding van percussie. De blanken ervoeren dat tromgeroffel achter als een bedreiging, omdat ze vreesden dat hiermee boodschappen werden doorgegeven. Mogelijk kon zo een opstand worden georganiseerd. Al snel volgde er een algemeen verbod op het gebruik van trommels. 

 

Daarom zochten de slaven naar andere instrumenten. Voor het bouwen daarvan baseerden ze zich op het voorbeeld van de vertrouwde instrumenten uit het thuisland. Ze maakten gebruik van goedkope materialen die in de nieuwe leefomgeving te vinden waren: kalebassen bijvoorbeeld. Dat zijn niet-eetbare pompoenen (in het Engels: gourd) met een harde schil. De vrucht werd uitgehold en met een dierenvel bespannen. Daarop werd dan een lange hals gemonteerd, waarop drie tot vier snaren werden aangebracht.

In verschillende studies wordt gewezen op de overeenkomsten tussen de banjo en de luitachtige instrumenten die door de griots werden bespeeld. De ngoni uit Mali wordt genoemd, de akonting uit Senegal en nog meer exotische namen als de busunde, de kasinta en de ngopata.

Omwille van de bamboestok die dikwijls oorspronkelijk als hals werd gebruikt, kreeg het nieuwe instrument namen als banjar, bangie, banjer, banza of banjo. Of naar de pompoen-klankkast: gourd-banjo.

Echter, naar het voorbeeld van de Spaanse en Portugese snaarinstrumenten, verschenen in de loop van de jaren Westerse vernieuwingen aan de hals: houten pinnen om de snaren aan te spannen en een kam.

 

Na verloop van tijd werd ook de pompoen vervangen. In de plaats kwam een tamboerijn-achtige romp: een ronde klankkast, met aan de voorzijde een strak gespannen vel. Doordat de kam rust op het gespannen vel kan de energie die bij het bespelen van de snaren wordt toegevoerd zeer snel weg. Dit levert een kort maar hard geluid op. Het beklemtoont het percussiekarakter waarnaar de muzikanten op zoek waren ter vervanging van de drums. Het beklemtonen van het ritme is immers essentieel als begeleiding van worksongs. 

 

Honderd jaar lang was de banjo het uitverkoren instrument van de zwarten. Niet alleen tijdens het werk maar ook ter begeleiding van zang en dans ter vermaak. Het cliché van een zwarte jongen of man met strohoedje en een banjo in de hand is in zowat elke Lucky Luke strip terug te vinden.

 

Minstrel shows

In de vroege jaren dertig van de negentiende eeuw ontstond de minstrel show of minstrelsy. Een troep rondtrekkende acteurs en muzikanten brachten vermaak met sketches, parodieën, slapstick, dans en muziek. Een onderdeel van hun show was de blackface act. Blanke mannen kleedden zich in lompen, maakten hun gezicht zwart en imiteerden zo de zwarten. De typische manier van spreken en bewegen, de muziek en de dans van de zwarten werden er uitvergroot tot vermaak van de blanken. Een van de veel voorkomende typetjes was de ex-slaaf die terug verlangde naar de plantage waarin hij was opgegroeid. De boodschap die de minstrels brachten was: ‘je hoeft je geen zorgen te maken om de slaven, die zijn best tevreden met hun lot’. En ook ‘Zwarten horen niet thuis in de noordelijke staten’.

 

Om de “negermuziek” authentiek te laten klinken begonnen ze typische “zwarte instrumenten” als de banjo en de tamboerijn te bespelen.

 

Een van die allereerste blanke banjospelers was Joel Walker Sweeney (1810 – 1860). Hij was, in zijn eentje, misschien wel verantwoordelijk voor de doorbraak van het instrument bij het blanke publiek. Daarvoor had hij wel een paar aanpassingen nodig, zoals een vijfde snaar!

Niet dat die extra snaar een uitvinding van hemzelf was. Er zijn oudere afbeeldingen bekend van vijfsnarige banjo’s. Maar tot dan toe werd die vijfde, veel kortere snaar tot klinken gebracht door de resonantie van het instrument zelf. De bespeler raakte de snaar zelf niet aan.

Sweeney ging de snaar bespelen met zijn duim. Sterker nog: hij ging precies die duimsnaar gebruiken om de melodie te spelen, terwijl hij op de andere vier snaren een begeleiding tokkelde met de vingers. Dit opende geheel nieuwe perspectieven.

 

Een niet onbelangrijk element in de groeiende populariteit van de banjo was het werk van Amerika’s eerste professionele songwriter: Stephen C. Foster (1826 -1864). Vele van de songs die hij schreef voor de minstrels groeiden uit tot klassiekers zoals ‘Oh Susanna’, ‘Swanee River’, ‘Hard Times’, ‘Beautiful Dreamer’ en ‘Camptown Races’.

 

Oh Susanna

 

Camptown Races

 

Een andere songwriter was Daniel D. Emmett (1815-1904). Hij begon als blackface fiddlespeler bij de Virginia Minstrels maar schakelde later over op de banjo. Voor dat instrument schreef hij tientallen songs waaronder ‘Dixie’s Land’. Als ‘Dixie’ groeide het tijdens de Burgeroorlog  (1861 – 1864) uit tot het lijflied van de Confederatie en later van de gehele South.

 

Na die Burgeroorlog bloeide de nieuwe five-string banjo op als het populairste instrument, zowel in de huiskamers van de hogere en middelklasse als op de concertpodia en de schamele huisjes in het Appalachengebergte.

 blacked%20band2

Evolutie

Tot het einde van de 19de eeuw bleef de banjo een heel eenvoudig instrument, enkel geschikt om er een zeer eenvoudige melodie mee aan te geven. Het ontbreken van frets op de minstrelbanjo maakte het erg moeilijk om de juiste toon aan te houden. Hoewel Henry Dobson al in 1878 patent aanvroeg voor een commerciële banjo met frets, duurde het bijna drie decennia eer het concept aansloeg.

Dat gebeurde pas toen de stalen snaren hun intrede deden. Naar analogie van de mandolines waarbij een plectrum werd gebruikt, begonnen banjospeler toen ook te experimenteren. De plectrumbanjo was geboren en de vijfde snaar werd meteen weer overbodig.

 

In de eerste decennia van de twintigste eeuw leidden Europese elementen, onder meer de invloed van de gitaar, tot een meer klassieke speelstijl. Tegelijk ontstonden er allerlei hybride instrumenten waarbij de banjo werd  ‘gekruist’ met een ander snaarinstrument. Op de klankkast van een banjo (vaak met resonator) werd dan de hals van een ander instrument geplaatst. Bedoeling was om het bespelers van andere instrumenten mogelijk te maken gebruik te maken van het penetrante banjogeluid. Dat was vooral zeer gegeerd zolang er nog geen elektrische versterking beschikbaar was.

 

Nergens was zo belangrijk om luid te kunnen spelen als in het drukke nachtleven van New Orleans. De banjo was dan ook perfect om het ritme in de blaasbands te accentueren. Omstreeks 1920 ontstond zo een nieuw genre: Dixieland (ook gekend als New Orleans jazz of traditional jazz).

 

Maar dat was een laatste opflakkering, want eens de elektrische versterkers hun intrede deden waren de gouden jaren van de banjo voorbij. Enkel in het Appalachengebergte bleven five-string banjospelers populair bij de southern dance bands en andere hillbillymuziek. Het publiek genoot er van instrumentalisten als Uncle Dave Macon, Stringbean, Clarence Ashley en The Carter Family met June Carter.

 

Een van de grootste namen was Charlie Poole (1892-1931).

Als jongen had Charlie twee passies: spelen op zijn zelfgemaakte gourdbanjo en baseball. Bijna kwam aan allebei een eind toen hij eens een bal met de blote hand wou pakken, omwille van een weddenschap. Hij hield er een paar gebroken botten in zijn  rechterhand aan over met een permanente vervorming van enkele vingers als gevolg. Poole was echter een doorzetter. Hij bedacht een geheel nieuwe techniek om de banjo te bespelen: de “threefinger picking style”, waarbij hij melodie, arpeggio en ritme wist te combineren

Zijn eerste echte banjo kon hij pas kopen toen hij ging werken in een textielfabriek.

Poole zag in de banjo een uitweg om niet, net als zijn ouders, zijn hele leven te moeten zwoegen in die fabriek. Hij vulde het weinige geld dat hij kon sparen aan met de opbrengst van illegale alcoholstokerij, om zich zo een eersteklas banjo te kunnen veroorloven. Met die Gibson van $200 kon hij professioneel gaan spelen. In 1917 richtte hij, samen met zijn schoonbroer, de fiddelspeler Posey Rorrer, een eigen stringband op: de North Carolina Ramblers. Drie jaar later waren ze een veelgevraagde band op dansfeesten en partijen door het gehele zuidoosten.

Op 27 juli 1925 mochten ze in New York hun eerste plaatje gaan opnemen. Het was meteen raak. Meer dan honderdduizend exemplaren van ‘Don’t Let Your Deal Go Down Blues’ vlogen de deur uit. En dat in een tijd waarin slechts zeshonderdduizend mensen een grammofoon hadden. Charlie Poole werd de eerste countryster.

Hoewel hij zelf nauwelijks songs schreef groeiden vele van de zeventig nummers die hij in de volgende jaren opnam uit tot klassiekers in bluegrass en country: ‘Can I Sleep In Your Barn Tonight, Mister?’, ‘Old and Only In the Way’, ‘White House Blues’…

Toen de depressie de verkoop in elkaar deed stuiken, ging hij graag in op een aanbod van Hollywood om te gaan werken voor de filmindustrie. Hij zou echter nooit in Californië raken. Na dertien weken (!) van fuiven en drinken begaf zijn hart het. Poole werd slechts 39 jaar oud.

 

‘White House Blues’ – Charlie Poole, opgenomen op 20 september 1926 en voor de eeuwigheid bewaard op de Anthology of American Folk Music.

 

 

Revival

Pas in de tweede helft van de jaren veertig, werd de banjo, net als de mandoline, terug opgepikt door bluegrassspelers. Hoewel Bill Monroe zijn eerste Blue Grass Boys band oprichtte in 1939, was het pas zes jaar later dat het genre echt van de grond kwam. Dat was te danken aan de komst van een banjospeler uit North Carolina: Earl Scruggs. De jongeman liet het publiek helemaal uit de bol gaan door zijn razendsnelle solo’s, gespeeld met een geheel eigen drie-vingertechniek. Hiervoor maakte hij gebruik van fingerpicks: een soort plastic of stalen kunstnagels die op de duim en vingers worden geklemd.

Zijn vernieuwende “Scruggs style” banjospel sloeg zo aan dat hij wel gek zou zijn om niet voor zichzelf te beginnen. Samen met Lester Flatt richtte hij The Foggy Mountain Boys op. Hun grootste succesnummer was ongetwijfeld ‘Foggy Mountain Breakdown’, uit 1949. Twintig jaar later werd het instrumentale nummer wereldwijd populair door het gebruik in de film Bonnie & Clyde – over een gansterkoppel in de jaren twintig!

 

‘Foggy Mountain Breakdown’ – Earl Scruggs met Steve Martin

 

Bonnie & Clyde

 

Lester Flatt & Earl Scruggs in de Grand Ol’ Opry Show

 

Drie jaar later schoot, opnieuw dankzij een film, een ander instrumentaal banjonummer naar de top van de hitlijsten: ‘Duelling Banjos’. De oorspronkelijke versie heet ‘Feudin’ Banjos’ en werd in 1955 geschreven door Arthur Smith. Hij nam het zelf op, op een vier snarige plectrum banjo, met Don Reno op een vijfsnarige instrument.

In de thriller Deliverance zien we de acteurs Billy Redden (de hillbilly dorpsidioot op banjo) en Ronny Cox (de Yankee op gitaar). Maar we horen respectievelijk Eric Weissberg en Steve Mandell, in een productie van Joe Boyd.

 

‘Dueling Banjos” uit de thriller Deliverance (1971).

 

 

Maar ook buiten de countrywereld maakte de banjo een comeback vanaf de jaren veertig. Dat was voornamelijk te danken aan Pete Seeger. Hij keerde terug naar de traditionele muziek die nu folk werd genoemd. In 1948 publiceerde hij de eerste versie van zijn boekje, How To Play The 5-String Banjo,  dat groeide uit tot het handboek voor vele generaties banjospelers.

 

 

Dankzij de folkrevival kwamen de oorspronkelijke uitvoerders terug in de belangstelling. Velen van hen kregen de kans om hun oude opnamen nog eens over te doen, met veertig jaar ervaring en veel beter geluidskwaliteit als bonus.

Een van hen was Clarence ‘Tom’ Ashley. Op 23 oktober 1929 zette hij, in Johnson City, Tennessee, de oorspronkelijke versie neer van het aloude ‘The Coo Coo Bird’. Harry Smith had het plaatje in 1952 terug onder de aandacht gebracht op zijn Anthology of American Folk Music.

Maar in 1961 zette hij de definitieve versie neer, met de hulp van een blinde gitarist uit Deep Gab, North Carolina: Doc Watson.

 

Clarence ‘Tom’ Ashley – The Coo Coo Bird.

 

 

Tegen het einde van de jaren zestig ontstonden de eerste, voorzichtige toenaderingspogingen tussen twee geheel verschillende werelden: country en rock. Het waren de rockmuzikanten die, onder invloed van de muziek die ze in hun jeugd op de radio hadden gehoord, het initiatief namen: Gene Clark, Bob Dylan, Gene Parsons, Michael Nesmith, …. Voor het bespelen van specifieke instrumenten als steelgitaar, mandoline en banjo keken de rockers naar de beste bluegrassartiesten. Earl Scruggs beroerde de vijfsnarige banjo op Dylans ‘Nashville Skyline Rag’ en The Byrds vroegen Doug Dillard van The Dillards mee op tournee. Zijn banjospel moest hun geluid wat authentieker maken.

 

Na afloop van de Europese tour vroeg ex-Byrd Gene Clark hem om samen Dillard & Clark op te zetten. Zij omringden zich met fantastische countrymuzikanten waaronder Bernie Leadon, die later The Eagles zou helpen oprichten.

 

‘Train Leaves Here This Morning’ uit The Fantastic Expedition of Dillard & Clark.

 

De banjo in de Britse rock

De Britten beschouwden de banjo als een zeer primitief instrument. Volgens de overlevering zou de Britse muziekhistoricus Cecil Sharp, toen hij tijdens de Eerste Wereldoorlog door het Appalachengebergte trok op zoek naar songs, uitdrukkelijk hebben laten weten dat hij geen banjo’s of gitaren wou zien. Die interesseerden hem niet. Wat hij zocht waren oude Ierse en Schotse balladen of dansmuziek. Niet van die niewerwetse dingen.  

 

Vanaf het midden van de negentiende eeuw zochten banjobouwers naar manieren om meer mensen aan te spreken door de mogelijkheden uit te breiden.

De tenorbanjo had een kortere nek met 19 frets en wordt bespeeld met een plectrum. Het was een uitstekend begeleidingsinstrument voor de jazz- en dancebands in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Vooral omdat het te horen was boven de blazers en saxofoon uit. De komst van de elektrisch versterkte gitaar verdrong de tenorbanjo van het podium. Enkel in de meer traditionele Dixieland jazz bleef er een plaatsje voor over.

 

Een andere, voor de hand liggende oplossing om de mogelijkheden te verruimen, is het toevoegen van een zesde snaar. Vooral jazzmuzikanten, zoals Johnny St. Cyr en Django Reinhardt, experimenteerden met de guitanjo, zoals het instrument werd gedoopt. Maar ook een bluesman als Reverend Gary Davis had er een.

Helemaal er over is de zither-banjo: met zeven snaren is er wel erg ver afgeweken van het oorspronkelijke concept.

 

De stiefmoederlijke behandeling van het instrument in de Britse muziek is merkbaar in het feit dat de banjo slechts zelden wordt gebruikt in de pop- of rockmuziek. Enkele uitzonderingen zijn: ‘Stop Stop Stop’ van The Hollies, ‘Squeeze Box’ van The Who, ‘Gallows Pole’ van Led Zeppelin, Bright Side of the Road van Van Morrison, ‘Cowboy Dreams’ van Prefab Sprout of ‘Sing’ van Travis.

Veel meer kan ik er eigenlijk niet bedenken.

 

‘Cowboy Dreams’, uit The Gunman And Other Stories, met Eric Weissberg op de banjo.

 

 

 

En om af te sluiten nog eentje die helemaal buiten alle categoriën valt: de slaggitarist van de Amerikaanse garageband The Monks. Dave Day bespeelde een zessnarige banjo alsof het een elektrische gitaar was. Met behulp van een kleine ingebouwde microfoon verkreeg hij zo een speciale metaalachtige klank.

 

The Monks met hun enige pseudohit, ‘Cuckoo’, uit 1966.

In een serie over muziekinstrumenten die onlosmakelijk verbonden zijn met de muziek uit de South mag natuurlijk de banjo niet ontbreken. “Amerika’s instrument” noemen ze het wel eens. Traditioneel is het instrument veel te horen in old time country en folk, maar de laatste jaren grijpen vooral Americana singer/songwriters graag terug naar die betoverende, bezwerende banjoklanken.

Enkele voorbeelden uit de laatste drie decennia.

The Violent Femmes – “Country Death Song”.

Toen de folk-punk band The Violent Femmes de songs van Hallowed Ground (1984) aan de platenmaatschappij voorstelden, had de grote baas alleen klachten over ‘Country Death Song’: “t Is goed, tot de piano begint en de boel verknoeit.” De band heeft echter helemaal geen piano gebruikt op dit nummer. De man kende het verschil niet tussen het geluid van een piano en dat van een banjo.

 

‘Black Soul Choir’ van 16 Horsepower, uit Sackcloth ‘n’ Ashes (1998)

“Muziek van de oude wereld, de nieuwe wereld en een andere wereld,” zoals David Eugene Edwards het uitdrukt.

 

Gillian Welch – ‘My First Lover’, uit Time (The Revelator) (2001)

Omdat Ariejan Korteweg het zoweel mooier weet uit te drukken, een citaat uit zijn colum Enteren:

“Zangeres Gillian Welch is iemand die weet wat enteren is. Harkerig neemt ze in My first lover de afslag naar het verleden, om op zoek te gaan naar haar eerste geliefde. Een rammelbanjo is haar enige gezelschap. Ze volgt een dun spoor dat haar, zo te horen tot haar eigen verrassing, bij ‘Quicksilver Girl’ van Steve Miller brengt. Een bij nader inzien wonderschoon lied, waarin zonder enige haast de liefde voor een vlinderachtig meisje wordt bezongen. Met hese stem schuift ze het refrein van dat lied haar eigen tekst binnen: “quicksilver girl, quicksilver girl”.
Steve Miller was een hoogbegaafde, aartsluie gitarist, wiens muziek klonk als iemand die zich behaaglijk uitrekt na een diepe slaap. Volkomen op z’n gemak vertelt hij over een verloren liefde: “quicksilver girl, lover of the world. When she needs a little lovin’, she’ll turn on the heat. . .”
Meer dan twintig jaar zijn verstreken. Welch laat de fysieke kant van de zaak rusten. Ze grijpt naar de banjo en beperkt zich tot het eind: and she’s free.”
(Gepubliceerd in De Volkskrant op 18 oktober 2001)

 

Laura Veirs – ‘Through December’, uit The Triumphs and Travails of Orphan Mae (2001). Zo triest… zo schoon.

 

In ‘Decatur’ vertelt Sufjan Stevens het ware verhaal van de skeletten die door een overstroming van het kerkhof door de straten spoelden. Uit Come on Feel the Illinoise (2005).

 

Op ‘Banks Of The Edisto’ bezingt Dyana Kurtz een overleden vriend. Uit Another Black Feather (2006).

 

Omdat er opvallend veel lijken gepasseerd zijn, eindigen we met iets lichter:

Dolly Parton, Emmylou Harris en Linda Ronstadt bezingen in 1976 Partons Hillbilly oom, ‘Apple Jack’.

mandolines

Italiaanse Spanjaarden

De introductie van het mediterane instrument in de Amerikaanse muziek gebeurde op een wel heel bijzondere manier: door imitatoren die de verkeerde instrumenten gebruikten.

 

Aan het einde van de 19de eeuw was Henry Abbey een van de vele impresario’s in New York. In 1879 had hij op de wereldtentoonstelling in Parijs de ‘Estudiantina Figaro’ opgemerkt. De groep van een twintigtal muzikanten was afkomstig uit Madrid en stond onder leiding van Carlos Garcia Tolsa.

Het orkest bracht swingende versies van allerhande muziekstukken, uitgevoerd op traditionele snaarinstrumenten als de chitarra en bandurria. Met hun bontgekleurde kostuums en aanstekelijke muziek waren ze een groot succes bij de vele bezoekers. De impresario nodigde de groep uit om hun kunsten te komen vertonen in de Nieuwe Wereld.

 

Op nieuwjaardsag 1880 presenteerde hij zijn nieuwste ontdekking aan het New Yorkse publiek. Dat reageerde dolenthousiast en de concertreeks kreeg een vervolg met een tournee door het hele continent.

 

Een collega impressario, de Italiaan Carlo Curti was violist en orkestleider in het Waldorf Astorio Hotel in New York. Toen hij zag hoezeer de ‘Estudiantina Figaro’ in de smaak vielen, dacht hij dat er voor hem ook wel wat profijt in zou kunnen zitten. Hij besloot zijn eigen groep op te richten. Bandurria’s waren echter zeer moelijk te vinden in Amerika. Maar precies omdat het snaarinstrument er zo onbekend was zou niemand het merken wanneer het werd vervangen door een gelijkaardig instrument waarmee hij beter vertrouwd was: de Napolitaanse mandoline.

 

Het was voor Curti niet moeilijk om in New York voldoende mandolinespelers te vinden. Tijdens het laatste kwartaal van de 19de eeuw waren vele Italianen naar de Nieuwe Wereld getrokken. Terwijl er in 1870 slechts een kleine drieduizend in heel de Verenigde Staten waren, woonden er tegen het einde van de eeuw, alleen al in New York, honderdvijfenzeventigduizend.

Hoewel Curti’s groep dus uitsluitend gevormd werd door Italiaanse muzikanten presenteerde hij ze toch onder de naam ‘Spanish Students’. Het bleek een goede gok want zijn mandolineorkest werd al snel even populair als het origineel. Zeker toen de Spanjaarden terug naar huis keerden en Carlos (let op de toegevoegde ‘s’) alleen overbleef met zijn mandolinespelers.

 

De vijf-snarige banjo was op dat moment al een rage bij de middenklasse. Overal aan de Oostkust en – in mindere mate – het Midwesten schoten in de jaren tachtig banjoclubs als paddestoelen uit de grond. Maar door het succes van de ‘Spanish Students’ steeg nu ook de vraag naar mandolines en tegen het einde van de eeuw had de mandoline de banjo naar de tweede plaats verwezen. 

 

 

Ontwikkelingen

 

De instrumenten werden eerst nog ingevoerd vanuit Italië en Duitsland. Vanaf 1890 echter begonnen verschillende Amerikaanse bedrijven hun eigen mandolines te bouwen. Langzaamaan slopen er allerlei aanpassingen en verbeteringen in de ontwerpen. Zo kwam Merrill’s Aluminium Instrument Company met een klankkast uit aluminium gekoppeld aan een houten hals. Andere firma’s experimenteerden met allerlei vormen en stijlen. Het populairst waren de Washburn instrumenten van Lyon & Healy uit Chicago, waarvan er tegen 1894 jaarlijks meer dan zevenduizend werden geproduceerd. 

 

Het meest succesvol waren de vernieuwingen van ene Orville Gibson. De excentrieke klerk uit Kalamazoo, Michigan bouwde instrumenten puur als hobby. In 1896 vroeg hij een patent aan voor een “spanningsvrije” mandoline. Grofweg gebaseerd op de stijl van een viool ontwierp hij het prototype van de “Amerikaanse mandoline” zoals die er nog steeds uitziet: een asymetrisch instrument met een gestoken, gewelfd voor- en achterblad en gebogen zijkanten. De klank is hierdoor steviger, warmer en meer van een ‘houten’ karakter dan van de luitvormige mandolines.

 

Met de hulp van lokale geldschieters richtte Gibson in oktober 1902 de Gibson Mandolin-Guitar Manufacturing Co, Ltd op. Dankzij een agressieve marketingcampagne was de firma, amper acht jaar later al marktleider.

 

Het mooie liedje bleef echter niet duren: toen Amerika in 1917 betrokken raakte bij de Eerste Wereldoorlog kwam er een einde aan de populariteit van de mandoline ten voordele van de ukelele en de 4-snarige banjo.

 

Toch betekende dat niet het einde voor de ontwikkeling van het instument. In een poging om de verkoop terug aan te zwendelen ontwikkelde Lloyd Loar voor Gibson het ‘Master model’. De peervormige Gibson F5 die vanaf 1922 op de markt kwam, was niet alleen steviger, ze had bovendien ook een vollere, diepere klank.

Maar de verkoop bleef dalen en Loar verliet in december 1924 de firma. In de vijf jaar dat hij er had gewerkt had hij 326 mandolines gebouwd.

 

De doorbraak van de Gibson F5 kwam er pas halverwege de jaren veertig toen de mandoline aan een tweede jeugd begon als het bluegrass instrument bij uitstek.

 

Sinds die tijd zijn de originele, door Loar gesigneerde en gedateerde exemplaren zeer gezocht, net als een Stradivarius viool. Elk van zijn mandolines is inmiddels een klein fortuin waard en haalt prijzen tot € 200 000.

 

 

Bluegrass

 

Tot halverwege de jaren dertig werd de mandoline haast uitsluitend gebruikt als begeleidingsinstrument in klassieke en volksmuziek: de zogenaamde mandolineorkesten.

 

Daar kwam verandering in door het duo Mac & Bob. Lester McFarland en Robert Gardner, allebei blank en blind, hadden mekaar gevonden op de blindenschool in Kentucky. Samen namen ze vanaf de jaren dertig zo’n 200 songs op, meestal met begeleiding van gitaar en mandoline. Ze waren erg succesvol en verkochten meer dan een miljoen platen.

Dat voorbeeld inspireerde anderen, zodat er in de jaren dertig heel wat duo’s en groepjes onstonden, veelal broers, waarvan de Blue Sky Boys en de Monroe Brothers het meest aanspraken.

 

De echte doorbraak van de mandoline in de country kwam er door één man uit dat laatste groepje.

 

Billl Monroe (1911- 1996) was de jongste van acht kinderen, geboren op een boerderij in Rosine, Kentucky. Zijn moeder kwam uit een muzikaal begaafde familie. Er werd dan ook veel gemusiceerd in huiselijke kring. Omdat zijn oudere broers Birch en Charlie respectievelijk voor de fiddle en de gitaar hadden gekozen, kreeg de jongste het minst gewilde instrument toegespeeld: de mandoline.

Toen zijn ouders vrij kort na mekaar overleden werd Bill verder opgevoed door de broer van zijn moeder: fiddlespeler Pendleton “Uncle Pen” Vandiver. Door met hem op te treden leerde hij veel bij.

Zodra hij 18 werd reisde Bill zijn broers achterna. Die waren naar Indiana getrokken om er te gaan werken in de olie industrie. Daar vormden ze de Monroe Brothers, waarmee ze optraden op feestjes en partijen. 

Vanaf 1936 hadden Bill en Charlie flink wat succes met hun blanke gospel en “old-time” muziek, maar de echt grote doorbraak kwam er pas in 1946. Bill was toen al een aantal jaren aan het experimenteren met zijn nieuwe band, de Blue Grass Boys. In de loop van het vorige jaar had hij zijn puur akoestische band versterkt met een paar uitstekende nieuwe muzikanten: banjospeler Earl Scruggs, zanger/gitarist Lester Flatt, fiddler Chubby Wise en bassist Howard Watts. Hiermee viel alles mooi in zijn plaats: in plaats van de muziek in de stringbandtraditie, waarbij alle instrumenten samen de melodie spelen, kwam iets geheel nieuws.

Net als bij jazz spelen bij bluegrass de muzikanten beurt om beurt een solo. Ze gebruiken daarvoor uitsluitend akoestische snaarinstrumenten als mandoline, banjo en fiddle. Opvallend is dat ze de indrukwekkende “breaks” meestal in een razendsnel tempo doen. In combinatie met de meerstemmige zang levert dat prachtige muziek op.

 

Voor zijn virtuose, vingervlugge mandolinesolo’s gebruikte Bill Monroe een Gibson F5 model, getekend en gedateerd door Lloyd Loar op 9 juli 1923.

Bill Monroe and his Bluegrass Boys – ‘Blue Moon of Kentucky’ uit 1946

 

De Blue Grass Boys bleef amper twee jaar samen in de originele bezetting. Flatt en Scruggs richtten, in 1948, hun eigen groep op: de Foggy Mounatin Boys. Maar inmiddels was bluegrass enorm populair geworden en was de banjo onlosmakelijk met het genre verbonden. Om zich te onderscheiden van de meester, zochten andere banjospelers naar een eigen speelstijl: Jesse McReynolds (van Jim and Jesse) en  Bobby Osborne van de Osborne Brothers bijvoorbeeld.

 

Halverweg de jaren vijftig echter werd bluegrass naar de marge verwezen, door de opkomst van de rock ‘n’ roll en de meer gelikte country uit Nashville. De mandoline verdween opnieuw uit beeld.

 

 

Countryrock

 

De bekendste mandolinespeler van de countryrock is ongetwijfeld Chis Hillman. Na een pure bluegrass start met zijn eigen The Hillmen trad hij zelden nog op voor de voorgrond. Toch speelde hij niet te onderschatten rol bij baanbrekende bands als de Byrds, de Flying Burrito Brothers, Manassas, Souther-Hillman-Furay en de Desert Rose Band. De eerste jaren bespeelde hij een Gibson mandoline uit 1950. Maar in 1972 kreeg hij een echte Lloyd Loar F5 cadeau van Stephen Stills.

 

Chris Hillman & Herb Pederson – Mr. Tambourine Man

 

Misschien dat de sierlijke krul bovenaan de mandoline muzikanten met krulhaar aantrekt, maar David Mansfield is al evenzeer gezegend met een mooie krullenbol. Na de tweede helft van jaren zeventig te hebben doorgebracht in de bands van Bob Dylan, legde hij zich toe op een bestaan als studiomuzikant en componist van filmmuziek (Heaven’s Gate en Songcatcher). 

 

Bruce Hornsby – ‘Mandoline Rain’

 

Loudon Wainwright III – Breakfast in Bed

 

 

 

Bluegrass is here to stay

 

Vanaf het einde van de jaren tachtig kwam bluegrass terug in de belangstelling en daarmee ook de banjo terug in hitlijsten. Dat was vooral te wijten aan enkele jonge vrouwen: Alison Krauss en de Dixie Chicks. Krauss kon rekenen op de samenwerking met de band Union Station, met banjospeler Ron Block. Bij de Chicks bespeelt Emily Robinson het instrument.

 

Later gingen ook andere countryzangers zich herbronnen aan het genre: Dolly Parton (The Grass Is Blue, met Jim Mills– 1999), Steve Earle (The Mountain met Ronnie McCoury – 1999) of Patty Loveless (Mountain Soul – 2001).

 

Na het succes van de film Oh Brother, Where Art Thou kwamen er meer films met een zelfde soundtrackconcept: een mengeling van oude muziek en nieuwe versies gebracht door grote namen: Songcatcher en Cold Mountain.   

In die laatste speelt Jack White van The White Stripes mee. Hij spelt ‘Wayfairing Stranger’ op banjo aan het kampvuur. Daarna gebruikt hij het snareninstrument op verschillende songs van de volgende White Stripes de Icky Thump.

 

 

Mandolines in de Britse rock

 

In Ierse folkmuziek was de mandoline al langer geaccepteerd. Via die omweg sloop het instument aan het einde van de jaren zestig binnen bij Britse folkrockgroepen als The Incredible String Band. Later volgden Lindisfarne (‘Fog on the Tyne’) en McGuinness Flint (‘When I’m Dead And Gone’).

Ray Jackson, de mandolinespeler uit Lindisfarne, speelde ook mee op de eerste soloelpees van Rod Stewart, tussen 1970 en 1974. Zijn bijdrage speelt een prominente rol op hits als ‘Maggie Mae’, ‘Gasoline Alley’ en natuurlijk ‘Mandoline Wind’.

 

Zelfs Led Zeppelin was er niet vies van: bassist John Paul Jones toont zijn kunsten op ‘Going to California’ en ‘That’s the Way’. Jimmy Page wou niet voor hem onderdoen en kwam met ‘The Battle of Evermore’.

 

Begin jaren tachtig volgden nog Yes (‘Wonderous Stories’), The Smiths (‘Please Please Please Let Me Get What I Want’) en Steve Winwood (‘Back In The High Life’).

De jaren negentig brachten The Levellers.

 

Meer recent dook de mandoline op bij Indigo Moss en de man die elk instrument en elk genre wel eens ooit heeft geprobeerd: Paul McCartney. In andere tijden zou zijn ‘Dance Tonight’ een dikke hit zijn geweest.

 

McGuinness Flint – ‘When I’m Dead And Gone’ met Benny Gallager op mandoline

 

Paul McCartney – ‘Dance Tonight’

 

 

 

Waarschijnlijk is het bekendste nummer gebouwd rond een mandoline er eentje van R.E.M. uit 1991: ‘Losing My Religion’. Aan biograaf Johnny Black vertelde Peter Buck dat het nummer eerder toevallig was onstaan. Hij had pas een mandoline gekocht en waseen beetje aan het oefenen terwijl hij TV aan het kijken was. Om te kunnen nagaan of het op iets trok liet hij een bandopnemer meelopen. Toen hij de volgende dag terugluisterde viel hem de riff op, tussen heel veel oefenriedeltjes. En dat was de basis van een van hun grootste hits.

 

In de serie over Americana en  roots instrumenten zal het volgende deel gaan over de mandoline.

Ter voorbereiding alvast was filmkes:

John Hiatt – ‘Cry Love’ met David Immerglück of the Counting Crows op mandoline

 

Steve Earle – ‘Copperhead Road’. Steve doet het zelf. En zonder doedelzakken, deze keer.

 

Alison Krauss – Everytime You Say Goodbye
Sierra Hull is pas zestien, maar dat meiske zal nog veel groter worden. Figuurlijk dan.

 

Fleet Foxes – Blue Ridge Mountains

 

Emmylou Harris and The Nash Ramblers – ‘The Other Side Of Life’ met Sam Bush op mandoline

 

Joan Osborne – ‘St.-Theresa’.
Een prachtige song, met een belangrijke rol voor de mandoline. Eerst in een wat pompeuze uitvoering.

En dan in een heel sobere versie, met Jerry Douglas en Donal Lunny.

Volgende pagina »