muziekgeschiedenis


een draadje:

one-way-road-sign-my-way-001

Jacques Revaux

Parijs, begin jaren zestig.
De jonge Jacques Revaud heeft gedurende een paar jaar geprobeerd, om voet aan grond te krijgen in de cabarets van de linkeroever. Tevergeefs. Zijn liedjes zijn goed genoeg, maar het charisma ontbreekt hem, om aan te slaan bij het publiek. Ook het handvol singletjes die van hem zijn uitgebracht (bij een van zijn eerste optredens heeft de drukker zijn naam verkeerd gespeld op de affiche: Revaux. Herdrukken kost geld, dus gaat hij voortaan zo door het leven) zijn eigenlijk haast uitsluitend gekocht door vrienden en familie.

De genadeslag is de yé-yé rage. Een frisse wind, die in het zog van The Beatles en The Stones, de Franse populaire muziek vooral richt op een tienerpubliek. Salut les copains!

Jacques besluit zich voortaan toe te leggen op een carrière achter de schermen. Hij neemt zich voor om iedere dag een nummer te schrijven. Om ongestoord te kunnen werken, trekt hij zich terug in een bergdorpje in de Franse Alpen. Daar, op de bovenste verdieping van een klein hotelletje, schrijft hij nummers voor Johnny Hallyday, Eddy Mitchell, Sylvie Vartan, Sheila….

Meestal beperkt hij zich tot de muziek. Voor de tekst houdt hij op wat klanken. ‘Chanter en yaourt’, zoals dat zo mooi heet in het Frans. De echte teksten laat hij liever over aan mensen als Pierre Delanoë, Vline Buggy, Jean-Michel Rivat of Ralph Bernet.

In mei 1967 heeft hij een opdracht voor vier nummers voor de muziekuitgever Norbert Saada. De opdracht is dat het moet klinken als iets dat in Engeland is geschreven. Want de Franse zangers hebben liever een vertaling uit het Engels, dan een originele Franse compositie.

Hugues Aufray krijgt de eerste keuze. Daarna komen Petula Clark, Claude François, Dalida en Sacha Distel aan de beurt. Niemand heeft interesse in ‘For Me’.

Clo Clo

Tijdens een feestje in Cannes, enkele maanden later, vraagt Claude François aan Jacques waarom hij hits schrijft voor zowat iedereen, maar nooit voor hem. De componist antwoordt dat hij hem laatst een nummers heeft aangeboden, maar dat Clo Clo het toen niet wou. Ze spreken af voor een herkansing.

Op 27 augustus 1967 rijdt Revaux naar Dannemois, waar de Franse zanger een buitenverblijf heeft. In en rond het zwembad is een hele troep mensen uit de wereld van radio en TV verzameld. ‘Hij wou dat ik het nummer op de piano speelde, voor iedereen,’ vertelt Jacques Devaux in 1993 aan het tijdschrift Platine. ‘Dat duurde bijna tien minuten. Toen hebben we samen de melodie aangepast. Claude heeft drie of vier noten gewijzigd: eentje in het begin en drie in het refrein. En inderdaad: het was een stuk beter.
Hij zette zich aan de piano en kwam met de openingszin: “Je m’lève et je te bouscule…”
Met in zijn achterhoofd de recente breuk met France Gall, met wie hij een bijna drie jaar een relatie heeft gehad, beschrijft Claude hoe de dagelijkse routine, ongemerkt leidt tot sleur in het leven van elk koppel: ‘Comme d’habitude’.

‘Later heeft hij de tekst uitgewerkt met Gilles Thibault,’ verklaart Revaux. ‘Daar was ik niet bij. Ik weet alleen dat het idee van hem kwam.’
Voor zijn aanpassingen krijgt Claude François een vermelding als co-auteur van de melodie. Hij brengt het ook onder bij zijn pas opgezette muziekuitgeverij Jeune Musique.

Korte tijd later neemt hij het op met het orkest van David Whitaker en brengt het, in november 1967 uit, als aller eerste single van zijn eigen platenlabel Disques Flèche.


Met zo’n driehonderdduizend verkochte exemplaren is het een hit, maar geen monstersucces.

David Bowie

In Londen probeert ene David Jones al een paar jaar om aan de bak te komen in de muziekwereld. In afwachting van zijn doorbraak als David Bowie, schnabbelt hij wat bij voor de muziekuitgever Essex Music. Geoffrey Heath brengt hem in contact met de Belgische jazzpianist Willy Albimoor. Willy heeft een vriendinnetje dat hij graag wil lanceren als zangeres: Andrée Giraud. Hij heeft enkele nummers voor haar gecomponeerd, maar er ontbreekt nog een tekst.
Bowie zet zich aan het werk en in juni 1967 verschijnt ‘Pancho’ van Dee Dee and her Panchos. Van het meisje wordt na deze flop niets meer vernomen, maar voor Albimoor rinkelt de kassa wanneer in 1971 Les Chakachas een dik hit scoren met zijn ‘Jungle Fever’.

Blijkbaar vindt de uitgever dat David een tweede kans verdient. In de winter krijgt hij een stapeltje Franstalige singles toegeschoven. De methode om nummers die hun hitpotentieel bewezen hadden, te slijten aan een Engelstalig publiek kwam wel meer voor in die tijd. Denk maar aan ‘You Don’t Have to Say You Love Me’ van Dusty Springfield: een bewerking van een Italiaans nummer van Pino Donaggio.
Een van de plaatjes is ‘Comme d’habitude’.
Bowie voorziet de melodie van een Engelse tekst over een jongen die zich populair maakt door de clown uit te hangen en daarom niet serieus wordt genomen door het meisje van zijn dromen.

In februari 1968 zingt Bowie zijn tekst in, over het plaatje van François heen. De muziekuitgever is niet onder de indruk van ‘Even A Fool Learns To Love’. Noch van de amateuristische aanpak, noch van de geforceerde tekst vol zelfbeklag. Het commentaar van de grote baas is duidelijk : men ‘zoekt een ster op het nummer op te nemen en geen Johnny uit Bromley.’

Paul Anka / Frank Sinatra

De Canadese zanger en liedjesschrijver Paul Anka (onder andere ‘It Doesn’t Matter Anymore’ van Buddy Holly) verblijft veel in Frankrijk, omdat zijn vrouw – hoewel net als hijzelf van Libanese afkomst – ook Frans bloed heeft. ‘Ik had een huis gehuurd in de buurt van Mougins,’ vertelt hij in 2005. ‘Ik hoorde die melodie op de radio en ik dacht : daar moet ik iets mee doen.’
Hij verwerft de rechten voor de Verenigde Staten, maar daar blijft het bij. Voorlopig toch.

Enkele maanden bevindt hij zich in Florida, in het gezelschap van Frank Sinatra en ’een paar leden van de maffia’. Tijdens het diner verklapt Old Blue Eyes dat hij is uitgekeken op de showbizz, dat hij er over denkt om er mee op te houden.

Zodra hij weer thuis is, in New York, haalt hij de partituur van ‘Comme d’habitude’ te voorschijn. Gezeten aan de piano verandert hij het ritme, beetje bij beetje. Vervolgens begint hij aan de tekst.
‘Om een uur of één ’s nachts,’ gaat Paul verder, ‘zette ik me aan mijn oude IBM typmachine, met de vraag: Wat zou Frank schrijven? Ik begon: “And now, the end is near…”
Het was me opgevallen dat er in tijdschriften veel sprake was van “mijn dit” en “mijn dat”. Met was de ik-generatie en Frank was voor mij de verpersoonlijking daarvan. Zoiets als “I ate it up and spit it out” zou ik zelf nooit zeggen. Maar hij sprak zo. Die kerels van de Rat Pack namen het taaltje over van de maffia – zelfs al hadden ze schrik van hun eigen schaduw.’

Het wordt een tekst waarin de zanger een balans op aan het einde van zijn levensweg. Niet ontevreden stelt hij vast dat hij misschien niet altijd het juiste heeft gedaan, maar in elk geval uniek is geweest. ‘I did it my way.’

Tegen 5 uur in de ochtend is de song klaar. “Ik belde Frank op, in Nevada – hij was in Caesar’s Palace. Ik zei hem: “Ik heb iets, speciaal voor jou.”

Sinatra is blij met het resultaat en legt het vast tijdens een sessie in Los Angeles, op 30 december 1968.

Uitgebracht in maart 1969, bereikt het een 27ste plaats in de Amerikaanse hitlijsten. Opnieuw: een goed resultaat, maar geen megasucces.
Dat is anders in het Verenigd Koninkrijk: hoewel de hoogste notering slechts een vijfde plaats is, blijft de single maar liefst 75 weken onafgebroken in de top 40 (van april 1969 tot september 1971). Inclusief de 49 weken dat het plaatje daarna nog in de top 75 blijft hangen, is het er de langst genoteerde hitsingle ooit.

David Bowie – opnieuw

David Bowie heeft inmiddels enige bekendheid verworven dankzij het nummer ‘Space Oddity’ van zijn tweede elpee. Rijk is hij er echter nog niet mee geworden, want hij neemt nog steeds de bus om de stad in te gaan. Zo ook op een van de eerste lentedagen van 1971. Hij wil een hemd en schoenen gaan kopen en wandelt naar de bushalte. Onderweg hoort hij Sinatra ergens met ‘My Way’. De afwijzing van zijn versie van ‘Comme d’habitude’ is hij nog niet vergeten. De melodie blijft in zijn hoofd malen en vormt langzaam een soort van parodie. Twee haltes verder springt hij van de bus en loopt terug naar huis.

In de flat in Southend Road staat niet veel meer dan een ligstoel, een asbak en een piano. Tegen het einde van de namiddag heeft hij de tekst en melodie klaar van ‘Life on Mars?’ – “Inspired by Frankie” zoals aangegeven op de hoes van zijn derde elpee.

Het onderwerp is een tienermeisje dat, na een aanvaring met haar ouders èn haar vriendje, verstrooiing zoek t in een bioscoop. Allerlei beelden en indrukken komen op haar af en ze vraagt zich af of er misschien ergens anders een betere wereld zou zijn. Misschien is er leven op Mars?

Mick Ronson zorgt voor een prachtig strijkersarrangement, maar voelt zich nog niet zeker genoeg om zelf de pianopartij in te spelen. Daarvoor zorgt Rick Wakeman, op de piano van de Trident studio – dezelfde waarmee Paul McCartney ‘Hey Jude’ heeft gespeeld.

‘Life on Mars?’ verschijnt in december 1971 op Hunky Dory. In eerste instantie is het gewoon een albumtrack, maar anderhalf jaar later, na de doorbraak van Ziggy Stardust wordt het nummer ook als single uitgebracht. Met succes: top 3 in Engeland. In Amerika is men dan nog niet onder de indruk van Bowie: zelfs geen notering in de top 100 van Billboard.

Elvis Presley

Terwijl Bowie zijn ‘Life On Mars’ opneemt in Londen, legt duizenden kilometers daar vandaan, Elvis Presley een versie vast van ‘My Way’. Dat gebeurt op 10 juni 1971 in de RCA studio B, in Nashville, Tennessee. Die opname gaat echter het archief in. Misschien ook omdat Paul Anka Elvis negatief adviseert over het nummer: ‘Laat dat. Het past niet voor jou.’

Toch brengt The King het nummer tijdens twee optredens in Hawaii, in januari 1973. Deze worden, via satelliet wereldwijd uitgebracht en bekeken door zowat een miljard kijkers.

Op 3 oktober 1977, enkele weken na zijn overlijden, wordt een recente live opname van ‘My Way’ dan toch als single uitgebracht. Met een 22ste plaats in de Amerikaanse hitlijst is het een groter succes dan dat van Sinatra. In de Country lijsten stoot het nummer zelfs door tot de top.

Claude François

In een poging door te breken op de Amerikaanse markt, neemt Clo Clo datzelfde jaar een Engelstalige elpee op, in de Londense Abbey Road studio. Daarbij mag natuurlijk zijn interpretatie van ‘My way’ niet ontbreken. Hij kan dan niet vermoeden dat het inderdaad zijn grafschrift zal worden, want op 11 maart 1978 komt hij om het leven, wanneer hij in zijn badkamer een lamp wil vervangen.

Sid Vicious

Tijdens een desastreuse Amerikaanse tournee, stapt Johnny Rotten in januari 1978, uit de Sex Pistols. Manager Malcolm McLarren heeft daardoor een probleem, want hij heeft nog grootse plannen voor de band. Zo is Julien Temple een documentaire film aan het draaien : The Great Rock ‘n’ Roll Swindle. McLarren probeert ieder van de drie overgebleven leden als lead-zanger uit. Tijdens een sessie in Parijs laat hij Sid Vicious een cover opnemen van ‘My Way’. De rebelse bassist gaat enkel akkoord, op voorwaarde dat McLarren een papier ondertekent waardoor hij niet langer Sids manager is.

Hoewel het een spontane punkversie lijkt, is er behoorlijk over nagedacht. Producer Bill Price heeft een strijkersarrangement voorzien, geschreven door Simon Jeffes van het Penguin Cafe Orchestra.

Vicious zelf heeft zijn huiswerk echter niet zo goed gedaan : hij kent de tekst maar half. Daarom improviseert hij er op los, waarbij hij een sneer geeft naar John Lydon gewoonte om een hoed te dragen : “prat who wears hats”

‘Zijn manier van zingen was grotesk,’ meent Simon Jeffes, ‘maar tegelijk liet het je toch niet onberoerd. Toen we het arrangement bedachten hadden we niet de bedoeling om het belachelijk te maken. Ik vond het zelfs pakkend. Want hoewel het enerzijds helemaal van de pot gerukt was, zat het vol van angst en wanhoop. En leven… er zat echt leven in.’

De opname wordt in juni 1978 uitgebracht op een single met ‘No One Is Innocent’, een in Brazilië opgenomen, gezongen door treinrover Ronnie Biggs met begeleiding van de beide andere overgebleven bandleden. Met de hulp van een controversieel clipje raakt ‘My Way’ tot een 7de plaats in de Britse hitlijsten.

Zelfs Paul Anka moet, in een interview in 2007 toegeven, dat het een zekere kwaliteit heeft: ‘Ik was wat uit mijn lood geslagen door de versie van The Sex Pistols, maar ik had de indruk dat hij het echt meende.’

Herman Brood

Wanneer iemand als Herman Brood een cd vol covers opneemt, hoeft hij over zo’n statement als ‘My Way’ natuurlijk geen twee keer na te denken. Dat doet ie, in een bigband uitvoering voor zijn plaat vol swing nummers, Back on the Corner, uitgebracht in juni 1999.
Toch besluit hij om het uiteindelijk niet op dat album te zetten. ‘Breng het maar uit voor je weet wel’, zou hij tegen zijn manager hebben gezegd.

Twee jaar later, op 11 juli 2001, springt hij van het dak van Amsterdamse Hilton hotel. Hermans uitvoering van ‘My Way’ klinkt tijdens zijn crematie, op het moment dat de kist, met daarop een fles Grand Marnier neerdaalt.
Op datzelfde moment draaien, tegelijkertijd een dozijn radiozenders de plaat. Het nummer verschijnt nog diezelfde week op single en wordt postuum de eerste en enige nummer één hit voor Brood.

Raymond van het Groenewoud

Recalcitrant als altijd kiest Raymond ervoor om voor een Vlaamse versie ‘My Way’ links te laten liggen en ‘Comme d’habitude’ te bewerken als ‘Zoals gewoonlijk’. In de zomer van 2004 verschijnt het nummer, als een van de twee nieuwe opnamen op de compilatie cd Ballades. Het is een eerste samenwerking met producer Peter Vermeersch.

Nawoord

Er bestaan inmiddels meer dan 1200 versies van het nummer. Het komt daarmee in de buurt van ‘Yesterday’ van The Beatles. Wereldwijd zou het elke minuut te horen zijn op radio of tv. De zonen van Claude François alleen al verdienen er elk jaar zo’n 750 000 euro aan auteursrechten mee.

‘My Way’ groeide dan ook uit tot een vast onderdeel op het repertoire van elke nachtclubzanger. Maar ook amateurs wagen zich er, met veel overgave aan. In de Filipijnen is het echter tegenwoordig verboden tijdens karaoke avonden. Dit is het gevolg van een half dozijn moorden, wanneer de zanger maar bleef doorgaan met het kwelen van ‘Maaaaaai weeeeeei’, ondanks klachten uit het publiek.

Voor wie het zelf eens wil proberen, hier is je kans:

Advertenties

‘Daarom begonnen ze al die [roots]muziek op te nemen. Daarvoor was het allemaal klassieke muziek en liedjes uit shows. Toen ze die niet meer verkocht kregen, omdat de radio ze gratis in huis bracht, trokken ze naar het zuiden, waar er geen elektriciteit was. Daar maakten ze opnamen met katrollen en gewichten. De originele countrysong zijn opgenomen zonder elektriciteit.’
T Bone Burnett – 2012

Alle liedjes op de radio…

Zoals wel meer nuttige uitvindingen begon ook de radio als een strikt militair gegeven. Vrij kort na het begin van de Eerste Wereldoorlog verbrak het Duitse leger de trans-Atlantische telegraafkabels. Ter vervanging zette de Amerikaanse marine massaal in op het draadloze radiocontact.

Het is dan ook vast geen toeval dat de allereerste commerciële radio-uitzending plaatsvond in Pittsburgh, Pennsylvania. De Steel City was namelijk de thuisbasis van de Westinghouse Electric and Manufacturing Company, waar de zendapparatuur voor het Amerikaanse leger werd gebouwd.

Aan het hoofd van die afdeling stond ene Frank Conrad. Frank nam zijn werk mee naar huis, want vanaf 1916 experimenteerde hij met een 75 watts versterker. Van uit een schuurtje in de tuin zond hij korte boodschappen uit, die door andere radioamateurs in de regio konden worden beluisterd. Hij draaide zelfs plaatjes, zodat je hem meteen kunt bestempelen als de eerste DJ.

Op 29 september 1920 pikte een plaatselijke winkel in op het gebeuren, door voor $10 radiosets aan te bieden waarmee men de uitzending van Conrad kon beluisteren. Wanneer zijn directeur, Harry P. Davis, daarvan hoorde, besefte die het economische potentieel van de radio. In plaats van beperkt te blijven tot een experiment tussen hobbyisten, wou hij het fenomeen doen doorbreken bij het grote publiek en zo natuurlijk de vraag naar meer radiotoestellen van Westinghouse aanwakkeren.
Hij geeft Conrad de opdracht om een krachtiger versterker te bouwen en vraagt officieel een eigen bereik aan bij de marine.

Op 2 november 1920 is de allereerste uitzending van KDKA een feit. De datum is slim uitgekozen. Die dag zijn het namelijk presidentsverkiezingen. Door de resultaten live bekend te maken is hij meteen de geschreven pers voor en bewijst zo de kracht van het nieuwe medium.

De geluidskwaliteit laat in eerste instantie nog te wensen over, maar van zodra de techniek het toelaat om de beperkingen weg te werken, wordt de radio gemeen goed in de grote steden en kelderen de verkoopcijfers van de opgenomen muziek.

De platenmaatschappijen proberen nog even het nieuwe medium tegen te werken door hun belangrijkste artiesten te verbieden er voor op te treden. Wanneer dat niet blijkt te lukken moet naar andere oplossingen worden gezocht. Bijvoorbeeld door andere muziek aan te bieden dan het standaard repertoire van klassieke muziek, hymnes en liedjes uit shows.

Mamie Smith & The Jazz Hounds

Mamie Smith & The Jazz Hounds

Zwarte muziek voor een zwart publiek

Perry Bradford is een jonge, zwarte pianist en songschrijver. Vanaf zijn elfde werkt hij als pianist bij de rondtrekkende New Orleans Minstrels. Drie jaar later vormt hij een zang-en dansduo met Jeanette Taylor: Bradford & Jeanette. De ervaringen die hij tijdens het vele reizen opdoet, verwerkt hij in songs. De verkoop van bladmuziek vormt een extra bron van inkomsten bij de optredens. In 1918 vestigt hij zich in New York, waar hij de Made in Harlem Revue op poten zet. Zoals de naam het aangeeft staat de revue met beide voeten in de zwarte cultuur – erg ongewoon voor die tijd. Het hoogtepunt van de show is zijn compositie ‘Harlem Blues’, gezongen door Mamie Smith.

‘Ik vond dat onze mensen een verhaal te vertellen hebben,’ meent Bradford, ‘en dat zoiets alleen maar kon in gezongen en niet in instrumentale opnamen.’ Daarom stapt hij naar OKeh Records. OKeh is een klein platenlabel, opgericht door een Duitse ondernemer, Otto K. E. Heinemann. Het label legt zich toe op muziek gericht op verschillende etnische bevolkingsgroepen, vooral dan immigranten uit Oost Europa. Bradford wil er een plaatopname maken met zwarte muzikanten, voor een zwart publiek. ‘Veertien miljoen negers zullen platen kopen, als ze door hun eigen mensen zijn gemaakt,’ betoogt hij.

Fred Hager geeft hem een kans. Op 14 februari 1920 zingt Mamie Smith twee songs van Bradford: ‘That Thing Called Love’ en ‘You Can’t Keep A Good Man Down’ . Voor de begeleiding staat de studioband van het label in. Dat het Milo Rega Orchestra helemaal bestaat uit blanken is er goed aan te merken: hoewel er wel wat jazz en bluesaccenten in beide nummers terug te vinden zijn, blijven het in essentie popdeuntjes. Maar Bradford blijkt een punt te hebben, want binnen de maand gaan er tienduizend exemplaren van het plaatje de deur uit.

De verkoop is voldoende om een tweede opnamesessie te organiseren. Bradford staat er op, dit keer de muzikanten zelf te mogen selecteren. Hij kiest voor allemaal zwarten: The Jazz Hounds. ‘It’s Right Here For You’ en ‘Crazy Blues’ zijn opnieuw door hem geschreven. ‘Crazy Blues’ slaat geweldig aan en in een mum van tijd zijn er 75 000 exemplaren verkocht.

Aangespoord door dit succes gaan ook andere platenlabels op zoek naar zwarte zangeressen. Niet dat er nooit eerder opnamen zijn gemaakt van zwarte muzikanten. In 1890 al was George W. Johnson de allereerste met het gefloten ‘The Whistling Coon’. Maar dat was een novelty dingetje, bedoeld ter vermaak van een blank publiek. ‘Crazy Blues’ is van een andere orde en vormt het begin van de bloeiperiode voor de blues. Als dusdanig betekent het een doorbraak voor zwarte muzikanten, zowel in het blues als jazz genre.

Peer en de boerenkinkels

Een van de mensen die aanwezig zijn wanneer Mamie de songs in de grote akoestische hoorn zingt, is de assistent van Fred Hager: Ralph Peer. De jonge Peer (sympathieke naam 😉 ) krijgt de leiding over de afdeling die speciaal gericht is op het zwarte publiek: de 8000 serie van Okeh. ‘We hadden platen van allerhande inwijkelingen’, blikt hij einde jaren vijftig terug, ‘Duitse platen, Zweedse platen, Poolse platen, maar we durfden geen reclame maken voor negerplaten. Dus zette ik ze in de catalogus als ‘race’ platen.’

Peer gaat op zoek naar meer zwart talent. Waar kun je die het gemakkelijkst vinden? Daar waar er veel zwarten wonen: in het Diepe Zuiden. Dus vertrekt hij in juni 1923 op reis. Het is een revolutionair idee. “OKeh had nog nooit opnamen gemaakt buiten de studio,’ vertelt hij trots. “We trokken naar Atlanta, keken daar wat rond en vonden er een kleine leegstaande opslagplaats… Ik was een paar dagen eerder afgereisd om er al naar talent te gaan zoeken.’
Omdat hij nog nooit in Georgia is geweest, zoekt hij de enige man op die hij er kent: een lokale verdeler van de platen van OKeh Records. ‘Die kerel had dus een meubelwinkel. Hij had al wat rondgekeken, maar, tot mijn verbazing, kende hij geen zwarte muzikanten.’
Ze bezoeken samen een theater “alleen voor zwarten”. Het niveau ligt daar echter zeer laag en niets blijkt bruikbaar.
De winkelier stelt dan voor om een zanger uit de lokale kerk te gaan opzoeken. De jongeman heeft een goede reputatie. Er wordt een opnamedatum afgesproken. Maar dan komt het bericht dat de vader van de jongen plots ziek is geworden en dat hij niet kan komen.
‘Om de vrijgekomen tijd nuttig te gebruiken, kwam mijn distributeur met [een blanke fiddlespeler] John Carson.’ De muzikant heeft onlangs een old time fiddler wedstrijd gewonnen in Virginia. ‘Hij zei dat Fiddlin’ John op de radio was geweest en dat nogal wat mensen hem goed vonden.’
Even later staat Ralph Peer, in het leegstaande gebouw in Atlanta, te luisteren naar de kunsten van de muzikant. Hij vindt het maar niks. De zangstijl van de man omschrijft hij onomwonden als ‘vreselijk voltooid verleden tijd’. De winkelier dringt echter aan. Pas wanneer hij belooft 500 platen te zullen afnemen, gaat Peer overstag. Fiddlin’ John Carson mag twee nummers opnemen. De keuze valt op ‘The Little Old Log Cabin In The Lane’ en ‘The Old Hen Cackled and the Rooster’s Going to Crow’.
‘Het was zo slecht dat we er niet eens een serienummer aan gaven’ vertelt Peer. ‘We dachten dat, eens die man zijn voorraad had, we er nooit meer iets van zouden horen. We stuurden hem zijn bestelling.’
De man uit Atlanta trekt er mee naar de volgende fiddler wedstrijd… en verkoopt er meteen zijn hele voorraad. ‘Diezelfde avond nog belde hij New York om er 5 000 extra te sturen, per express, en nog eens 10 000 per gewone vracht.’
Ook in andere staten blijkt er belangstelling te bestaan en uiteindelijk overschrijdt de verkoop het half miljoen. ‘We waren zo beschaamd [over de kwaliteit van de oorspronkelijke opname] dat we Fiddlin’ John naar New York lieten komen om de songs opnieuw op te nemen.’

Het debuut van John Carson wordt beschouwd als de officiële start van de countrymuziek. En opnieuw was Peer er bij betrokken. Met een mengeling van trots en minachting snoeft Peer in een interview in 1958: ‘Ik ging naar New York en werkte er voor OKeh Records. Daar bedacht ik dat hillbilly- en nikkerspul.’

“Hillbilly”, wat zoveel betekent als “boerenkinkel” is de naam die hij geeft aan wat later countrymuziek zal worden genoemd, maar dan nog bekend staat onder vele namen: Mountain music, Old Time Music, …

Peer begrijpt dat er een markt is voor die volksmuziek. Vooral op het platteland blijken veel mensen geïnteresseerd in de muziek van lokale muzikanten.
De volgende twee jaar doorkruist hij de Verenigde Staten, op zoek naar interessant muzikaal talent: Chicago, St. Louis, Cincinnati, Dallas, Cleveland, Detroit en New Orleans. Onderweg ontdekt hij latere jazzgrootheden als trompettist Louis Armstrong, cornetspeler King Oliver, pianisten Fats Waller en Bennie Moten, maar ook blueszangeressen Sippie Wallace en Sara Martin.
De artiesten krijgen $50 per song, plus een percentage op de verkoop. Voor velen is dat een riante verloning.

Muziekuitgevers

Peer leert nog meer van de ervaringen van Bradford. Voor de auteur betekende het succes van zijn ‘Crazy Blues’ meteen ook het begin van alle ellende. De tekst van die song was eigenlijk identiek aan die van zijn ‘Harlem Blues’… en daarvan had hij de auteursrechten verkocht. “Ik vreesde er eigenlijk al voor, dat het nummer een hit zou worden, “verklaart hij later. ‘Ik had dezelfde tekst daarvoor al drie keer gebruikt.’
Een terechte vrees, zo blijkt. Een eerste rechtszaak kan hij in der minne regelen, maar bij de tweede keer belandt hij voor vier maanden in de nor.

Zodra hij weer vrijkomt, bedenkt hij dat het leven misschien eenvoudiger is wanneer hij zelf muziekuitgever wordt.

Door de Copyright Act van 1909, heeft een auteur recht op een percentage van de verkoop of uitvoering van zelfgeschreven materiaal. Tekst en muziek moeten daarvoor worden ondergebracht bij een muziekuitgeverij. In ruil voor 50% van de inkomsten, zorgen die voor het innen van de centen. Ze hebben er natuurlijk alle belang bij dat de muziek zo veel mogelijk wordt verspreid. Hoe meer mensen een song opnemen, hoe hoger de inkomsten.

Bradford heeft begrepen dat een uitgever dus meer overhoudt aan de songs dan de schrijver. Binnen een paar jaar heeft hij vier uitgeverijen die samen de rechten van meer dan 1 400 songs beheren. Maar omdat hij geen band heeft met een platenmaatschappij, raken zijn songs niet verkocht.

Peer pakt het slimmer aan. In 1924 begint hij ook voor zichzelf, als manager van de artiesten die hij her en der heeft ontdekt. Zijn eerste klant is Ernest Stoneman en het is meteen raak. Diens ‘The Titanic’ wordt een enorme hit, met een verkoop van twee miljoen exemplaren.

Het succes blijft niet onopgemerkt bij de grotere platenmaatschappijen en in 1925 bedenkt Peer een systeem dat hem schatrijk zal maken. ‘In die periode ging ik een zakelijke verbintenis aan met Victor Talking Machine Company, die jaren zou standhouden,’ vertelt hij in 1959. ‘De afspraak was dat ik de artiesten en het materiaal zou uitkiezen voor de hillbilly opnamen van Victor.’
Hij aanvaardt daarvoor een belachelijk klein salaris: 1 dollar per jaar. Daar staat tegenover dat alle zelfgeschreven materiaal dat onder zijn bevoegdheid wordt opgenomen, wordt ondergebracht bij zijn eigen muziekuitgeverij: Southern Music.

In zijn functie van A & R-manager spoort Ralph Peer zijn artiesten dan ook aan om vooral zelfgeschreven nummers op te nemen. Of minstens oude songs zo aan te passen dat ze als nieuw kunnen doorgaan.
Kassa, kassa!

De Bristol sessies

In zijn zoektocht naar nieuwe artiesten, belandt Ralph Peer, in de zomer van 1927, in Bristol, Tennessee – een van de weinige steden in het Appalachengebergte. De opkomst valt echter tegen.
Daarom laat hij in de krant een artikel plaatsen over Stoneman. Hij benadrukt dat de man $3.600 heeft verdiend aan ‘The Titanic’ (zowat het loon van drie jaar werken voor een arbeider) en dat hij $100 per dag krijgt voor opnamen.
De volgende dagen stromen belangstellenden toe uit de wijde omgeving. Tot diep in de nacht is Peer aan de slag. Uiteindelijk neemt hij 76 songs op, van 19 verschillende artiesten. Daar maken niet alleen de Carter Family hun debuut, maar ook Jimmie Rodgers. Toevallig worden met deze twee artiesten ook meteen de grote thema’s van de country vastgelegd: de Carters staan voor familie, haard en religie, terwijl Rodgers de vrijheid van het onderweg zijn bezingt: treinen en wegen.
Johnny Cash stelt onomwonden dat die auditie in Bristol niets minder is dan “de oerknal in de geschiedenis van de country muziek”.

Deel 12 – Wings :: Back To The Egg
null

Opgenomen:
29 juni tot 27 juli 1978 in de Spirit of Ranachan studio, Campbeltown
11 tot 29 september 1978, in Lympne Castle in Kent
2 tot 11 oktober en 13 november tot 1 december 1978, in Abbey Road, Londen
december 1978 tot februari 1979, in Replica Studio, Londen

Uitgebracht:
8 juni 1979: Wings elpee Back To The Egg
kant 1 (Sunny Side Up): ‘Reception’, ‘Getting Closer’, ‘We’re Open Tonight’, ‘Spin It On’, ‘Again and Again and Again’ (Denny Laine), ‘Old Siam, Sir’, ‘Arrow Through Me’
kant 2 (Over Easy): ‘Rockestra Theme’, ‘To You’, ‘After the Ball/Million Miles’, ‘Winter Rose/Love Awake’, ‘The Broadcast’, ‘So Glad to See You Here’, ‘Baby’s Request’

15 (VS) en 23 (VK) maart 1979: Wings single ‘Goodnight Tonight’/’Daytime Nighttime Suffering’
5 februari 1990: ‘Same Time Next Year’ op 12” en cd-single ‘Put It There’.

Nieuwe vleugels

Twee jaar na het afsluiten van de Wings Over the World tournee begint het bij Paul opnieuw te kriebelen: hij wil graag opnieuw met Wings de wereld rond trekken. Onder meer Japan en China staan op het verlanglijstje. Daarvoor heeft hij wat steviger songs nodig, want de meeste songs van zijn meest recente elpeee, London Town, zijn eerder akoestisch. Om hem daarbij te begeleiden wil Paul graag een co-producer naast zich. De keuze valt op een oude bekende: Chris Thomas.
Chris begon zijn carrière zowat bij The Beatles. Tijdens de opnamen van de Dubbele Witte, in 1968, was hij assistent van George Martin en kreeg toen plots de opdracht de leiding, toen Martin er voor een vakantie tussenuit kneep. In de jaren daarna heeft Thomas naam gemaakt als producer van Procol Harum, Roxy Music, John Cale en recent… The Sex Pistols.

Na het vertrek van Jimmy McCulloch en Joe English is het noodzakelijk om Wings weer te completeren met een nieuwe drummer en leadgitarist. Dat worden respectievelijk Steve Holly en Laurence Juber. Beiden zijn studiomuzikanten, aangedragen door Denny Laine en na een auditie, uitgekozen door Paul.
‘Dat was eigenlijk best wel grappig,’ vertelt Juber. ‘Je hebt verdorie te maken met Paul McCartney! Maar hij was zeer vriendelijk en hij vond het niet erg dat ik geen nummers van Wings kende. Het verliep vlotjes.’
‘We speelden een uur of twee, drie,’ vult de drummer aan. ‘Plots zei Paul: “Prima. Dit is een goede groep. Klinkt goed. Laten we ervoor gaan!”.’

‘Ik wist dat Paul een reputatie had,’ gaat Juber verder, ‘dat hij moeilijk zou zijn om mee samen te werken. Maar dat bleek geheel onterecht – integendeel zelfs. Over het algemeen was het heel fijn samenwerken. Ik heb er veel van geleerd. Het enige nadeel dat ik had door bij de band te gaan is dat ik een succesvolle carrière als studiomuzikant moest opgeven, omdat ik niet beiden kon blijven doen.’

De vuurdoop voor de nieuwe leden vindt plaats op 5 mei 1978. In de Londense RAK studio neemt Wings die dag een song op, op bestelling. ‘Same Time Next Year’ is bedoeld voor de gelijknamige film met Alan Alda en Ellen Burstyn.

Het nummer wordt de volgende dag afgewerkt in de Abbey Road Studios, met een 68-man sterk orkest, in een arrangement van Fiachra Trench.

Uiteindelijk vind de regisseur, Robert Mulligan, echter dat Paul in zijn tekst wat ‘teveel verraadt van de plot’. Daarom verkiest hij een ander nummer: ‘The Last Time I Felt Like This’ van Marvin Hamlisch.

Spirit of Ranachan

[Na die eerste sessies] trokken we naar Schotland om mekaar wat te leren kennen,’ vertelt Laurence Juber. Ze verblijven van 29 juni tot 27 juli 1978 in Pauls boerderij in Campbeltown, waar ze in een relaxte sfeer kunnen repeteren en jammen.

Er wordt ook gestart met de opnamen van de elpee, die dan nog de werktitel Wings In The Wild draagt. Die opnamen vinden plaats in de studio die Paul heeft laten bouwen in een schuur op het erf: Spirit of Ranachan.

Dit keer kiest Paul er voor om de basistracks van de nummers zoveel mogelijk live op te nemen. ‘De meeste tracks werden opgenomen als een band, met iedereen op zijn gebruikelijke instrument,’ bevestigt Juber. ‘Soms namen we iets op zonder de drums. Die kwamen dan later.
Er was geen uitgebreide productie nodig. Het was meer basic… Back To The Egg moet je dan ook zien back to basics. Producer Chris Thomas kwam rechtstreeks van The Sex Pistols. Hij deed ook The Pretenders [in diezelfde periode]… een heel andere aanpak [dan London Town] Dat was een vreemde plaat, haast een folkelpee.’

Twee van de hardste songs worden in één dag op band gezet: 23 juli, een zondag. Eerst ‘Spin It On’ en daarna ‘Old Siam, Sir’. Dat laatste is ontstaan uit een riff van Linda, gespeeld op haar toetsenbord. Paul werkt het verder uit, met de hulp van Denny Laine. Tijdens de sessie komt Steve Holly met een middenstuk. Dat leidt tot een hoogoplopende discussie met Laine, over wie de credits krijgt. Paul lost het op… door alleen zijn eigen naam er onder te zetten.

‘Spin It On’ noemt Laurence ‘een soort punk-rockabilly. Het heeft iets meedogenloos. Ik deed alle sologitaarspullen in zo’n twintig minuten. Zo voelde het tenminste aan. Ik zat in de controlekamer, naast Paul. Alleen wij twee.’

‘Arrow Through Me’ bestaat uit niet veel meer dan twee drumpartijen, een sax en een elektrische piano. Laurence Juber: ‘Ik herinner me dat Paul Simon op bezoek kwam in de studio. Toen hij dat nummer hoorde, vroeg hij: “Wow, hoe krijg je die fantastische basklank?” Hij kon echt niet geloven dat het met de linkerhand gespeeld was op de elektrische piano.’

Na vier weken zijn er basistracks opgenomen van een dozijn nummers. Naast de al eerder genoemden zijn dat: ‘To You’, ‘Winter Rose’, ‘Cage’, plus vroege versies van ‘Love Awake’ en ‘Ballroom Dancing’. Denny Laine heeft twee songs aangedragen: ‘Again and Again and Again’ en ‘Weep For Love’. Laurence Juber kwam met het instrumentale ‘Maisie’.

Daarnaast is nog een tweede filmsong opgenomen: ‘Did We Met Somewhere Before?’. Het is bedoeld voor Heaven Can Wait , van Warren Beatty and Buck Henry. Maar opnieuw wordt de song afgewezen – terecht, want het is niet erg sterk.
Twee jaar later krijgt het toch nog een tweede kans, wanneer Allan Arkush de song gebruikt als openingsnummer voor zijn film rond The Ramones: Rock & Roll High School. Hij heeft het op een akkoordje kunnen gooien met Macca: de regisseur mag de song gebruiken voor een schamele $500, maar het mag niet op de soundtrackelpee en Paul wil zijn naam niet op de aftiteling.

Tijdens de laatste week worden overdubs toegevoegd aan de beste takes.

Lympne Castle

Na een onderbreking van zes weken, worden de sessies hervat. Vanaf 11 september 1978 treffen we Wings aan in een geheel nieuwe omgeving: in Kent. Meer bepaald in Lympne, een dorpje op een half uurtje rijden van de nieuwe woonst van de McCartney’s in Rye, Sussex.
De RAK mobiele studio staat er gedurende drie weken opgesteld. ‘We hadden de beschikking over de nieuwste 24-sporen opnameapparatuur,’ vertelt Paul. ‘Maar ik heb niet het gevoel dat zoiets een meerwaarde is ten opzichte van vroeger, toen we maximaal vier sporen hadden. Je verliest snel het overzicht en dat wil ik niet.’

‘We namen het grootste deel [van Back to the Egg] op in een middeleeuws kasteel in Kent,’ gaat hij verder. ‘Een maand lang namen we het kasteel over. We werkten in de keuken, de traphal, de trappentoren en de grote inkomhall. […] Het was fijn. Interessant. We houden er wel van om op speciale plekken op te nemen. Dat zorgt voor een gezonde, frisse aanpak. Persoonlijk geloof ik niet in de mythes van goede akoestiek. Ik denk dat je met goede microfoons en goede nummers overal aan de slag kan.’
Zo wordt het drumstel opgesteld in de openhaard van de grote hal.

Nummers waaraan gewerkt wordt in het kasteel zijn: ‘We’re Open Tonight’, ‘After The Ball’, ‘Million Miles’ en een nieuwe versie van ‘Love Awake’. Het musical-achtige ‘Robber’s Ball’ belandt in het archief.
Voor twee andere nummers wordt de hulp ingeroepen van de bewoners. Harold Margary reciteert ‘The Sport Of Kings’ van Ian Hay en ‘The Little Man’ van John Galsworthy voor ‘The Broadcast’. Zijn echtgenote, Dierdre, zegt een kinderversje op: ‘The Poodle And The Pug’ voor het openingsnummer, ‘Reception’.

Rockestra

Begin oktober verkast Paul naar de vertrouwde omgeving van de Abbey Road Studio voor een speciaal project. Hij heeft het idee opgevat om, met de hulp van de crème de la crème van de Britse rockmuziek, een soort orkest te vormen: Rockestra. Het betreft leden van The Shadows, Pink Floyd, The Who, Led Zeppelin, The Faces en The Attractions.

Er ontbreken er een paar op het appel. Keith Moon was uitgenodigd, maar was helaas overleden voor het zover was. Ringo Starr sloeg de uitnodiging af wegens andere bezigheden in het buitenland. Jimmy Page had toegezegd, maar ‘Hij kwam niet opdagen,’ weet Laurence Juber. ‘Zijn versterker was er, maar hijzelf niet. John Paul Jones is op de plaat en John Bonham. Maar geen Jimmy Page.’
Jeff Beck wou dan weer wel komen, maar eiste vetorecht over zijn gitaarpartijen. Daar wou Paul niet van horen.

In drie uur worden twee nummers opgenomen: ‘So Glad To See You Here’ en het ‘Rochestra Theme’.
Zestig microfoons zijn verbonden met twee mixing consoles, zowel een 24 las een 16-sporen apparatuur werken gelijktijdig, dankzij een nieuw synchronisatiesysteem Tape Lock. Bovendien wordt alles gefilmd door regisseur Barry Chattington die vijf Pana-vision 35-mm cameras gebruikt, plus eigen opname apparatuur.
Volgens Jo Jo Laine wordt er in de toiletten aangeschoven om cocaine te snuiven.

Paul toont zich erg tevreden over het resultaat: ‘Verbazingwekkend hoe strak ze allemaal samen speelden. Met mensen als Pete Townshend, Gary Brooker, Hank Marvin, Ronnie Lane, Ray Cooper en Dave Gilmour zou je een ruwer, minder gecontroleerd geluid verwachten. Maar het draaide anders uit: 14 rockmuzikanten die voor het eerst samen spelen, klinken ongelofelijk strak.’

https://www.youtube.com/watch?v=8VxF7L3VVqs

Replica Studio

Na nog eens een onderbreking van een maand, werken ze opnieuw twee weken in de Abbey Road studio, om de opgenomen tracks af te werken. Paul maakt van de gelegenheid gebuik om twee nieuwe nummers op te nemen. ‘Getting Closer’ begint als een duet met Denny Laine. Het gaat echter niet over vriendschap, maar over een nachtelijke autorit, opgeleukt door muziek op de radio en een goede pretsigaret. Jammer genoeg is het precies een niet aflatende stroom van die sigaretjes die er voor zorgt dat Paulie zo slordig omgaat met zijn teksten: ‘Say you don’t love him, my salamander’ ?! Of nog: ‘Well now, why haven’t I had any dinner?’ – de complete tekst van het ‘Rockestra Theme’.

Het jazzy ‘Baby’s Request’ is een ander verhaal. Paul schreef het nummer na een optreden van The Mills Brothers, een a capella groep uit de jaren dertig, die hij die zomer aan het werk zag, tijdens een vakantie in het zuiden van Frankrijk. Paul maakt een demo met Wings. Wanneer hij hen de song aanbiedt, vragen ze echter geld om het op te nemen. Dus gebruikt hij de opname maar als slotstuk van de elpee.

Wanneer blijkt dat Studio Two van Abbey Road, vanaf begin december een paar maanden bezet is, omdat Cliff Richard er zijn nieuwe elpee (Rock ‘n’ Roll Juvenile) gaat opnemen, toont Paul zich erg ongeduldig. Hij laat de controlekamer helemaal opmeten en nabouwen. Het is een exacte kopie, compleet met valse wanden en andere namaakspullen.

‘We creëerden Replica Studio in de kelder van Pauls kantoor, aan Soho Square, voornamelijk voor het mixen’, vertelt Laurence Juber. ‘We maakten er ook wat opnamen.’ Zo krijgen ‘Spin It On’ en ‘So Glad To See You Here’ een nieuw einde.
‘Daarvoor werd het drumstel opgesteld in een kamer waar de koffiemachine stond. Daar speelde ik ook de akoestische gitaarsolo voor ‘Goodnight Tonight’. Zoiets geeft het een heel andere sfeer.’

‘Goodnight Tonight’ heeft Paul een jaar eerder, tijdens het afmixen van London Town, in zijn eentje opgenomen. De enige bijdrage van een van de andere bandleden is de prachtige Flamenco gitaarsolo van Juber. Tijdens het afmixen, kondigt Paul aan dat het de eerste single wordt van de vernieuwde Wings. Als iemand een sterk nummer kan schrijven tijdens het weekend, zullen ze dat op maandag opnemen voor de b-kant.
Iedereen schiet meteen in actie. Zelfs Linda doet haar best.

Maar ‘s maandags komt Paul zelf met ‘Daytime Nightime Suffering’ aandragen. Hoewel hij het pas heeft geschreven weet Paul al precies hoe het moet klinken. ‘Ik kreeg veel vrijheid,’ vertelt Juber. ‘De enige keer dat hij me zei wat ik moest spelen, was bij ‘Daytime Nighttime Suffering’. Dat had hij helemaal uitgeschreven. Dat en ‘Coming Up’. Die riff van ‘Coming Up’: diddlelittlelitditdit…Dat stukje, dat wou hij precies zo hebben.’

Het nummer staan dan ook in no-time op band. Het mixen verloopt heel wat moeizamer: daarvoor zijn niet minder dan 49 pogingen nodig. En dan blijft er nog een foutje hoorbaar: na twee minuten kun je, met een koptelefoon, baby James horen huilen.

Begin april 1979 – bijna 10 maanden na de eerste sessies, wordt eindelijk de laatste hand gelegd aan de tracks van Back To The Egg. ‘Winter Rose – Love Awake’ wordt ingezongen en voorzien van een brassband, de Black Dyke Mills Band, en er wordt synthesizer toegevoegd aan ‘Getting Closer’ en ‘Love Awake’.

Even wordt er gestoeid met het idee van een conceptelpee, onder de titel ‘We’re Open Tonight’. ‘Ik bedacht iets rond touren,’ vertelt Linda.’Op een regenachtige avond stapt een groep in het busje, op weg naar een optreden… Maar uiteindelijk zijn het gewoon wat songs.’

Hot Hits and Kold Kutz

Paul was nogal gepikeerd over het feit dat ‘Mull Of Kintyre’ in de Verenigde Staten haast onopgemerkt is gebleven, terwijl het in de rest van de wereld zo’n gigantisch succes kent. Hij verwijt Capitol, de platenfirma die er zijn muziek verdeeld, niet genoeg promotie te hebben gemaakt. Wanneer London Town er bovendien, als eerste elpee van Wings in jaren, niet de top bereikte, is voor hem de maat vol. Hij laat Capitol Records weten dat hij op zoek gaat naar een andere verdeler.

Op 1 januari 1979 tekent Paul één van de beste contracten in de popgeschiedenis. Columbia Records (CBS) biedt hem, voor de volgende drie jaar, een voorschot van 1,5 miljoen euro per jaar. Als tegenprestatie moet hij elk jaar één album aanleveren. Verder krijgt hij 22% royalties, plus een extraatje. Zijn muziekuitgeverij MPL krijgt de rechten van Frank Music, de muziekcatalogus van Frank Loesser, bekend van o.a.Guys and Dolls.
Pas in 2006 raakt bekend dat Paul in het contract heeft laten opnemen dat hij opnamen mag maken met ‘John Lennon, Richard Starkey and George Harrison recording together as The Beatles’.

Om de periode af te sluiten, wil Capitol graag een verzamelaar uitbrengen. Paul komt met het voorstel om er een dubbelelpee van te maken: Hot Hits and Kold Kutz. Het Hot Hits aspect is duidelijk: een verzameling van zijn grootste hits. Kold Kutz (Cold cuts zijn prakjes of kliekjes) zijn zoals de naam het aangeeft, b-kantjes en outtakes.

De voorgestelde tracklist van Kold Kutz is:
kant 1: ‘Mama’s Little Girl’, ‘I Would Only Smile’, ‘Tragedy’, ‘Night Out’, ‘Oriental Nightfish’, ‘Lunch Box/Odd Sox’, ‘My Carnival’
kant 2: ‘Send Me The Heart’, ‘Hey Diddle’, ‘Wide Prairie’, ‘Tomorrow’, ‘Proud Mum’, ‘Proud Mum Reprise’, ‘Same Time Next Year’, ‘Did We Meet Somewhere Before?’

‘I Would Only Smile’ en ‘Send Me The Heart’ zijn songs van Denny Laine. ‘Oriental Nightfish’ en ‘Wide Prairie’ zijn gezongen door Linda. ‘Tragedy’ is een cover van een nummer van The Fleetwoods uit 1961.
De beide niet-gebruikte soundtracknummers vervolledigen de tracklist.

‘Oriental Nightfish’ wordt in oktober 1978 vertoond in Britse bioscopen, als voorfilmpje bij Driver. De tekenfilm is het werk van Ian James, naar een song van Linda McCartney.

Capitol geeft echter de voorkeur aan een enkele elpee: “dat verkoopt beter”.
Dus verschijnt, netjes op tijd voor de Kerstperiode, Wings Greatest in november 1979.

null

Singles
null
De eerste release van Columbia is de single ‘Goodnight Tonight’/’Daytime Nighttime Suffering’ die verschijnt op 15 maart 1979. Het nummer doet het goed en behaalt zowel in Engeland als in Amerika de top 5. De single versie is een edit en voor de volledige opname kun je terecht bij de 12” versie.

Columbia dringt er dan ook bij Paul op aan om het nummer op zijn volgende elpee te zetten, maar die weigert dat. Back To The Egg verschijnt in mei 1979. De titel geeft al aan dat Paul het album ziet als een nieuwe start.
‘Het was zo’n beetje terug naar af voor ons’, verklaart Paul, ‘nieuwe dingen proberen. Die titel vat het zowat samen.’

Maar ondanks genoeg melodieën in elke song, waarmee anderen een hele elpee mee zouden kunnen vullen én een TV-special met promofilmpjes van 7 nummers, doet de plaat het na, een sterke start, niet zo goed in vergelijking met zijn vorige elpees. De top 5 wordt net niet bereikt. Het gebrek aan een echte hitsingle speelt daarin zeker mee.
De platenmaatschappij had nochtans erg hoge verwachtingen. ‘Ik hoorde onlangs dat er drie miljoen exemplaren van Back To The Egg liggen te wachten in een stockageruimte,‘ verklapt Paul. ‘Dat klinkt als een enorme flop. Maar voor elke andere groep is een verkoop van één miljoen – en dat hebben wij – een succes. Het is een goede plaat. Het is onze eerste plaat. De niet-verkochte platen zijn er omdat de platenmaatschappij er teveel heeft geperst. ‘
Ook volgens Juber waren de voortuitzichten van Columbia niet realistisch. ‘De overeenkomst was geregeld met Walter Yentikoff, Bruce Lundvall, Don Devito, Paul Atkinson aen nog een paar anderen – allemaal legendarische figuren in de muziekwereld op dat moment. Paul McCartney bij je label hebben verhoogde je status zeker. Maar tegen dat de plaat uitkwam in juni 1979 ging het economisch niet te best en de platenverkoop was achteruit gegaan. De platenlabels hadden het in hun hoofd gehaald dat iedere plaat het beter zou moeten doen dan Rumors of Saturday Night Fever. Dat was een fase die snel weer voorbij was en de verkoop viel snel terug tot de normale omzet. […] In elk geval: Back to the Egg deed het tamelijk goed en het zou nog beter zijn gegaan als hij ‘Goodnight Tonight’ er op had gezet. […] Het zou het verschil hebben gemaakt van triople platina in plaats van platina.’

Als eerste single is ‘Old Siam, Sir’ in Engeland en Europa, terwijl voor Noord-Amerika de keuze valt op ‘Getting Closer’. De b-kant is wel overal hetzelfde: ‘Spin It On’. En het resultaat ook: gestrand buiten de top 20!
Eenzelfde lot zijn de volgende singles beschoren: ‘Arrow Through Me’ in de VS, ‘Getting Closer’/‘Baby’s Request’ in het VK en ‘Rockestra Theme’ in een aantal Europeese landen.


5 juni 1979: in de hangar van een klein prive vliegveld in Kent, worden beelden geschoten voor ‘Spin It On’ en ‘Getting Closer’. In een veld in de buurt wordt ‘Again And Again And Again’ verfilmd. Er wordt gewerkt tot het donker wordt.
‘Ik herinner me de opname van dat filmpje nog goed, ‘mijmert Laurence Juber. ‘We droegen van die namaak vliegeniersjassen: leder, gevoerd met bont. We filmden in een vliegtuighangar in de koude Britse lente, maar achter ons stonden een heel pak schijnwerpers. We werden zowat gebraden. Toen ik die avond thuis kwam, hing ik de jas te drogen. Dagenlang droop het zweet er nog uit – zo heet was het daar.’

Dit jaar bestaan The Rolling Stones vijftig jaar. Dat wordt alom gevierd. Reden genoeg om ook mijn steentje bij te dragen aan de feestvreugde. Laten we daarom eens terugblikken naar de eerste elpee van de groep die er werkelijk toe doet: Aftermath, uit 1966.

Voor de doorbraak van The Beatles waren de Britten er nooit in geslaagd iets te beteken de Amerikaanse hitparade. Daar kwam in 1964 verandering in, met de zogenaamde British Invasion. De Amerikaanse platenmaatschappijen waren echter overtuigd van hun superioriteit en meenden veel beter te weten wat de Amerikaanse jeugd wou. Daarom namen ze niet zomaar de Britse singlereleases over, maar kozen ze zelf welke songs ze als singles op de markt brachten. Ook de elpees werden onafhankelijk van de oorspronkelijke uitgaven samengesteld.

In Groot-Brittannië huldigde men het principe dat de klant recht had op waarde voor zijn geld: Value for money. Elpees telden er traditioneel 14 songs. Tracks die al op single waren uitgebracht, verschenen niet meer op een elpee. Dat werd aan de overzijde van de oceaan helemaal anders bekeken: daar zette men slechts 12 songs op een album, inclusief de recente hitsingles. Op die manier kon men de tracks uitsmeren over veel meer platen: drie Amerikaanse albums in plaats van twee Britse elpees. Money, money, money….

De artiesten hadden daarbij geen enkele inspraak in titels, hoezen of tracklists. The Beatles ergerden zich daar mateloos aan en dat gold ook voor hun collega’s, The Rolling Stones.

Keith, Andrew en Mick – december 1965 in RCA Studios

december 1965

De eerste drie platen van The Stones waren een samenraapsel van covers en wat eigen nummers, opgenomen tijdens wat vrije momenten tussen een druk tourschema. Om meer een eenheid te vormen besloot de groep om een hele stapel nieuwe zelfgeschreven songs op band te zetten, tijdens een weeklange sessie. ‘Al de vorige sessies waren haastklussen’, verklaart Keith Richards achteraf. ‘Dit keer konden we het rustig aan doen, de tijd ervoor nemen.’

Die sessie is gepland van 3 tot 8 december 1965, na afloop van een maandlange Amerikaanse tournee De songs hebben ze ook allemaal geschreven in die periode. ‘Een Amerikaanse tournee hield in dat je begon te schrijven voor een volgende plaat. Na een week of drie, vier had je genoeg materiaal, en dan trok je naar L.A. om er te gaan opnemen. We werkten snel op die manier en wanneer je zo’n tour achter de rug had, waren we prima op mekaar ingespeeld als band.’

Manager Andrew Loog Oldham, die ook optreedt als producer, heeft de RCA Studios in Hollywood, Californië, geboekt. Vanaf de eerste noten wist de band dat dit anders zou worden. ‘Die studio’s waren niet zo funky als die van Chess,” vergelijkt Bill Wyman met de studio in Chicago, waar ze het vorige jaar waren gaan opnemen. ‘Maar je krijgt er wel een commerciëler geluid. [De geluidstechnicus, Dave Hassinger] heeft een uitstekend oor. Hij zorgde voor een fantastische klank. Omdat de klank altijd goed zat, hadden we meestal genoeg aan een take of 3, 4 per song.’

Een van de eerste songs waaraan ze werken is ‘19th Nervous Breakdown’. “We hadden er net vijf hectische weken in de States op zitten en [op een avond] riep ik: “Geen idee wat jullie er van denken, maar ik ben zowat klaar voor mijn 19de zenuwaanval.” We zagen het als een mogelijke songtitel. Keith en ik werkten er aan tijdens de vrije momenten in de tour.”
Het meest opvallende kenmerk van de song zit helemaal aan het einde: Bill Wyman speelt er een paar reeksen aflopende basnoten. “Ik bespeelde een kleine Framus bas op dat nummer,’ legt hij uit. ‘Andrew of Keith vroeg: “Kun je niet iets aan het einde doen, om de ruimte tussen de zang en de band op te vullen? Ik bedacht dat Bo Diddley-achtige ding. Met mijn vingertop liet ik de snaar stuiteren tegen het pickup element en liep dan mijn vinger over de snaar. Dat gaf dat geluid alsof er een bom aan komt.’

‘Voor het eerst experimenteerden we ook met andere muzikanten,’ gaat de bassist verder. ‘Iemand als Jack Nitzsche speelde af en toe piano.’ Dat is bijvoorbeeld het geval op ‘Sad Day’. Op de 11 minuten lange track ‘Going Home’, is hij dan weer te horen op percussie. Zesde Stone, Ian Stuart, zit daarbij aan de toetsen.
Het was eigenlijk helemaal niet de bedoeling om zo’n lang nummer op te nemen. De song was voorzien als iets van een minuut of twee-drie. Maar ‘… toen we bezig waren, wachten we op een teken om op te houden’, verklaart Wyman. ‘Maar niemand gaf iets aan….’ Hij wijst ook nog op een foutje: ‘Op een moment hoor je de drums wegvallen. Keith had zijn jas naar Charlie geworpen. Die herpakte zich echter snel.’

Met dezelfde bezetting wordt ook ‘Doncha Bother Me’ op band gezet.
Bij ‘Take It or Leave It’ bespeelt Nitzsche het orgel. Brian Jones is daarbij dan weer te horen op klavecimbel en een Japanse snareninstrument: de koto.

Voor de solo op ‘Mother’s Little Helper’, grijpt Keith naar een 12-snarige elektrische gitaar. ‘Een 12-snarige met een slide er op, ‘specifieert hij. ‘Dat geeft het iets Oosters. Het nummer had iets speciaals nodig, want anders klonk het nogal vaudeville-achtig.’

Jack en Keith

Could You Walk On The Water?

Eens weergekeerd in Engeland, wordt uit de sessies een elpee samengesteld. De platenfirma, Decca Records, plant 10 maart 1966 als datum van verschijnen.

De tracklist:

kant 1: ‘19th Nervous Breakdown’, ‘Sad Day’, ‘Take It Or Leave It’, ‘Think’, ‘Mother’s Little Helper’
kant 2: ‘Goin’ Home’, ‘Sittin’ On A Fence’, ‘Don’t You Follow Me’, ‘Ride On, Baby’, ‘Looking Tired’

‘Goin’ Home’ is daarbij stevig ingekort, waardoor de plaat net geen half duurt. ‘Don’t You Follow Me’ is de oorspronkelijke titel voor wat later ‘Doncha Bother’ zal gedoopt worden en ‘Looking Tired’ tenslotte is een overblijvertje uit de sessies voor de vorige elpee, Out Of Our Heads.

Voor de hoes kiest Oldham een foto waarbij de hoofden van de bandleden tevoorschijn komen uit een waterreservoir.

Wanneer de plaat wordt gepresenteerd aan de raad van bestuur van de platenfirma verslikken enkele hoge pieten zich in hun thee bij het zien van de voorgestelde hoesfoto, in combinatie met de bewust provocerende titel. Ze weigeren de plaat uit te brengen op die manier.

Terwijl de onderhandelingen lopen, wordt ‘19th Nervous Breakdown’ naar voor geschoven als een single. Het verschijnt op 4 februari 1966, met op de b-kant een ouder nummer: de Stones versie van ‘As Tears Go By’. Marianne Faithfull had in ‘64 een hit gehad met haar versie van de song – één van de eerste successen van het schrijversduo Jagger/Richards. En de Stones versie was in de VS een hit in december ’65.
Daarom kiest men daar voor een nieuw nummer als b-kant: ‘Sad Day’.
Mede dankzij optredens op Top of The Pops en de Ed Sullivan Show bereikt de single aan beide zijden van de oceaan de top 3: 2 in de VS en 1 in Engeland.

maart 1966

Na afloop van een Australische tournee, keren Jagger en Co terug naar de RCA Studio’s in Los Angeles om er vier dagen lang bijkomende opnamen te maken: van 3 tot 9 maart 1966.

De vrijheid die ze er vorige keer hebben ervaren zet aan tot meer experimenteerdrift. De periode waarin The Stones uitsluitend rhythm-en bluesnummers brachten, ligt definitief achter hen. In 2003 blikt de zanger terug: ‘In die periode begonnen we ook wat andere soorten muziek te schrijven. Keith schreef veel melodieën en we probeerden verschillende arrangementen uit. Niets was vooraf gepland. Alles gebeurde in de studio, spontaan. We deden alles in een paar sessies bij RCA. We waren goed bezig. Het zit tsjokvol hooks: ‘Paint It Black’, die Bo Diddley riff in ‘19th Nervous Breakdown’ – uiterst hooky en pure pop.’

‘We experimenteerden meer met instrumenten,’ gaat de bassist verder. ‘We hadden nooit eerder die vrijheid in de studio. Brian vond er altijd wel iets om uit te proberen.’ Manager Andrew Oldham is het daar mee eens: ‘Brians bijdrage is merkbaar op zowat elke track bij die opnamen in RCA. Als hij een instrument niet kon bespelen, leerde hij het wel. Nummers als ‘Lady Jane’ of ‘Paint It Black’ zouden heel anders klinken zonder hem. Bij sommige songs was het veel meer dan alleen maar decoratief. Soms was het Brians spel dat er iets speciaals van maakte.’

‘Ik denk niet dat Brian de gitaar beu was,’ meent Mick. ‘Hij hield van het inkleuren van de songs – en hij deed dat uitstekend. Zijn gitaarspel was heel goed, vooral als hij slide speelde – dat was zijn sterke – maar hij was niet echt een rockgitarist. Keith deed dat beter en dus was Brian niet echt nodig daarvoor. Daarom greep hij naar een blokfluit of een sitar. Brian was meer een all-round muzikant dan een gespecialiseerd gitarist.’

‘Ik heb veel geleerd van platen als platen als December’s Children en Aftermath’, vertelt Keith. ‘Ik speelde alle gitaarpartijen die Brian normaal gezien zou hebben gedaan. Gekkenwerk was dat! Het was niet zoals tegenwoordig, dat je vier tot zes maanden aan een plaat werkt. Toen had je tien dagen de tijd om een elpee op te nemen… plus een single. Dat was de norm. Doordat Brian een stapje terug zette op [als gitarist], kwam alle druk op mij terecht.’

Een mooi voorbeeld is ‘Paint It Black’.
‘We zagen het [eerst] als een comedy track’, verklapt Keith, ‘met een funky ritme’. Maar dat leidde nergens naar toe. Ze zijn wat aan het dollen met de song, wanneer Bill Wyman met zijn vuisten op de pedalen van een Hammond orgel begint te slaan. Als Brian daar dan bij komt met een sitar, valt plots alles op zijn plaats.

Brian

Een flink aantal songs gaan natuurlijk over meisjes: ‘Lady Jane’, ‘Under My Thumb’, ‘Out of Time’ en ‘Stupid Girl’. De ode aan de adellijke Jane is één van die songs waarop ze nieuwe wegen verkennen. De akoestische gitaar van Keith wordt aangevuld met Jack Nitzsche op klavecimbel en Brian Jones op dulcimer, een snaarinstrument dat met stokjes wordt bespeeld. ‘Brian was helemaal weg van de dulcimer toen,’ weet Keith. ‘Dat kwam door Richard Fariña… We waren toen ook beginnen luisteren naar muziek uit de Appalachen. Als je het mij vraagt, klinkt ‘Lady Jane’ erg Elizabethiaans. Er zijn nog steeds enkele plekken in England waar ze zo nog spreken: het Engels van Chaucer’.
‘Ik heb zelf geen idee waar het eigenlijk over gaat,’ verklapt Mick. ‘De namen zijn historisch juist, maar het is puur toeval dat ze allemaal passen binnen dezelfde periode.’

In de andere songs komen de meisjes er niet zo goed van af. Stuk voor stuk worden ze onder de duim gehouden, als ouderwets bestempeld of gewoon dom genoemd. ‘Dat is het gevolg van onze omgeving…’, meent Keith. ‘…hotels en te veel domme grieten. Niet allemaal dom – verre van – maar je hebt er zo bij.’

Jaren later moet Mick zich nog steeds verdedigen voor deze vrouwonvriendelijke teksten. In 1976: ‘Ach, [die songs] waren zo naïef – en toch zit er ook een waarheid in, niet?. Ik vind niet dat er iets mis mee is. Het kwam er misschien niet helemaal goed uit, maar die songs waren toch echt wel juist. Kijk, je zegt iets en dan denken ze dat het op alle vrouwen slaat. Maar als je goed naar de tekst luistert – niet te letterlijk – “under my thumb, a girl who ONCE had ME down” Snap je? Dat is toch niet onredelijk. Waarom zou dat op elke vrouw slaan?’ ‘Het was gewoon terugslaan eigenlijk,’ verduidelijkt hij zes jaar later nog. ‘de “onderdrukte man” slaat terug.’
Dat komt uit mijn tienertijd’, meent hij in ’78. ‘In die tijd was er nog geen kritiek van de feministen, want dat bestond toen nog niet.’

Ook hier weer wordt het geluid bepaald door Brian – dit keer op marimba.
Op ‘Stupid Girl’ horen we Brian nog eens op akoestische gitaar. Keith speelt elektrische, Ian Stewart op orgel en Jack Nitzsche op elektrische piano. ‘Dat nummer is veel smeriger dan ‘Under My Thumb’, meent Mick in 1995. ‘Ik had duidelijk problemen toen. Mijn relatie zat niet goed. Of beter: teveel slechte relaties. Ik had toen veel vriendinnen. En geen van hen scheen het zich aan te trekken dat het niet echt klikte. Ik zat duidelijk in de verkeerde omgeving.’

Na afloop kijkt Mick tevreden terug op de sessies: ‘We namen 21 Jagger-Richard composities op in Los Angeles. We waren zo druk bezig, dat ik er over dacht om mijn bed naar de studio te verhuizen.’

Brian is niet zo gelukkig met de evolutie. Nu Mick en Keith alle songs aandragen, komt zijn positie als leider van de groep steeds meer onder druk te staan. ‘Fysisch, noch op andere wijze, was Brian sterk genoeg om de controle te houden’, verklaart Charlie Watts. Ook Ian Stewart bevestigt: ‘Songschrijver zorgde voor veel wrijvingen. Maar Brian kon het gewoon niet. […] Zijn probeersels waren echt vreselijk.’
Keith ziet het zo: ‘Brian trok het zich erg aan, dat Mick en ik alle songs schreven. […] Hij herwon nooit meer enige status. Hij verloor meer en meer zijn interesse in de groep.’ Dat gebrek aan doorzettingsvermogen kenmerkt zich ook in zijn spel. ‘Hij was een slimme muzikant’, weet Charlie, ‘maar hij bleef nooit lang genoeg aan iets werken om een uitstekend muzikant te worden. Hij bespeelde een bepaald instrument gedurende drie weken en keek er dan nooit meer naar om.’

Big Hits (High Tide and Green Grass)

De Amerikaanse platenmaatschappij begint stilaan ongeduldig te worden. Er wordt van uitgegaan dat groepen als The Beatles en The Rolling Stones slechts een paar jaar succes zullen hebben. Dus moet er snel geïncasseerd worden. Omdat de nieuwe elpee te lang op zich laat wachten, komen ze, op 28 maart 1966, met een verzamelalbum: Big Hits (High Tide and Green Grass).

Het fotoboekje dat was voorbereid voor Could You Walk On Water wordt er bij gevoegd en voor de hoes wordt een andere foto uit dezelfde fotosessie in het Franklin Canyon Park in Los Angeles gekozen. London Records is echter wel zo voorzichtig om te kiezen voor een foto waarbij de Stones naast het water staan en niet er op!

Aftermath

De Britse platenfirma kiest er voor om nog even te wachten met de verzamelaar en brengt Aftermath uit op 15 april 1966. De titel Aftermath – nasleep – is een inside-joke naar de lange strijd om de oorspronkelijke elpee uit te brengen.

In de tussentijd zijn een aantal nummers uit de eerste sessies geschrapt. ‘19th Nervous Breakdown’ en ‘Sad Day’ zijn al op single verschenen. ‘Ride On Baby,’ ‘Sitting On A Fence’ en ‘Looking Tired’ verdwijnen in de kast (al duiken twee van die drie songs in 1967 op, op de Amerikaanse compialtie Flowers).

De klemtoon komt te liggen op de recentere opnamen. Van de elf nummers opgenomen in maart, worden er negen geselecteerd voor de nieuwe tracklist.

Die ziet er zo uit:
kant 1: ‘Mother’s Little Helper’, ‘Stupid Girl’, ‘Lady Jane’, ‘Under My Thumb’, ‘Doncha Bother Me’, ‘Goin’ Home’
kant 2: ‘Flight 505’, ‘High And Dry’, ‘Out Of Time’, ‘It’s Not Easy’, ‘I Am Waiting,’ ‘Take It Or Leave It’ ‘Think’, ‘What To Do’

De twee overblijvende songs, ‘Paint It, Black’ (met komma, opeens) en ‘Long Long While’ komen terecht op de volgende single, die op 13 mei verschijnt. Het wordt de zesde Stones singles die de top bereikt in Engeland.

De Britse muziekpers reageert enthousiast op de elpee. Melody Maker noemt het ‘ongetwijfeld de beste Stones plaat tot nu toe’ en de New Musical Express stelt dat de band ‘heeft gezorgd dat je de beste investering ooit kunt doen met deze nieuwe elpee’. Het publiek volgt: de plaat verdringt de soundtrack van The Sound Of Music van de top en voert acht weken lang de Britse hitlijsten aan.
… waarna het weer de beurt is aan ‘Edelweiss’ en ‘The hills come alive…’.

Een andere Aftermath

Omdat ze de verkoop van de verzamelelpee niet willen dwarsbomen, wacht London Records tot 1 juli eer ze Aftermath in de VS op de markt brengen. In afwachting verschijnt wel al ‘Paint It, Black’ op single, maar met ‘Stupid Girl’ als b-kant. De single bereikt ook daar de top.

Wanneer Aftermath er dan, met anderhalve maand vertraging, toch verschijnt, is er, ironisch genoeg, toch weer gekozen voor een andere tracklist en hoes. Vier nummers houdt men achter de hand voor latere releases: ‘Mother’s Little Helper’, ‘Out Of Time’, ‘Take It Or Leave It’ en ‘What To Do’. De meest recente hitsingle komt vooraan en het 11 minuten lange ‘Goin’ Home’ komt als afsluiter, in plaats van pal in het midden van de plaat.

Dat geeft dit resultaat:
kant 1: ‘Paint It, Black’, ‘Stupid Girl’, ‘Lady Jane’, ‘Under My Thumb’, ‘Doncha Bother Me’, ‘Think’
kant 2: ‘Flight 505’, ‘High and Dry’, ‘It’s Not Easy’, ‘I Am Waiting’, ‘Goin’ Home’

De hoesfoto wordt vervangen door een andere foto, geleend uit het programmaboekje van de Britse tournee. Voor alle duidelijkheid is de bandnaam er bij gezet, plus de toevoeging: ‘Including ‘Paint It, Black’’.

Ter promotie is er ook een nieuwe single: ‘Mother’s Little Helper’ met ‘Lady Jane’ als b-kant.
Desondanks moet Aftermath het afleggen tegen Yesterday and Today van The Beatles – ook al zo’n Amerikaanse bijgeharkt zootje. Vooral bekend omwille van de slagershoes, waarmee de vier uit Liverpool wilden protesteren tegen het verminken van hun elpees door de Amerikaanse platenmaatschappij.

Charlie, Andrew, Brian, Mick, Keith en Bill
Jack en Ian buiten beeld.

In 1995 blikt Mick Jagger terug op de plaat: ‘Die plaat was een keerpunt voor ons. Het was de eerste keer dat we alle songs zelf schreven. Eindelijk konden we breken met die, ongetwijfeld, zeer fijne en interessante covers van oude R&B songs – het blijven tenslotte covers. Om eerlijk te zijn: we vonden trouwens dat we die nummers geen recht deden, vooral omdat we de maturiteit niet hadden. […]
[Aftermath] biedt een heel spectrum aan muzikale stijlen: ‘Paint It Black’ was zo’n beetje een Turks nummer. Er waren ook erg bluesy dingen, zoals ‘Goin’ Home’. Als ik me niet vergis staan e rook watt rage nummers tussen. Heel wat goede nummers, verschillende stijlen en goed opgenomen. Wat mij betreft: een hoogtepunt.’

Dolly Parton en Porter Wagoner

1973-‘74

Als er punten gegeven worden voor street credibility bij muzikanten, staat Dolly Parton aan de top bij de countryzangers. Een vet Southern accent geeft al aan dat ze is opgegroeid in het Appalachengebergte. En inderdaad: het houten éénkamerhuisje waarin ze is grootgebracht, stond in Locust Ridge in Tennessee – een dorpje aan de voet van de Smoky Mountains. ‘Dirt poor’, omschrijft ze zelf haar familie. Vader probeerde zijn veertien kinderen in leven te houden met de opbrengsten van zijn tabakskweek. Moeder maakte kleding voor haar kroost van allerhande lappen stof.

Haar zuivere stem brengt Dolly al op 13-jarige leeftijd in de befaamde Grand Ole Opry radioshow, die vanuit het Ryman theater in Nashville wordt uitgezonden. Ze ontmoet er Johnny Cash, die haar adviseert om vooral haar eigen weg te volgen. Een raad die ze ter harte neemt: de dag na haar afstuderen in 1964, verhuist ze naar Nashville om er een carrière in de muziek na te streven.

In 1967 wordt ze geïnviteerd door countryster Porter Wagoner om zijn vaste partner, Norma Jean, te vervangen in zijn wekelijkse TV-show: The Porter Wagoner Show. Wagoner werpt zich op als haar mentor en produceert een reeks succesvolle duetsingles met haar. Solo-succes laat langer op zich wachten. Maar wanneer de doorbraak er eindelijk komt, in het begin van de jaren zeventig, probeert ze zich los te maken van haar mentor. Het is een moeizaam proces, want de man duldt geen tegenspraak. Bovendien is hij verliefd op zijn protegé – die daar echter niets van wil weten. ‘Hij was … en ik bedoel dat echt niet verkeerd, maar hij was een echte macho’, verklaart Dolly later. ‘Hij was de baas. Het was zijn show. Maar hij was ook erg koppig. Dar kwamen hevige ruzies van, want ik laat niet met me sollen.’
In 1993 licht ze verder toe: ‘Er ontstaat een liefde-haat verhouding wanneer je lang met iemand samenwerkt. Porter en ik waren beiden erg competitief en gepassioneerd. Dan komt er jaloezie bij kijken. Ik schaam mij niet voor die gevoelens. Maar uiteindelijk moest ik wel weggaan. Hij wou niet luisteren. Ik kon niets doen om de breuk te verzachten. Daarom schreef ik deze song.’ Ze doelt op ‘I Will Always Love You’, dat ze in juni 1973 opneemt.

In februari 1974 maakt Dolly Parton bekend dat ze de samenwerking met stop zet. In april treden ze een laatste keer samen op. Op 6 juni 1974 – een jaar na de opname – brengt Dolly Parton het nummer uit. Het slaat meteen aan en bereikt de top de van country lijst van Billboard.

De tekst wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd en soms zelfs als openingsdans gebruikt op trouwfeesten. Het gaat echter over een vrouw die beseft dat de relatie voorbij is. Toch hoopt ze dat de man die ze verlaat, gelukkig wordt.

Elbis Presley herkent de gevoelens, na zijn eigen breuk met Priscilla. Hij wil het nummer graag opnemen. Maar wanneer zijn manager, Kolonel Parker de helft van de publicatierechten opeist, bedankt Dolly voor de eer.

1975
Daardoor is Linda Ronstadt één van de eersten om het nummer te coveren. Dat doet ze op haar elpee Prisoner in Disguise , uitgebracht in september 1975. Ronstadt laat daarbij de laatste strofe (“I wish you joy and I wish you happiness…”) achterwege.

1982

Begin jaren tachtig is Dolly Parton voor het eerst te zien in de bioscoop. In Nine To Five speelt ze een secretaresse die heeft af te rekenen met een seksistische baas. Een rol die grotendeels gebaseerd is op haar verhouding met Porter Wagoner. Haar acteerprestaties worden gewaardeerd met twee Golden Globe nominaties en ook de titelsong is een groot succes.

Haar volgende film is The Best Little Whorehouse In Texas, gebaseerd op een recente Broadway musical. Dolly schrijft een aantal nieuwe nummers voor de filmadaptie. Maar het grootste succes blijkt weggelegd voor een nieuwe versie van ‘ Will Always Love You’. De song bereikt voor de tweede keer de top van de country lijst.

1992

Tien jaar verder en opnieuw een film met een zangeres in de hoofdrol: The Bodyguard, met Whitney Houston.

Oorspronkelijk is het de bedoeling dat de R&B zangeres, voor de finale van de film, een nieuwe versie zal opnemen van ‘What Becomes of the Brokenhearted’. Maar dan heeft Paul Young plots een hit met zijn cover van de Motownhit. Hij heeft het nummer van Jimmy Ruffin uit 1966, opgenomen voor een andere film: Fried Green Tomatoes.
Kevin Costner, die de mannelijke hoofdrol spelt in The Bodyguard komt met het voorstel om ‘I Will Always Love You’ te gebruiken.
Clive Davis, de grote baas van Arista Records, de platenmaatschappij waarbij Whitney Houston onder contract staat, vindt het maar niets: een R&B artieste met een countrysong? Costner houdt echter voet bij stuk: ‘Ik zei: “We gaan het begin a cappella doen. Het moet gewoon a cappella zijn , omdat ze daarmee aantoont hoeveel ze van die kerel houdt: ze zingt het zonder muziek!’
Omdat Whitney het nummer niet kent, geeft David Foster haar de elpee van Linda Ronstadt, zodat ze kan instuderen. Maar wanneer de producer Dolly Parton belt om haar te vertellen van de plannen, grijpt die in. Ze staat er op dat de laatste strofe weer in eer wordt hersteld. De toon van het nummer verandert helemaal er zonder, zo meent ze. Foster moet op zijn beurt de regisseur overtuigen om de scene 40 seconden langer te laten duren.

Whitney’s coverversie wordt een ongezien succes: ‘I Will Always Love You’ brengt maar liefst 14 weken door aan de top van de Amerikaanse hitlijsten. De rest van de wereld volgt. Met vier miljoen verkochte exemplaren is het één van de best verkochte singles ooit. De soundtrack doet het zelfs nog beter: met maar liefst 45 miljoen exemplaren is het wereldwijd de best verkochte soundtrack ooit.

Alluderend op Presley’s cover die niet doorging, grapt Dolly: ‘Whitney’s versie bracht me genoeg op om Graceland te kopen.’

1995

In 1995 besluit Parton het nummer zelf een derde keer op te nemen, voor de cd Something Special . Dit keer als een duet met Vince Gill. Deze versie brengt het niet verder dan een – relatief gezien – magere 15de plaats op de country lijst.

2012

Bijna twee decennia lang lijkt het alsof ‘I Will Always Love You’ eindelijk zijn tijd heeft gehad. Maar in 2012 duikt het plots opnieuw op.
Amber Riley heeft het nummer gecoverd voor een aflevering van de Amerikaanse tienerserie Glee. De band wordt afgeleverd bij de producers van de TV-serie op 10 februari. Netjes op tijd voor de uitzending vijf dagen later.

De volgende dag, 11 februari 2012, wordt Whitney Houston dood aangetroffen in het bad in een hotelkamer in het Beverly Hills. De 48 jarige zangeres is overleden aan een hartaanval, te wijten aan het gebruik van drugs.

Tijdens de uitreiking van de Grammy’s in Los Angeles, een dag later, brengt Jennifer Hudson het nummer als eerbetoon aan de overleden ster. Meteen volgt een nieuwe notering in de top 3.
Hiermee bereikt het nummer voor de vijfde keer de Amerikaanse hitlijsten, verspreid over vier decennia.

 

In 1962 bedacht Berry Gordy dat een tournee wel eens de beste manier kon zijn om zijn artiesten en hun songs te promoten. Met de MotorTown Revue kon hij bovendien zijn labels en zijn platenmaatschappij wat meer bekendheid geven. Het opzet is een avondvullende show, waarbij artiesten van Tamla Motown elk hun grootste hits brengen, binnen een strikt afgemeten schema. Na heel wat repeteren vindt, in juni 1962, een try-out plaats in het Regal Theatre in Chicago. De zaal is gekend omwille van zijn uitstekende akoestiek en er wordt besloten daarvan gebruik te maken om live opnamen te maken.

Eén van de acts is een jongetje dat onlangs zijn twaalfde verjaardag heeft gevierd. Steveland Judkins werd in mei 1950 geboren in Saginaw, Michigan. Daarbij liep er wat mis. In de couveuse kreeg hij teveel zuurstof toegediend, waardoor hij blind werd. Dat gemis compenseerde hij met flink wat muzikaal talent. Op zijn vijfde leerde hij harmonica spelen, het volgend jaar begon hij met pianolessen en op acht ook nog drums.

In 1961 werd de jongen “ontdekt” door Ronnie White van The Miracles, een van de topacts van Motown. Die stelde Stevie en zijn moeder voor aan Berry Gordy. De auditie was overtuigend genoeg voor een contract. Onder de naam Little Stevie Wonder maakte hij, kort na elkaar, twee jazzplaten. Op A Tribute to Uncle Ray, bracht Stevie versies van nummer van zijn held, Ray Charles. De opvolger The Jazz Soul of Little Stevie, was helemaal instrumentaal. Geen van beide elpees maakt indruk op de hitlijsten.   

Toch mag Stevie één nummer brengen in de revue. De keuze valt op een song uit zijn tweede plaat: ‘Fingertips’.
De jongen beseft dat hij zijn kans moet grijpen. Meteen al roept hij het publiek op om niet passief toe te kijken: ‘The name of the song is called, uh, Fingertips. Now I want you to clap your hands. Come on, come on. Yeah. Stomp your feet, jump up and down, and do anything that you WANNA DO!! ‘

Na een intro op bongo’s, volgt een samenspel van drummer Freddie Waits, bassist Larry Moses en de harmonica van Stevie. Wanneer de song na twee minuten afgerond is, verlaten de muzikanten het podium om plaats te maken voor de volgende act: The Marvelettes.

Dan loopt Stevie plots terug naar de microfoon en roept: ‘Everybody say yeah!’.
Het publiek reageert: ‘Yeah’.
Dat kan beter: ‘Everybody say yeah, yeah, yeah …’
’Yeah, Yeah, Yeah…’
De muzikanten pikken de draad weer op. Maar een aantal van hen zijn niet vertrouwd met het nummer. Je hoort bassist Joe Swift roepen: ‘What key? What key?’
Stevie moedigt aan: ‘Clap yo’ hands just a little bit louder…’
Improviserend werken ze samen naar een climax, tien minuten later. Het publiek gaat uit de bol. Het dak gaat er af. Het hoogtepunt van de avond.

In mei 1963 verschijnt een flink stuk van de opname, 6’40” in totaal, op de live elpee The Twelve Year Old Genius. Tegelijk brengt Motown ‘Fingertips’ ook uit als single, met de laatste drie minuten van de improvisatie, als ‘Fingertips Part 2’ op de b-kant.

Maar wanneer DJ’s de bijna 7-minuten lange elpeeversie beginnen draaien, brengt de platenmaatschappij de single opnieuw uit, met ‘Fingertips Part 2’ als a-kant. In augustus 1963 bereikt de single de top van de Billboard hitlijsten: niet alleen de R&B Singles maar ook de Pop Singles. Drie weken op de eerste plaats maakt van Stevie Wonder een ster. Zeker wanneer The Twelve Year Old Genius ook de elpeelijst gaat aanvoeren. Zoiets is nog nooit gebeurt. Voor het eerste staat een artiest op hetzelfde moment op 1 in de single- en de elpeelijsten. En bovendien – nog een primeur – met een liveopname!

Een experimentje.

Ik kom de naam van Rita Coolidge tegen op heel wat van mijn favoriete platen van het einde van de jaren zestig. Ik ken haar eigenlijk vooral als zangeres van ballads en duetten met Kris Kristofferson. Dus heb ik wat research gedaan.

Gelukkig wou ze, speciaal voor de lezers van Peerke’s Plaatjes  haar verhaal hier zelf vertellen.

Rita Coolidge

“Zingen heb ik altijd graag gedaan. Iedereen in onze familie. Mijn zussen Priscilla en Linda zongen in het kerkkoor in Lafayette, Tennessee. Papa was dominee in Lafayette. Dominee Coolidge. Ik mocht al meedoen toen ik nog heel klein was. Ik heb leren zingen en dansen in dat kerkkoor. Wij waren The Coolidge Sisters en ik was de jongste.

Met The Coolidge Sisters hebben we heel wat prijzen gewonnen, op talentenwedstrijden en zo. We zongen overal waar we konden: op feestjes en braderieën en zo. Tot Priscilla een beurs kreeg, om professioneel zanglessen te gaan volgen. Linda is toen gestopt met zingen. Ze had er genoeg van. Later ben ik dan naar Florida getrokken om er kunst te gaan studeren  aan de universiteit.

Na het behalen van mijn diploma, wou ik het eerst even proberen als zangeres, in Memphis. Naast optredens, soms samen met Priscilla, zong ik af en toe wat reclamespotjes in, bij Pepper-Tanner. Een van de mensen daar, Marty Lacker, was een goede vriend van Elvis Presley. Hij had net een platenfirma opgericht: Pepper Records. Hij vond mijn stem zo mooi dat hij aanbood om een singeltje op te nemen, in de American Studio, in Memphis. Maar ‘Turn Around and Love You’ werd een dikke flop.

Toen hebben Delaney en Bonnie mij “ontdekt”.

Delaney Bramlett en Bonnie O’Keefe – dat was me een stel! Heftig! Ze hingen altijd aan mekaar. Ofwel waren ze smoorverliefd, ofwel hadden ze kletterende ruzie. Altijd wat met die twee. Ze waren getrouwd, vijf dagen nadat ze mekaar hadden leren kennen!

Delaney was een Shindog geweest. Je weet wel, een van de muzikanten van de band van het TV programma Shinding. En Bonnie was de eerste blanke in de groep van Ike en Tina Turner: de Ikettes.

Enfin, ze gingen een elpee opnemen voor Stax, in Los Angeles. En ze vroegen of ik geen zin had om mee te doen. Ik had toch geen andere plannen, dus…

Heel gek: in L.A. kende iedereen mijn naam! Het bleek dat ‘Turn Around and Love You’ er in de top 10 had gestaan. Nergens had het plaatje iets gedaan, behalve in L.A.  Ik ben nooit terug gekeerd naar Memphis. Ik liet alles achter en begon opnieuw.

Waar we daar terecht kwamen! Een bende hippies. Maar wel stuk voor stuk heel fijne muzikanten. Het draaide allemaal zo’n beetje rond Leon Russell. Leon was jarenlang sessiemuzikant geweest. Hij heeft piano en gitaar gespeeld bij iedereen: van Frank Sinatra tot the Beach Boys en The Byrds. Maar nu wou hij iets anders. Hij had een groot huis gekocht in Skyhill Drive, in de heuvels boven Hollywood. Daar had hij een studio ingericht. Het was eigenlijk een soort clubhuis. Veel jonge beginnende muzikanten hingen daar rond, voor de sfeer en in de hoop carrière te kunnen maken.

De vaste kern was The Flying Burrito Brothers. Dat waren twee mannen die uit de International Submarine Band van Gram Parsons waren gestapt. Gram wou meer de richting van country uit en zij wilden meer rock spelen. De band wisselde dikwijls van bezetting. Leon speelde mee en gitarist Jesse Ed Davis – een volbloed indiaan. Wij zijn trouwens halfbloed: van mama’s kant zijn we Cherokee. Saxofonist Bobby Keys… Taj Mahal was er ook, J.J. Cale… Dr. John kwam langs…

Rare jongens die twee Burrito Brothers. Heel principieel. Ze hadden een absolute afkeer van de muziekindustrie. Ze wilden geen platencontract. Toen ze fans begonnen te krijgen in LA, zijn ze naar New York vertrokken. Parsons heeft de naam later overgenomen.

Maar dat was later. Met Delaney en Bonnie  hebben we dus Accept No Substitutes opgenomen. We hadden een heel fijne band, met bassist Carl Radle, drummer Jim Gordon, Bobby Whitlock op orgel en gitaar, Bobby Keys op sax en Jim Price op trompet. Allemaal Southernes, mensen uit het zuiden.

In afwachting dat de plaat zou gaan verkopen, speelden we de clubs in en rond L.A.

In de zomer van 1968 kwam Gram Parsons zijn oude makkers opzoeken. Hij had Keith Richards bij en Anita Pallenberg. De Stones waren in stad om er Beggars Banquet af te werken. Ze kwamen kijken naar ons optreden in de Palomino. Gram was enthousiast. Hij vond dat we het verdienden om door te breken. Toen hij de volgende keer langs, in november, kwam had hij weer iemand anders bij: George Harrison.

George wou de plaat in Engeland laten uitbrengen door Apple Records, maar dat ging uiteindelijk niet door.

Later kregen we een telefoontje van Eric Clapton. Die had een nieuwe groep: Blind Faith. George Harrison had hem onze plaat laten horen en hij vroeg of we zin handen om het voorprogramma te doen van hun Amerikaanse tournee.
Die tournee vond plaats in de zomer van ’69. Clapton kwam elke avond naar ons kijken. Hij hing voortdurend bij ons rond, om te jammen en zo. Hij reisde zelfs mee in onze tourbus.

Na afloop van die tournee wou hij een plaat opnemen met ons. Clapton had altijd alleen gitaar gespeeld. Zingen liet hij aan anderen over. Maar Delaney had hem over de streep getrokken. ‘Je hebt een prima stem,’ hoorde ik hem zeggen, als je er niets mee doet, neemt God die stem weg!’

De opnamen vonden plaats  in Los Angeles, met Delaney als producer. Hij heeft ook de meegeschreven aan een groot aantal nummers, waaronder ‘Let It Rain’. En hij heeft hem laten kennis maken met de liedjes van J.J. Cale. ‘After Midnight’ is een dikke hit geworden.

In november zijn we dan naar Engeland gevlogen, voor een Britse tournee. Eric Clapton had ons uitgenodigd. We mochten allemaal logeren in zijn huis Hurtwood Edge, in Surrey. We stapten pas van het vliegtuig of hij nam ons al meteen mee naar zijn vriend George Harrison. Die was in de studio aan het werk met Doris Troy. Daar hebben we meteen ‘So Far’ opgenomen, een nummer dat Klaus Voorman had geschreven. Die was er trouwens ook bij. ‘Willen jullie niet naar bed?’ vroeg hij. ‘Jullie komen net van het vliegtuig!’ Euh… nee. Wij willen spelen!”

Bij Eric thuis.
Achterste rij Eric Clapton, Judy Keys, Rita Coolidge, Jim Gordon, Jim Price.
Voorste rij: Bobby Whitlock, Bonnie Bramlett, Delaney Bramlett, PP Arnold (voorprogramma), Carl Radle, Bobby Keys (vooraan).

Tijdens de tournee hadden wij opeens drie extra gitaristen: Eric Clapton, Dave Mason van Traffic en George Harrison van The Beatles. Die drie stonden er op om elke avond mee te spelen, achteraan op het podium. Anoniem. Zo enthousiast waren ze.

Maar  voor mij had de tour een wrang nasmaakje. Jim Gordon en ik waren een koppel, maar af en toe gedroeg Jim zich heel vreemd. Hij hoorde stemmen en zo. Een keer kwamen we net van het podium en opeens gaf hij mij een vuistslag in mijn gezicht. Zomaar, zonder enige aanleiding. Achteraf gezien was het misschien maar goed, dat het daarna over was tussen ons, want later heeft hij zijn moeder vermoord. Ook iets met die stemmen…

In januari hebben we nog die eerste plaat van Eric verder afgewerkt in in Los Angeles, maar daarna was het gedaan. Dat gedoe tussen Delaney en Bonnie werkte iedereen op zijn zenuwen en de band is gesplit.

***

Maar de rust heeft niet lang geduurd.

Voor ik bij Jim was, had ik nog een tijdje iets gehad met Leon Russell en die had ‘Delta Lady’ voor mij geschreven. Mooi, he? Delta Lady was zijn koosnaampje voor mij. Hij had het nummer aan Joe Cocker gegeven en die heeft het opgenomen voor zijn tweede elpee. Leon was namelijk producer voor die plaat.

Begin maart ’70 was Joe op bezoek gekomen bij ons. Hij wou wat uitrusten van een uitputtende tournee met zijn Grease Band. Die band was trouwens ook gesplit – teveel stress en teveel… van alles. Bon, Joe was dus net bij ons, toen hij van zijn manager te horen kreeg dat hij opnieuw de baan op moest. Die had hem geboekt voor een nieuwe tournee van zeven weken… te beginnen binnen één week!

De manager liet hem verstaan dat, als hij niet zou komen opdagen, hij zijn carrière verder wel kon vergeten. Daar zou hij wel voor zorgen.

Paniek!

Leon stelde voor om hem te helpen. Hij zou de muzikale leiding van de tour op zich nemen, een band bijeen zoeken, de repetities leiden,  gitaar en piano spelen… Kortom: alles. De volledige band van Delaney en Bonnie werd terug opgetrommeld  – minus dat koppel natuurlijk. Plus Bobby Whitlock die bij Clapton gebleven was om samen aan songs te werken. Daar kwamen wat leden van de Grease Band bij en nog wat anderen. Uiteindelijk stonden we met dertig man klaar voor de repetities. Twee drummers, blazers, een koor van tien man… Tien uur per dag hebben we gerepeteerd. De tournee heette niet voor niets Mad Dogs and Englishmen.

Het was groots. Fantastisch! Iets helemaal nieuws. Je moet de film zeker eens bekijken, als je hem te pakken krijgt. Ik zou wel eens de beelden willen zien die de film niet gehaald hebben. Dat was zeker “kinderen niet toegelaten”!

http://www.youtube.com/watch?v=n6splB7acXc

Iedere avond kreeg ik een solo spot met mijn versie van ‘Groupie (Superstar)’, een nummer dat Bonnie, samen met Leon had geschreven.

Na  de tournee zijn Carl Radle en Jim Gordon weer naar Engeland gevlogen om er de nummers op te nemen waaraan Eric Clapton en Bobby Whitlock hebben gewerkt. Dat is de plaat Layla and Other Assorted Love Songs geworden. Je kent ‘Layla’ toch, he. Tuurlijk. Wie kent dat niet?

Dat tweede deel, dat  lange pianostuk, dat komt eigenlijk een beetje van mij.

Dat zit zo. Op een keer had Eric iets vergeten in de studio. Toen hij daar aankwam was Jim, Jim Gordon dus, in zijn eentje aan het werk. Hij gaf toe dat hij, in de vrijgekomen studiotijd een plaat aan het opnemen was. Eric vond dat pianostuk dat hij gehoord had heel mooi en vroeg of hij het zelf mocht gebruiken. Dat mocht.

Maar eigenlijk had ik die melodie geschreven, toen we nog bij Delaney and Bonnie waren, in een gastenverblijf bij John Garfield Jr. Jim heeft me dat zo dikwijls horen spelen. Het nummer heet eigenlijk ‘Time.’ Mijn zus Priscilla heeft het later ook opgenomen, samen met haar man, Booker T. Jones.

***

In de lente van 1970 ging ik terug naar LA, om er mijn solodebuut op te nemen met David Anderle als producer. Natuurlijk kreeg ik daarbij hulp van vele vrienden en collega’s: Priscilla en Booker T., Donald Duck Dunn, Leon Russell en Marc Benno, Bobby Womack, Spooner Oldham, een aantal Byrds, Jim Keltner, … noem maar op. Tussendoor werkten we ook nog aan een ander solodebuut: dat van Dave Mason van Traffic. Fijne tijden.

Maar toen kwam dat gedoe met Stephen en Graham. Stephen Stills was toen zowat de toonaangevende figuur bij Crosby, Stills, Nash & Young – de carrière van Neil kwam pas later echt van de grond. Stephen woonde toen in Londen, in een huis dat hij van Ringo Starr had gekocht. Ik had hem ontmoet tijdens de sessies met Clapton, in Londen. Hij speelde mee op ‘Let It Rain’. Daarna maakte hij er zijn eigen soloplaat, in de Island Studios. Hij maakte altijd eerste de basistracks in zijn eentje en dan vulde hij die aan met andere dingen. Daarvoor kon hij krijgen wie hij wou: Jimi Hendrix kwam langs, Eric Clapton, Ringo…

In de zomer [juni 1970 – nvdr] was hij terug in Los Angeles voor een tournee met CSN en Young. Tussendoor werkte hij de plaat af. Hij had Booker T er bij gevraagd en Priscilla en mij ook, om de backing in te zingen. Er was nog veel bekend volk: Mama Cass, John Sebastian en zo… en natuurlijk Graham Nash.

Graham nodigde me uit om eens naar een show van CSN & Y te komen kijken. Hij gaf me zijn telefoonnummer.

Maar toen ik belde nam Stephen op. Hij vertelde me dat Graham zich had bedacht, maar dat hij me wel een backstage pasje kon bezorgen.

Toen hij me kwam oppikken, vertelde Stephen me  dat hij verliefd op me was. Al een hele tijd. We kusten en … enfin. We waren een koppeltje voor we de backstage kwamen. Stephen speelde die avond fantastisch. Hij bleef maar doorgaan: het ene nummer na het andere. Prachtig. Tijdens de pauze bleek dat het helemaal niet de bedoeling was dat Stephen zoveel nummers speelde. Bedoeling was om beurt om beurt eentje te doen. Vooral Graham leek nogal gepikeerd. Tegenover mij deed hij koel en afstandelijk.

De dagen en weken daarna was Stephen heel lief. Hij noemde me The Raven, omwille van mijn lange zwarte haar. Hij had zelfs twee nummers over mij geschreven: ‘Sit Yourself Down’ en ‘Cherokee’. …

Maar, een paar weken later, vertelde Graham me dat Stephen eigenlijk vuil spel had gespeeld. Dat hij helemaal niet gezegd had dat hij niet met mij wilde gaan. Ik was er echt door geschokt. Ik wou hem dat zelf gaan vertellen. We reden naar zijn huis. Hij lag in een zetel bij het zwembad, toen we aankwamen. Toen ik hem confronteerde met zijn bedrog en hem vertelde dat ik Graham eigenlijk leuker vond dan, werd Stephen razend. Hij spuwde zelfsnaar Graham. Daarna heeft hij maandenlang geen woord meer tegen hem gezegd.

David Crosby heeft er een nummer over geschreven: ‘Cowboy Movie’, op zijn eerste soloelpee, If I Could Only Remember My Name. De namen zijn verandert, maar verder kun je ons allemaal wel herkennen. Ik ben “the indian maiden”, waarover Stephen – “Eli the Gunner” – en Graham -“theDuke” – ruziën. Davis is “Fat Albert” en Neil is “Young Billy”. Zij kijken toe hoe hun clubje uitelkaar valt.
Achteraf beweerde men dat dit de reden was waarom de band uit elkaar ging, maar dat geloof ik niet. Er was veel geld mee gemoeid… en drugs en ego’s en zo.

Korte tijd later, op 9 november 1970, stond ik in de vlieghaven van Los Angeles te wachten op mijn vliegtuig. Ik wou terug naar Memphis. Daar kwam ik Kris Kristofferson tegen. Hij had net zijn eerste plaat uit en hij was onderweg naar Nashville om er een interview te gaan geven. We raakten aan de praat. Hij had een tijdje iets gehad met Janis Joplin maar die was kort daarvoor gestorven [4 oktober 1970 – nvdr]. Mijn relatie met Graham leed onder de spanningen in de groep. Het klikte meteen met Kris en hij vloog met me mee naar huis.

Drie jaar later zijn we getrouwd.

Volgende pagina »