Eureka!!!

Na veel zwoegen, schrappen en opnieuw beginnen is hij er dan toch,
mijn muziekkeuze voor 2014:

Vooreerst 2 speciale vermeldingen :
1) Chris Smither : ‘Still On The Levee’
Met zijn schitterende remake van zo veel mooie nummers, verdient de man voor mij een plaats tussen de allergrootsten.
2) Greg Leisz : Alom tegenwoordig en drukt zijn stempel op meerdere albums, afgelopen jaar en zoveel jaren voordien.
Ook hij verdient alle respect voor zijn snarenspel!

En dan mijn lijstje :
1) Lucinda Williams : ‘Down Where The Spirit Meets The Bone’.
Voor mij is dit een document dat mij blijft begeesteren en telkens
dat tikkeltje meer heeft dan de andere platen, dus daarom mijn nr. 1.
Alles wat Americana te bieden heeft zit hier zo mooi in verweven.
Het is een trui die ik telkens zo graag aantrek.
2) Joe Purdy : ‘Eagle Rock Fire’.
Zo mooie muziek in de geest van Townes Van Zandt, maar dan van het betere werk.
Joe heeft al zo veel (ik heb er 13) moois gemaakt en verdient dit zonder meer.
3) David Crosby : ‘Croz’.
Heeft de man ooit iets beters gemaakt, vraag ik mij af. Ik denk het niet.
4) Jackson Browne : ‘Standing In The Breach’.
Dit nieuwe album kan gerust plaatsnemen tussen zijn vroegere werk, zonder meer.
Was voor mij een echte groeiplaat en dat zijn, zeggen ze, de beste.
Deze man ligt me zo nauw aan het hart, al zo veel jaren.
5) Joe Henry : ‘Invisible Hour’.
Dit is kunst die gemakkelijk terecht kan in eender welk museum.
Hier doe ik mijn hoed, als ik er al een had, voor af.
6) Lieven Tavernier : ‘Wintergras’.
Belgisch en o zo mooi! Verdient gewoon een plaats tussen de rest van de Americana.
Waarom kennen ze deze grote meneer niet in dit eigenste landje en ver daarbuiten?
Luisteren en kopen, zou ik zeggen.
7) Malcolm Holcombe : ‘Pitiful Blues’.
Een schuurpapieren stem of niet, dit is weer een plaat van heel hoog niveau.
8) Mary Gauthier : ‘Trouble & Love’.
Een hele grote dame die telkens weer muziek, zo subtiel maar o zo mooi kan brengen.
9) Hayward Williams : ‘The Reef’.
Een doorleefde plaat die van zeer diep komt, schitterend geproduced door Jeffrey Foucault,
dan weet je het wel.
Luisteren, zou ik zeggen en dan weet je waarom deze plaat op deze plaats reikt.
10) Rosanne Cash : ‘The River & The Thread’.
Een plaat als een reis die ik zo graag eens zou maken.
Ik blijf er zo van genieten, zo mooi!

11) John Fullbright : ‘Songs’.
12) John Hiatt : ‘Terms Of My Surrender’.
13) Matt Harlan : ‘Raven Hotel’.
14) Dave Mc Graw & Mandy Fer : ‘Maritime’.
15) Eriksson – Delcroix : ‘For Ever’.
16) Adam Carroll : ‘Let It Choose You’.
17) Otis Gibbs : ‘Souvenirs Of A Misspent Youth’.
18) Mad About Mountains : ‘Harlaz’.
19) HT Roberts And Bruno Deneckere : ‘Heroes & Has Beens’.
20) Tweedy : ‘Sukierae’.
21) Sturgill Simpson : ‘Metamodern Sounds In Country Music’.
22) Willie Watson : ‘Folksinger, Vol.1’.
23) Loudon Wainwright III : ‘Haven’ T Got The Blues (Yet)’.
24) Jim Byrnes : ‘St Louis Times’.
25) Rodney Crowell : ‘Tarpaper Sky’.
26) Ray Bonneville : ‘Easy Gone’.
27) Chris Eckman : ‘Harney County’.
28) Eliza Gilkyson : ‘The Nocturne Diaries’.
29) Tom Freund : ‘Two Moons’.
30) Carlene Carter : ‘Carter Girl’.
31) Thompson : ‘Family’.
32) Eric Bibb : ‘Blues People’.
33) Jeff Black : ‘Folklore’.
34) Dom Flemons : ‘Prospect Hill’.
35) Mark Erelli : ‘Milltowns’.
36) Leyla McColla : ‘Vari-Colored Songs’.
37) Natalie Merchant : ‘Natalie Merchant’.
38) Neil Young : ‘Storytone’ Deluxe Edition.
39) Kris Delmhorst : ‘Blood Test’.
40) Suzanne Vega : ‘Tales From The Realm Of The Queen Of Pentacles’.

Zo, dat zijn ze. Hier heb ik het afgelopen jaar van genoten.
Op naar 2015!
Lang leve de muziek!

Leo

10689961_10152359530981876_3112222478840771318_n

Het mooiste geluid van dit jaar is, zonder twijfel, het gebrabbel van mijn pasgeboren kleinzoon.

Maar daar gaat het nu niet over. Muziekjes, dus.

Zoals hier en daar al vastgesteld: 2014 was weer een fijn muziekjaar, maar zonder een echte uitschieter. Dat is ook goed te merken aan de lijstjes van de diverse tijdschriften en gespecialiseerde websites: diversiteit alom. Het meest wordt nog The War On Drugs naar voor geschoven. Die plaat doet mij echter te weinig om in mijn lijstje een plaatsje te krijgen. Dat mag, want het is mijn lijst.

Naar goede gewoonte worden ook live-platen, heruitgaven en compilaties uitgesloten van deelname. Dus geen Basement Tapes, Lost On The River of The Art of McCartney. Jammer genoeg is er dus ook geen plaatsje voor de nochtans heerlijke live-cd van Bruno Deneckere & Nils De Caster. Ondanks het fijne concert van de heren in CC De Breughel in Bree. Daar zijn ze overigens goed bezig, want dit jaar zagen we er ook al H.T. Roberts (ook al met Nils De Caster), Diane Jones, Matt Harlan en diens vrouw Rachel Jones, Dan Bern en Dave McGraw & Mandy Fer.

Toch blijven er genoeg fijne muziekjes over om mee te nemen naar het spreekwoordelijke onbewoonde eiland. Bestaat dat eigenlijk nog? Of staan er inmiddels overal postbussen voor de belastingsontwijking?

Om te voorkomen dat de site zeer traag opent, heb ik de clipjes zo ingesteld dat ze in een nieuw tabblad openen. Veel plezier ermee.

1. Sturgill Simpson :: Metamodern Sounds In Country Music
2. Beck :: Morning Phase
3. Rosanne Cash :: The River & The Thread
4. Eriksson-Delcroix :: For Ever
5. Mad About Mountains :: Harlaz
6. Robert Ellis :: The Lights from the Chemical Plant
7. John Fullbright :: Songs
8. Eliot Bronson :: Eliot Bronson
9. Lucinda Williams :: Down Where the Spirit Meets the Bone
10. Rodney Crowell :: Tarpaper Sky

11. Robert Plant :: Lullaby And… The Ceaseless Roar
12. The Delines :: Colfax
13. Sharon van Etten :: Are We There
14. Damien Rice :: My Favourite Faded Fantasy
15. Jackson Browne :: Standing in the Breach
16. Jamie T. :: Carry on the Grudge
17. Alt-J. :: This Is All Yours
18. Mark Lanegan :: Phantom Radio
19. Marianne Faithfull :: Ultraviolence
20. John Hiatt :: Terms Of My Surrender

21. Sun Kil Moon :: Benji
22. FKA twigs :: LP1
23. King Creosote :: From Scotland with Love
24. Matt Harlan :: Raven Hotel
25. Bruce Bherman :: Acoustic Movies
26. Angel Olsen :: Burn Your Fire For No Witness
27. Joe Henry :: Invisible Hour
28. Otis Gibbs :: Souvenirs of a Misspent Youth
29. Matt Woods : With Love From Brushy Mountain
30. Het zesde metaal::

een draadje:

one-way-road-sign-my-way-001

Jacques Revaux

Parijs, begin jaren zestig.
De jonge Jacques Revaud heeft gedurende een paar jaar geprobeerd, om voet aan grond te krijgen in de cabarets van de linkeroever. Tevergeefs. Zijn liedjes zijn goed genoeg, maar het charisma ontbreekt hem, om aan te slaan bij het publiek. Ook het handvol singletjes die van hem zijn uitgebracht (bij een van zijn eerste optredens heeft de drukker zijn naam verkeerd gespeld op de affiche: Revaux. Herdrukken kost geld, dus gaat hij voortaan zo door het leven) zijn eigenlijk haast uitsluitend gekocht door vrienden en familie.

De genadeslag is de yé-yé rage. Een frisse wind, die in het zog van The Beatles en The Stones, de Franse populaire muziek vooral richt op een tienerpubliek. Salut les copains!

Jacques besluit zich voortaan toe te leggen op een carrière achter de schermen. Hij neemt zich voor om iedere dag een nummer te schrijven. Om ongestoord te kunnen werken, trekt hij zich terug in een bergdorpje in de Franse Alpen. Daar, op de bovenste verdieping van een klein hotelletje, schrijft hij nummers voor Johnny Hallyday, Eddy Mitchell, Sylvie Vartan, Sheila….

Meestal beperkt hij zich tot de muziek. Voor de tekst houdt hij op wat klanken. ‘Chanter en yaourt’, zoals dat zo mooi heet in het Frans. De echte teksten laat hij liever over aan mensen als Pierre Delanoë, Vline Buggy, Jean-Michel Rivat of Ralph Bernet.

In mei 1967 heeft hij een opdracht voor vier nummers voor de muziekuitgever Norbert Saada. De opdracht is dat het moet klinken als iets dat in Engeland is geschreven. Want de Franse zangers hebben liever een vertaling uit het Engels, dan een originele Franse compositie.

Hugues Aufray krijgt de eerste keuze. Daarna komen Petula Clark, Claude François, Dalida en Sacha Distel aan de beurt. Niemand heeft interesse in ‘For Me’.

Clo Clo

Tijdens een feestje in Cannes, enkele maanden later, vraagt Claude François aan Jacques waarom hij hits schrijft voor zowat iedereen, maar nooit voor hem. De componist antwoordt dat hij hem laatst een nummers heeft aangeboden, maar dat Clo Clo het toen niet wou. Ze spreken af voor een herkansing.

Op 27 augustus 1967 rijdt Revaux naar Dannemois, waar de Franse zanger een buitenverblijf heeft. In en rond het zwembad is een hele troep mensen uit de wereld van radio en TV verzameld. ‘Hij wou dat ik het nummer op de piano speelde, voor iedereen,’ vertelt Jacques Devaux in 1993 aan het tijdschrift Platine. ‘Dat duurde bijna tien minuten. Toen hebben we samen de melodie aangepast. Claude heeft drie of vier noten gewijzigd: eentje in het begin en drie in het refrein. En inderdaad: het was een stuk beter.
Hij zette zich aan de piano en kwam met de openingszin: “Je m’lève et je te bouscule…”
Met in zijn achterhoofd de recente breuk met France Gall, met wie hij een bijna drie jaar een relatie heeft gehad, beschrijft Claude hoe de dagelijkse routine, ongemerkt leidt tot sleur in het leven van elk koppel: ‘Comme d’habitude’.

‘Later heeft hij de tekst uitgewerkt met Gilles Thibault,’ verklaart Revaux. ‘Daar was ik niet bij. Ik weet alleen dat het idee van hem kwam.’
Voor zijn aanpassingen krijgt Claude François een vermelding als co-auteur van de melodie. Hij brengt het ook onder bij zijn pas opgezette muziekuitgeverij Jeune Musique.

Korte tijd later neemt hij het op met het orkest van David Whitaker en brengt het, in november 1967 uit, als aller eerste single van zijn eigen platenlabel Disques Flèche.


Met zo’n driehonderdduizend verkochte exemplaren is het een hit, maar geen monstersucces.

David Bowie

In Londen probeert ene David Jones al een paar jaar om aan de bak te komen in de muziekwereld. In afwachting van zijn doorbraak als David Bowie, schnabbelt hij wat bij voor de muziekuitgever Essex Music. Geoffrey Heath brengt hem in contact met de Belgische jazzpianist Willy Albimoor. Willy heeft een vriendinnetje dat hij graag wil lanceren als zangeres: Andrée Giraud. Hij heeft enkele nummers voor haar gecomponeerd, maar er ontbreekt nog een tekst.
Bowie zet zich aan het werk en in juni 1967 verschijnt ‘Pancho’ van Dee Dee and her Panchos. Van het meisje wordt na deze flop niets meer vernomen, maar voor Albimoor rinkelt de kassa wanneer in 1971 Les Chakachas een dik hit scoren met zijn ‘Jungle Fever’.

Blijkbaar vindt de uitgever dat David een tweede kans verdient. In de winter krijgt hij een stapeltje Franstalige singles toegeschoven. De methode om nummers die hun hitpotentieel bewezen hadden, te slijten aan een Engelstalig publiek kwam wel meer voor in die tijd. Denk maar aan ‘You Don’t Have to Say You Love Me’ van Dusty Springfield: een bewerking van een Italiaans nummer van Pino Donaggio.
Een van de plaatjes is ‘Comme d’habitude’.
Bowie voorziet de melodie van een Engelse tekst over een jongen die zich populair maakt door de clown uit te hangen en daarom niet serieus wordt genomen door het meisje van zijn dromen.

In februari 1968 zingt Bowie zijn tekst in, over het plaatje van François heen. De muziekuitgever is niet onder de indruk van ‘Even A Fool Learns To Love’. Noch van de amateuristische aanpak, noch van de geforceerde tekst vol zelfbeklag. Het commentaar van de grote baas is duidelijk : men ‘zoekt een ster op het nummer op te nemen en geen Johnny uit Bromley.’

Paul Anka / Frank Sinatra

De Canadese zanger en liedjesschrijver Paul Anka (onder andere ‘It Doesn’t Matter Anymore’ van Buddy Holly) verblijft veel in Frankrijk, omdat zijn vrouw – hoewel net als hijzelf van Libanese afkomst – ook Frans bloed heeft. ‘Ik had een huis gehuurd in de buurt van Mougins,’ vertelt hij in 2005. ‘Ik hoorde die melodie op de radio en ik dacht : daar moet ik iets mee doen.’
Hij verwerft de rechten voor de Verenigde Staten, maar daar blijft het bij. Voorlopig toch.

Enkele maanden bevindt hij zich in Florida, in het gezelschap van Frank Sinatra en ’een paar leden van de maffia’. Tijdens het diner verklapt Old Blue Eyes dat hij is uitgekeken op de showbizz, dat hij er over denkt om er mee op te houden.

Zodra hij weer thuis is, in New York, haalt hij de partituur van ‘Comme d’habitude’ te voorschijn. Gezeten aan de piano verandert hij het ritme, beetje bij beetje. Vervolgens begint hij aan de tekst.
‘Om een uur of één ’s nachts,’ gaat Paul verder, ‘zette ik me aan mijn oude IBM typmachine, met de vraag: Wat zou Frank schrijven? Ik begon: “And now, the end is near…”
Het was me opgevallen dat er in tijdschriften veel sprake was van “mijn dit” en “mijn dat”. Met was de ik-generatie en Frank was voor mij de verpersoonlijking daarvan. Zoiets als “I ate it up and spit it out” zou ik zelf nooit zeggen. Maar hij sprak zo. Die kerels van de Rat Pack namen het taaltje over van de maffia – zelfs al hadden ze schrik van hun eigen schaduw.’

Het wordt een tekst waarin de zanger een balans op aan het einde van zijn levensweg. Niet ontevreden stelt hij vast dat hij misschien niet altijd het juiste heeft gedaan, maar in elk geval uniek is geweest. ‘I did it my way.’

Tegen 5 uur in de ochtend is de song klaar. “Ik belde Frank op, in Nevada – hij was in Caesar’s Palace. Ik zei hem: “Ik heb iets, speciaal voor jou.”

Sinatra is blij met het resultaat en legt het vast tijdens een sessie in Los Angeles, op 30 december 1968.

Uitgebracht in maart 1969, bereikt het een 27ste plaats in de Amerikaanse hitlijsten. Opnieuw: een goed resultaat, maar geen megasucces.
Dat is anders in het Verenigd Koninkrijk: hoewel de hoogste notering slechts een vijfde plaats is, blijft de single maar liefst 75 weken onafgebroken in de top 40 (van april 1969 tot september 1971). Inclusief de 49 weken dat het plaatje daarna nog in de top 75 blijft hangen, is het er de langst genoteerde hitsingle ooit.

David Bowie – opnieuw

David Bowie heeft inmiddels enige bekendheid verworven dankzij het nummer ‘Space Oddity’ van zijn tweede elpee. Rijk is hij er echter nog niet mee geworden, want hij neemt nog steeds de bus om de stad in te gaan. Zo ook op een van de eerste lentedagen van 1971. Hij wil een hemd en schoenen gaan kopen en wandelt naar de bushalte. Onderweg hoort hij Sinatra ergens met ‘My Way’. De afwijzing van zijn versie van ‘Comme d’habitude’ is hij nog niet vergeten. De melodie blijft in zijn hoofd malen en vormt langzaam een soort van parodie. Twee haltes verder springt hij van de bus en loopt terug naar huis.

In de flat in Southend Road staat niet veel meer dan een ligstoel, een asbak en een piano. Tegen het einde van de namiddag heeft hij de tekst en melodie klaar van ‘Life on Mars?’ – “Inspired by Frankie” zoals aangegeven op de hoes van zijn derde elpee.

Het onderwerp is een tienermeisje dat, na een aanvaring met haar ouders èn haar vriendje, verstrooiing zoek t in een bioscoop. Allerlei beelden en indrukken komen op haar af en ze vraagt zich af of er misschien ergens anders een betere wereld zou zijn. Misschien is er leven op Mars?

Mick Ronson zorgt voor een prachtig strijkersarrangement, maar voelt zich nog niet zeker genoeg om zelf de pianopartij in te spelen. Daarvoor zorgt Rick Wakeman, op de piano van de Trident studio – dezelfde waarmee Paul McCartney ‘Hey Jude’ heeft gespeeld.

‘Life on Mars?’ verschijnt in december 1971 op Hunky Dory. In eerste instantie is het gewoon een albumtrack, maar anderhalf jaar later, na de doorbraak van Ziggy Stardust wordt het nummer ook als single uitgebracht. Met succes: top 3 in Engeland. In Amerika is men dan nog niet onder de indruk van Bowie: zelfs geen notering in de top 100 van Billboard.

Elvis Presley

Terwijl Bowie zijn ‘Life On Mars’ opneemt in Londen, legt duizenden kilometers daar vandaan, Elvis Presley een versie vast van ‘My Way’. Dat gebeurt op 10 juni 1971 in de RCA studio B, in Nashville, Tennessee. Die opname gaat echter het archief in. Misschien ook omdat Paul Anka Elvis negatief adviseert over het nummer: ‘Laat dat. Het past niet voor jou.’

Toch brengt The King het nummer tijdens twee optredens in Hawaii, in januari 1973. Deze worden, via satelliet wereldwijd uitgebracht en bekeken door zowat een miljard kijkers.

Op 3 oktober 1977, enkele weken na zijn overlijden, wordt een recente live opname van ‘My Way’ dan toch als single uitgebracht. Met een 22ste plaats in de Amerikaanse hitlijst is het een groter succes dan dat van Sinatra. In de Country lijsten stoot het nummer zelfs door tot de top.

Claude François

In een poging door te breken op de Amerikaanse markt, neemt Clo Clo datzelfde jaar een Engelstalige elpee op, in de Londense Abbey Road studio. Daarbij mag natuurlijk zijn interpretatie van ‘My way’ niet ontbreken. Hij kan dan niet vermoeden dat het inderdaad zijn grafschrift zal worden, want op 11 maart 1978 komt hij om het leven, wanneer hij in zijn badkamer een lamp wil vervangen.

Sid Vicious

Tijdens een desastreuse Amerikaanse tournee, stapt Johnny Rotten in januari 1978, uit de Sex Pistols. Manager Malcolm McLarren heeft daardoor een probleem, want hij heeft nog grootse plannen voor de band. Zo is Julien Temple een documentaire film aan het draaien : The Great Rock ‘n’ Roll Swindle. McLarren probeert ieder van de drie overgebleven leden als lead-zanger uit. Tijdens een sessie in Parijs laat hij Sid Vicious een cover opnemen van ‘My Way’. De rebelse bassist gaat enkel akkoord, op voorwaarde dat McLarren een papier ondertekent waardoor hij niet langer Sids manager is.

Hoewel het een spontane punkversie lijkt, is er behoorlijk over nagedacht. Producer Bill Price heeft een strijkersarrangement voorzien, geschreven door Simon Jeffes van het Penguin Cafe Orchestra.

Vicious zelf heeft zijn huiswerk echter niet zo goed gedaan : hij kent de tekst maar half. Daarom improviseert hij er op los, waarbij hij een sneer geeft naar John Lydon gewoonte om een hoed te dragen : “prat who wears hats”

‘Zijn manier van zingen was grotesk,’ meent Simon Jeffes, ‘maar tegelijk liet het je toch niet onberoerd. Toen we het arrangement bedachten hadden we niet de bedoeling om het belachelijk te maken. Ik vond het zelfs pakkend. Want hoewel het enerzijds helemaal van de pot gerukt was, zat het vol van angst en wanhoop. En leven… er zat echt leven in.’

De opname wordt in juni 1978 uitgebracht op een single met ‘No One Is Innocent’, een in Brazilië opgenomen, gezongen door treinrover Ronnie Biggs met begeleiding van de beide andere overgebleven bandleden. Met de hulp van een controversieel clipje raakt ‘My Way’ tot een 7de plaats in de Britse hitlijsten.

Zelfs Paul Anka moet, in een interview in 2007 toegeven, dat het een zekere kwaliteit heeft: ‘Ik was wat uit mijn lood geslagen door de versie van The Sex Pistols, maar ik had de indruk dat hij het echt meende.’

Herman Brood

Wanneer iemand als Herman Brood een cd vol covers opneemt, hoeft hij over zo’n statement als ‘My Way’ natuurlijk geen twee keer na te denken. Dat doet ie, in een bigband uitvoering voor zijn plaat vol swing nummers, Back on the Corner, uitgebracht in juni 1999.
Toch besluit hij om het uiteindelijk niet op dat album te zetten. ‘Breng het maar uit voor je weet wel’, zou hij tegen zijn manager hebben gezegd.

Twee jaar later, op 11 juli 2001, springt hij van het dak van Amsterdamse Hilton hotel. Hermans uitvoering van ‘My Way’ klinkt tijdens zijn crematie, op het moment dat de kist, met daarop een fles Grand Marnier neerdaalt.
Op datzelfde moment draaien, tegelijkertijd een dozijn radiozenders de plaat. Het nummer verschijnt nog diezelfde week op single en wordt postuum de eerste en enige nummer één hit voor Brood.

Raymond van het Groenewoud

Recalcitrant als altijd kiest Raymond ervoor om voor een Vlaamse versie ‘My Way’ links te laten liggen en ‘Comme d’habitude’ te bewerken als ‘Zoals gewoonlijk’. In de zomer van 2004 verschijnt het nummer, als een van de twee nieuwe opnamen op de compilatie cd Ballades. Het is een eerste samenwerking met producer Peter Vermeersch.

Nawoord

Er bestaan inmiddels meer dan 1200 versies van het nummer. Het komt daarmee in de buurt van ‘Yesterday’ van The Beatles. Wereldwijd zou het elke minuut te horen zijn op radio of tv. De zonen van Claude François alleen al verdienen er elk jaar zo’n 750 000 euro aan auteursrechten mee.

‘My Way’ groeide dan ook uit tot een vast onderdeel op het repertoire van elke nachtclubzanger. Maar ook amateurs wagen zich er, met veel overgave aan. In de Filipijnen is het echter tegenwoordig verboden tijdens karaoke avonden. Dit is het gevolg van een half dozijn moorden, wanneer de zanger maar bleef doorgaan met het kwelen van ‘Maaaaaai weeeeeei’, ondanks klachten uit het publiek.

Voor wie het zelf eens wil proberen, hier is je kans:

Deel 15 – Paul McCartney – Tug of War

Opgenomen:

31oktober tot 18 december 1980 in A.I.R. Studios, Londen

3 februari tot 1 maart 1981 in A.I.R. Studios, Montserrat

maart en september tot november 1981 in A.I.R. Studios, Londen

Uitgebracht:

29 maart 1982: ‘Ebony and Ivory (solo versie)’en ‘Rainclouds’ als b-kant van single ‘Ebony and Ivory’ van Paul McCartney & Stevie Wonder

26 april 1982: elpee Tug of War van Paul McCartney

Kant 1: ‘Tug of War, ‘Take It Away,’ Somebody Who Cares’, ‘What’s That You’re Doing’, ‘Here Today’

Kant 2: ‘Ballroom Dancing’, ‘The Pound Is Sinking’, ‘Wanderlust’, ‘Get It’, ‘Be What You See’, ‘Dress Me Up As A Robber’, ‘Ebony and Ivory’.

21 juni 1982 : ’I’ll Give You A Ring’ als b-kant van single ‘Take It Away’ van Paul McCartney

3 oktober 1983: ‘Ode to a Koala Bear’ als b-kant van single ‘Say Say Say’ van Paul McCartney & Michael Jackson

31 oktober 1983: ‘Average Person’, ‘Keep Under Cover’, ‘Sweetest Little Show’ en ‘Hey Hey’ op elpee Pipes of Peace van Paul McCartney

12 november 1984: ‘We All Stand Together’ en ‘We All Stand Together (Humming Version)’ als single van Paul McCartney and the Frog Chorus

Exit Wings

Het blijft natuurlijk arrogant – en zelfs gewoonweg dom – van Paul om, op weg naar Tokio, een voorraadje hash in zijn valies te stoppen. Vooral omdat hem eerder al de toegang tot Japan was ontzegd omwille van drugsbezit. Een mogelijke verklaring voor zijn gedrag bij de aanvang van de eerste tournee van Wings door het land van de rijzende zon, is dat hij – misschien onbewust – van zijn begeleidingsband af wou. Het was immers tijd om het hoofdstuk van zijn carrière af te sluiten.

Tekenend is deze anekdote, een maand voor de arrestatie.
Op 29 november 1979 speelt Wings in het Apollo Theatre van Manchester. Na afloop vertelt drummer Steve Holly aan Paul hoe fantastisch hij het vond. Diens antwoord verrast hem echter: ‘It sucked!’

‘Paul haatte die hele tour,’ weet Holly. ‘Hij vond elk optreden slecht. Al na een paar shows had ik de indruk dat hij er van af wou zijn. Muzikaal waren ook problemen met een paar bandleden. […] Misschien hadden we te weinig gerepeteerd. Ik weet dat Paul flink onder druk stond.’

In 2001 verklaart Macca: ‘Het was niet leuk meer. De arrestatie was een soort van bevestiging. Ik had zoiets van: waarom doe ik dit nog? De band was kwaad op me, omdat ze door mij een serieus pak geld misliepen.’

Toch probeert hij nog even om met Wings verder te gaan. Einde juni 1980 beginnen repetities voor een eventuele verder zetting van de tour. In een oud concertgebouw bij Tenterton in Kent, worden daarbij ook enkele nieuwe songs uitgeprobeerd: ‘Ballroom Dancing’, ‘Call Of Nature’ en ‘Angry’.

Na twee weken repeteren, trekken Paul en Linda met de gitarist Laurence Juber naar Nice. In het nabijgelegen Bear Les Alpes gaan ze Ringo een handje helpen bij het opnemen van zijn volgende elpee Can’t Fight Lightning.

De opnamen duren tien dagen.

‘Dat was fijn,’ grinnikt Juber, ‘want we zaten in het zuiden van Frankrijk. Het was zomer en ik herinner me dat ik daar zat, een akoestische gitaar op schoot, Paul en Ringo naast me. Ik dacht: Yeah! Het was fantastisch. Lloyd Green was er om pedal steel te spelen – dat was ook al cool. Die sessies gingen vlotjes. De muziek was ook niet moeilijk. Een nummer per dag. We namen er ook iets van Linda op: ‘Love’s Full Glory’…

En ‘You Can’t Fight Lightning’ van Ringo. Dat was … vreemd. Ringo speelde op een van mijn gitaeren en hij sneed zich daarbij in zijn vinger. Je kunt zijn bloed nog steeds zien in mijn gitaar. Er zit Beatles-bloed in! (lacht)’

In augustus genieten de McCartneys van een maand lange vakantie in de Caraïben. Na afloop neemt Paul een twintigtal demo’s op van mogelijke kandidaten voor zijn volgende elpee.

Wanneer hij hoort dat John, na vijf jaar stilte, opnieuw in de studio aan het werk is, belt hij hem op, om hem voor te stellen iets samen te doen. Maar hij krijgt Yoko aan de telefoon. Ze weigert John te roepen en vertelt hem zelfs niet dat Paul heeft gebeld. Volgens producer Jack Douglas had John nochtans laten verstaan dat hij een hernieuwde samenwerking met Paul wel zag zitten.

Begin oktober worden de repetities hervat in Tenterton, Kent. Dit keer ligt de klemtoon op de nieuwe songs, als voorbereiding voor opnamen. Maar het wil maar niet vlotten. Volgens Juber ligt dat aan het materiaal: ‘Het probleem was dat Paul een andere richting uitging, iets dat zou leiden tot Tug of War en Pipes of Peace.  Het waren geen nummers voor een rockband. Die twee platen kun je dan ook geen rockplaten noemen. Nummers als ‘Ballroom Dancing’ en ‘Average Person’ zijn iets heel anders – volwassener. Het is materiaal voor een artiest die een solocarrière begint, wiens kinderen naar school gaan en die weg is getrokken uit Londen. Na de dood van John – hetgeen zeker heeft meegespeeld – heeft Paul niet meer getourd tot 1989.’

Kortom: Paul heeft geen band meer nodig.

Rupert Bear

Geen van de andere Wingsleden is dan ook uitgenodigd, wanneer Paul, op 28 oktober 1980, voor het eerst sinds acht jaar, opnieuw samenwerkt met George Martin. De opnamen vinden plaats in de Londense A.I.R. Studios. Paul heeft de ervaren producer er bij gevraagd omdat hij een grootse productie voor ogen heeft: de soundtrack voor een tekenfilm rond het stripfiguurtje Rupert Bear (bij ons gekend als Bruintje Beer).

‘Als kind las ik de jaaruitgaven van Rupert. Die kreeg ik als Kerstcadeautje. Voor- en achteraan stonden er grote, bladvullende tekeningen. Op een daarvan stond een kikkerkoor, met een kikker als dirigent. Ik hield vooral van details, zoals een kikker met een viool. Dan vroeg ik mij af: wat voor muziek zouden zij spelen? Dat was het uitgangspunt voor ‘Rupert and the Frog Song’. Ik dacht: we hebben een fluit, een viool, een koor, iemand geeft de maat aan. Laten we daar wat muziek voor schrijven. Dus ging ik uit van de tekening en beelde me in hoe dat zou klinken. Zodra we dat hadden, begonnen we aan het tekenfilmpje.’

Voor de opnamen doet hij beroep op The King’s Singers en het St. Paul’s Boys Choir .

Paul neemt Geoff Dunbar onder de arm om hem te helpen bij het maken van een tekenfilm rond Rupert Bear. Dunbar heeft in 1974 zijn eerste film gemaakt, Lautrec, over de schilder Henri Toulouse-Lautrec. Daarvoor kreeg hij de Gouden Palm op het Film Festival van Cannes. Ook zijn tweede film, Ubu (1979) over het toneelstuk van Alfred Jarry Ubu Roi viel in de prijzen: de Gouden Beer op het festival van Berlijn.

‘Oorspronkelijk was Rupert and the Frog Song een vingeroefening voor een langspeelfilm’, verklapt Dunbar. ‘Het was niet de bedoeling om die uit te brengen. Het was een probeersel om de mogelijkheden af te tasten. Maar het geheel bleek zo geslaagd, dat het op zichzelf kon staan.’

Wings?

Tijdens de samenwerking bespreken Paul en George de mogelijkheden om samen te werken aan de nieuwe elpee van Wings. George beluistert de demo’s en vindt dat er heel wat goede nummers tussen zitten, maar andere vindt hij maar niets. Hij suggereert dat Paul nog wat sterke nummers bij schrijft.

Wanneer Paul zijn twijfels uit over de huidige samenstelling van de band, komt de producer met een voorstel: ‘Waarom niet kiezen om samen te werken met je helden, in plaats van met de vaste muzikanten van je eigen groep? Stel een lijstje op van muzikanten waarmee je graag eens iets zou willen doen. Dan nodigen we die uit en gebruiken dat als basis voor de nieuwe elpee.’

De opnamen beginnen op vrijdag 28 november in de Londense A.I.R. Studio. George Martin leidt de sessies, maar springt ook in als pianist. Geoff Emerick, de geluidstechnicus van The Beatles, staat in voor de techniek. Denny is present, maar de andere Wingsleden zijn niet uitgenodigd.

Het trio legt basistracks vast van ‘Ballroom Dancing’, ‘Keep Under Cover’, ‘Rainclouds’, ‘Ode to a Koala Bear’, ‘Tug of War’ en ‘Wanderlust’.

Op zondag 7 december beginnen de opnamen van ‘Ballroom Dancing’. George Martin heeft een arrangement uitwerkt, op basis van Pauls demo. Ook bij ‘Keep Under Cover’ heeft Martin een serieuze vinger in de pap: hij adviseert om het nummer helemaal te herwerken ten opzichte van de eerdere demo en opname met Wings. Voor de basistracks van beide nummers bespeelt Paul alle instrumenten. Dennys rol is beperkt tot wat gitaarspel.

De volgende dag werken ze verder aan ‘Keep Under Cover’ en beginnen aan ‘Rainclouds’ en ‘Ode to a Koala Bear’.

Dinsdag staat het afwerken van ‘Rainclouds’ op het programma. Paddy Moloney van the Chieftains is hiervoor uitgenodigd om Ierse doedelzak toe te voegen.

Maar om 8:30, terwijl Linda de kinderen naar school brengt, krijgt Paul een bericht van Yoko: John is doodgeschoten.

Hij is in schok. Trillend belt hij naar zijn broer, om hem het nieuw te melden.

Wanneer Linda terugkeert, is het huis reeds belegerd door de pers.

Tegen de middag verlaat laat Paul zich naar de studio in Londen brengen, waar hij heeft afgesproken met Denny Laine en George Martin.

Geoff Emerick vertelt: ‘Wanneer ik arriveerde bij AIR, was het gebouw omsingeld door een horde schreeuwende journalisten en TV-ploegen. (…) Na een tijdje kwam George Martin binnen. ‘Wat een tragedie’ was het enige dat hij kon uitbrengen. (…) Even later kwam ook Paul aan, ingetogen, in gedachten verzonken. (…) Een hele tijd stonden we bij elkaar, verdoofd, de impact te bespreken die John Winston Ono Lennon had gehad op onze levens. …

Na een tijdje viel eer en oncomfortabele stilte. Het enige wat we konden doen, leek ons, was aan het werk te gaan.’

‘Paul zag er slecht uit,’ herinnert Paddy Moloney zich:’ Hij zag er verbijsterd uit. Hij zei dat het tragisch was en zinloos. (…) We praatten over John. Ik herinner me dat Linda binnenkwam en je zag dat ze gehuild had. Het was zeer emotioneel. (…) Ik denk dat, tegen het einde van de sessie het nog niet echt was doorgedrongen, dat John echt dood was. Voor altijd verdwenen. Ik ben er zeker van dat het een paar dagen duurde voor we dat beseften.‘

‘Paddy deed zijn werk snel en efficiënt. Dan, na Paul onhandig te hebben omhelsd, vertrok hij naar de luchthaven. Hij zag er verloren uit.’

Van uit de studio belt Paul nog eens naar Yoko.

Wanneer hij ’s avonds de veilige omgeving van de studio verlaat, weet hij tegen de journalisten niets anders te vertellen dan “Het is belachelijk, niet?’ Een uitspraak die hem door een bepaalde pers erg kwalijk wordt genomen.

Na een onderbreking van een paar dagen, worden de sessies de volgende zondag hervat. Drummer Adrian Sheppard is uitgenodigd om de basistrack vast te leggen van ‘Wanderlust’. Ook aan ‘Ballroom dancing’ wordt verder gewerkt.

Dinsdag staat ‘Tug Of War’ op het programma. Donderdag wordt daaraan verder gewerkt, waarbij Campbell Maloney van de Campbeltown Pipe Band (die van ‘Mull of Kintyre’) een bijdrage levert op snaredrums.

Ook wordt een demo gemaakt van ‘Ebony and Ivory’.

Na een onderbreking voor de Kerstperiode, doet Paul weer beroep op Wings. Hij wil het Cold Cuts project nog een tweede kans geven. De nummers worden hier en daar nog wat bijgewerkt. De solo-tracks van Denny en Linda worden aan de kant gezet en enkele recente outtakes van Paul komen in de plaats: ‘Robber’s Ball’ en ‘Cage’.

Kant 1: ‘A Love For You’, ‘My Carnival’, ‘Waterspout’, ‘Mama’s Little Girl’, Night Out’, ‘Robber’s Ball’

Kant 2: ‘Cage’, ‘Did We Meet Somewhere Before?’, ‘Hey Diddle’, ‘Tragedy’, ‘Best Friend (Live), ‘Same Time Next Year’.

Misschien dat na de recente samenwerking met Ringo en George Martin, maar vooral door de plotse dood van John, Paul het contact met George Harrison wil herstellen. Feit is dat hij zijn oude makker opbelt met de vraag of hij een gitaarsolo wil toevoegen aan een van zijn tracks: ‘Wanderlust’. George zegt toe.

Dus trekken Paul en Linda, met Denny Laine, George Martin en Geoff Emerick naar Henley-on-Thames. Daar aangekomen stelt George voor om eerst de backing vocals van een van zijn nummers in te zingen. ‘All Those Years Ago’ is geschreven ter nagedachtenis van John. Wanneer Paul, Linda en Denny de klus hebben geklaard, verklaart George dat het te laat is geworden om nog aan Pauls track te werken.

Tot zover de samenwerking.

A.I.R. Studios, Montserrat

Op voorstel van George Martin worden de sessies verplaatst naar een andere omgeving, ver weg van alles. Op Montserrat, een klein vulkanisch eiland in de Caribische Zee, heeft zijn firma Associated Independent Recording een splinternieuwe studio gebouwd.

Op 1 februari 1981 landen Paul en Linda met hun kinderen op het eiland, waar ze verblijven in het huis van George Martin en zijn vrouw. Enkel een paar roadies en Denny Laine zijn mee uitgenodigd.

Laurence Juber en Steve Holly begrijpen dat hun rol is uitgespeeld en stappen uit de band. ‘Ik dacht: dit loopt ten einde,’ blikt Juber in mei 2003 terug. ‘George Martin wou geen Wings plaat maken. Hij wou een McCartney plaat.

Er waren zeker geen plannen meer voor een tournee. Ik had de indruk dat Paul en Linda dat soort druk niet meer wilden voor hun familie. Het was een gevoel van: dit is een nieuw decennium, anders en beter.

Iedere Wings plaat had een soort van eigen identiteit – ook al door de steeds wisselende bezetting. Maar we waren op een punt gekomen dat het geen kant meer uitkon. Vooral George Martin had dat gevoel. Wij allemaal trouwens ook wel. ‘

Ik begon plannen te maken voor een verhuis naar New York. In feite vertrok ik begin februari 1981 naar New York. Wings werd officieel ontbonden in april 1981, maar toen was ik al weg, vermits er ik niets meer te doen had.‘

Eigenlijk is ook Linda, in deze fase, niet meer erg betrokken bij de muziek van Paul. Zij gaat liever paardrijden in de paradijselijke omgeving, of werkt aan eigen songs op een oude Wurlitzer piano.

De eerste gast is Dave Mattack, drummer bij onder andere Fairport Convention. Na een dagje jammen, werken Paul, Denny en George met hem gedurende drie dagen aan evenveel songs: ‘Dress Me Up As A Robber’, ‘The Pound Is Sinking’ en ‘Hear Me Lover’.

Zondagavond arriveren twee nieuwe gasten: jazzbassist Stanley Clarke komt overgevlogen uit Philadelphia en top sessiedrummer Steve Gadd (‘50 Ways to Leave Your Lover’ en ‘Aja’) uit New York. Terwijl hij op hen wacht, schrijft Paul een nieuw nummer. ‘Die zondagnamiddag zat ik buiten. Ik nam mijn gitaar erbij en zocht een rustig plekje op. […] Ik dacht dat het wel leuk zou zijn om met iets fris tevoorschijn te komen. Dus schreef ik [‘Somebody Who Cares’].’

Na het gebruikelijke jammen, wordt dat nummer dan ook vereeuwigd door het drietal. Clarke is zeer enthousiast over de samenwerking met zijn collega-bassist: ‘Hij is een fantastische muzikant. Van alle opnamen waarbij ik betrokken was, is dat een van de meest memorabele. We vlogen naar dat eiland en ik verbleef daar een paar dagen bij Paul. We hadden er de grootste lol. Hij speelt zeer melodisch. Melodieën kosten hem geen enkele moeite. Geen wonder dat hij op zo’n manier bas speelt. Hij hoeft er niet bij na te denken. Hij is een schrijver die ook zingt. Daardoor speelt hij ook zo melodieus op de bas.’

De volgende dag gebruikt McCartney weer een beproefde methode: hij verwerkt twee van de tracks die eerder met Dave Mattacks zijn opgenomen, tot één geheel. Mike Stravou, assistent van de opnametechnicus Geoff Emerick vertelt dat hij zag hoe George Martin de tapes van ‘The Pound is Sinking’ en ‘Hear Me Lover’ met een scheermesje doorsneed en ze daarna weer aan elkaar kleefde. De overgang werd vervolgens gemaskeerd met wat overdubs van Stanley Clark op bas en Denny Laine op akoestische gitaar. Paul zal zelf de track nog verder bijkleuren met allerhande instrumenten.

‘Hey Hey’ komt dan weer voort uit een jam. Hoewel Clarke toch niet de minste is, is hij toch heel trots wanneer hij later merkt naast Paul McCartney te zijn vermeld als mede-auteur voor die track.

Payl, Dave en Richard

Vrijdag vliegt Clarke weer naar huis, maar Mattacks blijft nog enkele dagen langer. Hij wil graag Ringo Starr ontmoeten. Die heeft net zijn elpee Can’t Fight Lightning afgewerkt en komt op zondag overgevlogen uit Los Angeles. Hij brengt niet alleen zijn verloofde Barbara mee, maar ook zijn favoriete drumstel.

Met beide drummers, plus George Martin op elektrische piano, werkt Paul gedurende drie dagen aan ‘Take It Away’.

Daarenboven voegt Ringo ook drums toe aan de demoversie van ‘Average Person’. Die gebruikt Paul als basis voor de track waarop hij, in zijn eentje voort breidt.

Op donderdag 19 februari vertrekken Ringo en Barbara weer naar Los Angeles.

Vrijdag is een gedwongen rustdag: Paul heeft een oorinfectie opgelopen bij het zwemmen.

Gelukkig gaat het zaterdags al weer beter, wanneer Carl Perkins landt.

‘Ik wou absoluut spelen met Carl Perkins,’ verklapt Paul. ‘Ik bewonderde hem al als kind. Zijn songs waren mijn eerste kennismaking met de blues. ‘Blue Suede Shoes’ en zo. We hadden niet een bepaald nummer in gedachten. Ik belde hem gewoon en vroeg of hij interesse had. Hij zei: ‘Tuurlijk Paul’ en kwam naar Montserrat. Gewoon in zijn eentje, zonder entourage. Stapte ‘s avonds laat van het vliegtuig, met alleen zijn gitaar.’

De volgende dag betoont Carl zich behoorlijk onder de indruk van het eiland. Na wat op verkenning te zijn gegaan, gaat hij Paul en George opzoeken in de studio. ‘Hij zei: ‘Paul, toen ik wakker werd deze ochtend, dacht ik dat ik gestorven was en in de hemel was terechtgekomen. Het is hier zo mooi en rustig.

Ondertussen had ik ‘Get It’ geschreven. Dat was een fijne opname. Het doet mij altijd denken aan Laurel en Hardy. Die zouden er wel een danspasje bij verzinnen.

Denny Laine is er ondertussen niet meer bij. Op een weinig subtiele manier heeft hij van een lokale barman vernomen dat zijn vrouw Jo Jo de vorige week ook op het eiland aanwezig was. Ze was bovendien niet alleen: er was een jongeman in haar gezelschap: de zanger John Townley.

Jo Jo Laine verklaart: “[Pauls manager] Alan Crowder belde me, om me te berispen. ‘Ondeugende meid, je man is er kapot van. Hij wist niet eens dat je met die kerel was, laat staan dat je in Montserrat was samen met hem.’ Ik antwoordde: ‘Het kan me niet schelen wat jij denkt. Ik mocht niet mee naar Montserrat met jullie. John nodigde me wel uit en ik ben tot over mijn oren verliefd op hem. Daar heb jij niets mee te maken en Paul of Linda ook niet.’

Denny begreep de boodschap. Hij wist dat ons huwelijk voorbij was. Tot dan toe had ik mijn affaires altijd stiekem gedaan, maar ik wou niet langer liegen. Hij gaf Paul en Linda de schuld: hadden ze me meegenomen, dan was ik niet met een andere gegaan.“

In een poging om zijn huwelijk te redden vliegt Denny hals-over-kop naar Engeland.

Paul en Carl

Op dinsdag werken Paul en Carl aan ‘Get It’. Paul heeft het nummer

Paul heeft daarover een mooie anekdote. ‘Toen we in Montserrat aan het opnemen waren, kwam er een bevriend muzikant op bezoek. De man maakte een wereldreis met zijn yacht – wellicht ook een beetje om aan de fiscus te ontsnappen, denk ik [lacht]. Hij nodigde ons uit op zijn boot. De British bemanning bracht ons aan boord van het kraaknette schip. Carl was onder de indruk van het buffet en de champagne en de hele aankleding. Hij kwam naar me toe en fluisterde: “Paul, waar ik vandaan kom noemen ze zoiets ‘kakken in het rijpe katoen’. Ik vind het een prachtuitdrukking. Toen we die avond ‘Get It’ opnamen, moesten ik er weer aan denken. Daarom zijn we zo aan het lachen. Dat hoor je aan het einde van het nummer. We moesten dat stuk er uitknippen, want het zou anders nooit op de radio worden gedraaid.’

De rockabillygitarist heeft zo genoten van zijn verblijf op het eiland en de ontvangst van Paul dat hij, de avond voor zijn vertrek een speciaal nummer schrijft: ‘My Old Friend’. De volgende ochtend speelt hij het voor Paul.

‘Na de laatste noten, merkte ik dat Paul aan het huilen was,’ verklapt Carl. ‘De tranen liepen echt over zijn wangen.’ Paul gaat even naar buiten, maar Linda komt naar Carl toe om hem te bedanken.

De zanger verontschuldigt zich, maar Linda legt uit: ‘Hij huilt en dat is goed. Hij heeft zich tot nu toe sterk gehouden, na wat is gebeurd met John.’ Ze sloeg haar arm om me heen en vroeg: ‘Maar hoe wist je het?’ Ik vroeg: wat dan? En zij zei: ‘Slechts twee mensen weten wat John Lennon tegen Paul heft gezegd, de laatste keer dat ze samen waren. Maar nu zijn het er drie en jij bent er één van. Ik zei: Ik krijg hier kippenvel van. Wat bedoel je? Toen legde ze uit dat John Lennon, in de hall van zijn appartement in het Dakota gebouw, hem omarmd had en gezegd: ‘Denk af en toe nog eens aan me, oude vriend.’

McCartney had het gevoel dat Lennon me dat nummer had gezonden. Dat meent hij echt.’

Samen nemen ze het nummer op. Maar ze besluiten het privé te houden. Pas in 1996, werkt Paul het af en komt het terecht op Carls laatste elpee Go Cat Go.

De dag na het afscheid van Perkins verschijnt de laatste gast: Stevie Wonder.

Met hem wil Paul een toepasselijk duet opnemen: ‘Ebony And Ivory’.

‘We begonnen met een ritmebox,’ vertelt Paul, ‘een van de allereerste Lynn drum machines. [Stevie] bracht er een mee naar Montserrat. (…) Nadat we hiermee een basis hadden vastgelegd, deed Stevie de drums en daarna zongen we het in.’

‘Iedereen was onder de indruk was van Stevies drumspel,‘ vult geluidstechnicus Mike Stavrou aan, doelend op het feit dat de man blind is. ‘Toen we de microfoons klaarzetten voor het drumstel – en dat waren erg dure spullen, die microfoons – zei hij iets erg grappigs. Vlak voor hij begon te spelen, zei hij: Je kunt niet geloven hoeveel van die UB87’s ik al kapot geslagen heb. In de controleruimte keek iedereen in paniek naar mekaar. Maar natuurlijk sloeg hij niet één keer mis.’

Paul wil niet onderdoen en doet extra zijn best om met een erg melodieus basspel te komen.

De derde opnamedag ontspannen de beide heren zich met wat gezamenlijk jammen. Stevie komt daarbij met een veelbelovende riff op zijn synthesizer. ‘… dus sprong ik achter het drumstel, want hij had al een baslijn op zijn toetsenbord. Ik wou hem niet voor de voeten lopen. Maar ik wou te zeer mijn best doen op het drumstel en hij vroeg me om het wat kalmer aan te doen. Ik was wat te druk. Dus beperkte ik me tot de bas en de snaredrum.’

Het is 7 uur in de ochtend wanneer ze besluiten er mee op te houden.

Het resultaat, het funky ‘What’s That You’re Doing?’ lijkt wel een verdwaalde Stevie Wonder track op een elpee van Paul McCartney.

Op 3 maart vliegen Paul en Linda weer naar Engeland.

Op eigen vleugels

Terug thuis werkt Paul nog enkele weken verder in de Londense AIR Studios.

Hij verwacht dat Denny Laine gewoon weer de draad zal oppikken. Maar op de afgesproken dag, komt ie niet opdagen.

Jo Jo Laine licht toe: “Die namiddag werd hij verwacht in de studio. Eerst belde [roadie] Trevor [Jones]en daarna John Hammel. Maar Denny zei: ‘Ik wil met niemand spreken.’

Uiteindelijk belde Paul zelf. Ik nam op en zei dat Denny niet aan de telefoon wou komen. Ik zei het heel beleefd, maar het deed me stiekem veel genoegen om Paul te kunnen afwijzen.

‘Hij heeft me gevraagd om jou net als alle anderen de boodschap te brengen dat hij eindelijk heft ingezien dat hij zijn familie kwijt is en alle kwaad is geschied. Van mij mag hij naar de studio komen, maar hij wil niet.’

‘Jij, lompe koe, Jo Jo,’ schreeuwde hij me toe. Maar ik antwoordde kalm: ‘Nee, lieverd, dit keer is het je eigen schuld.’ En ik hing op. ‘

Denny zelf verklaart achteraf dat hij om twee redenen uit Wings stapte: ‘Eén: voor het geld. En twee: omwille van mijn vrouw… Ze had het gevoel buitengesloten te worden. Paul maakte steeds kleine, onderhuidse opmerkingen: ‘Ik kan niet werken met mensen om me hee,’ zei hij, wanneer zij er bij was.

Linda is een stuk ouder dan Jo Jo en dat was het belangrijkste probleem. Jo Jo is ook veel extroverter en Linda wou meer zijn zoals zij. Ze was jaloers op haar.

Paul Wou haar uit de weg en dacht dat hij mij er een plezier mee deed. De weigering van Paul en Linda om Jo Jo mee te laten gaan naar Montserrat, kostte me waarschijnlijk mijn huwelijk. Ik dacht dat door uit Wings te stappen, Jo en ik meer tijd samen konden doorbrengen en dat we zo onze problemen konden wegwerken. Het heeft niet mogen zijn.’

Dus werkt Paul de volgende weken veel alleen. Enkel wanneer het nodig is, roept hij de hulp in van anderen. Zo verzorgt Adrian Brett de panfluit op ‘Somebody Who Cares’ en wordt ‘Wanderlust’ afgewerkt door The Philip Jones Brass Ensemble’. ‘Tug of War’ krijgt een 30 man sterk orkest van blazers en strijkers, onder leiding van violist Kenneth Sillito en ook ‘Keep Under Cover’ wordt afgewerkt met strijkers, in een arrangement van George Martin. ‘Take It Away’ krijgt blazers.

Op zaterdag 25 april 1981 deelt Paul officieel de split van Wings mee.

Denny Laines manager reageert onmiddellijk door te verklaren dat Denny zelf uit Wings is gestapt. ‘Er is geen ruzie of zo, maar Denny wil touren en Paul heeft beslist om, voor de nabije toekomst, geen plannen te maken voor Wings in die zin.’

Een jaar later blikt Paul terug: ‘Ik haat de druk die een groep met zich meebrengt…. In ieder geval was ik het concept beu en dacht: Ik wordt veertig en het hoeft voor mij niet meer. Waar staat geschreven dat ik in een groep moet zitten? Denny en ik waren in die periode samen beginnen schrijven. Hij zou blijven, maar we hadden wat wrijvingen. Niks ernstigs, maar hij besliste om op zijn eentje verder te gaan. Hij wou op tournee, zei hij toen… maar hij zit nog altijd thuis.’

Na de zomer hervat Paul het werk, samen met George Martin. Hij heeft een vervanger voor Denny gevonden in de figuur van Eric Stewart, de zanger, gitarist en pianist van 10cc. Het betreft vooral het inzingen van de backing vocals en hier en daar wat gitaaroverdubs.

In die periode voegt hij ook nog één nieuw nummer toe aan het stapeltje opnamen voor de nieuwe elpee. ‘Here Today’ is een persoonlijke herinnering aan zijn vermoorde vriend John Lennon. Hij brengt in een intieme versie met enkel een akoestische gitaar en een strijkkwartet à la ‘Yesterday’.

Tug of War

Einde maart 1982 – meer dan een jaar na de sessies op Montserrat – verschijnt pas de eerste single van Paul McCartney, na de split van Wings. ‘Ebony and Ivory’, het duet met Stevie Wonder, wordt een gigantische hit overal ter wereld – behalve in Zuid-Afrika waar het apartheidsregime de song op de, ahum, zwarte lijst zet. Zeven weken op 1 in de Verenigde Staten – even lang als ‘Hey Jude’! De plaat duikt er zelfs op in de ‘Rhythm and Blues’ lijst en de song wordt drie keer genomineerd voor een Grammy onderscheiding.

Hoewel het clipje uitziet alsof Paul en Stevie samen aan de piano zitten, bleek het onmogelijk op de agenda’s op mekaar aft e stemmen. Dus werden twee verschillende opnamen samen gemonteerd.

http://www.youtube.com/watch?v=CmALA8miQY8

Maar zoals dat gaat met liedjes die men teveel hoort: men raakt ze beu. Zie ook eerdere grote hits van Macca als ‘Mull of Kintyre’, ‘Silly Love Songs’ of… ‘Hey Jude’.

Nadat het uit de hitlijsten is verdwenen wordt het plaatje nauwelijks nog gedraaid en al snel wordt het geparodieerd. Toegegeven het wat zoeterige arrangement en het goody-goody sentiment lenen er zich toe. In mei 1982 brengen Joe Piscopo en Eddie Murphy het nummer op Saturday Night Live, als Frank Sinatra en Stevie Wonder.

http://www.youtube.com/watch?v=Crxcy5nmaec

De stap naar het lijstje van de meest gehate songs aller tijden is dan ook niet meer groot.

Op 26 april 1982 volgt de elpee Tug of War, in een prachtige hoes van Hipgnosis en Sinc., gebaseerd op een schilderij van Brian Clarke en een foto van Linda. Door vertragingen bij het mixen en de wil van zowel Paul als George om het zo goed mogelijk te doen, verschijnt de plaat meer dan zes maanden na de oorspronkelijk voorziene releasedatum.

De verwachtingen zijn dan ook hooggespannen. Velen kijken uit naar het resultaat van de hernieuwde samenwerking tussen Paul en de producer van The Beatles. Ook is men benieuwd of Paul een nummer zal weiden aan zijn vroege maat John Lennon.

Het Amerikaanse muziektijdschrift Rolling Stone, dat sinds het uit elkaar vallen van The Beatles de kant van Lennon had gekozen, maakt nu opeens een bocht van 180°. Stephen Holden geeft Tug of War het maximum van de punten en noemt het ronduit: ‘McCartney’s juweel’.

Dankzij de lovende recensies en de nummer 1 hit, komt Tug of War zowat overal aan de top van de hitlijsten. In de Britse hitparade komt het zowaar meteen op 1 binnen.

Tweede single is ‘Take It Away’, met ’I’ll Give You A Ring’.

Het clipje wordt tussen 18 juni en 23 juni 1982 opgenomen in de Elstree Film Studios in Hertfordshire (waar ook Help! En A Hard Day’s Night zijn gedraaid). Paul, die net veertig is geworden, krijgt er ook een verrassingsfeestje, compleet met een “kissogram”: een stripper die, ongevraagd, een speciale versie van ‘All You Need Is Love’ brengt. Naast Ringo Starr en Steve Gadd, herken je ook Linda, George Martin en Eric Stewart, plus de blazerssectie van the Q-Tips en de acteur John Hurt.

http://www.youtube.com/watch?v=5z-iApVMr2Y

Vanzelfsprekend kan het succes van de eerste single niet worden geëvenaard. ‘Take It Away’ moet het stellen met een 10de in de VS, 15 in het Verenigd Koninkrijk, 28 in Vlaanderen en 43 in Nederland.

In september volgt tenslotte het titelnummer, ‘Tug Of War’ met het duet met Carl Perkins, ’Get It’. Dat blijft echter zowel in de Amerikaanse als in de Britse hitlijsten steken op een 53ste plaats.

http://www.youtube.com/watch?v=zIfPIfuTFXA

Op 9 december 2010, de 30ste verjaardag van Johns dood, brengt Paul ‘Here Today’ op de Amerikaanse TV, in het programma Late Night With Jimmy Fallon. Daarbij leidt hij het nummer in met de woorden: “Dit is een gesprek dat we nooit hebben gevoerd. Ik raadt de mensen steeds aan: ‘als je tegen iemand wil zeggen dat je van hem houdt, doe het dan nu. Want er komt een moment waarop het niet meer kan en dan zul je denken: had ik het maar gezegd’.”

http://www.youtube.com/watch?v=eyxPR8M13SY

‘Daarom begonnen ze al die [roots]muziek op te nemen. Daarvoor was het allemaal klassieke muziek en liedjes uit shows. Toen ze die niet meer verkocht kregen, omdat de radio ze gratis in huis bracht, trokken ze naar het zuiden, waar er geen elektriciteit was. Daar maakten ze opnamen met katrollen en gewichten. De originele countrysong zijn opgenomen zonder elektriciteit.’
T Bone Burnett – 2012

Alle liedjes op de radio…

Zoals wel meer nuttige uitvindingen begon ook de radio als een strikt militair gegeven. Vrij kort na het begin van de Eerste Wereldoorlog verbrak het Duitse leger de trans-Atlantische telegraafkabels. Ter vervanging zette de Amerikaanse marine massaal in op het draadloze radiocontact.

Het is dan ook vast geen toeval dat de allereerste commerciële radio-uitzending plaatsvond in Pittsburgh, Pennsylvania. De Steel City was namelijk de thuisbasis van de Westinghouse Electric and Manufacturing Company, waar de zendapparatuur voor het Amerikaanse leger werd gebouwd.

Aan het hoofd van die afdeling stond ene Frank Conrad. Frank nam zijn werk mee naar huis, want vanaf 1916 experimenteerde hij met een 75 watts versterker. Van uit een schuurtje in de tuin zond hij korte boodschappen uit, die door andere radioamateurs in de regio konden worden beluisterd. Hij draaide zelfs plaatjes, zodat je hem meteen kunt bestempelen als de eerste DJ.

Op 29 september 1920 pikte een plaatselijke winkel in op het gebeuren, door voor $10 radiosets aan te bieden waarmee men de uitzending van Conrad kon beluisteren. Wanneer zijn directeur, Harry P. Davis, daarvan hoorde, besefte die het economische potentieel van de radio. In plaats van beperkt te blijven tot een experiment tussen hobbyisten, wou hij het fenomeen doen doorbreken bij het grote publiek en zo natuurlijk de vraag naar meer radiotoestellen van Westinghouse aanwakkeren.
Hij geeft Conrad de opdracht om een krachtiger versterker te bouwen en vraagt officieel een eigen bereik aan bij de marine.

Op 2 november 1920 is de allereerste uitzending van KDKA een feit. De datum is slim uitgekozen. Die dag zijn het namelijk presidentsverkiezingen. Door de resultaten live bekend te maken is hij meteen de geschreven pers voor en bewijst zo de kracht van het nieuwe medium.

De geluidskwaliteit laat in eerste instantie nog te wensen over, maar van zodra de techniek het toelaat om de beperkingen weg te werken, wordt de radio gemeen goed in de grote steden en kelderen de verkoopcijfers van de opgenomen muziek.

De platenmaatschappijen proberen nog even het nieuwe medium tegen te werken door hun belangrijkste artiesten te verbieden er voor op te treden. Wanneer dat niet blijkt te lukken moet naar andere oplossingen worden gezocht. Bijvoorbeeld door andere muziek aan te bieden dan het standaard repertoire van klassieke muziek, hymnes en liedjes uit shows.

Mamie Smith & The Jazz Hounds

Mamie Smith & The Jazz Hounds

Zwarte muziek voor een zwart publiek

Perry Bradford is een jonge, zwarte pianist en songschrijver. Vanaf zijn elfde werkt hij als pianist bij de rondtrekkende New Orleans Minstrels. Drie jaar later vormt hij een zang-en dansduo met Jeanette Taylor: Bradford & Jeanette. De ervaringen die hij tijdens het vele reizen opdoet, verwerkt hij in songs. De verkoop van bladmuziek vormt een extra bron van inkomsten bij de optredens. In 1918 vestigt hij zich in New York, waar hij de Made in Harlem Revue op poten zet. Zoals de naam het aangeeft staat de revue met beide voeten in de zwarte cultuur – erg ongewoon voor die tijd. Het hoogtepunt van de show is zijn compositie ‘Harlem Blues’, gezongen door Mamie Smith.

‘Ik vond dat onze mensen een verhaal te vertellen hebben,’ meent Bradford, ‘en dat zoiets alleen maar kon in gezongen en niet in instrumentale opnamen.’ Daarom stapt hij naar OKeh Records. OKeh is een klein platenlabel, opgericht door een Duitse ondernemer, Otto K. E. Heinemann. Het label legt zich toe op muziek gericht op verschillende etnische bevolkingsgroepen, vooral dan immigranten uit Oost Europa. Bradford wil er een plaatopname maken met zwarte muzikanten, voor een zwart publiek. ‘Veertien miljoen negers zullen platen kopen, als ze door hun eigen mensen zijn gemaakt,’ betoogt hij.

Fred Hager geeft hem een kans. Op 14 februari 1920 zingt Mamie Smith twee songs van Bradford: ‘That Thing Called Love’ en ‘You Can’t Keep A Good Man Down’ . Voor de begeleiding staat de studioband van het label in. Dat het Milo Rega Orchestra helemaal bestaat uit blanken is er goed aan te merken: hoewel er wel wat jazz en bluesaccenten in beide nummers terug te vinden zijn, blijven het in essentie popdeuntjes. Maar Bradford blijkt een punt te hebben, want binnen de maand gaan er tienduizend exemplaren van het plaatje de deur uit.

De verkoop is voldoende om een tweede opnamesessie te organiseren. Bradford staat er op, dit keer de muzikanten zelf te mogen selecteren. Hij kiest voor allemaal zwarten: The Jazz Hounds. ‘It’s Right Here For You’ en ‘Crazy Blues’ zijn opnieuw door hem geschreven. ‘Crazy Blues’ slaat geweldig aan en in een mum van tijd zijn er 75 000 exemplaren verkocht.

Aangespoord door dit succes gaan ook andere platenlabels op zoek naar zwarte zangeressen. Niet dat er nooit eerder opnamen zijn gemaakt van zwarte muzikanten. In 1890 al was George W. Johnson de allereerste met het gefloten ‘The Whistling Coon’. Maar dat was een novelty dingetje, bedoeld ter vermaak van een blank publiek. ‘Crazy Blues’ is van een andere orde en vormt het begin van de bloeiperiode voor de blues. Als dusdanig betekent het een doorbraak voor zwarte muzikanten, zowel in het blues als jazz genre.

Peer en de boerenkinkels

Een van de mensen die aanwezig zijn wanneer Mamie de songs in de grote akoestische hoorn zingt, is de assistent van Fred Hager: Ralph Peer. De jonge Peer (sympathieke naam 😉 ) krijgt de leiding over de afdeling die speciaal gericht is op het zwarte publiek: de 8000 serie van Okeh. ‘We hadden platen van allerhande inwijkelingen’, blikt hij einde jaren vijftig terug, ‘Duitse platen, Zweedse platen, Poolse platen, maar we durfden geen reclame maken voor negerplaten. Dus zette ik ze in de catalogus als ‘race’ platen.’

Peer gaat op zoek naar meer zwart talent. Waar kun je die het gemakkelijkst vinden? Daar waar er veel zwarten wonen: in het Diepe Zuiden. Dus vertrekt hij in juni 1923 op reis. Het is een revolutionair idee. “OKeh had nog nooit opnamen gemaakt buiten de studio,’ vertelt hij trots. “We trokken naar Atlanta, keken daar wat rond en vonden er een kleine leegstaande opslagplaats… Ik was een paar dagen eerder afgereisd om er al naar talent te gaan zoeken.’
Omdat hij nog nooit in Georgia is geweest, zoekt hij de enige man op die hij er kent: een lokale verdeler van de platen van OKeh Records. ‘Die kerel had dus een meubelwinkel. Hij had al wat rondgekeken, maar, tot mijn verbazing, kende hij geen zwarte muzikanten.’
Ze bezoeken samen een theater “alleen voor zwarten”. Het niveau ligt daar echter zeer laag en niets blijkt bruikbaar.
De winkelier stelt dan voor om een zanger uit de lokale kerk te gaan opzoeken. De jongeman heeft een goede reputatie. Er wordt een opnamedatum afgesproken. Maar dan komt het bericht dat de vader van de jongen plots ziek is geworden en dat hij niet kan komen.
‘Om de vrijgekomen tijd nuttig te gebruiken, kwam mijn distributeur met [een blanke fiddlespeler] John Carson.’ De muzikant heeft onlangs een old time fiddler wedstrijd gewonnen in Virginia. ‘Hij zei dat Fiddlin’ John op de radio was geweest en dat nogal wat mensen hem goed vonden.’
Even later staat Ralph Peer, in het leegstaande gebouw in Atlanta, te luisteren naar de kunsten van de muzikant. Hij vindt het maar niks. De zangstijl van de man omschrijft hij onomwonden als ‘vreselijk voltooid verleden tijd’. De winkelier dringt echter aan. Pas wanneer hij belooft 500 platen te zullen afnemen, gaat Peer overstag. Fiddlin’ John Carson mag twee nummers opnemen. De keuze valt op ‘The Little Old Log Cabin In The Lane’ en ‘The Old Hen Cackled and the Rooster’s Going to Crow’.
‘Het was zo slecht dat we er niet eens een serienummer aan gaven’ vertelt Peer. ‘We dachten dat, eens die man zijn voorraad had, we er nooit meer iets van zouden horen. We stuurden hem zijn bestelling.’
De man uit Atlanta trekt er mee naar de volgende fiddler wedstrijd… en verkoopt er meteen zijn hele voorraad. ‘Diezelfde avond nog belde hij New York om er 5 000 extra te sturen, per express, en nog eens 10 000 per gewone vracht.’
Ook in andere staten blijkt er belangstelling te bestaan en uiteindelijk overschrijdt de verkoop het half miljoen. ‘We waren zo beschaamd [over de kwaliteit van de oorspronkelijke opname] dat we Fiddlin’ John naar New York lieten komen om de songs opnieuw op te nemen.’

Het debuut van John Carson wordt beschouwd als de officiële start van de countrymuziek. En opnieuw was Peer er bij betrokken. Met een mengeling van trots en minachting snoeft Peer in een interview in 1958: ‘Ik ging naar New York en werkte er voor OKeh Records. Daar bedacht ik dat hillbilly- en nikkerspul.’

“Hillbilly”, wat zoveel betekent als “boerenkinkel” is de naam die hij geeft aan wat later countrymuziek zal worden genoemd, maar dan nog bekend staat onder vele namen: Mountain music, Old Time Music, …

Peer begrijpt dat er een markt is voor die volksmuziek. Vooral op het platteland blijken veel mensen geïnteresseerd in de muziek van lokale muzikanten.
De volgende twee jaar doorkruist hij de Verenigde Staten, op zoek naar interessant muzikaal talent: Chicago, St. Louis, Cincinnati, Dallas, Cleveland, Detroit en New Orleans. Onderweg ontdekt hij latere jazzgrootheden als trompettist Louis Armstrong, cornetspeler King Oliver, pianisten Fats Waller en Bennie Moten, maar ook blueszangeressen Sippie Wallace en Sara Martin.
De artiesten krijgen $50 per song, plus een percentage op de verkoop. Voor velen is dat een riante verloning.

Muziekuitgevers

Peer leert nog meer van de ervaringen van Bradford. Voor de auteur betekende het succes van zijn ‘Crazy Blues’ meteen ook het begin van alle ellende. De tekst van die song was eigenlijk identiek aan die van zijn ‘Harlem Blues’… en daarvan had hij de auteursrechten verkocht. “Ik vreesde er eigenlijk al voor, dat het nummer een hit zou worden, “verklaart hij later. ‘Ik had dezelfde tekst daarvoor al drie keer gebruikt.’
Een terechte vrees, zo blijkt. Een eerste rechtszaak kan hij in der minne regelen, maar bij de tweede keer belandt hij voor vier maanden in de nor.

Zodra hij weer vrijkomt, bedenkt hij dat het leven misschien eenvoudiger is wanneer hij zelf muziekuitgever wordt.

Door de Copyright Act van 1909, heeft een auteur recht op een percentage van de verkoop of uitvoering van zelfgeschreven materiaal. Tekst en muziek moeten daarvoor worden ondergebracht bij een muziekuitgeverij. In ruil voor 50% van de inkomsten, zorgen die voor het innen van de centen. Ze hebben er natuurlijk alle belang bij dat de muziek zo veel mogelijk wordt verspreid. Hoe meer mensen een song opnemen, hoe hoger de inkomsten.

Bradford heeft begrepen dat een uitgever dus meer overhoudt aan de songs dan de schrijver. Binnen een paar jaar heeft hij vier uitgeverijen die samen de rechten van meer dan 1 400 songs beheren. Maar omdat hij geen band heeft met een platenmaatschappij, raken zijn songs niet verkocht.

Peer pakt het slimmer aan. In 1924 begint hij ook voor zichzelf, als manager van de artiesten die hij her en der heeft ontdekt. Zijn eerste klant is Ernest Stoneman en het is meteen raak. Diens ‘The Titanic’ wordt een enorme hit, met een verkoop van twee miljoen exemplaren.

Het succes blijft niet onopgemerkt bij de grotere platenmaatschappijen en in 1925 bedenkt Peer een systeem dat hem schatrijk zal maken. ‘In die periode ging ik een zakelijke verbintenis aan met Victor Talking Machine Company, die jaren zou standhouden,’ vertelt hij in 1959. ‘De afspraak was dat ik de artiesten en het materiaal zou uitkiezen voor de hillbilly opnamen van Victor.’
Hij aanvaardt daarvoor een belachelijk klein salaris: 1 dollar per jaar. Daar staat tegenover dat alle zelfgeschreven materiaal dat onder zijn bevoegdheid wordt opgenomen, wordt ondergebracht bij zijn eigen muziekuitgeverij: Southern Music.

In zijn functie van A & R-manager spoort Ralph Peer zijn artiesten dan ook aan om vooral zelfgeschreven nummers op te nemen. Of minstens oude songs zo aan te passen dat ze als nieuw kunnen doorgaan.
Kassa, kassa!

De Bristol sessies

In zijn zoektocht naar nieuwe artiesten, belandt Ralph Peer, in de zomer van 1927, in Bristol, Tennessee – een van de weinige steden in het Appalachengebergte. De opkomst valt echter tegen.
Daarom laat hij in de krant een artikel plaatsen over Stoneman. Hij benadrukt dat de man $3.600 heeft verdiend aan ‘The Titanic’ (zowat het loon van drie jaar werken voor een arbeider) en dat hij $100 per dag krijgt voor opnamen.
De volgende dagen stromen belangstellenden toe uit de wijde omgeving. Tot diep in de nacht is Peer aan de slag. Uiteindelijk neemt hij 76 songs op, van 19 verschillende artiesten. Daar maken niet alleen de Carter Family hun debuut, maar ook Jimmie Rodgers. Toevallig worden met deze twee artiesten ook meteen de grote thema’s van de country vastgelegd: de Carters staan voor familie, haard en religie, terwijl Rodgers de vrijheid van het onderweg zijn bezingt: treinen en wegen.
Johnny Cash stelt onomwonden dat die auditie in Bristol niets minder is dan “de oerknal in de geschiedenis van de country muziek”.

PaulMcCartneyalbum_-_McCartneyII

‘Het was niet de bedoeling om een plaat te maken. He was louter om me wat te amuseren . Maar toen ik een wat nummers liet horen aan een paar mensen, zeiden die: “Ah, je nieuwe plaat.” Dus werkte ik de dingen wat beter af, om er een plaat van te maken.’ – Paul McCartney, mei 1980

Opgenomen: juni-juli 1979

Uitgebracht:

november 1979: single ‘Wonderful Christmastime’ van Paul McCartney

juni 1980: elpee McCartney II van Paul McCartney
‘Comin’ Up’, ‘Temporary Secretary’, ‘On The Way’, ‘Waterfalls’, ‘Nobody Knows’, ‘Front Parlour’, ‘Summer’s Day Song’, ‘Frozen Jap’, ‘Bogey Music’, ‘Darkroom’, ‘One Of These Days’

Juli 1980: ’Check My Machine’ – als b-kant van de single ‘Waterfalls’van Paul McCartney
September 1980: ‘Secret Friend’ – als b-kant van de 12” single ‘Temporary Secretary’ van Paul McCartney

East Gate Farm in Peasmarsh, Sussex

Na het uitbrengen van Back To The Egg breekt er een drukke periode aan voor Wings. Er moeten heel wat interviews gegeven en iemand heeft het briljante idee om promofilmpjes te draaien bij zeven songs.

Maar Paul staat al te popelen om nog meer muziek te maken, al is het puur voor zijn plezier: ‘om de spinnewebben te verdijven’, zoals hij het later uitlegt. Dat mag zelfs letterlijk genomen worden, want de opnamen vinden plaats in een leegstaande boerderij in Peasmarsh, een dorpje bij Rye in East Sussex. Paul heeft het goed, met zo’n 70 ha grond, in juni 1978 gekocht. Vanaf 1982 zal het de uitvalsbasis worden van de familie McCartney, nadat hij er een zelfontworpen huis met vijf slaapkamers heeft laten bouwen.

Maar nu heeft Paul vooral zin om te experimenteren met synthesizers. Hij heeft er inmiddels een hele batterij van: Roland Jupiter 4, Mellotron, Yamaha CS80, Arp Pro-Soloist en de Mini Moog.
‘Synthesizers zijn fantastisch,’ verklaart hij in mei 1980 enthousiast aan Paul Gambcini. ‘In plaats van uren te spenderen aan het werken met strijkers, kun je het gewoon in een handomdraai met zo’n machine doen en het klinkt haast net het zelfde.’

Omdat hij alles in zijn eentje wil doen, huurt hij voor twee weken een 16-sporen Studer opnameapparaat. Geluidstechnicus Eddie Klein komt het toestel installeren en maakt hem wegwijs met de knopjes en spoelen. Net als tien jaar eerder, toen hij zijn eerste solo elpee McCartney opnam, plugt hij de microfoon rechtstreeks in, in de Studer, zonder eerst via een mixer te passeren.

‘Ik ken niemand die zoiets ooit gedaan heeft,’ merkt Klein verbaasd op. ‘Het lijkt zo primitief, maar tegelijk vernieuwend. Het idee sprak me wel aan. Ik moest enkel de opnameapparatuur en wat microfoons klaar zetten en dat was alles wat hij nodig had. In feite, zag ik hem nauwelijks. Hij deed echt alles in zijn eentje.’

De aftrap is ‘Front Parlour’ – de naam geeft het al aan: ‘[…] opgenomen in de zitkamer van een oude boerderij,’ legt Paul uit. ‘Het stond allemaal leeg, dus brachten we de machines binnen en gebruikten de keuken als echokamer.’

Als basis legt Paul eerst het ritme vast. Dat doet hij in drie keer: eerst de basdrum, daarna de tom-toms en tenslotte de cimbalen. Ter afwissleing experimenteert hij soms ook met een drummachine.
‘Daarop bouwde ik voort,’ vertelt Paul, ‘zonder te weten waar ik zou uitkomen. Aan die drumsporen voegde ik dan gitaren en bas toe om een basistrack op te bouwen.’ Maar vooral veel synthesizers, dus.
Klinkt het niet, dan botst het. Ook niet erg, want dan neemt hij er gewoon iets anders overheen op. Omdat het helemaal niet commercieel hoeft te zijn kan hij vrijuit experimenteren: dingetjes trager of sneller opnemen, zodat ze hoger of lager weergegeven worden, wanneer ze worden afgespeeld.

Als er al zang is, dan is ook die louter geïmproviseerd en de woorden zijn veel meer gekozen voor de klank dan voor enige betekenis. Vaak ook zeer repetitief, zoals ‘You Know I’ll Get You Babe’ of ‘Temporary Secretary’. Dat laatste ontstond uit een typemachine achtig effect van de ARP synthesizer, net als ‘All You Horseriders’ dat voortkwam uit een ander effect dat hem deed denken aan hoefgetrappel.

Spirit of Ranachan Studio in Campbeltown, Schotland

Zodra de schoolvakantie begint, trekt de familie McCartney steevast naar het boerderijtje in Schotland. Paul amuseert zich zo met zijn hobbyproject, dat hij de Studer nog vier weken langer reserveert en het toestel meezeult naar Campbeltown, waar hij het installeert in zijn studio.

Het eerste nummer dat hij daar opneemt is ‘Coming Up’. Na het vastleggen van een basistrack met drums, bas en gitaar, leeft hij zich uit als ‘een gekke professor, alsof ik in een laboratorium zat. Ik voel me dan net een verstrooide professor . Je gaat er zo in op – heel vreemd, gek… maar daar hou ik wel van. […] Ik werkte met een machine waarmee je de snelheid van de opnamen kunt regelen: je stem wat versnellen of vertragen. Daar komt het geluid van de zang vandaan: het is lichtjes versneld en dan door een echomachine gehaald. Ik deed er van alles mee en de helft daarvan ben ik vergeten, want ik deed maar wat. Wat ik goed vond, hield ik en de rest veegde ik weer af.’

In Schotland ontstaan er nog meer songs die min of meer conventioneel klinken: ‘One of These Days’ – zowaar gewoon akoestische gitaar en zang – is geïnspireerd door een bezoeker. ‘Er kwam een Hare Krishna kerel langs. Een sympathieke gast, heel zachtaardig. Toen hij weg was, ging ik naar de studio en de sfeer bleef hangen. Ik begon iets wat zachtaardiger te maken.’
‘Waterfalls’ is het enige nummer dat vooraf al geschreven was. In mei heeft hij er al een demo van opgenomen. Nu neemt hij een nieuwe versie op met elektrische piano, synthesizer en akoestische gitaar.

Einde juli heeft Paul, in zijn eentje, 19 nummers opgenomen – alles samen zo’n 80 minuten muziek.

Wonderfull Christmastime

Maar na de vakantie is het weer back to business. Er staat een wereldtournee met Wings op het programma: eerst een 20-tal concerten in Engeland, en dan, na nieuwjaar, naar Japan, dan China en Australië, Europa en tenslotte de gehele zomer touren door Noord-Amerika.
Paul presenteert zijn groep ook enkele nummers van zijn solo experiment: ‘Coming Up’ en ‘Wonderfull Christmastime’. Wings gitarist Laurence Juber bevestigt: ‘We leerden die beide nummers. Toen ik de solo versie van ‘Coming Up’ voor het eerst hoorde vond ik die wat te snel en grillig. Ik vond onze versie, met de band beter. Het was meer rock en het was erg fijn om te spelen. ‘Wonderful Christmastime’ was meer een novelty. Het is een leuke, vrolijke melodie – nog steeds een van de 25 bestverkochte Kerstplaten. Wat mij betreft had ik liever iets in de aard van ‘White Christmas’ gehoord, maar het is toch wel een originele invalshoek voor een Kerstliedje. Live zong ik backing vocals en kreeg daarbij steeds mijn mond vol van die namaaksneeuwvlokken die ze naar beneden lieten dwarrelen tijdens dat nummer.’

Vlak voor de aftrap van de tournee, verschijnt op 16 november 1979, de eerste solo-single van Paul McCartney sinds ‘Another Day’ uit 1971: ‘Wonderfull Christmastime’/’Rudolph The Red-Nosed Reggae’.
De b-kant is iets uit het archief. Het instrumentaaltje dat al in juni 1975 is opgenomen, tijdens een sessie in de Abbey Road Studios. Terwijl Paul er wat aan het inspelen was, kwam een koerier een viool afleveren. Paul vroeg de man of hij er op kon spelen. Dat kon hij toevallig. De man speelt een stukje van de Kerstklassieker. Paul betaalt hem het standaardtarief voor een sessie, maar niemand denkt er aan zijn naam te noteren.
Nadat de koerier vertrokken is, bouwt Paul een track op rond het vioolspel.

De dag van verschijnen brengt Paul met Wings door in de Fountain Inn in Ashurst, West Sussex. Daar draait Russell Mulcahy een promoclipje voor de single. ‘Fantastisch was dat,’ meent Juber. ‘We zaten de hele dag op café en dan was er ook nog vuurwerk toe.’

De Kerstsingle is catchy as hell en doet het dan ook goed in de hitlijsten: 6 in Engeland en 8 in de Verenigde Staten. Doordat het nummer voortaan elk jaar wordt heruitgebracht op allerhande compilatieplaten levert dat ene verdomde nummertje heeft Paul tot nog toe zo’n 11 miljoen euro aan royalties opgebracht.

Japanese Tears

Op 16 januari 1980 arriveert Wings in Tokio voor de eerste tournee van de band door Japan. De band zal er elf concerten spelen, vanaf 21 januari. Paul, die in 1976 geen visa kreeg, mag nu enkel het land in omdat hij maar 18 dagen blijft en daarna van plan is door te reizen naar China, waar Wings enkele onaangekondigde concerten zal geven.
Maar dan gaat het fout….
Bij aankomst in de vlieghaven vindt een douanier een zakje met 219 gram marihuana in Pauls bagage. De ex-Beatle wordt onmiddellijk gearresteerd, geboeid, ondervraagd en in de gevangenis opgesloten. Iedereen zit erg met de zaak verveeld. De promotoren hebben meer dan honderdduizend tickets verkocht. De politie wijst er op dat Paul zelfs niet kan worden uitgewezen, omdat hij officieel het land nog niet in was. Het Ministerie van Justitie meent dat een gevangenisstraf van zeven jaar niet onmogelijk is.

McCartney%20arrested

Wanneer vijf dagen later, er van vrijlating nog steeds geen sprake is, verlaten de andere muzikanten van Wings Japan. Laurence en Steve vliegen naar Amerika. Denny vliegt naar Cannes, waar hij een contract tekent voor een solo-elpee: Japanese Tears. In het titelnummer bekijkt hij het gebeuren vanuit het standpunt van een ontgoochelde Japanse fan.

Na negen dagen wordt Paul plots vrijgelaten en onmiddellijk uitgewezen. De autoriteiten zijn er van overtuigd dat de marihuana voor eigen gebruik was en dat Paul al genoeg gestraft is als resultaat van het incident. Op het vliegtuig wordt hij herenigd met Linda en de kinderen.

Ter compensatie aan de platenmaatschappij biedt Paul zijn recente solo-opnamen aan. Een demonstratie plaat, gedateerd maart 1980, toont aan dat er genoeg materiaal is voor een dubbel-elpee.

kant 1: ‘Front Parlour’, ‘Frozen Jap’, ‘All You Horse Riders’, ‘Blue Sway’, ‘Temporary Secretary’
kant 2:, ‘On The Way’, ‘Mr H Atom’, ‘Summer’s Day Song’, ‘You Know I’ll Get You Baby’, ‘Bogey Wobble’
kant 3: ‘Darkroom’, One of These Days’, ‘Secret Friend’, ‘Bogey Music’
kant 4: ‘Check My Machine’, ‘Waterfalls (I Need Love)’, ‘Nobody Knows’, ‘Coming Up’

Merk op dat ‘Wonderfull Christmastime’ ontbreekt. Dat nummer is immers al uitgebracht.

De platenmaatschappij ziet het echter niet zitten om, na de tegenvallende verkoopscijfers van Back To The Egg, een dubbelelpee te promoten. Daarom moet Paul een selectie maken zodat het materiaal onder de 45-minutengrens blijft.

Coming Up

Als smaakmaker voor de elpee verschijnt op 11 april 1980 ‘Coming Up’ met als b-kant een live versie van Wings, plus een oud instrumentaaltje uit de Venus and Mars sessies: ‘Lunch Box-Odd Sox’.
De single doet het erg goed en bereikt net niet de top in Engeland. In Amerika wel: daar prijkt de single die zomer drie weken lang bovenaan de hitlijsten. Omdat een live versie van Wings er echter meer gedraaid wordt op de radio en jukeboxen dan de soloversie van Paul McCartney, besluit Billboard de derde week die versie als topsingle te vermelden. Hierdoor wordt ‘Coming Up’ het eerste en enige nummer dat zichzelf opvolgt in de hitlijst in twee verschillende versies.

Die live versie is opgenomen in Glasgow, op 17 december 1979, tijdens het slotconcert van de Britse tournee. Wingsdrummer Steve Holley vertelt: ‘Het hoogtepunt [van mijn tijd bij Wings] was voor mij het optreden in Glasgow. Dat viel toevallig samen met de finale van het voetbal: Schotland tegen Engeland. Paul had zich voorgenomen om zich [voor de bisnummers] te tooien met de vlag van het winnende team. De Campbeltown Pipe Band was er, met kilts en alles, voor ‘Mull of Kintyre’. Het menigte ging helemaal uit de bol, zeker toen Schotland won.’
Dat is ook goed te horen aan de finale van het laatste nummer. Na het, voor iedereen dan nog total onbekende ‘Coming Up’, beginnen de fans Pauls naam te scanderen, zoals dat normal bij voetbalwedstrijden gebeurt. Paul doet vrolijk mee, alleen zingt hij “bloody rubbish”.
‘Dat was heel special,’ besluit Holley. ‘Een onbeschrijfelijk hoogtepunt. Ik kreeg er zelf tranen van in mijn ogen en ik ben niet eens een Schot. Het zegt veel over de absolute magie van die man.’

De hit is zeker voor een stuk ook te danken aan het erg leuke promofilmpje, waarbij Paul en Linda in een tiental vermommingen te zien zijn, als een imaginaire groep: The Plastic Macs. Zo is Paul tegelijkertijd Buddy Holly, Hank Marvin van The Shadows, David Gilmour van Pink Floyd, Ron Mael van The Sparks, Andy Mackay van Roxy Music en zijn jongere ik , als Beatle omstreeks 1964, complete met zijn Hofner bas.

McCartney II

Paul’s tweede solo-elpee McCARTNEY II wordt op 16 mei 1980 uitgebracht.
De Amerikaanse platenmaatschappij Columbia staat er op dat de liveversie van ‘Coming Up’ op de plaat zou staan. Paul komt met een compromis: in de Vernigde Staten wordt de Wings versie als bonus bij de elpee gestopt, op een extra singeltje.

Door het grote succes van de hitsingle, doet de elpee het erg goed in de verkoop, hetgeen leidt tot een eerste plaats in de Britse hitlijst en 3 in de VS.

‘Waterfalls’ – het beste nummer van de elpee – verschijnt op 13 juni 1980 als tweede single in het Verenigd Koninkrijk. Het erg repetitieve ’Check My Machine’ is de b-kant. De hoogste notering is 9.
Omdat ‘Coming Up’ het zo goed doet in de Verenigde Staten, wordt ‘Waterfalls’ er een maand later uitgebracht. Columbia voert er echter zo weinig promotie voor dat een maand na het uitbrengen een DJ aan Paul vraagt waarom het nummer niet als single is uitgebracht. Het resultaat is dan ook een erg magere 106de plaats. En dat ondanks een dure clip.

De derde single ‘Temporary Secretary’ wordt enkel in Engeland uitgebracht, op 15 september 1980. Bovendien verschijnt de 12” in een beperkte oplage van 25 000 exemplaren, die in 16 uur allemaal verkocht raken. Toch geen hitnotering.
De b-kant is het onuitgebrachte ‘Secret Friend’.

Deel 12 – Wings :: Back To The Egg
null

Opgenomen:
29 juni tot 27 juli 1978 in de Spirit of Ranachan studio, Campbeltown
11 tot 29 september 1978, in Lympne Castle in Kent
2 tot 11 oktober en 13 november tot 1 december 1978, in Abbey Road, Londen
december 1978 tot februari 1979, in Replica Studio, Londen

Uitgebracht:
8 juni 1979: Wings elpee Back To The Egg
kant 1 (Sunny Side Up): ‘Reception’, ‘Getting Closer’, ‘We’re Open Tonight’, ‘Spin It On’, ‘Again and Again and Again’ (Denny Laine), ‘Old Siam, Sir’, ‘Arrow Through Me’
kant 2 (Over Easy): ‘Rockestra Theme’, ‘To You’, ‘After the Ball/Million Miles’, ‘Winter Rose/Love Awake’, ‘The Broadcast’, ‘So Glad to See You Here’, ‘Baby’s Request’

15 (VS) en 23 (VK) maart 1979: Wings single ‘Goodnight Tonight’/’Daytime Nighttime Suffering’
5 februari 1990: ‘Same Time Next Year’ op 12” en cd-single ‘Put It There’.

Nieuwe vleugels

Twee jaar na het afsluiten van de Wings Over the World tournee begint het bij Paul opnieuw te kriebelen: hij wil graag opnieuw met Wings de wereld rond trekken. Onder meer Japan en China staan op het verlanglijstje. Daarvoor heeft hij wat steviger songs nodig, want de meeste songs van zijn meest recente elpeee, London Town, zijn eerder akoestisch. Om hem daarbij te begeleiden wil Paul graag een co-producer naast zich. De keuze valt op een oude bekende: Chris Thomas.
Chris begon zijn carrière zowat bij The Beatles. Tijdens de opnamen van de Dubbele Witte, in 1968, was hij assistent van George Martin en kreeg toen plots de opdracht de leiding, toen Martin er voor een vakantie tussenuit kneep. In de jaren daarna heeft Thomas naam gemaakt als producer van Procol Harum, Roxy Music, John Cale en recent… The Sex Pistols.

Na het vertrek van Jimmy McCulloch en Joe English is het noodzakelijk om Wings weer te completeren met een nieuwe drummer en leadgitarist. Dat worden respectievelijk Steve Holly en Laurence Juber. Beiden zijn studiomuzikanten, aangedragen door Denny Laine en na een auditie, uitgekozen door Paul.
‘Dat was eigenlijk best wel grappig,’ vertelt Juber. ‘Je hebt verdorie te maken met Paul McCartney! Maar hij was zeer vriendelijk en hij vond het niet erg dat ik geen nummers van Wings kende. Het verliep vlotjes.’
‘We speelden een uur of twee, drie,’ vult de drummer aan. ‘Plots zei Paul: “Prima. Dit is een goede groep. Klinkt goed. Laten we ervoor gaan!”.’

‘Ik wist dat Paul een reputatie had,’ gaat Juber verder, ‘dat hij moeilijk zou zijn om mee samen te werken. Maar dat bleek geheel onterecht – integendeel zelfs. Over het algemeen was het heel fijn samenwerken. Ik heb er veel van geleerd. Het enige nadeel dat ik had door bij de band te gaan is dat ik een succesvolle carrière als studiomuzikant moest opgeven, omdat ik niet beiden kon blijven doen.’

De vuurdoop voor de nieuwe leden vindt plaats op 5 mei 1978. In de Londense RAK studio neemt Wings die dag een song op, op bestelling. ‘Same Time Next Year’ is bedoeld voor de gelijknamige film met Alan Alda en Ellen Burstyn.

Het nummer wordt de volgende dag afgewerkt in de Abbey Road Studios, met een 68-man sterk orkest, in een arrangement van Fiachra Trench.

Uiteindelijk vind de regisseur, Robert Mulligan, echter dat Paul in zijn tekst wat ‘teveel verraadt van de plot’. Daarom verkiest hij een ander nummer: ‘The Last Time I Felt Like This’ van Marvin Hamlisch.

Spirit of Ranachan

[Na die eerste sessies] trokken we naar Schotland om mekaar wat te leren kennen,’ vertelt Laurence Juber. Ze verblijven van 29 juni tot 27 juli 1978 in Pauls boerderij in Campbeltown, waar ze in een relaxte sfeer kunnen repeteren en jammen.

Er wordt ook gestart met de opnamen van de elpee, die dan nog de werktitel Wings In The Wild draagt. Die opnamen vinden plaats in de studio die Paul heeft laten bouwen in een schuur op het erf: Spirit of Ranachan.

Dit keer kiest Paul er voor om de basistracks van de nummers zoveel mogelijk live op te nemen. ‘De meeste tracks werden opgenomen als een band, met iedereen op zijn gebruikelijke instrument,’ bevestigt Juber. ‘Soms namen we iets op zonder de drums. Die kwamen dan later.
Er was geen uitgebreide productie nodig. Het was meer basic… Back To The Egg moet je dan ook zien back to basics. Producer Chris Thomas kwam rechtstreeks van The Sex Pistols. Hij deed ook The Pretenders [in diezelfde periode]… een heel andere aanpak [dan London Town] Dat was een vreemde plaat, haast een folkelpee.’

Twee van de hardste songs worden in één dag op band gezet: 23 juli, een zondag. Eerst ‘Spin It On’ en daarna ‘Old Siam, Sir’. Dat laatste is ontstaan uit een riff van Linda, gespeeld op haar toetsenbord. Paul werkt het verder uit, met de hulp van Denny Laine. Tijdens de sessie komt Steve Holly met een middenstuk. Dat leidt tot een hoogoplopende discussie met Laine, over wie de credits krijgt. Paul lost het op… door alleen zijn eigen naam er onder te zetten.

‘Spin It On’ noemt Laurence ‘een soort punk-rockabilly. Het heeft iets meedogenloos. Ik deed alle sologitaarspullen in zo’n twintig minuten. Zo voelde het tenminste aan. Ik zat in de controlekamer, naast Paul. Alleen wij twee.’

‘Arrow Through Me’ bestaat uit niet veel meer dan twee drumpartijen, een sax en een elektrische piano. Laurence Juber: ‘Ik herinner me dat Paul Simon op bezoek kwam in de studio. Toen hij dat nummer hoorde, vroeg hij: “Wow, hoe krijg je die fantastische basklank?” Hij kon echt niet geloven dat het met de linkerhand gespeeld was op de elektrische piano.’

Na vier weken zijn er basistracks opgenomen van een dozijn nummers. Naast de al eerder genoemden zijn dat: ‘To You’, ‘Winter Rose’, ‘Cage’, plus vroege versies van ‘Love Awake’ en ‘Ballroom Dancing’. Denny Laine heeft twee songs aangedragen: ‘Again and Again and Again’ en ‘Weep For Love’. Laurence Juber kwam met het instrumentale ‘Maisie’.

Daarnaast is nog een tweede filmsong opgenomen: ‘Did We Met Somewhere Before?’. Het is bedoeld voor Heaven Can Wait , van Warren Beatty and Buck Henry. Maar opnieuw wordt de song afgewezen – terecht, want het is niet erg sterk.
Twee jaar later krijgt het toch nog een tweede kans, wanneer Allan Arkush de song gebruikt als openingsnummer voor zijn film rond The Ramones: Rock & Roll High School. Hij heeft het op een akkoordje kunnen gooien met Macca: de regisseur mag de song gebruiken voor een schamele $500, maar het mag niet op de soundtrackelpee en Paul wil zijn naam niet op de aftiteling.

Tijdens de laatste week worden overdubs toegevoegd aan de beste takes.

Lympne Castle

Na een onderbreking van zes weken, worden de sessies hervat. Vanaf 11 september 1978 treffen we Wings aan in een geheel nieuwe omgeving: in Kent. Meer bepaald in Lympne, een dorpje op een half uurtje rijden van de nieuwe woonst van de McCartney’s in Rye, Sussex.
De RAK mobiele studio staat er gedurende drie weken opgesteld. ‘We hadden de beschikking over de nieuwste 24-sporen opnameapparatuur,’ vertelt Paul. ‘Maar ik heb niet het gevoel dat zoiets een meerwaarde is ten opzichte van vroeger, toen we maximaal vier sporen hadden. Je verliest snel het overzicht en dat wil ik niet.’

‘We namen het grootste deel [van Back to the Egg] op in een middeleeuws kasteel in Kent,’ gaat hij verder. ‘Een maand lang namen we het kasteel over. We werkten in de keuken, de traphal, de trappentoren en de grote inkomhall. […] Het was fijn. Interessant. We houden er wel van om op speciale plekken op te nemen. Dat zorgt voor een gezonde, frisse aanpak. Persoonlijk geloof ik niet in de mythes van goede akoestiek. Ik denk dat je met goede microfoons en goede nummers overal aan de slag kan.’
Zo wordt het drumstel opgesteld in de openhaard van de grote hal.

Nummers waaraan gewerkt wordt in het kasteel zijn: ‘We’re Open Tonight’, ‘After The Ball’, ‘Million Miles’ en een nieuwe versie van ‘Love Awake’. Het musical-achtige ‘Robber’s Ball’ belandt in het archief.
Voor twee andere nummers wordt de hulp ingeroepen van de bewoners. Harold Margary reciteert ‘The Sport Of Kings’ van Ian Hay en ‘The Little Man’ van John Galsworthy voor ‘The Broadcast’. Zijn echtgenote, Dierdre, zegt een kinderversje op: ‘The Poodle And The Pug’ voor het openingsnummer, ‘Reception’.

Rockestra

Begin oktober verkast Paul naar de vertrouwde omgeving van de Abbey Road Studio voor een speciaal project. Hij heeft het idee opgevat om, met de hulp van de crème de la crème van de Britse rockmuziek, een soort orkest te vormen: Rockestra. Het betreft leden van The Shadows, Pink Floyd, The Who, Led Zeppelin, The Faces en The Attractions.

Er ontbreken er een paar op het appel. Keith Moon was uitgenodigd, maar was helaas overleden voor het zover was. Ringo Starr sloeg de uitnodiging af wegens andere bezigheden in het buitenland. Jimmy Page had toegezegd, maar ‘Hij kwam niet opdagen,’ weet Laurence Juber. ‘Zijn versterker was er, maar hijzelf niet. John Paul Jones is op de plaat en John Bonham. Maar geen Jimmy Page.’
Jeff Beck wou dan weer wel komen, maar eiste vetorecht over zijn gitaarpartijen. Daar wou Paul niet van horen.

In drie uur worden twee nummers opgenomen: ‘So Glad To See You Here’ en het ‘Rochestra Theme’.
Zestig microfoons zijn verbonden met twee mixing consoles, zowel een 24 las een 16-sporen apparatuur werken gelijktijdig, dankzij een nieuw synchronisatiesysteem Tape Lock. Bovendien wordt alles gefilmd door regisseur Barry Chattington die vijf Pana-vision 35-mm cameras gebruikt, plus eigen opname apparatuur.
Volgens Jo Jo Laine wordt er in de toiletten aangeschoven om cocaine te snuiven.

Paul toont zich erg tevreden over het resultaat: ‘Verbazingwekkend hoe strak ze allemaal samen speelden. Met mensen als Pete Townshend, Gary Brooker, Hank Marvin, Ronnie Lane, Ray Cooper en Dave Gilmour zou je een ruwer, minder gecontroleerd geluid verwachten. Maar het draaide anders uit: 14 rockmuzikanten die voor het eerst samen spelen, klinken ongelofelijk strak.’

https://www.youtube.com/watch?v=8VxF7L3VVqs

Replica Studio

Na nog eens een onderbreking van een maand, werken ze opnieuw twee weken in de Abbey Road studio, om de opgenomen tracks af te werken. Paul maakt van de gelegenheid gebuik om twee nieuwe nummers op te nemen. ‘Getting Closer’ begint als een duet met Denny Laine. Het gaat echter niet over vriendschap, maar over een nachtelijke autorit, opgeleukt door muziek op de radio en een goede pretsigaret. Jammer genoeg is het precies een niet aflatende stroom van die sigaretjes die er voor zorgt dat Paulie zo slordig omgaat met zijn teksten: ‘Say you don’t love him, my salamander’ ?! Of nog: ‘Well now, why haven’t I had any dinner?’ – de complete tekst van het ‘Rockestra Theme’.

Het jazzy ‘Baby’s Request’ is een ander verhaal. Paul schreef het nummer na een optreden van The Mills Brothers, een a capella groep uit de jaren dertig, die hij die zomer aan het werk zag, tijdens een vakantie in het zuiden van Frankrijk. Paul maakt een demo met Wings. Wanneer hij hen de song aanbiedt, vragen ze echter geld om het op te nemen. Dus gebruikt hij de opname maar als slotstuk van de elpee.

Wanneer blijkt dat Studio Two van Abbey Road, vanaf begin december een paar maanden bezet is, omdat Cliff Richard er zijn nieuwe elpee (Rock ‘n’ Roll Juvenile) gaat opnemen, toont Paul zich erg ongeduldig. Hij laat de controlekamer helemaal opmeten en nabouwen. Het is een exacte kopie, compleet met valse wanden en andere namaakspullen.

‘We creëerden Replica Studio in de kelder van Pauls kantoor, aan Soho Square, voornamelijk voor het mixen’, vertelt Laurence Juber. ‘We maakten er ook wat opnamen.’ Zo krijgen ‘Spin It On’ en ‘So Glad To See You Here’ een nieuw einde.
‘Daarvoor werd het drumstel opgesteld in een kamer waar de koffiemachine stond. Daar speelde ik ook de akoestische gitaarsolo voor ‘Goodnight Tonight’. Zoiets geeft het een heel andere sfeer.’

‘Goodnight Tonight’ heeft Paul een jaar eerder, tijdens het afmixen van London Town, in zijn eentje opgenomen. De enige bijdrage van een van de andere bandleden is de prachtige Flamenco gitaarsolo van Juber. Tijdens het afmixen, kondigt Paul aan dat het de eerste single wordt van de vernieuwde Wings. Als iemand een sterk nummer kan schrijven tijdens het weekend, zullen ze dat op maandag opnemen voor de b-kant.
Iedereen schiet meteen in actie. Zelfs Linda doet haar best.

Maar ‘s maandags komt Paul zelf met ‘Daytime Nightime Suffering’ aandragen. Hoewel hij het pas heeft geschreven weet Paul al precies hoe het moet klinken. ‘Ik kreeg veel vrijheid,’ vertelt Juber. ‘De enige keer dat hij me zei wat ik moest spelen, was bij ‘Daytime Nighttime Suffering’. Dat had hij helemaal uitgeschreven. Dat en ‘Coming Up’. Die riff van ‘Coming Up’: diddlelittlelitditdit…Dat stukje, dat wou hij precies zo hebben.’

Het nummer staan dan ook in no-time op band. Het mixen verloopt heel wat moeizamer: daarvoor zijn niet minder dan 49 pogingen nodig. En dan blijft er nog een foutje hoorbaar: na twee minuten kun je, met een koptelefoon, baby James horen huilen.

Begin april 1979 – bijna 10 maanden na de eerste sessies, wordt eindelijk de laatste hand gelegd aan de tracks van Back To The Egg. ‘Winter Rose – Love Awake’ wordt ingezongen en voorzien van een brassband, de Black Dyke Mills Band, en er wordt synthesizer toegevoegd aan ‘Getting Closer’ en ‘Love Awake’.

Even wordt er gestoeid met het idee van een conceptelpee, onder de titel ‘We’re Open Tonight’. ‘Ik bedacht iets rond touren,’ vertelt Linda.’Op een regenachtige avond stapt een groep in het busje, op weg naar een optreden… Maar uiteindelijk zijn het gewoon wat songs.’

Hot Hits and Kold Kutz

Paul was nogal gepikeerd over het feit dat ‘Mull Of Kintyre’ in de Verenigde Staten haast onopgemerkt is gebleven, terwijl het in de rest van de wereld zo’n gigantisch succes kent. Hij verwijt Capitol, de platenfirma die er zijn muziek verdeeld, niet genoeg promotie te hebben gemaakt. Wanneer London Town er bovendien, als eerste elpee van Wings in jaren, niet de top bereikte, is voor hem de maat vol. Hij laat Capitol Records weten dat hij op zoek gaat naar een andere verdeler.

Op 1 januari 1979 tekent Paul één van de beste contracten in de popgeschiedenis. Columbia Records (CBS) biedt hem, voor de volgende drie jaar, een voorschot van 1,5 miljoen euro per jaar. Als tegenprestatie moet hij elk jaar één album aanleveren. Verder krijgt hij 22% royalties, plus een extraatje. Zijn muziekuitgeverij MPL krijgt de rechten van Frank Music, de muziekcatalogus van Frank Loesser, bekend van o.a.Guys and Dolls.
Pas in 2006 raakt bekend dat Paul in het contract heeft laten opnemen dat hij opnamen mag maken met ‘John Lennon, Richard Starkey and George Harrison recording together as The Beatles’.

Om de periode af te sluiten, wil Capitol graag een verzamelaar uitbrengen. Paul komt met het voorstel om er een dubbelelpee van te maken: Hot Hits and Kold Kutz. Het Hot Hits aspect is duidelijk: een verzameling van zijn grootste hits. Kold Kutz (Cold cuts zijn prakjes of kliekjes) zijn zoals de naam het aangeeft, b-kantjes en outtakes.

De voorgestelde tracklist van Kold Kutz is:
kant 1: ‘Mama’s Little Girl’, ‘I Would Only Smile’, ‘Tragedy’, ‘Night Out’, ‘Oriental Nightfish’, ‘Lunch Box/Odd Sox’, ‘My Carnival’
kant 2: ‘Send Me The Heart’, ‘Hey Diddle’, ‘Wide Prairie’, ‘Tomorrow’, ‘Proud Mum’, ‘Proud Mum Reprise’, ‘Same Time Next Year’, ‘Did We Meet Somewhere Before?’

‘I Would Only Smile’ en ‘Send Me The Heart’ zijn songs van Denny Laine. ‘Oriental Nightfish’ en ‘Wide Prairie’ zijn gezongen door Linda. ‘Tragedy’ is een cover van een nummer van The Fleetwoods uit 1961.
De beide niet-gebruikte soundtracknummers vervolledigen de tracklist.

‘Oriental Nightfish’ wordt in oktober 1978 vertoond in Britse bioscopen, als voorfilmpje bij Driver. De tekenfilm is het werk van Ian James, naar een song van Linda McCartney.

Capitol geeft echter de voorkeur aan een enkele elpee: “dat verkoopt beter”.
Dus verschijnt, netjes op tijd voor de Kerstperiode, Wings Greatest in november 1979.

null

Singles
null
De eerste release van Columbia is de single ‘Goodnight Tonight’/’Daytime Nighttime Suffering’ die verschijnt op 15 maart 1979. Het nummer doet het goed en behaalt zowel in Engeland als in Amerika de top 5. De single versie is een edit en voor de volledige opname kun je terecht bij de 12” versie.

Columbia dringt er dan ook bij Paul op aan om het nummer op zijn volgende elpee te zetten, maar die weigert dat. Back To The Egg verschijnt in mei 1979. De titel geeft al aan dat Paul het album ziet als een nieuwe start.
‘Het was zo’n beetje terug naar af voor ons’, verklaart Paul, ‘nieuwe dingen proberen. Die titel vat het zowat samen.’

Maar ondanks genoeg melodieën in elke song, waarmee anderen een hele elpee mee zouden kunnen vullen én een TV-special met promofilmpjes van 7 nummers, doet de plaat het na, een sterke start, niet zo goed in vergelijking met zijn vorige elpees. De top 5 wordt net niet bereikt. Het gebrek aan een echte hitsingle speelt daarin zeker mee.
De platenmaatschappij had nochtans erg hoge verwachtingen. ‘Ik hoorde onlangs dat er drie miljoen exemplaren van Back To The Egg liggen te wachten in een stockageruimte,‘ verklapt Paul. ‘Dat klinkt als een enorme flop. Maar voor elke andere groep is een verkoop van één miljoen – en dat hebben wij – een succes. Het is een goede plaat. Het is onze eerste plaat. De niet-verkochte platen zijn er omdat de platenmaatschappij er teveel heeft geperst. ‘
Ook volgens Juber waren de voortuitzichten van Columbia niet realistisch. ‘De overeenkomst was geregeld met Walter Yentikoff, Bruce Lundvall, Don Devito, Paul Atkinson aen nog een paar anderen – allemaal legendarische figuren in de muziekwereld op dat moment. Paul McCartney bij je label hebben verhoogde je status zeker. Maar tegen dat de plaat uitkwam in juni 1979 ging het economisch niet te best en de platenverkoop was achteruit gegaan. De platenlabels hadden het in hun hoofd gehaald dat iedere plaat het beter zou moeten doen dan Rumors of Saturday Night Fever. Dat was een fase die snel weer voorbij was en de verkoop viel snel terug tot de normale omzet. […] In elk geval: Back to the Egg deed het tamelijk goed en het zou nog beter zijn gegaan als hij ‘Goodnight Tonight’ er op had gezet. […] Het zou het verschil hebben gemaakt van triople platina in plaats van platina.’

Als eerste single is ‘Old Siam, Sir’ in Engeland en Europa, terwijl voor Noord-Amerika de keuze valt op ‘Getting Closer’. De b-kant is wel overal hetzelfde: ‘Spin It On’. En het resultaat ook: gestrand buiten de top 20!
Eenzelfde lot zijn de volgende singles beschoren: ‘Arrow Through Me’ in de VS, ‘Getting Closer’/‘Baby’s Request’ in het VK en ‘Rockestra Theme’ in een aantal Europeese landen.


5 juni 1979: in de hangar van een klein prive vliegveld in Kent, worden beelden geschoten voor ‘Spin It On’ en ‘Getting Closer’. In een veld in de buurt wordt ‘Again And Again And Again’ verfilmd. Er wordt gewerkt tot het donker wordt.
‘Ik herinner me de opname van dat filmpje nog goed, ‘mijmert Laurence Juber. ‘We droegen van die namaak vliegeniersjassen: leder, gevoerd met bont. We filmden in een vliegtuighangar in de koude Britse lente, maar achter ons stonden een heel pak schijnwerpers. We werden zowat gebraden. Toen ik die avond thuis kwam, hing ik de jas te drogen. Dagenlang droop het zweet er nog uit – zo heet was het daar.’