Hoewel een banjo er op het eerste gezicht een beetje uitziet als een ietwat rare gitaar is het eigenlijk een heel ander soort instrument. In essentie is een banjo een drum: een drum met snaren. Daarom is de wijze van bespelen ook helemaal anders. Een gitarist tokkelt: hij plukt aan de snaren van beneden naar boven, terwijl een banjospeler “slaat” met de achterkant van de nagels, met een beweging richting de vloer.

 

Er zijn zelfs twee geheel verschillende speelwijzen voor de banjo.

Bij clawhammer of “oldtime” gebruikt de speler enkel de duim en de wijs- of middelvinger van zijn rechterhand.

 

de clawhammer techniek

 

Ofwel worden er plastic of metalen fingerpicks op de vingertoppen geplaatst. Bij deze techniek gebruikt de speler, behalve de duim, drie vingers. Dit levert een veel drukker geluid op, dat vooral bij bluegrass erg populair is.

 

de fingerpicks techniek

 negro-playing-banjo

Herkomst

Midden 18de eeuw was de banjo het instrument van de zwarte slaven. Het was terug te vinden op elke plantage in Maryland en Virginia. “Een uniek instrument is de banjar,” getuigt ene Thomas Jefferston, wanneer hij in 1781 het leven van de slaven op een plantage in Virginia beschrijft. “Die hebben ze mee overgebracht uit Afrika,” concludeert hij.

 

Verdere studie leert echter dat de eerste beschrijving van een banjo-achtig instrument helemaal niet uit het Appalachengebregte stamt, maar uit Martinique. Daar dook de banjo ruim een eeuw eerder op: in 1678. Later volgen nog getuigenissen uit Jamaica (1869) en Barbados (1708).

 

Vanaf het begin van de 17de eeuw werden massaal mensen uit West-Afrika naar de Nieuwe Wereld  getransporteerd om er te werken als slaven op de plantages. Onder de harde omstandigheden was muziek een van de weinige dingen die hun troost kon bieden. In eerste instantie was dat zang, met begeleiding van percussie. De blanken ervoeren dat tromgeroffel achter als een bedreiging, omdat ze vreesden dat hiermee boodschappen werden doorgegeven. Mogelijk kon zo een opstand worden georganiseerd. Al snel volgde er een algemeen verbod op het gebruik van trommels. 

 

Daarom zochten de slaven naar andere instrumenten. Voor het bouwen daarvan baseerden ze zich op het voorbeeld van de vertrouwde instrumenten uit het thuisland. Ze maakten gebruik van goedkope materialen die in de nieuwe leefomgeving te vinden waren: kalebassen bijvoorbeeld. Dat zijn niet-eetbare pompoenen (in het Engels: gourd) met een harde schil. De vrucht werd uitgehold en met een dierenvel bespannen. Daarop werd dan een lange hals gemonteerd, waarop drie tot vier snaren werden aangebracht.

In verschillende studies wordt gewezen op de overeenkomsten tussen de banjo en de luitachtige instrumenten die door de griots werden bespeeld. De ngoni uit Mali wordt genoemd, de akonting uit Senegal en nog meer exotische namen als de busunde, de kasinta en de ngopata.

Omwille van de bamboestok die dikwijls oorspronkelijk als hals werd gebruikt, kreeg het nieuwe instrument namen als banjar, bangie, banjer, banza of banjo. Of naar de pompoen-klankkast: gourd-banjo.

Echter, naar het voorbeeld van de Spaanse en Portugese snaarinstrumenten, verschenen in de loop van de jaren Westerse vernieuwingen aan de hals: houten pinnen om de snaren aan te spannen en een kam.

 

Na verloop van tijd werd ook de pompoen vervangen. In de plaats kwam een tamboerijn-achtige romp: een ronde klankkast, met aan de voorzijde een strak gespannen vel. Doordat de kam rust op het gespannen vel kan de energie die bij het bespelen van de snaren wordt toegevoerd zeer snel weg. Dit levert een kort maar hard geluid op. Het beklemtoont het percussiekarakter waarnaar de muzikanten op zoek waren ter vervanging van de drums. Het beklemtonen van het ritme is immers essentieel als begeleiding van worksongs. 

 

Honderd jaar lang was de banjo het uitverkoren instrument van de zwarten. Niet alleen tijdens het werk maar ook ter begeleiding van zang en dans ter vermaak. Het cliché van een zwarte jongen of man met strohoedje en een banjo in de hand is in zowat elke Lucky Luke strip terug te vinden.

 

Minstrel shows

In de vroege jaren dertig van de negentiende eeuw ontstond de minstrel show of minstrelsy. Een troep rondtrekkende acteurs en muzikanten brachten vermaak met sketches, parodieën, slapstick, dans en muziek. Een onderdeel van hun show was de blackface act. Blanke mannen kleedden zich in lompen, maakten hun gezicht zwart en imiteerden zo de zwarten. De typische manier van spreken en bewegen, de muziek en de dans van de zwarten werden er uitvergroot tot vermaak van de blanken. Een van de veel voorkomende typetjes was de ex-slaaf die terug verlangde naar de plantage waarin hij was opgegroeid. De boodschap die de minstrels brachten was: ‘je hoeft je geen zorgen te maken om de slaven, die zijn best tevreden met hun lot’. En ook ‘Zwarten horen niet thuis in de noordelijke staten’.

 

Om de “negermuziek” authentiek te laten klinken begonnen ze typische “zwarte instrumenten” als de banjo en de tamboerijn te bespelen.

 

Een van die allereerste blanke banjospelers was Joel Walker Sweeney (1810 – 1860). Hij was, in zijn eentje, misschien wel verantwoordelijk voor de doorbraak van het instrument bij het blanke publiek. Daarvoor had hij wel een paar aanpassingen nodig, zoals een vijfde snaar!

Niet dat die extra snaar een uitvinding van hemzelf was. Er zijn oudere afbeeldingen bekend van vijfsnarige banjo’s. Maar tot dan toe werd die vijfde, veel kortere snaar tot klinken gebracht door de resonantie van het instrument zelf. De bespeler raakte de snaar zelf niet aan.

Sweeney ging de snaar bespelen met zijn duim. Sterker nog: hij ging precies die duimsnaar gebruiken om de melodie te spelen, terwijl hij op de andere vier snaren een begeleiding tokkelde met de vingers. Dit opende geheel nieuwe perspectieven.

 

Een niet onbelangrijk element in de groeiende populariteit van de banjo was het werk van Amerika’s eerste professionele songwriter: Stephen C. Foster (1826 -1864). Vele van de songs die hij schreef voor de minstrels groeiden uit tot klassiekers zoals ‘Oh Susanna’, ‘Swanee River’, ‘Hard Times’, ‘Beautiful Dreamer’ en ‘Camptown Races’.

 

Oh Susanna

 

Camptown Races

 

Een andere songwriter was Daniel D. Emmett (1815-1904). Hij begon als blackface fiddlespeler bij de Virginia Minstrels maar schakelde later over op de banjo. Voor dat instrument schreef hij tientallen songs waaronder ‘Dixie’s Land’. Als ‘Dixie’ groeide het tijdens de Burgeroorlog  (1861 – 1864) uit tot het lijflied van de Confederatie en later van de gehele South.

 

Na die Burgeroorlog bloeide de nieuwe five-string banjo op als het populairste instrument, zowel in de huiskamers van de hogere en middelklasse als op de concertpodia en de schamele huisjes in het Appalachengebergte.

 blacked%20band2

Evolutie

Tot het einde van de 19de eeuw bleef de banjo een heel eenvoudig instrument, enkel geschikt om er een zeer eenvoudige melodie mee aan te geven. Het ontbreken van frets op de minstrelbanjo maakte het erg moeilijk om de juiste toon aan te houden. Hoewel Henry Dobson al in 1878 patent aanvroeg voor een commerciële banjo met frets, duurde het bijna drie decennia eer het concept aansloeg.

Dat gebeurde pas toen de stalen snaren hun intrede deden. Naar analogie van de mandolines waarbij een plectrum werd gebruikt, begonnen banjospeler toen ook te experimenteren. De plectrumbanjo was geboren en de vijfde snaar werd meteen weer overbodig.

 

In de eerste decennia van de twintigste eeuw leidden Europese elementen, onder meer de invloed van de gitaar, tot een meer klassieke speelstijl. Tegelijk ontstonden er allerlei hybride instrumenten waarbij de banjo werd  ‘gekruist’ met een ander snaarinstrument. Op de klankkast van een banjo (vaak met resonator) werd dan de hals van een ander instrument geplaatst. Bedoeling was om het bespelers van andere instrumenten mogelijk te maken gebruik te maken van het penetrante banjogeluid. Dat was vooral zeer gegeerd zolang er nog geen elektrische versterking beschikbaar was.

 

Nergens was zo belangrijk om luid te kunnen spelen als in het drukke nachtleven van New Orleans. De banjo was dan ook perfect om het ritme in de blaasbands te accentueren. Omstreeks 1920 ontstond zo een nieuw genre: Dixieland (ook gekend als New Orleans jazz of traditional jazz).

 

Maar dat was een laatste opflakkering, want eens de elektrische versterkers hun intrede deden waren de gouden jaren van de banjo voorbij. Enkel in het Appalachengebergte bleven five-string banjospelers populair bij de southern dance bands en andere hillbillymuziek. Het publiek genoot er van instrumentalisten als Uncle Dave Macon, Stringbean, Clarence Ashley en The Carter Family met June Carter.

 

Een van de grootste namen was Charlie Poole (1892-1931).

Als jongen had Charlie twee passies: spelen op zijn zelfgemaakte gourdbanjo en baseball. Bijna kwam aan allebei een eind toen hij eens een bal met de blote hand wou pakken, omwille van een weddenschap. Hij hield er een paar gebroken botten in zijn  rechterhand aan over met een permanente vervorming van enkele vingers als gevolg. Poole was echter een doorzetter. Hij bedacht een geheel nieuwe techniek om de banjo te bespelen: de “threefinger picking style”, waarbij hij melodie, arpeggio en ritme wist te combineren

Zijn eerste echte banjo kon hij pas kopen toen hij ging werken in een textielfabriek.

Poole zag in de banjo een uitweg om niet, net als zijn ouders, zijn hele leven te moeten zwoegen in die fabriek. Hij vulde het weinige geld dat hij kon sparen aan met de opbrengst van illegale alcoholstokerij, om zich zo een eersteklas banjo te kunnen veroorloven. Met die Gibson van $200 kon hij professioneel gaan spelen. In 1917 richtte hij, samen met zijn schoonbroer, de fiddelspeler Posey Rorrer, een eigen stringband op: de North Carolina Ramblers. Drie jaar later waren ze een veelgevraagde band op dansfeesten en partijen door het gehele zuidoosten.

Op 27 juli 1925 mochten ze in New York hun eerste plaatje gaan opnemen. Het was meteen raak. Meer dan honderdduizend exemplaren van ‘Don’t Let Your Deal Go Down Blues’ vlogen de deur uit. En dat in een tijd waarin slechts zeshonderdduizend mensen een grammofoon hadden. Charlie Poole werd de eerste countryster.

Hoewel hij zelf nauwelijks songs schreef groeiden vele van de zeventig nummers die hij in de volgende jaren opnam uit tot klassiekers in bluegrass en country: ‘Can I Sleep In Your Barn Tonight, Mister?’, ‘Old and Only In the Way’, ‘White House Blues’…

Toen de depressie de verkoop in elkaar deed stuiken, ging hij graag in op een aanbod van Hollywood om te gaan werken voor de filmindustrie. Hij zou echter nooit in Californië raken. Na dertien weken (!) van fuiven en drinken begaf zijn hart het. Poole werd slechts 39 jaar oud.

 

‘White House Blues’ – Charlie Poole, opgenomen op 20 september 1926 en voor de eeuwigheid bewaard op de Anthology of American Folk Music.

 

 

Revival

Pas in de tweede helft van de jaren veertig, werd de banjo, net als de mandoline, terug opgepikt door bluegrassspelers. Hoewel Bill Monroe zijn eerste Blue Grass Boys band oprichtte in 1939, was het pas zes jaar later dat het genre echt van de grond kwam. Dat was te danken aan de komst van een banjospeler uit North Carolina: Earl Scruggs. De jongeman liet het publiek helemaal uit de bol gaan door zijn razendsnelle solo’s, gespeeld met een geheel eigen drie-vingertechniek. Hiervoor maakte hij gebruik van fingerpicks: een soort plastic of stalen kunstnagels die op de duim en vingers worden geklemd.

Zijn vernieuwende “Scruggs style” banjospel sloeg zo aan dat hij wel gek zou zijn om niet voor zichzelf te beginnen. Samen met Lester Flatt richtte hij The Foggy Mountain Boys op. Hun grootste succesnummer was ongetwijfeld ‘Foggy Mountain Breakdown’, uit 1949. Twintig jaar later werd het instrumentale nummer wereldwijd populair door het gebruik in de film Bonnie & Clyde – over een gansterkoppel in de jaren twintig!

 

‘Foggy Mountain Breakdown’ – Earl Scruggs met Steve Martin

 

Bonnie & Clyde

 

Lester Flatt & Earl Scruggs in de Grand Ol’ Opry Show

 

Drie jaar later schoot, opnieuw dankzij een film, een ander instrumentaal banjonummer naar de top van de hitlijsten: ‘Duelling Banjos’. De oorspronkelijke versie heet ‘Feudin’ Banjos’ en werd in 1955 geschreven door Arthur Smith. Hij nam het zelf op, op een vier snarige plectrum banjo, met Don Reno op een vijfsnarige instrument.

In de thriller Deliverance zien we de acteurs Billy Redden (de hillbilly dorpsidioot op banjo) en Ronny Cox (de Yankee op gitaar). Maar we horen respectievelijk Eric Weissberg en Steve Mandell, in een productie van Joe Boyd.

 

‘Dueling Banjos” uit de thriller Deliverance (1971).

 

 

Maar ook buiten de countrywereld maakte de banjo een comeback vanaf de jaren veertig. Dat was voornamelijk te danken aan Pete Seeger. Hij keerde terug naar de traditionele muziek die nu folk werd genoemd. In 1948 publiceerde hij de eerste versie van zijn boekje, How To Play The 5-String Banjo,  dat groeide uit tot het handboek voor vele generaties banjospelers.

 

 

Dankzij de folkrevival kwamen de oorspronkelijke uitvoerders terug in de belangstelling. Velen van hen kregen de kans om hun oude opnamen nog eens over te doen, met veertig jaar ervaring en veel beter geluidskwaliteit als bonus.

Een van hen was Clarence ‘Tom’ Ashley. Op 23 oktober 1929 zette hij, in Johnson City, Tennessee, de oorspronkelijke versie neer van het aloude ‘The Coo Coo Bird’. Harry Smith had het plaatje in 1952 terug onder de aandacht gebracht op zijn Anthology of American Folk Music.

Maar in 1961 zette hij de definitieve versie neer, met de hulp van een blinde gitarist uit Deep Gab, North Carolina: Doc Watson.

 

Clarence ‘Tom’ Ashley – The Coo Coo Bird.

 

 

Tegen het einde van de jaren zestig ontstonden de eerste, voorzichtige toenaderingspogingen tussen twee geheel verschillende werelden: country en rock. Het waren de rockmuzikanten die, onder invloed van de muziek die ze in hun jeugd op de radio hadden gehoord, het initiatief namen: Gene Clark, Bob Dylan, Gene Parsons, Michael Nesmith, …. Voor het bespelen van specifieke instrumenten als steelgitaar, mandoline en banjo keken de rockers naar de beste bluegrassartiesten. Earl Scruggs beroerde de vijfsnarige banjo op Dylans ‘Nashville Skyline Rag’ en The Byrds vroegen Doug Dillard van The Dillards mee op tournee. Zijn banjospel moest hun geluid wat authentieker maken.

 

Na afloop van de Europese tour vroeg ex-Byrd Gene Clark hem om samen Dillard & Clark op te zetten. Zij omringden zich met fantastische countrymuzikanten waaronder Bernie Leadon, die later The Eagles zou helpen oprichten.

 

‘Train Leaves Here This Morning’ uit The Fantastic Expedition of Dillard & Clark.

 

De banjo in de Britse rock

De Britten beschouwden de banjo als een zeer primitief instrument. Volgens de overlevering zou de Britse muziekhistoricus Cecil Sharp, toen hij tijdens de Eerste Wereldoorlog door het Appalachengebergte trok op zoek naar songs, uitdrukkelijk hebben laten weten dat hij geen banjo’s of gitaren wou zien. Die interesseerden hem niet. Wat hij zocht waren oude Ierse en Schotse balladen of dansmuziek. Niet van die niewerwetse dingen.  

 

Vanaf het midden van de negentiende eeuw zochten banjobouwers naar manieren om meer mensen aan te spreken door de mogelijkheden uit te breiden.

De tenorbanjo had een kortere nek met 19 frets en wordt bespeeld met een plectrum. Het was een uitstekend begeleidingsinstrument voor de jazz- en dancebands in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Vooral omdat het te horen was boven de blazers en saxofoon uit. De komst van de elektrisch versterkte gitaar verdrong de tenorbanjo van het podium. Enkel in de meer traditionele Dixieland jazz bleef er een plaatsje voor over.

 

Een andere, voor de hand liggende oplossing om de mogelijkheden te verruimen, is het toevoegen van een zesde snaar. Vooral jazzmuzikanten, zoals Johnny St. Cyr en Django Reinhardt, experimenteerden met de guitanjo, zoals het instrument werd gedoopt. Maar ook een bluesman als Reverend Gary Davis had er een.

Helemaal er over is de zither-banjo: met zeven snaren is er wel erg ver afgeweken van het oorspronkelijke concept.

 

De stiefmoederlijke behandeling van het instrument in de Britse muziek is merkbaar in het feit dat de banjo slechts zelden wordt gebruikt in de pop- of rockmuziek. Enkele uitzonderingen zijn: ‘Stop Stop Stop’ van The Hollies, ‘Squeeze Box’ van The Who, ‘Gallows Pole’ van Led Zeppelin, Bright Side of the Road van Van Morrison, ‘Cowboy Dreams’ van Prefab Sprout of ‘Sing’ van Travis.

Veel meer kan ik er eigenlijk niet bedenken.

 

‘Cowboy Dreams’, uit The Gunman And Other Stories, met Eric Weissberg op de banjo.

 

 

 

En om af te sluiten nog eentje die helemaal buiten alle categoriën valt: de slaggitarist van de Amerikaanse garageband The Monks. Dave Day bespeelde een zessnarige banjo alsof het een elektrische gitaar was. Met behulp van een kleine ingebouwde microfoon verkreeg hij zo een speciale metaalachtige klank.

 

The Monks met hun enige pseudohit, ‘Cuckoo’, uit 1966.

Advertenties

mandolines

Italiaanse Spanjaarden

De introductie van het mediterane instrument in de Amerikaanse muziek gebeurde op een wel heel bijzondere manier: door imitatoren die de verkeerde instrumenten gebruikten.

 

Aan het einde van de 19de eeuw was Henry Abbey een van de vele impresario’s in New York. In 1879 had hij op de wereldtentoonstelling in Parijs de ‘Estudiantina Figaro’ opgemerkt. De groep van een twintigtal muzikanten was afkomstig uit Madrid en stond onder leiding van Carlos Garcia Tolsa.

Het orkest bracht swingende versies van allerhande muziekstukken, uitgevoerd op traditionele snaarinstrumenten als de chitarra en bandurria. Met hun bontgekleurde kostuums en aanstekelijke muziek waren ze een groot succes bij de vele bezoekers. De impresario nodigde de groep uit om hun kunsten te komen vertonen in de Nieuwe Wereld.

 

Op nieuwjaardsag 1880 presenteerde hij zijn nieuwste ontdekking aan het New Yorkse publiek. Dat reageerde dolenthousiast en de concertreeks kreeg een vervolg met een tournee door het hele continent.

 

Een collega impressario, de Italiaan Carlo Curti was violist en orkestleider in het Waldorf Astorio Hotel in New York. Toen hij zag hoezeer de ‘Estudiantina Figaro’ in de smaak vielen, dacht hij dat er voor hem ook wel wat profijt in zou kunnen zitten. Hij besloot zijn eigen groep op te richten. Bandurria’s waren echter zeer moelijk te vinden in Amerika. Maar precies omdat het snaarinstrument er zo onbekend was zou niemand het merken wanneer het werd vervangen door een gelijkaardig instrument waarmee hij beter vertrouwd was: de Napolitaanse mandoline.

 

Het was voor Curti niet moeilijk om in New York voldoende mandolinespelers te vinden. Tijdens het laatste kwartaal van de 19de eeuw waren vele Italianen naar de Nieuwe Wereld getrokken. Terwijl er in 1870 slechts een kleine drieduizend in heel de Verenigde Staten waren, woonden er tegen het einde van de eeuw, alleen al in New York, honderdvijfenzeventigduizend.

Hoewel Curti’s groep dus uitsluitend gevormd werd door Italiaanse muzikanten presenteerde hij ze toch onder de naam ‘Spanish Students’. Het bleek een goede gok want zijn mandolineorkest werd al snel even populair als het origineel. Zeker toen de Spanjaarden terug naar huis keerden en Carlos (let op de toegevoegde ‘s’) alleen overbleef met zijn mandolinespelers.

 

De vijf-snarige banjo was op dat moment al een rage bij de middenklasse. Overal aan de Oostkust en – in mindere mate – het Midwesten schoten in de jaren tachtig banjoclubs als paddestoelen uit de grond. Maar door het succes van de ‘Spanish Students’ steeg nu ook de vraag naar mandolines en tegen het einde van de eeuw had de mandoline de banjo naar de tweede plaats verwezen. 

 

 

Ontwikkelingen

 

De instrumenten werden eerst nog ingevoerd vanuit Italië en Duitsland. Vanaf 1890 echter begonnen verschillende Amerikaanse bedrijven hun eigen mandolines te bouwen. Langzaamaan slopen er allerlei aanpassingen en verbeteringen in de ontwerpen. Zo kwam Merrill’s Aluminium Instrument Company met een klankkast uit aluminium gekoppeld aan een houten hals. Andere firma’s experimenteerden met allerlei vormen en stijlen. Het populairst waren de Washburn instrumenten van Lyon & Healy uit Chicago, waarvan er tegen 1894 jaarlijks meer dan zevenduizend werden geproduceerd. 

 

Het meest succesvol waren de vernieuwingen van ene Orville Gibson. De excentrieke klerk uit Kalamazoo, Michigan bouwde instrumenten puur als hobby. In 1896 vroeg hij een patent aan voor een “spanningsvrije” mandoline. Grofweg gebaseerd op de stijl van een viool ontwierp hij het prototype van de “Amerikaanse mandoline” zoals die er nog steeds uitziet: een asymetrisch instrument met een gestoken, gewelfd voor- en achterblad en gebogen zijkanten. De klank is hierdoor steviger, warmer en meer van een ‘houten’ karakter dan van de luitvormige mandolines.

 

Met de hulp van lokale geldschieters richtte Gibson in oktober 1902 de Gibson Mandolin-Guitar Manufacturing Co, Ltd op. Dankzij een agressieve marketingcampagne was de firma, amper acht jaar later al marktleider.

 

Het mooie liedje bleef echter niet duren: toen Amerika in 1917 betrokken raakte bij de Eerste Wereldoorlog kwam er een einde aan de populariteit van de mandoline ten voordele van de ukelele en de 4-snarige banjo.

 

Toch betekende dat niet het einde voor de ontwikkeling van het instument. In een poging om de verkoop terug aan te zwendelen ontwikkelde Lloyd Loar voor Gibson het ‘Master model’. De peervormige Gibson F5 die vanaf 1922 op de markt kwam, was niet alleen steviger, ze had bovendien ook een vollere, diepere klank.

Maar de verkoop bleef dalen en Loar verliet in december 1924 de firma. In de vijf jaar dat hij er had gewerkt had hij 326 mandolines gebouwd.

 

De doorbraak van de Gibson F5 kwam er pas halverwege de jaren veertig toen de mandoline aan een tweede jeugd begon als het bluegrass instrument bij uitstek.

 

Sinds die tijd zijn de originele, door Loar gesigneerde en gedateerde exemplaren zeer gezocht, net als een Stradivarius viool. Elk van zijn mandolines is inmiddels een klein fortuin waard en haalt prijzen tot € 200 000.

 

 

Bluegrass

 

Tot halverwege de jaren dertig werd de mandoline haast uitsluitend gebruikt als begeleidingsinstrument in klassieke en volksmuziek: de zogenaamde mandolineorkesten.

 

Daar kwam verandering in door het duo Mac & Bob. Lester McFarland en Robert Gardner, allebei blank en blind, hadden mekaar gevonden op de blindenschool in Kentucky. Samen namen ze vanaf de jaren dertig zo’n 200 songs op, meestal met begeleiding van gitaar en mandoline. Ze waren erg succesvol en verkochten meer dan een miljoen platen.

Dat voorbeeld inspireerde anderen, zodat er in de jaren dertig heel wat duo’s en groepjes onstonden, veelal broers, waarvan de Blue Sky Boys en de Monroe Brothers het meest aanspraken.

 

De echte doorbraak van de mandoline in de country kwam er door één man uit dat laatste groepje.

 

Billl Monroe (1911- 1996) was de jongste van acht kinderen, geboren op een boerderij in Rosine, Kentucky. Zijn moeder kwam uit een muzikaal begaafde familie. Er werd dan ook veel gemusiceerd in huiselijke kring. Omdat zijn oudere broers Birch en Charlie respectievelijk voor de fiddle en de gitaar hadden gekozen, kreeg de jongste het minst gewilde instrument toegespeeld: de mandoline.

Toen zijn ouders vrij kort na mekaar overleden werd Bill verder opgevoed door de broer van zijn moeder: fiddlespeler Pendleton “Uncle Pen” Vandiver. Door met hem op te treden leerde hij veel bij.

Zodra hij 18 werd reisde Bill zijn broers achterna. Die waren naar Indiana getrokken om er te gaan werken in de olie industrie. Daar vormden ze de Monroe Brothers, waarmee ze optraden op feestjes en partijen. 

Vanaf 1936 hadden Bill en Charlie flink wat succes met hun blanke gospel en “old-time” muziek, maar de echt grote doorbraak kwam er pas in 1946. Bill was toen al een aantal jaren aan het experimenteren met zijn nieuwe band, de Blue Grass Boys. In de loop van het vorige jaar had hij zijn puur akoestische band versterkt met een paar uitstekende nieuwe muzikanten: banjospeler Earl Scruggs, zanger/gitarist Lester Flatt, fiddler Chubby Wise en bassist Howard Watts. Hiermee viel alles mooi in zijn plaats: in plaats van de muziek in de stringbandtraditie, waarbij alle instrumenten samen de melodie spelen, kwam iets geheel nieuws.

Net als bij jazz spelen bij bluegrass de muzikanten beurt om beurt een solo. Ze gebruiken daarvoor uitsluitend akoestische snaarinstrumenten als mandoline, banjo en fiddle. Opvallend is dat ze de indrukwekkende “breaks” meestal in een razendsnel tempo doen. In combinatie met de meerstemmige zang levert dat prachtige muziek op.

 

Voor zijn virtuose, vingervlugge mandolinesolo’s gebruikte Bill Monroe een Gibson F5 model, getekend en gedateerd door Lloyd Loar op 9 juli 1923.

Bill Monroe and his Bluegrass Boys – ‘Blue Moon of Kentucky’ uit 1946

 

De Blue Grass Boys bleef amper twee jaar samen in de originele bezetting. Flatt en Scruggs richtten, in 1948, hun eigen groep op: de Foggy Mounatin Boys. Maar inmiddels was bluegrass enorm populair geworden en was de banjo onlosmakelijk met het genre verbonden. Om zich te onderscheiden van de meester, zochten andere banjospelers naar een eigen speelstijl: Jesse McReynolds (van Jim and Jesse) en  Bobby Osborne van de Osborne Brothers bijvoorbeeld.

 

Halverweg de jaren vijftig echter werd bluegrass naar de marge verwezen, door de opkomst van de rock ‘n’ roll en de meer gelikte country uit Nashville. De mandoline verdween opnieuw uit beeld.

 

 

Countryrock

 

De bekendste mandolinespeler van de countryrock is ongetwijfeld Chis Hillman. Na een pure bluegrass start met zijn eigen The Hillmen trad hij zelden nog op voor de voorgrond. Toch speelde hij niet te onderschatten rol bij baanbrekende bands als de Byrds, de Flying Burrito Brothers, Manassas, Souther-Hillman-Furay en de Desert Rose Band. De eerste jaren bespeelde hij een Gibson mandoline uit 1950. Maar in 1972 kreeg hij een echte Lloyd Loar F5 cadeau van Stephen Stills.

 

Chris Hillman & Herb Pederson – Mr. Tambourine Man

 

Misschien dat de sierlijke krul bovenaan de mandoline muzikanten met krulhaar aantrekt, maar David Mansfield is al evenzeer gezegend met een mooie krullenbol. Na de tweede helft van jaren zeventig te hebben doorgebracht in de bands van Bob Dylan, legde hij zich toe op een bestaan als studiomuzikant en componist van filmmuziek (Heaven’s Gate en Songcatcher). 

 

Bruce Hornsby – ‘Mandoline Rain’

 

Loudon Wainwright III – Breakfast in Bed

 

 

 

Bluegrass is here to stay

 

Vanaf het einde van de jaren tachtig kwam bluegrass terug in de belangstelling en daarmee ook de banjo terug in hitlijsten. Dat was vooral te wijten aan enkele jonge vrouwen: Alison Krauss en de Dixie Chicks. Krauss kon rekenen op de samenwerking met de band Union Station, met banjospeler Ron Block. Bij de Chicks bespeelt Emily Robinson het instrument.

 

Later gingen ook andere countryzangers zich herbronnen aan het genre: Dolly Parton (The Grass Is Blue, met Jim Mills– 1999), Steve Earle (The Mountain met Ronnie McCoury – 1999) of Patty Loveless (Mountain Soul – 2001).

 

Na het succes van de film Oh Brother, Where Art Thou kwamen er meer films met een zelfde soundtrackconcept: een mengeling van oude muziek en nieuwe versies gebracht door grote namen: Songcatcher en Cold Mountain.   

In die laatste speelt Jack White van The White Stripes mee. Hij spelt ‘Wayfairing Stranger’ op banjo aan het kampvuur. Daarna gebruikt hij het snareninstrument op verschillende songs van de volgende White Stripes de Icky Thump.

 

 

Mandolines in de Britse rock

 

In Ierse folkmuziek was de mandoline al langer geaccepteerd. Via die omweg sloop het instument aan het einde van de jaren zestig binnen bij Britse folkrockgroepen als The Incredible String Band. Later volgden Lindisfarne (‘Fog on the Tyne’) en McGuinness Flint (‘When I’m Dead And Gone’).

Ray Jackson, de mandolinespeler uit Lindisfarne, speelde ook mee op de eerste soloelpees van Rod Stewart, tussen 1970 en 1974. Zijn bijdrage speelt een prominente rol op hits als ‘Maggie Mae’, ‘Gasoline Alley’ en natuurlijk ‘Mandoline Wind’.

 

Zelfs Led Zeppelin was er niet vies van: bassist John Paul Jones toont zijn kunsten op ‘Going to California’ en ‘That’s the Way’. Jimmy Page wou niet voor hem onderdoen en kwam met ‘The Battle of Evermore’.

 

Begin jaren tachtig volgden nog Yes (‘Wonderous Stories’), The Smiths (‘Please Please Please Let Me Get What I Want’) en Steve Winwood (‘Back In The High Life’).

De jaren negentig brachten The Levellers.

 

Meer recent dook de mandoline op bij Indigo Moss en de man die elk instrument en elk genre wel eens ooit heeft geprobeerd: Paul McCartney. In andere tijden zou zijn ‘Dance Tonight’ een dikke hit zijn geweest.

 

McGuinness Flint – ‘When I’m Dead And Gone’ met Benny Gallager op mandoline

 

Paul McCartney – ‘Dance Tonight’

 

 

 

Waarschijnlijk is het bekendste nummer gebouwd rond een mandoline er eentje van R.E.M. uit 1991: ‘Losing My Religion’. Aan biograaf Johnny Black vertelde Peter Buck dat het nummer eerder toevallig was onstaan. Hij had pas een mandoline gekocht en waseen beetje aan het oefenen terwijl hij TV aan het kijken was. Om te kunnen nagaan of het op iets trok liet hij een bandopnemer meelopen. Toen hij de volgende dag terugluisterde viel hem de riff op, tussen heel veel oefenriedeltjes. En dat was de basis van een van hun grootste hits.

 

 

de National Style O uit 1936, van Mark Knopfler
de National Style O uit 1936, van Mark Knopfler

 

De Resonator gitaar

 

 

Het instrument dat prijkt in het balkje bovenaan deze blog is een resonator. Een gitaar die als geen ander instrument verbonden is met de muziek uit de South: blues, country en bluegrass. Niet voor niets maakte Paul Simon in ‘Graceland’ de vergelijking: “The Mississippi Delta shines like a National Guitar”.

 

National Guitar is slechts één van de namen voor het prachtige metalen instrument. Bekender is waarschijnlijk de Dobro. En voor velen is de gitaar synoniem met een lap steel. Nochtans is het dat niet noodzakelijk.

 

Vreemd is eigenlijk ook dat zo een typisch Amerikaans instrument versierd is met op-en-top Europeese Art Deco ornamenten.

 

Kortom: reden genoeg om even de geschiedenis in te duiken.

 

 

Los Angeles – 1925

 

We komen terug boven water in 1925, in Los Angeles. Hollywood is in die periode volop aan het uitgroeien tot het centrum van de amusementsindustrie. Aangetrokken door de werkgelegenheid voor zowat iedereen en het altijd mooie weer komen de mensen van heinde en verre er hun geluk zoeken.

 

Eén van hen is George D. Beauchamp. Hij werd 26 jaar eerder geboren in Texas en is een ondernemende jongeman. Hij was oorspronkelijk een violist, maar de Hawaïaanse muziekrage heeft hem doen overstappen op lap steel gitaar (zie hier: https://peerke3.wordpress.com/2009/02/16/steel-guitar/).

 

Net als alle ander gitaristen ondervindt hij dat zijn instrument wordt overstemd door de koper- en houtblazers. Het probleem is zelfs nog groter voor lap steel spelers, omdat de gitaar op hun knieën ligt en de klankkast dus naar het plafond is gericht. Er wordt dan ook naarstig gezocht naar oplossingen. Beauchamps heeft een collega gezien die een soort megafoon op zijn gitaar had bevestigd. Dat lijkt hem wel iets en hij gaat op zoek naar iemand die ook zoiets voor hem kan bouwen.

 

In de buurt van zijn huis in Los Angeles is er een banjo-en vioolwinkel. De instrumenten worden er allemaal zelf gebouwd door de uitbaters: John Dopyera en diens broers Robert, Rudolph (Rudy), Louis en Emil (Ed).

John werd in 1893 geboren als Ján Dopjera in Dolná Krupá, Slovenië. De Dopjera’s waren er al generaties lang bekwame vioolbouwers. Net als zovele anderen zijn vader en moeder Dopjera, in 1908, hun vaderland ontvlucht uit angst voor de dreigende oorlog. Op zoek naar een beter leven voor hun tien kinderen. Hoewel de meeste van hun landgenoten gestrand zijn in het Midwesten, zijn zij helemaal doorgereisd tot Californië. Zij zijn er zelfs de eerste Slovenen. Hard werken en kwaliteit leveren is hun enige verweer tegen het racisme waarmee ze af te rekenen krijgen.

 

John gaat dus aan de slag met het verzoek van Beauchamps. Hij bevestigt de hoorn van een Victrola platendraaier aan de onderzijde van de klankkast van een gitaar. Het ding is natuurlijk loodzwaar en de gitaar moet op een standaard worden geplaatst, om de hoorn naar het publiek gericht te houden.

 

Omdat dit toestel niet echt succesvol kan worden genoemd, slaat hij aan het experimenteren. Naar het voorbeeld van de klankkast van een banjo, bouwt hij een koker in de klankkast van de gitaar, vlak onder de brug. Na allerhande materialen en aantallen uitgetest te hebben, bereikt hij het beste resultaat met een metalen klankkast, met daarin drie kokervormige vellen in gesponnen aluminium – de resonators. Hiermee klinkt het instrument niet alleen drie tot vier keer luider dan een gewone akoestische gitaar, bovendien krijgt het instrument een mooie, metalige toon – alsof de gitarist zich in een grote metalen ruimte bevindt.

 

Beauchamp is verrukt over het resultaat. Hij stelt Dopyera voor om samen een bedrijfje op te richten om de gitaren te gaan produceren. Misschien wil zijn schoonbroer wel investeren? Die heeft toch geld genoeg. Ted Kleinmeyer heeft immers een miljoen dollar geërfd toen hij 21 werd en hij krijgt nog eens zoveel wanneer hij dertig wordt.

 

Bij het eerstvolgende feest dat Kleinmeyer geeft, zorgt Beauchamp er voor dat het wereldberoemde Hawaïaanse Sol Hoopii Trio present is, met het prototype van de resonator. De millionair reageert wildenthousiast over zowel het instrument als de plannen van zijn schoonbroer en schrijft, diezelfde nacht nog, een cheque uit van $12,000.

 

 

De National gitaar – of tricone

 

In 1925 is de National String Instrument Corporation een feit. Beauchamp heeft zichzelf natuurlijk aangesteld als directeur. Het personeel bestaat uit een aantal ervaren en competente vakmannen, waaronder de vijf Dopyeras en verschillende leden uit zijn eigen familie.

 

De National, zoals zij de resonator doopten, slaat aan en is al snel een succes in jazz-clubs en bij Hawaiiaanse orkesten doorheen de Verenigde Staten.

 

Omwille van de drie aluminium kokers op een T-stuk wordt dit model aangeduid als een “tricone” (tree cones). De metalen klankkast is nodig, om alle energie van de snaren te kunnen afleiden naar de schalen. Een houten klankkast zou teveel energie opslorpen door zelf mee te trillen. De klankkasten werden gemaakt in “German Silver”, een legering van 65% koper, 10-23% zink en 10-20% nikkel.

Van meet af aan was de tricone beschikbaar met twee soorten van gitaarhalzen. Het model met een rechthoekige hals is speciaal ontworpen om te worden bespeeld als steel gitaar, terwijl die met de ronde hals zowel geschikt is om op de traditionele manier te worden bespeeld als met de slide techniek.

 

Daarnaast werd er een onderscheid gemaakt naargelang de afwerking. Stijl 1 is het basismodel, met een egale klankkast, zonder versieringen en stijl 2 heeft gravures van wilde rozen op de achterzijde.

 

Vanaf 1928 komen er nog twee luxueuzere uitvoeringen bij: Stijl 3 met ingegraveerd lelies en een prachtig afgewerkte hals. Stijl 4 tenslotte is het paradepaardje van National: zowel de voor- als de achterzijde en de zijkanten van de body waren helemaal versierd met ingegraveerde chrysanten.

 

De resonator gitaren waren echter erg duur in vergelijking met gewone standaardgitaren. De spinnen van de aluminium voor de schalen en het graveren van de klankkasten waren daarvoor de voornaamste redenen. Een basismodel kostte $125 in 1930 en het topmodel, de stijl 4 zelfs $195. Ter vergelijking: een goedkope akoestische gitaar koste slechts $1,50.

 

 

National Triolian

 

Dopyra vond dat de tricone veel te duur was om te produceren. Wanneer ze een goedkopere resonator konden produceren zou dat de verkoop zeer zeker ten goed komen, meende hij.

 

Hij ging dus aan de slag om een goedkopere resonator te ontwerpen. Een eerste poging was de triolian, waarbij drie kleinere schalen schuilgingen onder één ronde afdekplaat. Dit bleek echter te complex voor een goedkoper model en er werden er slechts een handvol van verkocht voor de productie werd stopgezet.

 

 

Een echte single cone gitaar

 

Dopyra had ook al mandolines en ukelele’s ontworpen met slechts één enkele schaal. En een gitaar is eigenlijk toch alleen maar een grote ukelele, niet? Dus kwam hij met een nieuw model resonator met slechts één grote schaal. Die werd in een ronde houten trommel aangebracht, met daarboven een metalen afdekplaat ter bescherming. Omdat die ronde trommel erg doet denken aan een koekjesdoos circuleerde al snel de bijnaam “biscuit”.

 

Maar Dopyra was niet tevreden over de klank en wou het instrument niet op de markt brengen.

 

 

De Dobro

 

Al van in het prille begin had het niet echt geboterd tussen de Dopyra’s en Beauchamps. Zowel zakelijk als privé kwamen de twee niet overeen. John en zijn jongere broer Rudy Dopyra besloten daarom einde 1928 om uit de zaak te stappen en een eigen firma op te richten.

 

Ze noemden hun zaak Dobro Manufacturing Company. Die naam was afgeleid van DOpyera BROthers. Bovendien betekent “dobro” in het Slovaaks “goed”, zodat ze konden uitpakken met de slogan: “Dobro means good in any language!”.

 

John Dopyra ontwikkelde een heel nieuw model resonator: de dobro. Het uitgangspunt was het omkeren van de koker, met de bolle zijde naar beneden gericht, in plaats van naar boven. In tegenstelling tot de eerste twee modellen, waarbij de brug rust op de top van de koker, bevestigde hij de brug nu op een achtbenige aluminium spin, die schuil gaat onder een opengewerkte metalen afdekplaat. Het oppervlak van die afdekplaat staat lichtjes bol.

Met de nieuwe techniek was het ook niet langer nodig om een metalen klankkast te gebruiken en kon het binnenwerk worden ingebouwd in een houten klankkast.

Dit systeem was niet alleen goedkoper te produceren, het gaf bovendien ook een nog betere versterking dan de tricone van National.

Om problemen met Beauchamp te vermijden werd het patent aangevraagd op naam van Rudy Dopyra.

 

De dobro werd snel zo populair dat de merknaam een soortnaam werd.

 

Omdat de vraag groter was dan de productie (maximum 600 per maand) gaf Dobro Corps einde 1932 een licentie aan een gitaarbouwer in Chicago om hun resonators in te bouwen in hun eigen, houten klankkasten. Dobro leverde alle metalen onderdelen. Deze werden dan verkocht onder de naam Regal. Om onderlinge concurentie te vermijden behield Dobro de markt ten westen van de Mississippi en verkocht Regal in het oosten.

 

 

National Duolian

 

Met National ging het ondertussen minder goed. Door de grote recessie van 1930 liep de verkoop van de dure tricones sterk terug.

 

Beauchamps had, na het vertrek van de broers, snel het patent op de “biscuit” aangevraagd onder zijn eigen naam. Daardoor kon hij alsnog met een éénschalig model uitpakken om de concurentie met Dobro aan te gaan.

 

Omdat hij nog een pak etiketten had liggen met de naam triolian, werd het instrument eerst onder die naam verkocht. Om het goedkoop te houden werd de afwerking van de metalen klankkast beperkt tot gewoonweg schilderen: in roze of geel, met gestencilde afbeeldingen van hula meisjes op de achterzijde geplakt.

 

Vanaf 1930 kwam National met een budgetversie van hun éénschalige resonator, uitgevoerd in goedkopere materialen: de Duolian (triolian, maar dan iets minder). De Duolian was erg goedkoop in verhouding tot de andere modellen: $32.50 voor een stalen model. 

 

Tegelijk kwamen ze ook met duurdere versies: eerst stijl O in German Silver. En kort daarna stijl N – eigenlijk een Stijl O met gematteerd oppervlak, zodat het publiek niet verblind werd. 

 

Daarnaast bleef National ook de tricone produceren, omdat vele spelers die verkozen, omwille van zijn warmere toon.

 

 

 

van links naar rechts:

Tricone Resonator – National Style 1, 1930
Miner-Cello – G. Miner & Kerry Char, 1994

Dobro – Regal No. 45, ca. 1935

 

 

 

 

 

 

 

Na de intrede van de elektrische gitaar en de versterker, verdween de behoefte aan de luide akoestische resonator. Daardoor verschoof het gebruik van de jazzbands en Hawaiiaanse muziek naar country en blues.

 

Het instrument bleef immers populair bij gitaristen in de South. Op het platteland was lang niet overal elektriciteit voorhanden en met de resonator konden ze onversterkt voor een groter publiek spelen. Bovendien was die metalen klankkast wel handig om belagers een klap te verkopen, zonder dat het instrument er al te erg onder leed.

 

 

Exit Beauchamps

 

Terwijl Dobro bleef groeien, ging het bij National steeds meer bergaf. Kleinmeyer had veel van zijn fortuin verloren bij de beurscrash en hij wilde zijn investering recupereren. Beauchamps zag meer heil in de elektrische gitaren en stapte over naar Rickenbacker.

 

Omstreeks 1934 verkregen de broers Dopyera de controle over beide bedrijven. Een samensmelting lag voor de hand: National-Dobro Corporation werd de nieuwe naam. Binnen het jaar verhuisden zowel de kantoren als de productie van Los Angeles naar Chicago.

 

Omstreeks 1936 kwamen enkele nieuwe modellen van de tricone op de markt: de Stijlen 35 en 97. Beide hadden vernikkelde koperen klakkasten. De achterzijde van de Stijl 35 was versierd met een gezandstraalde en ingekleurde afbeelding van een luitspeler, terwijl de Stijl 97 een surfend meisje vertoonde.

 

 

Exit resonator

 

Maar de hoogdagen van de resonator waren inmiddels voorbij. De vraag naar dit soort gitaren was sterk terug gelopen. De klemtoon kwam voortaan te liggen op de fabricatie van elektrische instrumenten en versterkers en de resonator raakte helemaal op de achtergrond.

 

In augustus 1937 stond National-Dobro de volledige productie van Dobro af aan Regal.

 

Om een idee te geven van de weerslag van terugval ten gevolge van de depressie. Toen de productie van Dobro van start ging, einde jaren twintig was Model 45 het goedkoopste type. In 1941 was ditzelfde Model 45 het duurste type dat Regal aanbood. Belangrijk daarbij is te weten dat het type meteen ook de prijs aangaf. Model 45 kostte dus $45. Het bestverkochte exemplaar van Dobro was – niet verwonderlijk – ook het goedkoopste: model 27. Het duurste de 206!

 

In december 1941 werd de productie helemaal stop gezet op last van de overheid. Na de aanval op Pearl Harbor eistte die alle middelen op voor de productie van oorlogsmaterieel. Aluminium en andere metalen werd allemaal opgeëist voor de oorlogsindustrie. De National Dobro Corporation hield op te bestaan. 

 

 

Kort daarna richtten Victor Smith, Al Frost en Louis Dopyera een nieuwe maatschappij op om onderdelen van vliegtuigen te fabriceren. Ze noemden zich Valco Manufacturing Corporation, naar de initialen van de drie bestuursleden.

Na afloop van de oorlog bouwden ze enkele resonators met overgebleven onderdelen, maar de vraag was haast volledig stilgevallen.

 

De jaren vijftig brengen geen verbetering – integendeel. In de rock ‘n’ roll was er geen plaats voor ouderwetse instrument als de resonator, de banjo of de fiddle.

 

De naam Dobro werd begin jaren zestig verkocht aan Semie Mosely, directeur van de Mostite gitaarfabriek.

 

Wanneer Rudy en Emile Dopyera in 1967 een nieuwe maatschappij oprichten om resonators te gaan bouwen hadden ze dan ook geen rechten meer op de naam. Daarom begon de  Original Musical Instrument Company (OMI) met een nieuwe merknaam: Hound Dog.

 

Na een drietal jaar ging Mosrite echter over kop en kon OMI de naam Dobro terug overnemen.

 

In 1993 werd OMI op zijn beurt overgenomen door Gibson. Die doopten het om in de Original Acoustic Instrument (OAI) afdeling van Gibson. Zij brachten de beste modellen van Dobro en Hound Dog opnieuw uit. Zowel de houten als metalen klankkasten, rechte als ronde halzen zijn van dan af weer beschikbaar. Ook worden er nog nieuwe modellen ontwikkeld, speciaal voor het spelen met de slide techniek.

 

Door de lange periode waarin er geen resonators werden gebouwd door Dobro konden allerlei andere merken beginnen met het bouwen van hun eigen instrumenten. Zo begon Amistar bij voorbeeld in 1991.

 

 

 

 

 

 

 

Ieder zijn voorkeur

 

De grote aantrekkingskracht van de resonator op vele gitaristen is het grote bereik: er is een heel gamma van mogelijkheden tussen een zachte beroering van de snaren en een harde aanslag – veel groter dan bij andere akoestische of elektrische modellen.

 

Die harde aanslag is het grootst bij de éénschalige resonators, terwijl de noten langer aanhouden bij die met drie schalen. Dat maakt de tricone het meest geliefd bij bottleneck spelers, terwijl gitaristen die meer houden van fingerpicking liever grijpen naar de éénschalige resonator.

 

Je zou het niet verwachten maar een resonator in een houten klankkast klinkt haast identiek aan die in een metalen ombouw.  Er is ook haast geen verschil tussen het geluid van een stalen of een koperen klankkast. En de afwerking maakt natuurlijk helemaal geen verschil.

 

Hoewel er geen strikte regels voor zijn blijken verschillende muzieksoorten een zekere voorkeur te hebben voor elk van de drie oorspronkelijke types resonators.

 

 

Hawaiaanse swing

 

De resonator is in eerste instantie ontworpen voor dit muziekgenre. De bekendste naam is misschien die van  Sol Hoopii, de “King of the steel guitar”.

Mensen die gespecialiseerrd zijn in het genre noemen Bob Kaii als de absolute topspeler. Hij nam slechts een handvol nummers op, bij de band van “Jim and Bob – the Genial Hawaiians”. Zijn versies van ‘Song of the Plains’ en ‘Saint Louis Blues’ staan nog steeds hoog aangeschreven.

Hawaiaanse gitaristen gebruikten, zonder uitzondering de National Tricone, met rechthoekige hals.

 

 

Blues

 

Delta bluesgitaristen legden een voorkeur aan de dag voor resonators met een ronde hals. Die hebben meer mogenlijkheden voor fingerpicking, ritmische spelen of bottleneck.

Natuurlijk sprak ook de luide klank hen aan, waardoor ze voor een groter publiek konden spelen.

Enkele bekende bluesgitaristen uit de jaren twintig en dertig die tricones gebruikten zijn: Tampa Red, Bukka White, Peetie Wheatstraw en Kansas Joe McCoy. De duolian was het geliefde instrument voor legendarische namen als Son House, Bukka White en Tampa Red

 

Onder de hedendaagse bluesspelers herkennen we namen als Taj Mahal, Eric Sardinas, Eric Erkkinen en Alvin Hart.

 

 

 

Bukka White – Aberdeen, Mississippi Blues

 

Country

 

Country spelers daarentegen verkozen eerder de rechthoekige hals, omwille van de lap steel kwaliteiten en de mogelijkheid om de gitaar op meerdere manieren te stemmen. Een van de bekendste spelers uit de jaren dertig was Pete Kirby uit de band van Roy Acuff.

 

Roy Acuff met Pete Kirby op resonator: ‘Wabash Cannonball’ 

 

Omdat hij, behalve muziek spelen, ook onnozele fratsen uithaalde op het podium, noemde hij zich Bashful Brother Oswald.

In tegenstelling tot vele van zijn collega’s weigerde Kirby over te stappen op de elektrische lapsteel, waardoor hij aan het einde van de jaren veertig zowat nog de enige was die een dobro bespeelde.

 

 

Bluegrass

 

De dobro werd, in de tweede helft van de jaren vijftig, geïntroduceerd in het bluegrass genre door Buck Graves, die speelde bij Flatt and Scruggs. Graves was net als Kirby, een typische boerse grappenmaker en had ook al een bijnaam: Uncle Josh. Maar spelen kon hij wel. Hij gebruikte daarbij een razendsnelle fingerpicking techniek die Scruggs had ontwikkeld voor de 5-snarige banjo.

 

Die techniek wordt tot op vandaag gebruikt door de meeste moderne dobrospelers – de favoriete resonator binnen het genre.  Denken we maar aan Jerry Douglas, Mike Auldridge, Rob Ickes, Phil Leadbetter, Sally Van Meter, Andy Hall, ‘Cool Rockin’ Sammy Soldani, Dave Giegerich en Russ Hooper. Bekendste uitzondering op de regel is Tut Taylor, die met een flat pick speelt.

 

De meester aan het werk: Jerry Douglas, bij Alison Krauss

  

Vandaag

 

Sinds de jaren zeventig zijn de resonators langzaam aan een come back begonnen, zodat nu zelfs “Vlaamse zangers” als Bart Peeters en Milow het instrument bespelen in genres die niets meer met country, bluegrass of blues te maken hebben.

 

Millow – ‘Ayo Technology’, met zijn Amistar Duolian Duotone.

 

Nog enkele absolute toppers op het instrument:

 

Watermelon Slim bewijst dat blues ook kan gespeeld worden op de lap steel wijze:  ‘Smokestack Lightning’

 

De veel te vroeg overleden Rainer Ptacek, hier met ‘Life Is Fine’ in 1993.

 

 

 

Voor wie meer wil weten over dit prachtige instrument, verwijs ik graag naar het boek The History and Artistry of National Resonator Instruments van Bob Brozman.