Het is altijd weer grappig om te zien hoe bekende mensen er vroeger uitzagen. Als kind of als jongere. Lang voor de rimepltjes, de wallen onder de ogen, de make up of cosmetische ingrepen hun intrede deden.

Robert Zimmerman, 1957. Vier jaar voor hij zijn naam veranderde in Bob Dylan.

Long John Silver and The Moondogs, of zijn het al The Quarrymen?  George Harrison, John Lennon, Paul McCartney en, euh… dinges. The pre-Fab Four, toen ze nog skiffle speelden.  1957 of zo.

Nog een skifflegroepje, uit diezelfde periode: met een piepjonge Jimmy Page.

We blijven bij de gitaargoden: Emil and The Detectives, in 1964. Rechts herkent u gitarist Richard Thompson, links, met de Beatlesbas, Hugh Cornwell. Hugh zou zo’n 15 jaar later pas bekendheid verwerven bij The Stranglers. Richard kennen we van Fairport Convention en zichzelf.
Het had het begin kunnen zijn van de folkpunk…

Nog eentje: Jack White, lang voor The White Stripes

Als je The Beatles ziet, zijn The Rolling Stones nooit veraf. Hier zijn ze in 1963. Voor hun manager het imago van stoute jongens had bedacht.

Ook al zo’n keurige jongen: David Jones, voor hij David Bowie werd.

 Computerspecialist Declan MacManus, voor hij Elvis Costello werd – 1975  

John Hiatt 1974

Steve Earle, pas aangekomen in Nashville –  1974

Bruce Springsteen, 1975 – voor de fitness.  

Zie je Neil Young? 1963.

Laten we de meisjes niet vergeten! 

Linda Ronstadt, 1967

Joni Mitchell, 1969

 

Alison Krauss, met krulletjes en babyvet.

Folkzangeres Emmylou Harris, in 1967

En wie weet wie dit is?

 

Lijstjes, ze maken ons zo zot meneer!

Of had ik dat vorig jaar ook al gezegd. Ach, we worden oud! Maar zolang mijn oren het volhouden, blijf ik met veel plezier luisteren naar muziekjes. Ik geef toe: ik heb geen behoefte meer aan de nerveuze ritmes van de jongste Britse hype. Geef mij maar muziek die zijn wortels heeft in de Appalachen. Noem het Roots, noem het Americana, noem het oude zakken muziek. Mij maakt het niet uit, als ik er maar plezier aan beleef.

Dit jaar kon je deze tien schijfjes het meest aantreffen in de buurt van mijn cd-speler:

1. Ray LaMontagne & The Pariah Dogs – God Willin’ & the Creek Don’t Rise

2. Jamey Johnson – The Guitar Song

3. Dylan Leblanc – Paupers Field

4. Neil Young – Le Noise
5. Ellen Jewell Presents Butcher Holler: A Tribute To Loretta Lynn
6. Emily Jane White – Ode To Sentience
7. Karen Elson – The Ghost Who Walks
8. Matthew Harlan – Tips & Compliments
9. Tony Joe White – The Shine
10. Blitzen Trapper – Destroyer Of The Void

Daarnaast heb ik ook (in min of meerdere mate) genoten van:

Adam Klein – Wounded Electric Youth
Al Jardine – A Postcard From California
Arcade Fire – The Suburbs
Babet – Piano Monstre
Band Of Horses – Infinite Arms
Beach House – Teen Dream
Ben – L’oncle soul
Bettye LaVette – Interpretations: The British Rock Songbook
Black Dub – Black Dub
Bonnie Prince Billy & Cairo Gang – The Wonder Show of the World
Brian Wilson – Reimagines Gershwin
Buddy and Julie Miller – Written In Chalk
Carolina Chocolate Drops – Genuine Negro Jig
Chatham County Line – Wildwood 
Corinne West & Kelly Joe Phelps – Magnetic Skyline
Doug Paisley – Constant Companion
Elvis Costello – National Ransom
Eric Bibb – Booker’s Guitar
Greg Trooper – Upside Down Town
Hayward Williams – Cotton Bell
Isobel Campbell & Mark Lanegan – Hawk
J. Shogren – Bird Bones & Muscle
Jan Swerts – Weg
Jeffrey Foucault & Lisa Olstein – Cold Satellite
Jeffrey Foucault & Mark Erelli – Seven Curses
Jim Byrnes – Everywhere West
Joanna Newson – Have One On Me
John Grant – Queen Of Denmark
John Mellencamp – No Better Than This
John Statz – Ghost Towns
Johnny Cash – American VI: Ain’t No Grave
Justin Townes Earle – Harlem River Blues
Los Lobos – Tin Can Trust
Mary Gauthier – The Foundling
Mavis Staples – You Are Not Alone
Midlake – The Courage Of Others
Natalie Merchant – Leave Your Sleep
Old Man Ludecke – My Hands Are On Fire
Otis Gibb – Joe Hill’s Ashes
Patty Griffin – Downtown Church
Phosphorescent – Here’s To Taking It Easy
Richard Thompson – Dream Attic
Robert Plant – Band of Joy
Ryan Bingham & The Dead Horses – Junky Star
Sharon Jones & the Dap-Kings – I Learned the Hard Way
Sun Kil Moon – Admiral Fell Promises
Suzanne Vega – Close-Up, Vol. 1, Love Songs
Suzanne Vega – Close-Up, Vol. 2, People and places
The Holmes Brothers – Feed My Soul
The National – High Violet
The Sojourners – The Sojourners 
The Steel Wheels – Red Wing
Tift Merritt – See You On The Moon
Willie Nelson – Country Music
Wynntown Marshals – Westerner
Zaz – Zaz

Dan waren er ook nog twee schijfjes die buiten categorie zijn, wegens eigenlijk oud, maar toch ook nieuw:
Bob Dylan – Witmark Demos
John Lennon – Double Fantasy Stipped
Bruce Springsteen – The Promise

In januari verschijnt mijn boek Bob Dylan in de studio en dus heb ik dit jaar natuurlijk ook al zijn platen gedraaid. Heel veel gedraaid zelfs:  in stereo, in mono en op bootlegs. Daarvan moet ik toch wel speciaal de uitgaven van Hollow Horn vermelden: Electric Gashcat waarop de outtakes van Bringing It All Back Home, Highway 61 Revisited en Blonde On Blonde zijn verzameld. En ook Mixing Up The Medecine met songs van The Basement Tapes in een kwalitiet die de officiële uitgave doet verbleken.

Tenslotte, hebben deze oudere plaatjes me dit jaar ook nog heel veel plezier geschonken:
Bobby Charles – Bobby Charles
Chris Whiley –   Living With The Law
Eno – Before And After Science
Larry Jon Wilson – New Beginning
Wilco – Sky Blue Sky

Op naar 2011!

in de studio

in de studio

In de herfst van 1986 besloot George Harrison dat het tijd werd voor een comeback. Nadat zijn laatste plaat, Gone Troppo, uit 1982, door de critici was afgekraakt en door het publiek genegeerd, had de ex-Beatle even genoeg gehad van de muziekindustrie. Vijf jaar lang had hij zich nog zelden in het openbaar laten zien. Al die tijd had hij zich toegelegd op het onderhouden van zijn tuin en het uitbouwen van zijn filmmaatschappij Handmade Films.  

Om aansluiting vinden bij de geëvolueerde muziekscène zocht hij een geschikte medeproducer. Op aanraden van Dave Edmunds contacteerde hij de vroegere frontman van het Electric Light Orchestra. Jeff Lynne. was altijd al een Beatlesfreak geweest en ging dan ook graag op het verzoek in.

 

Vanaf begin januari tot einde maart 1987 werkten ze samen in George’s huisstudio in Friar Park, aan de opname van Cloud Nine.

 

In februari gingen ze samen naar een optreden van Dave Edmunds kijken in The Palace in Hollywood. Brian Setzer, de leider van de rockabilly groep Stray Cat speelde er mee tijdens de bisnummers. Achteraf gingen George en Jeff, Edmunds opzoeken in zijn kleedkamer. Daar troffen ze ook Bob Dylan, Tom Petty en Duane Eddy. De tequila en Corona vloeiden rijkelijk en al grappend meenden ze dat ze samen wel eens een fantastische band zouden kunnen vormen.

 

 castingcallphoto1

 

Van links naar rechts: Mike Campbell, Dave Edmunds, Brian Setzer, Jeff Lynne, George Harrison, Duane Eddy, Bob Dylan – foto Robert Matheu voor het Amerikaanse muziekblad Creem.

 

* * *

 

Omdat hij vreesde dat niemand hem nog zou kennen, dacht de gitarist er goed aan te doen zich wat meer in de openbaarheid te begeven. Zo verscheen hij in juni op het podium van het jaarlijkse liefdadigheidsfeest The Prince’s Trust.

 

En in oktober was hij present bij elk van de zeven concerten van Bob Dylan in Engeland.

Tom Petty vertelde daar over: “We waren met the Heartbreakers op tournee in Engeland, samen met Bob Dylan. Na een concert in Birmingham kwam George ons opzoeken. Het was mijn verjaardag en hij had een taartje meegebracht. We hadden elkaar daarvoor nog maar één keer ontmoet, maar het was meteen alsof we al ons heel leven lang dikke vrienden waren. Ik heb nog een foto van die avond: ik, George, Jeff Lynne, Roger McGuinn, Bob Dylan en Mike Campbell – alle mensen die ik leuk vind samen op één foto. Ringo was er ook bij, geloof ik. Die avond trok een orkaan door mijn leven en sindsdien is de wind nooit meer gaan liggen.”

 

Na herhaald aandringen was George bereid om, bij het laatste concert in Wembley, een nummer mee te gaan spelen. Dat werd ‘Rainy Day Woman # 12 & 35’. Na afloop van de tournee ging Dylan een paar dagen logeren bij George thuis, in Henley.

 

Op 20 januari van het volgende jaar kwamen George N Bob elkaar alweer tegen. Deze keer in New York, waar in het Waldorf Astoria Hotel, voor de derde keer artiesten werden opgenomen in de Rock And Roll Hall Of Fame. In 1988 was het de beurt aan heel wat grote namen: The Beatles, Bob Dylan, the Beach Boys, Les Paul, Woody Guthrie, the Supremes, the Drifters en Berry Gordy.

 

De avond wordt traditioneel afgesloten met een jamsessie, waaraan iedereen meedoet. Bob en George brengen samen ‘Twist And Shout’ en ‘All Along The Watchtower’.

 

Bruce Springsteen mocht Dylan inleiden. Hij vertelde dat “hij onze hersenen heeft bevrijdt, zoals Elvis onze lichamen heeft bevrijdt.” Hij vroeg ook aandacht voor Dylans recentere werk en wees er op wat een prachtige song ‘Every Grain Of Sand’ is.

 

Datzelfde nummer werd er een maand later ook door George uitgepikt, wanneer hij nog eens op de Amerikaanse radio te horen was. In het programma Rockline, bracht hij een akoestische versie van ‘Every Grain Of Sand’  om te bewijzen dat Dylan nog steeds waardevolle nummers schreef.

 

 

* * *

 

Mede dankzij een zeer grappig videoclipje was George’s single ‘Got My Mind Set On You’ naar de top in de Britse hitlijsten doorgestoten. Ook de opvolger ‘When We Was Fab’ en de LP zelf deden het uitstekend. De platenmaastchappij vroeg om een nieuwe song, als extraatje  voor de 12″ versie van de derde single: ‘This Is Love’.

 

Begin april vliegt George naar Los Angeles, waar Jeff Lynne de comebackplaat van Roy Orbison aan het producen is. Tijdens een etentje met stelt George voor om samen iets op te nemen. Orbison is meteen enthousiast. Omdat er niet zo snel een studio beschikbaar is bellen ze Bob Dylan of ze zijn privé-studio in zijn huis in Malibu mogen gebruiken. Onderweg passeert George nog even bij Tom Petty om zijn gitaar op te pikken, die hij daar eerder heeft laten liggen. Petty besluit ook mee te gaan.

 

Wanneer ze allemaal in de tuin van Bob huis zitten, ziet George daar wat kartonnen dozen staan. De openingszin “been beat up and battered around”, is een beschrijving van de toestand van die dozen en de titel ‘Handle with Care’ komt rechtstreeks van het label dat er op is geplakt.

“Ik dacht: ik ga dit niet alleen zingen,” blikte George achteraf terug: “Ik heb Roy Orbison hier  – ik ga een regel voor hem schrijven. En toen dacht ik: nu even doorzetten en dan laat ik Tom en Bob het middenstuk zingen.”

 

Iedereen draagt een regeltje bij. Alleen Bob Dylan heeft wat aansporing nodig: “Geef ons wat tekst, gij befaamde tekstschrijver” roept George. In een uurtje hebben ze de song klaar. Ze besluiten allemaal mee te doen en de zang te verdelen.

 

Zodra Mo Ostin, de directeur van Warner Brothers, het nummer hoort vindt hij het veel te goed voor een b-kant. Er wordt voorgesteld er een single van te maken en zelfs een budget ter beschikking te stellen voor meer. Het hobbyclubje besluit een hele plaat te maken: The Traveling Wilburys zijn geboren.

 

Tome Petty meent dat George echter al langer  met het idee speelde om samen iets te gaan doen. “We zagen elkaar al regelmatig daarvoor. Ik denk dat we al een gedeelte van [mijn solo-lp] Full Moon Fever op hadden genomen. Roy was er pas bij gekomen, omdat Jeff met hem aan het werk was. De eerste keer dat ik Roy ontmoette schreven Jeff, Roy en ik dat nummer: ‘You Got It’. .. Iedereen kende elkaar dus al. We zochten mekaar op. En George vond – omdat hij een extra track nodig had – dus dacht hij: we zijn hier nu allemaal, laat ons allemaal iets zingen. Toen het op band stond, vond hij het niet echt een George Harrison plaat, het is meer iets voor een groep. ‘Wat vinden jullie: hebben we een groep?’ En zo ging de bal aan het rollen. Het was een fantastische band. Het was heel plezierig om er bij te zijn.”

 

De gitaristen van de Traveling Wilburys

  

De opnamen voor de LP vinden plaats in de studio van Dave Stewart in Los Angeles, van 8 tot 21 mei 1988.

Lynne producet de plaat. De vijf gitaristen krijgen de hulp van drummer Jim Keltner. Tom Petty speelt ook bas en Jeff Lynne toetsen.

De opnamen worden ook gefilmd. Whatever Wilbury Wilbury wordt echter nooit uitgebracht voor het grote publiek.

 

Het plan is om elke dag een nummer te schrijven en dat dan op te nemen.

De opnamen voorlopen zeer voorspoedig. “We genoten er allemaal van,” blikte Roy Orbison terug: “Het was zo ontspannen. Er waren geen ego’s bij betrokken en er hing een zeer speciale sfeer.”

Zelfs Dylan schijnt daardoor terug in zijn plooi te komen. Dit resulteert in drie nieuwe nummers en een tamelijk geweldige LP. Zo werd ‘Dirty World’ geschreven nadat Bob voorstelde: “Laat ons er eentje doen in de stijl van Prince!”

De Springsteen parodie ‘Tweeter and The Monkey Man’ is Dylans beste bijdrage. “Dat kwam van Tom Petty en Bob, die in de keuken zaten,” vertelt George Harrison. “Jeff en ik zaten er bij, maar we begrepen niks van wat ze zeiden – Americana en zo. We haalden een cassetterecorder en namen het op. Dan schreven we alles uit wat ze verteld hadden. En Bob bewerkte dat een beetje… Hij had één take nodig om zich wat op te warmen en dan deden we de tweede take ‘voor echt’. De rest van ons had meer tijd, maar Bob moest op tournee en we wisten dat we het niet opnieuw konden inzingen. Dus moest het meteen goed zitten. Op die tweede take zong hij het in één keer in.”

 

De naam van de groep komt van een opmerking die iemand maakte tijdens de opname. Telkens er een foutje werd gemaakt riep er wel iemand: “We’ll bury it in the mix!” En dat werd al snel “Wilbury”. George stelde voor om er ‘The Trembling Wilburys’ van te maken, maar uiteindelijk werd het ‘The Traveling Wilburys’.

 

Voor de grap nemen ze ook allemaal een andere identiteit aan. Ze zouden allemaal halfbroers zijn, de zonen van Charles Truscott Wilbury, Sr.: George wordt Nelson Wilbury, Roy Orbison is Lefty, Bob Dylan is Lucky, Jeff Lynne is Otis en Tom Petty is Charles T. Junior.

Achteraf worden de basistracks door George en Jeff nog wat bijgewerkt in de George’s studio in Friar Park, met percussie en saxofoons.

 

 

Traveling Wilburys, Vol. 1  wordt op 18 oktober 1988 uitgebracht. Tegelijk verschijnt ook de single ‘Handle With Care’/‘Margarita’.  De single blijft in Billboard steken op de 45ste plaats en in Engeland bereikt hij een 21ste plaats.

De LP zelf wordt de verassingshit van het jaar. Waarschijnlijk mee door de recente successen van Harrison en Petty gaan er meer dan twee miljoen exemplaren van de deur uit. Het grote commercieel succes vertaalt zich in meer dan 40 weken in de Amerikaanse hitlijsten met een derde plaats als hoogste notering. Op die manier haalt Dylan, voor het eerst in de jaren tachtig, platinum. Meer zelfs: het is zijn allereerste dubbel-platina plaat.

In Engeland is het succes iets minder met een 16de plaats

 

In de nasleep gaat er ook veel aandacht naar de plaat van Roy Orbison die met ‘You Got It’ helemaal terug aan de top geraakt. Jammer genoeg kan hij niet lang van zijn nieuwe status genieten: op 6 december overlijdt hij plotseling aan een hartaanval.

 

 

 

Americana Treasures is een mooi initiatief: gevestigde namen uit het genre touren samen met jonge talenten langs een aantal theaters in de Lage Landen. Al is dat wel erg relatief want in Vlaanderen is er blijkbaar maar één cultureel centrum dat er aan deel neemt: het CC van Leopoldsburg.

Eerder zag ik er al Slaid Cleaves met Jeffrey Foucault en Caroline Herring en een andere keer veteraan Chip Taylor met zijn protégé Carrie Rodriguez.

 

Zaterdag stond Oh Susanne geprogrammeerd, met Luke Doucet en special guest Melissa McClelland.

Er stonden vier microfoons netjes naast elkaar op een rijtje. Vier, want ze hadden ook nog een bassist meegebracht: Rich Levesque.

 

Het werd een verrassend concert. Ik had verwacht dat elk om zijn beurt een set zou spelen, waarna ze allemaal samen eventueel wat bissen zouden brengen. Zij hadden er echter voor gekozen om iedereen gelijkwaardig te behandelen. En terecht, zo bleek.

Beurt om beurt brachten de drie singer-songwriters ieder één song, zowel instrumentaal als vocaal begeleid door de drie anderen. Zo maakten ze drie rondjes voor en drie rondjes na de pauze.

 

Melissa mocht openen. Met haar rode kleed, elektrische dobro en mooie, warme stem wist ze meteen de aandacht te vatten. Volgens het foldertje is ze in haar thuisland, Canada, een grootheid, maar ik had zelfs nooit van haar gehoord. Het blijkt dat haar cd’s hier ook nog niet verdeeld werden. Daar zou pas volgend jaar verandering in komen.

Niets te vroeg, afgaand op Thumbelina’s One Night Stand, dat ik in de pauze kocht.

 

Die cd is geproducet door Luke Doucet. Die heeft er al een hele carrière opzitten: een zevental platen, waarvan de helft met de band Veal – een soort Canadeese Flaming Lips. Zijn solowerk is wat folkier, met een stevige scheut country. Denk aan Ryan Adams, Ron Sexsmith of Ray Lamontagne. De klank wordt vooral bepaald door zijn prachtige Gretsch White Falcon, waar hij – terecht – uiterst trost op is. Het is de rockabilly gitaar bij uitstek, maar ook Neil Young maakt er graag gebruik van: hij staat er mee afgebeeld op de binnenhoes van Decade.

Uit songs als ‘Long Haul Driver’ blijkt dat Doucet een uitstekend verhalenverteller terwijl hij met het cynische ‘I Wish I Was American’ zijn  politieke standpunten duidelijk maakt.

 

Suzie Ungerleider verstopt zich achter het pseudoniem Oh Susanne. Met haar donkerbruine rok en blouse en bruine akoestische gitaar leek ze zich zelfs op het podium een beetje te willen verstoppen. Gelukkig heeft ze wel een stem. Daarmee bracht ze eigen songs als ‘Greyhound Bus’, maar ook een prachtige cover van Dylan’s ‘Billy’ uit de soundtrack van Pat Garrett & Billy The Kid. 

 

Voor de bissen nam Luke het voortouw. Eerder had hij al de namen van The Band en Neil Young laten vallen, maar nu wou hij even een eerbetoon brengen aan de mensen waar zij hun mosterd halen: eerst ‘Folsom Prison Blues’ van Johnny Cash en daarna een sfeervolle versie van Springsteen’s ‘I’m On Fire’. Bij deze covers namen ook weer alle zangers om beurt een strofe voor hun rekening en zelfs de bassist werd deze keer niet vergeten.

 

Het was kermis in Leopoldsburg en buiten was er vuurwerk. De knallen waren tot in de zaal te horen. Maar ook binnen was er veel moois te beleven voor het driehonderdtal toeschouwers.

 

Het hadden er gerust nog wat meer mogen zijn, maar de radio en gedrukte pers hebben het veel te druk met andere dingen. Daarom zal ik hier maar even wat promotie maken: op 28 november komt Steve Forbert naar het CC Leopoldsburg.

Er zijn nog tickets.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hier zijn wat videoclipjes:

 

 

 

 

 

 

Luke Doucet – It’s Not The Liquor I Miss

 

 

 

 

 

Melissa McClelland – Passenger 24

 

 

 

 

 

Oh Susanna – Right By Your Side

 

 

En om je een idee te geven hoe het er tijdens het concert aan toe ging:

 

 

 

Melissa McClelland & Luke Doucet met Cidne Treen

(ze droegen zelfs dezelfde kleren)

 

 

 

 

 

De jonge priester in het kerkje in Parijs was geschokt. Een koppeltje, waarvan het meisje alleen maar Engels sprak, was bij de dekenij komen aankloppen met de vraag of ze dringend konden trouwen. Die twee waren zeker van huis weggelopen. Niet te verwonderen, want het meisje was duidelijk zwanger. Als het van hem had afgehangen… Maar ja, de deken had hem opgedragen het huwelijk te voltrekken. Hij kon het dan ook niet nalaten de bruidegom op het hart te drukken dat het huwelijk een ernstige zaak was. Die vent was trouwens een heel stuk ouder dan het meisje. Die zou toch beter moeten weten…

 

Behalve het jonge paar zat er in het koude kerkje op die 24ste januari 1959 alleen nog een zwaar bebaarde vent. Ook al zo’n Engelsman. Wat had die hier mee te maken? Hij was een stuk ouder dan de bruidegom, maar toch nog te jong om de vader van de bruid te zijn.

 

Toen de plechtigheid was afgelopen schudde de priester meewarig zijn hoofd terwijl de drie proestend de kerk uitliepen, waarschijnlijk op zoek naar het korst bijzijnde café.

 

Het meisje heette Peggy Seeger. Ze was pas 24, maar had al heel wat levenservaring. Ze was afkomstig uit New York, waar ze, net als haar ouders en haar broers, thuis was in de kringen van folkmuzikanten in de buurt Greenwich Village.

 

Na een bezoek aan China bleek haar paspoort te zijn ingetrokken. De spokenjagers van McCarthy konden zo’n bezoek aan een communistisch land absoluut niet waarderen. Peggy besloot dan maar naar Europa te trekken, waar ze rondtrok met haar banjo. Zo was ze in 1956 in Londen terecht gekomen.

 

De leidinggevende figuur in de Londense folkkringen was toen de communistische Schot Ewan MacColl (1915 – 1989). Hij was eigenlijk acteur en toneelschrijver. Wanneer hij voor een stuk een liedje nodig, schreef hij dat dan ook maar. Eentje daarvan was ‘Dirty Old Town’ dat hij in 1949 schreef over zijn geboortestad Salford in Lancashire. Het nummer is tegenwoordig vooral bekend in de versie van The Pogues die het brachten op hun tweede LP Rum Sodomy & the Lash in 1985.

 

Net als Alan Lomax was hij gaandeweg begonnen met het verzamelen van authentieke volksliederen, die hij ook opnam en bijhield. Toen de BBC hem vroeg om iets te maken rond de heroïsche dood van een treinbestuurder, kwam hij met allerlei geluidsopnamen,  fragmenten van echte interviews en door gewone mensen gezongen volksliedjes. De Radio Ballad, zoals het formaat werd gedoopt was een revolutionair idee en de aanzet tot de folkrage van de jaren zestig in Engeland.

 

Na een kortstondig huwelijk met de actrice Joan Littlewood was Ewan getrouwd met de danseres Jean Newlove. Ze hadden samen twee kinderen: Hamish en Kirsty.

 

Kirsty MacColl (1959 -2000) zou later een van de allerbeste Britse zangeressen worden. Zo hielp ze dat zelfde zootje ongeregeld die haar vaders ‘Dirty Old Town’ had gecoverd met één van de allerbeste kerstsingles ooit: ‘Fairytale of New York’. Aan haar carrière en leven kwam abrupt een einde toen ze tijdens het zwemmen voor de kust van Mexico werd aangereden door een arrogante miljonair in een speedboat.

 

The Pogues met Kirsty MacColl – ‘Fairytale of New York’

 

Maar terug naar Ewan. Die werd verliefd op de jonge Amerikaanse en ze begonnen al snel een relatie. Voor een toneelstuk waarin ze meespeelde vroeg zij hem een lied te schrijven. Een uurtje later belde hij haar terug en zong haar wat hij had bedacht. Dat was ‘The First Time Ever I Saw Your Face’. In 1971 nam Roberta Flack een tragere, sensuele versie van het nummer op voor het regiedebuut van Clint Eastwood: Play Misty for Me. De single werd een dikke hit: 6 weken op 1 in Amerika en maar liefst 14 weken aan de top in het Verenigd Koninkrijk.

 

Roberta Flack – The First Time Ever I Saw Your Face

 

Toen einde 1958 haar werkvergunning voor Engeland dreigde te verlopen moest er dringend iets gebeuren of Peggy zou het land worden uitgewezen. Door te trouwen zou ze het Britse staatsburgerschap krijgen en zou ze kunnen blijven. Maar Ewan was – hoewel weg bij zijn vrouw – officieel nog getrouwd. Dus besloten ze de hulp in te roepen van een vriend. De Schotse folkzanger Alex Campbell (1925 – 1987) werd bereid gevonden om mee te spelen.

 

Hoewel “vriend” eigenlijk een slechte omschrijving is. De twee mannen hadden elk een totaal tegengestelde opvatting over folk muziek. Ewan was een purist die vond dat je alleen nummers mocht zingen die uit je eigen streek afkomstig waren, terwijl Campbell alles zong wat hem aanstond, of het nu Schotse balladen waren of Amerikaanse werkliederen, die hij leerde van zijn Amerikaanse vriend, de banjospeler Derroll Adams. (Aan het begin van de jaren tachtig bracht Campbell zelfs een LP uit Live In Belgium – maar dit geheel terzijde).

 

Eens terug in Engeland, na de hilarische vertoning in Parijs, vroeg iedereen onmiddellijk de scheiding aan en wat later konden Ewan en Peggy met elkaar trouwen. Ze kregen drie kinderen en maakten zowel samen als apart een groot aantal platen. Na de dood van haar man, in 1989, keerde Peggy terug naar Amerika.

 

En Alex Campbell? Die trouwde later ook “voor echt” en twee van zijn zonen, Ali en Robin, vormden later de kern van de Britse reggae-groep UB40. Na hun sterke debuutplaat herinnert enkel hun naam (UB40 is het formulier dat recht geeft op stempelgeld) nog aan hun linkse achtergrond.

 

 

De familie Seeger

 

Peggy’s familie is interessant genoeg om wat verder op in te gaan.

 

Haar vader was Charles Seeger (1886–1979), een belangrijke musicoloog en folklorist. Charles was muziekleraar aan de University of California in Berkeley, tot hij in 1918 vanwege zijn pacifisme gedwongen werd zijn baan op te zeggen.

 

Voor hun huwelijk in 1932 was haar moeder, Ruth Crawford (1901- 1953), een componiste van moderne klassieke muziek. Niet onverdienstelijk overigens want ze kreeg als allereerste vrouw de prestigieuze Guggenheim Fellowship. Ze was dan ook één van de sleutelfiguren van de avant-garde uit de twintiger jaren in New York. Als pianolerares voor zijn kinderen bracht de dichter Carl Sandburg haar de liefde bij voor de Amerikaanse volksmuziek.

Kort na de geboorte van Peggy in 1935 verhuisden de Seegers naar Washington, D.C., waar ze met John (1867 – 1948) Lomax gingen werken aan het Archive of Folk Song voor de Congressbibliotheek. Crawford ontcijferde er de teksten van de songs die vader en later ook zoon Lomax verzamelden. Die werden dan gepubliceerd in boeken als Our Singing Country en Folk Song USA.

Ze vond dat Amerikaanse volksliedjes erg geschikt waren om kinderen de liefde voor muziek bij te brengen. Daarom publiceerde ze in 1948 het American Folk Songs for Children – nog steeds een van de best verkochte boeken met kinderliedjes in Amerika. Door dit baanbrekende boek werd zij een centrale figuur in de opleving van de folksongs.

 

Peggy’s jongere broer is Mike Seeger (1933 – ), zelf ook een folkmuzikant en folklorist. In 1958 richtte  hij samen met John Cohen en Tom Paley, de New Lost City Ramblers op. Met die old-time string band stelden zij zich tot doel de oude, vergeten nummers die hun vader had helpen verzamelen, zo getrouw mogelijk terug tot leven te brengen. De groep was van grote invloed op de jonge Bob Dylan die hen herhaaldelijk zag optreden en vele nummers van hen leerde.

 

Lijnrecht tegenover de New Lost City Ramblers stonden groepen als The Weavers of het Kingston Trio, die zich net tot doel stelden om diezelfde muziek te moderniseren. En de leider van The Weavers was …  Pete Seeger.

 

Pete (1919– ) was een halfbroer van Peggy en Mike, uit het eerste huwelijk van hun vader. Tijdens de zomer van 1935, nam zijn vader hem mee naar een muziekfestival in Asheville, North Carolina. Hij hoorde er voor het eerst authentieke folkmuziek. Hij werd op slag verliefd op de vijf-snarige banjomuziek en de teksten van de oude ballades over lords en ladies. Dat uitstapje is misschien wel het prille begin van de heropleving van de folkmuziek

 

In 1938 kreeg Pete ook een baan bij het archief. Hij beluisterde de veldopnamen en selecteerde de tracks die zouden worden uitgebracht op de legendarische reeks “Folk Music of the United States.” Zo leerde hij mensen als Leadbelly en Woody Guthrie kennen. In 1940 begon hij met die laatste op te trekken als The Almanac Singers.

 

In 1948 schreef hij How to Play the Five-String Banjo, een handboek dat talloze banjospelers op weg heeft geholpen. Twee jaar later had hij met zijn groep The Weavers een dikke hit. Hun cover van Leadbelly’s ‘Goodnight Irene’ stond maar liefst dertien weken op 1.

 

The Weavers in 1948 met ‘Goodnight Irene’

 

Vanwege zijn links activisme kwam Pete Seeger op de zwarte lijst van McCarthy. Hij werd in 1955 opgepakt en moest zich melden elke keer hij zijn buurt wou verlaten.

 

Vanaf 1958 begon hij een solo carrière. Hij schreef (soms met een co-autheur) een aantal klassiekers zoals ‘Where Have All the Flowers Gone’ (een hit voor concurrenten The Kingston Trio, ‘If I Had a Hammer’ (Trini Lopez) en ‘Turn, Turn, Turn!’ (The Byrds). Zijn bekendste nummer is echter ‘We Shall Overcome’ dat door Joan Baez opgenomen en het lijflied werd van de Amerikaanse protestbeweging.

 

Dat maakte hem natuurlijk nog wat onpopulairder bij de Communistenjagers en hij belandde dan ook in de gevangenis, omdat hij weigerde namen te noemen.

 

Na zijn vrijlating hielp hij de folktijdschriften Broadside Magazine en Sing Out! oprichten, die hielpen om mensen als Bob Dylan onder de aandacht van ene groter publiek te brengen.

 

Jammer is dat hij in de Dylan folkore gekend is als de man die met een bijl wou verhinderen dat Bob elektrisch ging spelen tijdens het beruchte Newport Folkfestival in 1965. Zelf legde hij in 2005 uit dat zoiets nooit het geval is geweest: “Er wordt verteld dat ik er op tegen was dat hij met elektrisch versterkte instrumenten speelde, maar dat was niet zo. Ik presenteerde het festival die avond. Hij zong ‘Maggie’s Farm’ en je kon geen woord verstaan omdat de microfoon werd verstoord. Ik liep naar het mengpaneel en riep: ‘regel de klank. Het is vreselijk!’ Maar die kerel antwoordde: ‘Nee, ze willen het zo.’ En toen heb ik gezegd dat als ik een bijl had ik de kabel zou doorhakken! Ik wou gewoon de woorden verstaanbaar hebben. Ik had er niks op tegen dat hij elektrisch speelde.”

 

Pete Seeger in 1968: ‘Wimoweh’ en ‘Where Have All The Flowers Gone’

 

 

In 1998 werden zijn songs terug onder de aandacht gebracht op de dubbele tribute-cd Where Have All the Flowers Gone: the Songs of Pete Seeger. Daarop speelden mensen uit de Amerikaanse en Britse folk- en rockwereld mee. Eén van die mensen was Bruce Springsteen die er ‘We Shall Overcome’ op bracht. Dat het hem menens was bewees Bruce zes jaar later  met The Seeger Sessions, waarbij hij een eigen eerbetoon bracht aan de man en zijn kompanen.

 

Bruce Springsteen met ‘John Henry’ uit de Seeger Sessions.