‘Daarom begonnen ze al die [roots]muziek op te nemen. Daarvoor was het allemaal klassieke muziek en liedjes uit shows. Toen ze die niet meer verkocht kregen, omdat de radio ze gratis in huis bracht, trokken ze naar het zuiden, waar er geen elektriciteit was. Daar maakten ze opnamen met katrollen en gewichten. De originele countrysong zijn opgenomen zonder elektriciteit.’
T Bone Burnett – 2012

Alle liedjes op de radio…

Zoals wel meer nuttige uitvindingen begon ook de radio als een strikt militair gegeven. Vrij kort na het begin van de Eerste Wereldoorlog verbrak het Duitse leger de trans-Atlantische telegraafkabels. Ter vervanging zette de Amerikaanse marine massaal in op het draadloze radiocontact.

Het is dan ook vast geen toeval dat de allereerste commerciële radio-uitzending plaatsvond in Pittsburgh, Pennsylvania. De Steel City was namelijk de thuisbasis van de Westinghouse Electric and Manufacturing Company, waar de zendapparatuur voor het Amerikaanse leger werd gebouwd.

Aan het hoofd van die afdeling stond ene Frank Conrad. Frank nam zijn werk mee naar huis, want vanaf 1916 experimenteerde hij met een 75 watts versterker. Van uit een schuurtje in de tuin zond hij korte boodschappen uit, die door andere radioamateurs in de regio konden worden beluisterd. Hij draaide zelfs plaatjes, zodat je hem meteen kunt bestempelen als de eerste DJ.

Op 29 september 1920 pikte een plaatselijke winkel in op het gebeuren, door voor $10 radiosets aan te bieden waarmee men de uitzending van Conrad kon beluisteren. Wanneer zijn directeur, Harry P. Davis, daarvan hoorde, besefte die het economische potentieel van de radio. In plaats van beperkt te blijven tot een experiment tussen hobbyisten, wou hij het fenomeen doen doorbreken bij het grote publiek en zo natuurlijk de vraag naar meer radiotoestellen van Westinghouse aanwakkeren.
Hij geeft Conrad de opdracht om een krachtiger versterker te bouwen en vraagt officieel een eigen bereik aan bij de marine.

Op 2 november 1920 is de allereerste uitzending van KDKA een feit. De datum is slim uitgekozen. Die dag zijn het namelijk presidentsverkiezingen. Door de resultaten live bekend te maken is hij meteen de geschreven pers voor en bewijst zo de kracht van het nieuwe medium.

De geluidskwaliteit laat in eerste instantie nog te wensen over, maar van zodra de techniek het toelaat om de beperkingen weg te werken, wordt de radio gemeen goed in de grote steden en kelderen de verkoopcijfers van de opgenomen muziek.

De platenmaatschappijen proberen nog even het nieuwe medium tegen te werken door hun belangrijkste artiesten te verbieden er voor op te treden. Wanneer dat niet blijkt te lukken moet naar andere oplossingen worden gezocht. Bijvoorbeeld door andere muziek aan te bieden dan het standaard repertoire van klassieke muziek, hymnes en liedjes uit shows.

Mamie Smith & The Jazz Hounds

Mamie Smith & The Jazz Hounds

Zwarte muziek voor een zwart publiek

Perry Bradford is een jonge, zwarte pianist en songschrijver. Vanaf zijn elfde werkt hij als pianist bij de rondtrekkende New Orleans Minstrels. Drie jaar later vormt hij een zang-en dansduo met Jeanette Taylor: Bradford & Jeanette. De ervaringen die hij tijdens het vele reizen opdoet, verwerkt hij in songs. De verkoop van bladmuziek vormt een extra bron van inkomsten bij de optredens. In 1918 vestigt hij zich in New York, waar hij de Made in Harlem Revue op poten zet. Zoals de naam het aangeeft staat de revue met beide voeten in de zwarte cultuur – erg ongewoon voor die tijd. Het hoogtepunt van de show is zijn compositie ‘Harlem Blues’, gezongen door Mamie Smith.

‘Ik vond dat onze mensen een verhaal te vertellen hebben,’ meent Bradford, ‘en dat zoiets alleen maar kon in gezongen en niet in instrumentale opnamen.’ Daarom stapt hij naar OKeh Records. OKeh is een klein platenlabel, opgericht door een Duitse ondernemer, Otto K. E. Heinemann. Het label legt zich toe op muziek gericht op verschillende etnische bevolkingsgroepen, vooral dan immigranten uit Oost Europa. Bradford wil er een plaatopname maken met zwarte muzikanten, voor een zwart publiek. ‘Veertien miljoen negers zullen platen kopen, als ze door hun eigen mensen zijn gemaakt,’ betoogt hij.

Fred Hager geeft hem een kans. Op 14 februari 1920 zingt Mamie Smith twee songs van Bradford: ‘That Thing Called Love’ en ‘You Can’t Keep A Good Man Down’ . Voor de begeleiding staat de studioband van het label in. Dat het Milo Rega Orchestra helemaal bestaat uit blanken is er goed aan te merken: hoewel er wel wat jazz en bluesaccenten in beide nummers terug te vinden zijn, blijven het in essentie popdeuntjes. Maar Bradford blijkt een punt te hebben, want binnen de maand gaan er tienduizend exemplaren van het plaatje de deur uit.

De verkoop is voldoende om een tweede opnamesessie te organiseren. Bradford staat er op, dit keer de muzikanten zelf te mogen selecteren. Hij kiest voor allemaal zwarten: The Jazz Hounds. ‘It’s Right Here For You’ en ‘Crazy Blues’ zijn opnieuw door hem geschreven. ‘Crazy Blues’ slaat geweldig aan en in een mum van tijd zijn er 75 000 exemplaren verkocht.

Aangespoord door dit succes gaan ook andere platenlabels op zoek naar zwarte zangeressen. Niet dat er nooit eerder opnamen zijn gemaakt van zwarte muzikanten. In 1890 al was George W. Johnson de allereerste met het gefloten ‘The Whistling Coon’. Maar dat was een novelty dingetje, bedoeld ter vermaak van een blank publiek. ‘Crazy Blues’ is van een andere orde en vormt het begin van de bloeiperiode voor de blues. Als dusdanig betekent het een doorbraak voor zwarte muzikanten, zowel in het blues als jazz genre.

Peer en de boerenkinkels

Een van de mensen die aanwezig zijn wanneer Mamie de songs in de grote akoestische hoorn zingt, is de assistent van Fred Hager: Ralph Peer. De jonge Peer (sympathieke naam 😉 ) krijgt de leiding over de afdeling die speciaal gericht is op het zwarte publiek: de 8000 serie van Okeh. ‘We hadden platen van allerhande inwijkelingen’, blikt hij einde jaren vijftig terug, ‘Duitse platen, Zweedse platen, Poolse platen, maar we durfden geen reclame maken voor negerplaten. Dus zette ik ze in de catalogus als ‘race’ platen.’

Peer gaat op zoek naar meer zwart talent. Waar kun je die het gemakkelijkst vinden? Daar waar er veel zwarten wonen: in het Diepe Zuiden. Dus vertrekt hij in juni 1923 op reis. Het is een revolutionair idee. “OKeh had nog nooit opnamen gemaakt buiten de studio,’ vertelt hij trots. “We trokken naar Atlanta, keken daar wat rond en vonden er een kleine leegstaande opslagplaats… Ik was een paar dagen eerder afgereisd om er al naar talent te gaan zoeken.’
Omdat hij nog nooit in Georgia is geweest, zoekt hij de enige man op die hij er kent: een lokale verdeler van de platen van OKeh Records. ‘Die kerel had dus een meubelwinkel. Hij had al wat rondgekeken, maar, tot mijn verbazing, kende hij geen zwarte muzikanten.’
Ze bezoeken samen een theater “alleen voor zwarten”. Het niveau ligt daar echter zeer laag en niets blijkt bruikbaar.
De winkelier stelt dan voor om een zanger uit de lokale kerk te gaan opzoeken. De jongeman heeft een goede reputatie. Er wordt een opnamedatum afgesproken. Maar dan komt het bericht dat de vader van de jongen plots ziek is geworden en dat hij niet kan komen.
‘Om de vrijgekomen tijd nuttig te gebruiken, kwam mijn distributeur met [een blanke fiddlespeler] John Carson.’ De muzikant heeft onlangs een old time fiddler wedstrijd gewonnen in Virginia. ‘Hij zei dat Fiddlin’ John op de radio was geweest en dat nogal wat mensen hem goed vonden.’
Even later staat Ralph Peer, in het leegstaande gebouw in Atlanta, te luisteren naar de kunsten van de muzikant. Hij vindt het maar niks. De zangstijl van de man omschrijft hij onomwonden als ‘vreselijk voltooid verleden tijd’. De winkelier dringt echter aan. Pas wanneer hij belooft 500 platen te zullen afnemen, gaat Peer overstag. Fiddlin’ John Carson mag twee nummers opnemen. De keuze valt op ‘The Little Old Log Cabin In The Lane’ en ‘The Old Hen Cackled and the Rooster’s Going to Crow’.
‘Het was zo slecht dat we er niet eens een serienummer aan gaven’ vertelt Peer. ‘We dachten dat, eens die man zijn voorraad had, we er nooit meer iets van zouden horen. We stuurden hem zijn bestelling.’
De man uit Atlanta trekt er mee naar de volgende fiddler wedstrijd… en verkoopt er meteen zijn hele voorraad. ‘Diezelfde avond nog belde hij New York om er 5 000 extra te sturen, per express, en nog eens 10 000 per gewone vracht.’
Ook in andere staten blijkt er belangstelling te bestaan en uiteindelijk overschrijdt de verkoop het half miljoen. ‘We waren zo beschaamd [over de kwaliteit van de oorspronkelijke opname] dat we Fiddlin’ John naar New York lieten komen om de songs opnieuw op te nemen.’

Het debuut van John Carson wordt beschouwd als de officiële start van de countrymuziek. En opnieuw was Peer er bij betrokken. Met een mengeling van trots en minachting snoeft Peer in een interview in 1958: ‘Ik ging naar New York en werkte er voor OKeh Records. Daar bedacht ik dat hillbilly- en nikkerspul.’

“Hillbilly”, wat zoveel betekent als “boerenkinkel” is de naam die hij geeft aan wat later countrymuziek zal worden genoemd, maar dan nog bekend staat onder vele namen: Mountain music, Old Time Music, …

Peer begrijpt dat er een markt is voor die volksmuziek. Vooral op het platteland blijken veel mensen geïnteresseerd in de muziek van lokale muzikanten.
De volgende twee jaar doorkruist hij de Verenigde Staten, op zoek naar interessant muzikaal talent: Chicago, St. Louis, Cincinnati, Dallas, Cleveland, Detroit en New Orleans. Onderweg ontdekt hij latere jazzgrootheden als trompettist Louis Armstrong, cornetspeler King Oliver, pianisten Fats Waller en Bennie Moten, maar ook blueszangeressen Sippie Wallace en Sara Martin.
De artiesten krijgen $50 per song, plus een percentage op de verkoop. Voor velen is dat een riante verloning.

Muziekuitgevers

Peer leert nog meer van de ervaringen van Bradford. Voor de auteur betekende het succes van zijn ‘Crazy Blues’ meteen ook het begin van alle ellende. De tekst van die song was eigenlijk identiek aan die van zijn ‘Harlem Blues’… en daarvan had hij de auteursrechten verkocht. “Ik vreesde er eigenlijk al voor, dat het nummer een hit zou worden, “verklaart hij later. ‘Ik had dezelfde tekst daarvoor al drie keer gebruikt.’
Een terechte vrees, zo blijkt. Een eerste rechtszaak kan hij in der minne regelen, maar bij de tweede keer belandt hij voor vier maanden in de nor.

Zodra hij weer vrijkomt, bedenkt hij dat het leven misschien eenvoudiger is wanneer hij zelf muziekuitgever wordt.

Door de Copyright Act van 1909, heeft een auteur recht op een percentage van de verkoop of uitvoering van zelfgeschreven materiaal. Tekst en muziek moeten daarvoor worden ondergebracht bij een muziekuitgeverij. In ruil voor 50% van de inkomsten, zorgen die voor het innen van de centen. Ze hebben er natuurlijk alle belang bij dat de muziek zo veel mogelijk wordt verspreid. Hoe meer mensen een song opnemen, hoe hoger de inkomsten.

Bradford heeft begrepen dat een uitgever dus meer overhoudt aan de songs dan de schrijver. Binnen een paar jaar heeft hij vier uitgeverijen die samen de rechten van meer dan 1 400 songs beheren. Maar omdat hij geen band heeft met een platenmaatschappij, raken zijn songs niet verkocht.

Peer pakt het slimmer aan. In 1924 begint hij ook voor zichzelf, als manager van de artiesten die hij her en der heeft ontdekt. Zijn eerste klant is Ernest Stoneman en het is meteen raak. Diens ‘The Titanic’ wordt een enorme hit, met een verkoop van twee miljoen exemplaren.

Het succes blijft niet onopgemerkt bij de grotere platenmaatschappijen en in 1925 bedenkt Peer een systeem dat hem schatrijk zal maken. ‘In die periode ging ik een zakelijke verbintenis aan met Victor Talking Machine Company, die jaren zou standhouden,’ vertelt hij in 1959. ‘De afspraak was dat ik de artiesten en het materiaal zou uitkiezen voor de hillbilly opnamen van Victor.’
Hij aanvaardt daarvoor een belachelijk klein salaris: 1 dollar per jaar. Daar staat tegenover dat alle zelfgeschreven materiaal dat onder zijn bevoegdheid wordt opgenomen, wordt ondergebracht bij zijn eigen muziekuitgeverij: Southern Music.

In zijn functie van A & R-manager spoort Ralph Peer zijn artiesten dan ook aan om vooral zelfgeschreven nummers op te nemen. Of minstens oude songs zo aan te passen dat ze als nieuw kunnen doorgaan.
Kassa, kassa!

De Bristol sessies

In zijn zoektocht naar nieuwe artiesten, belandt Ralph Peer, in de zomer van 1927, in Bristol, Tennessee – een van de weinige steden in het Appalachengebergte. De opkomst valt echter tegen.
Daarom laat hij in de krant een artikel plaatsen over Stoneman. Hij benadrukt dat de man $3.600 heeft verdiend aan ‘The Titanic’ (zowat het loon van drie jaar werken voor een arbeider) en dat hij $100 per dag krijgt voor opnamen.
De volgende dagen stromen belangstellenden toe uit de wijde omgeving. Tot diep in de nacht is Peer aan de slag. Uiteindelijk neemt hij 76 songs op, van 19 verschillende artiesten. Daar maken niet alleen de Carter Family hun debuut, maar ook Jimmie Rodgers. Toevallig worden met deze twee artiesten ook meteen de grote thema’s van de country vastgelegd: de Carters staan voor familie, haard en religie, terwijl Rodgers de vrijheid van het onderweg zijn bezingt: treinen en wegen.
Johnny Cash stelt onomwonden dat die auditie in Bristol niets minder is dan “de oerknal in de geschiedenis van de country muziek”.

Advertenties

Juniors_farm_spain

Opgenomen: juli 1974 in Sound Shop studio in Nashville, Tennessee

Uitgebracht:
18 oktober 1974: The Country Hams single: ‘Walking In The Park With Eloise’ ( James McCartney)/’Bridge Over The River Suite’
25 oktober 1974: Paul McCartney and Wings single: ‘Junior’s Farm’/’Sally G’

6 december 1980: op Denny Laine elpee Japanese Tears: ‘Send Me The Heart’
26 oktober 1998: op Linda McCartney cd Wide Prairie: ‘Wide Prairie’

Met zowel Band On The Run als een aantal singles wereldwijd aan de top van de hitlijsten is de tijd rijp voor een tournee door de Verenigde Staten. Als trio is Wings echter wat te mager voor zo’n grootscheeps project. Dus moet Paul op zoek naar nieuwe bandleden: een sologitarist en een drummer.

De Schot Jimmy McCulloch is pas 20, maar heeft er toch al een hele carrière opzitten. Als 16-jarige had hij een dikke hit met Thunderclap Newman: ‘Something in the Air’. Vervolgens was hij even de sologitarist bij John Mayall, stapte dan over naar Blue en verving Les Harvey in Stone the Crows.
Over hoe hij bij de band kwam, vertelt Jimmy: “Ik heb Paul voor het eerst ontmoet in de Kingsway Studio waar hij Band on the Run aan het mixen was (oktober 1973). Ik was er aan het werk aan een solo elpee. […] Iemand van de studio vertelde me dat Paul op zoek was naar een gitarist voor sessiewerk. Ik ging met hem mee om eens te babbelen, maar het was als in een droom. Paul was honderduit aan het praten en ik bleef maar staren: Christus! Een echte Beatle! En hij praat tegen me alsof ik belangrijk ben. ”
Jimmy gaat graag in op het aanbod van Paul: ‘Ik ben het beu om van band naar band te verhuizen. Ik wil iets vastleggen dat succesvol is, in plaats van maar aan te modderen in telkens in van die bandjes te zitten waar maar een paar mensen naar luisteren.’

Voor een plaats achter het drumstel wordt een Ier gerekruteerd: David Lutton, uit de band van Steve Ellis, die op zijn beurt vooral bekendheid verwierf als zanger van Love Affair.

Paul beslist niet over één nacht ijs te gaan en de bandleden wat aan mekaar te laten wennen. Naast twee sessies in Parijs, waarbij enkele nummers van Linda worden vastgelegd, test hij de vernieuwde Wings ook uit bij de opnamen van de elpee McGear*. Mike McGear heet eigenlijk Mike McCartney en is de jongere broer van Paul. Samen de Liverpoolse dichter Roger McCough en John Gorman maakt hij deel uit van de groep The Scaffold (vooral bekend van de noveltyhit ‘Lily The Pink’ – het origineel van de carnavalskraker ‘Drinke totteme zinke’). Voor de elpee schrijven de broers samen vijf songs, Paul schrijft er bovendien twee in zijn eentje, plus één met de McGough. Paul doet ook de productie, en de muziek wordt verzorgd door Wings.

Na afloop van die sessies stapt Lutton echter op. Hij krijgt een aanbod om te gaan drummer bij T. Rex, de band van Marc Bolan. Dus houdt Paul, op 26 april 1974 audities voor een nieuwe drummer. Geoff Britton wordt geselecteerd uit de vijftig kandidaten. De man is karate-expert en houdt er een gezonde levensstijl op na: niet roken, niet drinken.

Zeven weken in Nashville

In mei 1974 krijgt Buddy Killen, directeur van de muziekuitgeverij Tree Publishing een telefoontje van zijn advocaat, Lee Eastman . Eastman is op zoek naar een tijdelijk verblijf voor zijn schoonzoon, Paul McCartney. “Wat zou je er van vinden als Paul naar Nashville kwam? En zou jij hem kunnen opvangen?’
Killen moet vooreerst op zoek naar een geschikt onderkomen voor zijn gasten. ‘Ze zochten iets op de buiten – een farm’, zegt hij. ‘Maar wanneer je op zoek gaat naar iets voor zeven weken, dan weten ze niet voor wie het is, maar wel dat het iemand is met geld. Iemand zei: “Natuurlijk kun je mijn farm afhuren voor zeven weken. Ik vraag $200,000 dan kan ik het ineens afbetalen.”

Ten einde raad wendt Killen aan een van zijn beste schrijvers, Curly Putman. De man zit er warmpjes in, dankzij successen als ‘The Green, Green Grass of Home’, D-I-V-O-R-C-E’ en (samen met Bobby Braddock) ‘He Stopped Loving Her Today’. Putman heeft een farm van 54 ha in Lebanon, zo’n 40 km buiten Nashville. Killen stelt Curly en diens vrouw voor om, met het geld, eens lekker lang met vakantie te gaan in Hawaii. Dat zien ze wel zitten.

De bedoeling van Paul is om, in een relaxte omgeving, mekaar wat te leren kennen, wat te repeteren voor de wereldtournee en tegelijk wat van de sfeer van de omgeving op te snuiven.

Het gezelschap arriveert op 6 juni 1974. Paul, Linda en hun drie dochters verblijven in het hoofdgebouw, terwijl Denny, Jimmy en Geoff, plus road manager Alan Crowder in een bijbouw worden ondergebracht. De garage is ingericht als repetitielokaal.

Het is er erg rustig. ‘Ze leken het er naar hun zin te hebben‘, meent Putnam, die hen ontvangt. ‘Ze konden er paardrijden, zwemmen in de vijver die ik er had laten aanleggen….’
Niet iedereen is echter even enthousiast. ‘We zaten in een plaats met de naam Lebanon’, vertelt Geoff, ‘Droog gebied: sterke drank was er verboden, dus werd er in de bergen overal illegaal gestookt. In het stadje zag je kerels met versleten pick-up trucks, die de hele dag niets beters te doen hadden dan wat in een stukje hout te kerven. Het was alsof we in een film terecht kwamen.’

Misschien speelt de verveling een rol, maar ze zijn amper een week samen of er zijn al spanningen tussen de groepsleden. ‘Tijdens het repeteren ontstond er een controverse,’ gaat Geoff verder. ‘Iedereen was wat stoned en het liep uit de hand. Jimmy beledigde Linda en er vloeiden traantjes. Ik heb Jimmy gezegd wat ik van hem dacht.’
McCulloch geeft toe: ‘Ik doe soms wat raar. Onvolwassen, denk ik. Met muziek heb ik hopen ervaring, maar levenservaring… met mensen omgaan, weten wanneer je je mond moet houden en zo, daar ben ik niet goed in. […] Dat kan mensen al eens op stang jagen.’
De drummer heeft genoeg van dat branieventje en wil onmiddellijk opstappen. Maar Paul en Linda dringen er bij hem op aan niets overhaast te beslissen. Om het groepsgevoel te versterken verhuizen de groepsleden ook naar het hoofdgebouw. Dat helpt om de spanning wat te verminderen.

Denny Laine, Linda McCartney, Paul McCartney, Geoff Britton en Jimmy McCulloch

Denny Laine, Linda McCartney, Paul McCartney, Geoff Britton en Jimmy McCulloch

* * *

Paul maakt van de gelegenheid gebruik om wat collega’s die in de buurt wonen, te gaan bezoeken. Johnny Cash bijvoorbeeld, Bill Monroe – de vader van de Bluegrass – en Chet Atkins, de legendarische gitarist en producer die, samen met Owen Bradley een van de architecten is van de Nashville Sound. Paul en Linda gaan ook een regelmatig naar de legendarisch concertzaal Grand Ole Opry, waar ze Monroe aan het werk zien en het allerlaatste optreden bijwonen van Dolly Parton en Porter Wagoner.

De familie McCartney bij Dolly en Porter.

De familie McCartney bij Dolly en Porter.

* * *

Vanaf begin juli werkt Wings gedurende twee weken in de Sound Shop studio in Nashville, aan een half dozijn songs.
‘Eigenlijk mocht hij geen opnamen maken,’ weet Killen, ‘want ze hadden geen werkvergunning. Maar ik had toevallig een studio ter beschikking. Het was niet de bedoeling om de wet te overtreden. Het kwam zo uit.’
‘Buddy kennende heeft hij er zeker voor gezorgd dat Paul wist dat hij een studio ter beschikking had, mocht hij willen opnemen’, lacht Ernie Winfrey, de vaste geluidstechnicus van de studio.
Winfrey is er aan het werk, wanneer hij plots oog in oog staat met de ex-Beatle. ‘Ze kwamen langs de achterdeur. […] Paul wuifde eens en hij en Linda gingen zitten, wachten tot we klaar waren. Na afloop van de sessie introduceerde Buddy me. Ik stond te bibberen op mijn benen.’

De directe aanleiding voor de sessies is een bezoekje aan gitarist Chet Atkins. Paul en Linda zijn er uitgenodigd voor een diner. Na het eten komen er gitaren te voorschijn. Afwisselend brengen beide muzikanten wat nummers. Daarbij brengt Paul ‘Walking in the Park with Eloise’, een nummer in Dixielandstijl. ‘Dit is er eentje dat mijn vader heeft geschreven’, legt Paul uit. ‘Lang geleden.’
‘Hij vertelde me dat hij het ooit wou opnemen’, herinnert Atkins zich in 1998. ‘Ik zei hem dat zoiets een prachtig cadeau zou zijn voor zijn vader.’

Paul op bezoek bij Chet

Paul op bezoek bij Chet

Enkele dagen later belt Paul hem op, om te zeggen dat hij zijn raad gaat opvolgen. ‘Ik trommelde wat muzikanten op’, gaat Chet verder, ‘mensen waarvan ik dacht dat ze goed zouden zijn voor het nummer.’

De muzikanten die Chet er bij haalt zijn niet van de minsten: pianist Floyd Cramer (de man die de toetsen beroerde op ‘Heartbreak Hotel’) en Bobby Thompson op banjo en slaggitaar. Winfrey vertelt dat Paul, behalve bas, ook nog iets anders bespeelde tijdens de sessie. ‘Hij had een oud wasbord gevonden in een klein winkeltje naast het Loveless Café.’ Naar skiffletraditie gebruikte hij ‘[…]het als een ritme instrument door met vingerhoedjes op zijn vingers over het geribbelde oppervlak te schrapen.‘

De geluidstechnicus die nochtans ervaring heeft met countrysterren als Marty Robbins, Eddy Arnold, Dolly Parton, Johnny Rivers en Willie Nelson, maar ook met rhythm & blues artiesten als Otis Blackwell, Wilson Pickett, is onder de indruk van Paul: ‘Als zanger is hij absoluut top. […] Hem daar zo zien staan aan de microfoon, zoals je je hem herinnert van bij de Ed Sullivan Show… Ik kon het haast niet geloven: gebeurt dit echt? En zijn basspel… ongehoord! […] Elke noot was kristalhelder. Ik hoefde niets bij te regelen. Het kon zo op band.‘

Winfrey verklaart dat Paul pas relaxte wanneer het werk er op zat: ‘Na afloop kwam hij bij me zitten om naar de playbacks te luisteren. Dan pas kwam er een glas whisky-cola bij te pas.’

De sfeer van Nashville inspireert Paul tot het schrijven van een song in de countrytraditie: ‘Sally G’. Voor het op band zetten daarvan, vult hij Wings aan, met enkele muzikanten uit het A-team: banjospeler Bobby Thompson kennen we al, maar nieuw is steel gitarist Lloyd Green – een man die 400 sessies per jaar doet, voor iedereen van Faron Young tot The Byrds. Backing vocals worden verzorgd door The Cates Sisters: Marcy en Margie.
Fiddles mogen natuurlijk niet ontbreken. Daarvoor zorgen de adelijke heren Johnny Gimble (King of Texas Swing) en Vassar Clements (King of Hillbilly Jazz). De samenwerking verloopt prima. Volgens Winfrey stond Paul open voor suggesties. ‘….dat stelde de spelers uit Nashville op hun gemak. Iedereen kwam met ideeën.’

‘Hij was verrast door de snelle manier van werken in Nashville’, meent Green. ‘In de regel deden we drie à vier songs in een drie-uur durende sessie. Het was fijn om nu eens de hele tijd te bekunnen besteden aan één enkel nummer.’

Na afloop van de sessie stelt Paul aan Green voor om met Wings op tournee te gaan. ‘Dan brengen we samen elke keer een kwartiertje lang uitsluitend country. Jij en ik samen. Maximaal vier muzikanten en pure country.’
Green legt echter uit dat zoveel sessiewerk heeft dat hij onmogelijk zoveel tijd kan vrijmaken om op tournee te gaan. Achteraf heeft hij spijt van zijn antwoord: ‘Ik weet nog niet waarom ik er niet op in ben gegaan. Ik denk dat ik schrik had om er twee maanden tussen uit te zijn en dan vast te moeten stellen dat de mensen me niet meer nodig hadden.’

Anders zit het met de man die de arrangementen voor de blazers verzorgt. Tony Dorsey is een trombonist uit New Orleans, die steeds present is om de R&B opnamen in de Sound Shop op te leuken. Hij gaat graag in op Pauls aanbod en zal de leiding van de blazerssectie op zich nemen tijdens Wings Over The World tournee.

Verder wordt er ook nog wat nummers van Linda en Denny opgenomen. Dat van Linda heet ‘Proud Mum’ en die van Denny Laine, ’Send Me The Heart’ – ‘Sentimenteel genoeg om door te gaan voor een echt countrynummer,’ meent Winfrey.
Verder worden enkele oudere opnamen afgewerkt. Green voegt steelgitaar toe aan ‘Hey Diddle’ (van de Ram-sessies) – ‘Het meest Beatlesachtige nummer waaraan we werkten,’ volgens Winfrey.
‘Bridge Over The River Suite’ en ‘Wide Prairie’, twee nummers van de sessies in Parijs (november ‘73) krijgen overdubs van een zeskoppige blazerssectie, onder leiding van Tony Dorsey.

Het belangrijkste nummer van de sessies is echter een pittige rocker: ‘Junior’s Farm’, geïnspireerd door Bob Dylans ‘Maggie’s Farm’ en hun tijdelijke verblijfplaats – de bijnaam van Curly Putman is ‘Junior’. De tekst, geeft Paul toe, is niet meer dan ‘wat goed klinkende zinnen’, met verwijzingen naar Eskimos, zeeleeuwen en Oliver Hardy.

Winfrey herinnert zich dat Paul en Linda erg close waren. ‘Wanneer ze naar een playback luisterden, zat de een steeds bij de ander op schoot. Ik denk dat Pauls houding ten opzichte van Linda veel over hem verteld. Hij was bereid al die kritiek er bij te nemen omdat hij zijn vouw bij de band wou. Ik heb van dichtbij meegemaakt hoe geduldig hij was met haar. Van de andere kant: ze pikte snel iets op: hij zong iets voor en zij kon het meteen nazingen.’

Over Jimmy McCulloch is Winfrey minder te spreken: ‘Uitstekend gitarist, maar een enorme klootzak.’ De jongeman heeft problemen met drugs, loopt regelmatig weg tijdens een sessie, werpt een cola flesje naar het raam van de controle kamer en wordt gearresteerd voor roekeloos rijden. Killen kan vermijden dat hij achter de tralies verdwijnt, maar het incident zal hem later heel wat problemen bezorgen om de States binnen te mogen voor de Wings Over America tournee.

* * *

Half juli vliegen de bandleden weer naar Londen. Paul en zijn familie passeren eerst langs New York, waar ze John Lennon en diens vriendin May Pang een bezoekje gaan brengen.

* * *

Het resultaat van de Nashvillesessies verschijnt in oktober 1974 op twee 45-toeren plaatjes.

‘Junior’s Farm’/’Sally G’ is de krachtige nieuwe single van Paul McCartney and Wings. In Engeland is een 16de plaats de hoogste notering.
Het plaatje doet het een stuk beter in de Verenigde Staten waar het de top 3 haalt. Bovendien bereikt de b-kant er ook een mooie 17de plaats.

Een week eerder dan de nieuwe Wingssingle verschijnen ‘Walking In The Park With Eloise’ en ’Bridge Over The River Suite’ onder de noemer The Country Hams. Omdat niemand weet dat het om Paul McCartney gaat verdwijnen de twee instrumentaaltjes geruisloos in de koopjesbakken.

In 1984 vertelt Paul aan Playboy: ‘Ik zei tegen mijn vader: Jij krijgt alle auteursrechten. Jij hebt het geschreven, we gaan het voor je uitgeven en dus krijg jij de cheques. Maar hij antwoordde: ‘Ik heb het niet geschreven, jongen.’
Ik dacht: verdorie. Daar komen problemen van.
Maar toen zei hij: ‘Ik heb het bedacht, maar ik heb het niet geschreven.’ Hij bedoelde dat hij geen muziek kon noteren. Ik ook niet trouwens. Ik kan ook geen muziek neerschrijven. Ik bedenk het ook maar.’

 

 

Deel 5 – Pieces Of The Sky

‘Grams dood was een traumatische ervaring voor mij,’ geeft Emmylou Harris toe. ‘Tussen zijn dood en het maken van mijn eerste elpee beleefde ik een vreselijk jaar (sic). Ik smeet me in mijn werk, maar hij hart was er niet bij.’

Ze ziet het als haar taak Grams werk verder te zetten. ‘Ik had geen keuze. Die muziek was te belangrijk  voor mij. En ik kon niets anders. Het was dat, of terug gaan opdienen. Dus vormde ik een kleine band in D.C..’

De kern van de vijfkoppige Angel Band bestaat uit Emmylou, Tom Guidera en steelgitarist Danny Pendleton.

‘Repeteren in een garage in de vrieskou en dan terug naar de zaaltjes waar ik voordien akoestisch had gespeeld – voor Gram. Het was een leerproces, maar ook een manier om te overleven.‘

Zes avonden per week, spelen ze vier sets in de Red Fox Inn, in Washington.

Op een avond zitten er twee mensen in de zaal die met meer dan gewone belangstelling lijken te luisteren. De man en vrouw blijven de hele avond. Ze hebben zelfs een casetterecorder bij, waarmee zij alles opnemen. Na afloop stellen ze zich voor, allebei met een Canadees accent. De vrouw is Mary Martin, A&R verantwoordelijke van Warner/Reprise. De man is Brian Ahern, producer.

Hun aanwezigheid is, voor een stuk te danken aan Linda Ronstadt. 

Die heeft Emmy en haar dochterje uitgenodigd om te komen logeren in Los Angeles. ‘Ze vroeg me om samen met haar op te treden in de Roxy,’ legt Emmylou uit. ‘Ze was een enorme steun voor me, na de dood van Gram. Ze hielp me om een platencontract te krijgen. Ze bemoederde me en was erg genereus.’

Don Schmitzer, een van de bazen van Warner Bros. heeft haar daarbij opgemerkt. Hij geeft Martin de opdracht om een mogelijkeke samenwerking te onderzoeken. Mary Martin werkte vroeger voor Albert Grossman, toen die manager was van Bob Dylan. Zij was het die de folkzanger in contact bracht met The Band. Later werd ze zelf manager van Leonard Cohen en Van Morrison.

Wanneer Mary Emmylou getraceerd heeft in Washington, belt ze Ahern in Toronto. De gitarist heeft countryzangeres Anne Murray ontdekt en haar versie van ‘Snowbird’ geproduceertd. Het plaatje was een dikke hit in Canada en de Verenigde Staten.

De beide toeschouwers zijn voldoende onder de indruk om Emmylou Harris een kans te geven. ‘[Ze zong nummers van] Merle Haggard, Gram Parsons… ,’ zegt Ahern. ‘Ik denk dat ik nog het meest gecharmeerd was van het feit dat ze haar band strak in de hand had.’ 

In oktober 1974 biedt Reprise, een dochterafdeling van Warner Records, Emmylou Harris een contract aan. De voorwaarde is dat Brian Ahern de opnamen zal leiden.

Ter voorbereiding nemen ze samen een groot aantal songs door. ‘Brian [liet me] naar bandjes met songs te luisteren,’ vertelt Emmylou. ‘We luisterden een hele dag, acht uur, naar spul dat me absoluut niets deed. Na een tijdje moesten we er om lachen; we dede nogal onnozel.’ Maar dan zet Brian een cassette aan van iemand die hij net onder contract heeft genomen bij zijn eigen muziekuitgeverij: Rodney Crowell. ‘Ik riep: Dat lijkt er meer op. Die kerel is fantastisch. Hij heeft duidelijk geluisterd naar George Jones. Het waren twee nummers: ‘Song For The Life’ en ‘Bluebird Wine’.’

Ahern laat de 22-jarige overvliegen naar Washington om er met Emmylou en haar Angel Band te spelen. ‘Na afloop gingen we ergens heen en speelden songs tot de vroege ochtend’, herinnert Rodney zich. ‘De klik was er meteen. Ik hield van oude muziek – zoals the Louvin Brothers – en zij ook. Het was een beetje archivaris-achtig. Musicologie, een hele nacht lang. Country-musicology. Ik denk dat Gram Parsons haar het wereldje ingeleid had. Ik denk ook dat het zo goed klinkte omdat ik uit Texas kwam en er mee opgegroeid was.’

In afwachting van grootsere dingen vindt alvast een eerste sessie plaats in de Track Recorders Inc in Silver Spring, Maryland. Met The Angel Band worden ‘Before Believing’ en ‘Queen Of the Silver Dollar’ van Shel Silverstein op band gezet. 

Kort daarna verhuizen Emmy en haar dochter naar Los Angeles, waar ze intrekken bij Linda Ronstadt.

Brian Ahern heeft er een huis gehuurd in Lania Lane, een bochtige, doodlopende straat in Coldwater Canyon. ‘We hadden geen beddegoed, dus moesten Linda en Emmy gaan winkelen. Ze kwamen terug met achterbak van Linda’s MGB volgestouwd vol spullen voor ons, de jongens van de techniek.’

Het huis wordt immers ook gebruik als studio. Voor de opnamen laat Brian zijn zelf ontworpen mobiele studio overkomen, vanuit Toronto. De Enactron Truck is een 19-ton zware vrachtwagen volgestouwd met opnameapparatuur. Hiermee kan hij om het even waar opnemen. Zoals gewoon bij hem thuis, dus, in de huiskamer voor de open haard.

‘Brian woonde in een slaakamer aan de achterzijde,’ vertelt Bernie Leadon, die ook aan de opnamen meewerkte.  ‘De rest van het huis was nu eens woonruimte en dan weer de plaats voor de opnamen. Zo werd de hele plaat gemaakt. Het was een constante: op elk uur van de dag konden ze opnemen. De truck stond geparkeerd voor het huis in de heuvels, bij Beverly Hills… maar niet in de dure buurt van Beverly Hills.’

Contact tussen de controleruimte en de ‘studio’ gebeurt via een gesloten TV-circuit. In de vrachtwagen is er ook een kleine geïsoleerde ruimte, waar solo’s kunnen worden ingespeeld.

De eigenlijke opnamen vinden plaats aan het einde van oktober 1974. Daarvoor wordt de hulp ingeroepen van de muzikanten van Gram Parsons soloalbums: drummer Ron Tutt, pianist Glen D. Hardin, bassist Emory Gordy Jr., sologitarist  James Burton en banjospeler Herb Pedersen. Daarnaast zijn er ook nog Fayssoux Starling op backing vocals en Bernie Leadon op verschillende snaarinstrumenten.

Door de aanwezigheid van Presley’s bandleden wordt het één van de duurste countryplaten tot dan toe. Om de kosten te beperken, blijven de eigenlijke opnamen beperkt tot twee dagen: woensdag 30 en donderdag 31 oktober. 

Door live op te nemen slagen ze er in om, in die beperkte tijd, een twintigtal songs op band te zetten. ‘We namen veel te veel op,’ legt Ahern uit. ‘Ik dacht dat, als we de zwakke eerste plaat konden overslaan, en rechtstreeks doorstoten naar nummer twee – bij wijze van spreken – de muziek veel beter zou zijn. Op die manier bespaarden we een pak tijd en geld zowel voor de platenmaatschappij als voor de artiest. […] In zekere zin was haar debuut meteen haar tweede plaat.’

Volgens Herb Pedersen heeft Ahern de touwtjes stevig in handen: ‘Hij wist hoe hij de arrangementen wilde hebben. Hij was een geschoold muzikant in Canada voor hij naar hier kwam. Hij speelde zelf heel wat slaggitaar op die plaat, maar dat staat nergens vermeld. Hij was erg zorgvuldig in de keuze van arrangementen, toonaarden en melodieën. Hij wou absoluut niet een plaatje met het zoveelste countryzangeresje afleveren.’

‘Ik liet haar [de songs] voorzingen,’ vertelt Ahern. ‘[…] Dan deed ik suggesties om de structuur te veranderen. Ik schreef de akkoorden neer en speelde het dan zelf, op mijn akoestische gitaar en beelde me het nummer in, in mijn hoofd.’

Maar ook Emmylou laat zich gelden, weet Pedersen: ‘Wanneer ik de tweede stem inzong, was zij er steeds bij, om te luisteren of  het was zoals zij het wou. Zij maakte evenveel de dienst uit als hij, denk ik.’

‘Het is moelijk uit te leggen wat ik wou,’ blikt Emmylou terug, ‘het was heel intuitief. Ik was zeer sterk geïnspireerd door de muziek van Gram. Op mijn manier probeerde ik die voort te zetten.’

De songs zijn met opzet geselecteerd uit een heel breed gamma. Dat gaat van klassiekers uit de country/rock als ‘Coat Of Many Colors’ van Dolly Parton en ‘The Bottle Let Me Down’ van Merle Haggard tot nummers van The Beatles: ‘For No One’ en ‘Here, There And Everywhere’. Natuurlijk mag een song van Parsons helden, Charlie en Ira Louvin niet ontbreken. De keuze valt op ‘If I Could Only Win Your Love’.

Voor één nummer  heeft Emmylou de tekst zelf geschreven: ‘Boulder To Birmingham’ is een erg persoonlijke song, waarin ze afscheid neemt van Parsons.

De producer zorgt er voor dat Emmylou’s klaterheldere stem centraal komt te staan. Ondanks de aanwezigheid van steelgitaar, fiddle en mandoline is het resultaat meer pop dan country. Toch staat het ver van de gelikte country-rock die The Eagles in die tijd zo populair maken.

Harris geeft toe dat ze geen idee had hoe de plaat zal worden ontvangen. ‘Ik was behoorlijk nerveus. Ik dacht dat niemand de plaat zou snappen. Ik wist dat een aantal mensen, van wie de mening voor mij belang was, het goed zouden vinden. Mensen als John Starling, van wie ik wist dat hij  ‘If I Could Only Win Your Love’ prachtig zou vinden. Het was allemaal nieuw voor mij, zo’n echte plaat maken. Het was nogal eclectisch.’

 

Op 7 februari 1975 verschijnt Pieces of the Sky.  De plaat is genoemd naar een regel uit ‘Before Believing’, een nummer van Danny Flowers.

Als eerste single kiest de platenmaatschappij voor ‘Too Far Gone’. Het nummer van Billy Sherrill was in 1967 een hit voor Tammy Wynette. Emmylou’s versie verschijnt op 26 februari 1975. Glen D. Hardin verzorgde het strijkers  arrangement en James Burton schittert op elektrische gitaar. De single maakt niet echt brokken en komt niet hoger dan een 73ste  plaats in de Countrylijst.

– – –

Ter promotie van de elpee doet Emmylou enkele optredens, als voorprogramma van de Earl Scruggs Revue. Ze wordt daarbij begeleid door Bernie Leadon en Herb Pedersen. ‘Het was puur akoestisch,’ vertelt Leadon, ‘met driestemmige zang. Herb heeft een ongelofelijke stem. Het werkt inspirerend om te zingen met  twee van die fantastische stemmen.’

Eddie Tickner, die het management van Emmylou heeft overgenomen, meent dat een doorbraak het best kan geforceerd worden in Europa. De platenmaatschappij wil er wel geld instoppen, op voorwaarde dat ze een “hot band” heeft.

Emmylou zou graag de mensen achter zich krijgen waarmee ze de plaat heeft opgenomen. ‘Glen D Hardin was meteen akkoord. We speelden een paar keer samen en we amuseerden ons geweldig. Het was een fantastische bende, die mekaar allemaal goed aanvoelen. Rodney Crowell kwam er bij en we wisten meteen dat er magie in de lucht zou hangen van zodra we een podium op kropen.’

De Hot Band  bestaat uit gitarist James Burton, pianist Glen D. Hardin en bassist Emory Gordy – allemaal uit de tourband van Elvis. Drummer is John Ware, singer-songwriter Rodney Crowell speelt slaggitaar, Hank de Vito pedal steel. Gelukkig voor haar had Elvis Presley in die periode geen optredens gepland. ‘Ik betwijfel of Elvis besefte dat zijn band met iemand anders rondtrok. We deden het niet achter zijn rug, maar hij was zo afgeschermd dat ik bewtijfel of hij er iets van merkte.’

Eigenlijk kan Emmylou zich zo’n band niet veroorloven. ‘Ik ging voor een kwart miljoen dollar in het rood met de Hot Band. Gelukkig maakte de verkoop van de plaat veel goed. Ik had geen garantie dat ik er uit zou raken, maar ik greep de kans om met de muzikanten waarmee Gram gewerkt had met beide handen aan. Ik wou zoveel mogelijk Grams werk uitdragen. Plus natuurlijk het feit dat ze fantastisch waren en dat ze me de moed gaven om naar buiten te treden.’

Door verplichtingen bij Elvis Presley kan er slechts één keer gerepeteerd worden voor de band de baan op trekt.

‘We speelden in The New Vic [in London] voor een uitverkochte zaal. Je voelde de verwachtingen voor die band. James Burton was er bij, mensen die vereerd werden. Het publiek hier kenden de achtergrond. Ze kennen de songwriters, ze weten wie op de plaat speelt, ze kennen de muzikanten …ze weten alles!

Het was fantastisch om die opwinding te voelen voor wat ik deed. Dat sloeg over naar de andere kant van de Atlantische Oceaan. En toen had ik een echte Top 5 plaat op de country lijst met een oud nummer van de Louvin Brothers.

Dat opende de deuren van Nashville en country radio, maar blijkbaar was er ook interesse vanuit de popwereld.Mensen die mijn nplaten kochten, kochten ook platen van Talking Heads. Dat trok de aandacht: er is hier iets gaande!’

Drie maanden touren met The Hot Band werpt zijn vruchten af en de tweede single krijgt dan ook veel meer aandacht.  

Emmylou’s versie van het Louvin Brothers nummer ‘If I Could Only Win Your Love’ verschijnt  op 4 juni 1975. De solo op mandoline contrasteert sterk met de heersende muzikale trends: prog rock, jazz fusion, disco, urban cowboy en de eerste aanzetten tot punk. Desondanks wordt het duet met Herb Pedersen die zomer een top 5 hit in de Amerikaanse countrylijst en zelfs een notering in de poplijst.

Door een countrysong aanvaardbaar te maken voor een groot publiek vervolledigt Emmylou Harris het levenswerk van Gram Parsons.

 

Na het succes van zijn debuutplaat Guitar Town gaat Earle opnieuw met The Dukes aan de slag voor de opvolger: Exit 0. Hoewel de teksten in het verlengde liggen van de debuutplaat en de basis muzikaal nog country is, neigt het meer naar rock. ‘Ik ben ambitieus,’ geeft Earle toe, ‘ Ik wil naast U2 staan. Dan Seals interesseert me niet.’ (Dan Seals staat dan op 1 in de countrylijst, met een duet met Marie Osmond.)

De eerste single, ‘I Ain’t Ever Satisfied’ doet het goed op de rockzenders. De countryzenders vinden dat maar niets en de opvolger, ‘Nowhere Road’, wordt door hen volledig genegeerd. Erg vervelend voor een countryzanger. ‘Steve had het er behoorlijk moeilijk mee dat hij niet werd aanvaard als een country artiest,’ zegt Bennett. ‘Hij wou lid worden van de Grand Ole Opry. Hij deed erg zijn best om volgens de regeltjes van Nashville te werken, voor die eerste plaat. Hij hield zich kalm en was beleefd tegen iedereen…. ‘

Maar voor de tweede houdt hij niet langer de schijn op. Hij komt ongeschoren naar de afspraken met MCA Nashville en stelt daar zijn eisen. Zo wil hij niet met zijn kop op de hoes van Exit 0. In plaats daarvan komt er een grote afbeelding van een wegwijzer met daarop zijn naam. Bovendien staat hij er op dat “and the Dukes” in even grote letters vermeld staat.  

Zijn jarenlange vriend Rick Steinberg drukt het zo uit: ‘Steve raakte met zijn voeten de grond niet meer. Hij was “bigger than life”. Wanneer de grootste songwriters je complimenteren en je helden je vertellen hoe fantastisch je bent, dan verander je.’

Het succes wordt opnieuw bevestigd met twee Grammy nominaties, eentje voor de single ‘Nowhere Road’ en een voor de elpee zelf.

Privé gaat het van kwaad naar erger: nog voor de opnamen van zijn debuutplaat is Earle al gescheiden van Carol. Daarna komt Lou-Ann, moeder van een tweede zoon, plus een geadopteerde dochter. Maar ook dat huwelijk loopt op de klippen, nadat hij, tijdens het mixen van Exit 0 een verhouding begint met iemand van de platenfirma in Los Angeles: Teresa Ensena.

Bovendien komt het grote geld stilaan binnen en staan er geen beperkingen meer op zijn drank- en druggebruik. Op 31 december 1987 raakt Earle, in een dronken bui, slaags met een vriend. Een agent komt tussenbeiden en pakt de zanger hardhandig aan. Zijn stembanden raken daarbij permanent beschadigd, zodat hij voortaan rauwer klinkt.

‘Nowhere Road’, uit Exit 0.

  

Voor zijn derde plaat ziet Steve Earle het groots. Hij wil een rockster worden, met een tournee door de Amerikaanse sportarena’s. Onder invloed van Teresa, een A&R vrouw van Geffen, gespecialiseerd in hard rock (zij heeft Guns N’ Roses ontdekt) gaat hij voor heavy metal bluegrass. Het wordt een radicale breuk met het country establishment. Hij vraagt MCA om hem over te hevelen naar de pop afdeling van de maatschappij, gevestigd in Los Angeles. Specifiek bij het label Uni – niet toevallig de afdeling waar Teresa net naar is overgestapt. Ook voor zijn boekingsagent en manager schakelt hij over naar mensen van de Westkust.

 De opnamen vinden plaats in Memphis, uit de buurt van het toezicht van Nashville. ‘Copperhead Road’, het titelnummer van de plaat, omschrijft hij als ‘mijn stadium song’. De songs zijn netjes onderverdeeld in twee categorieën: politieke nummers op de eerste kant en lovesongs op de tweede kant van de elpee. Voor de hoes komt hij met een foto van een Hell’s Angels jas met daarop een afbeelding van een doodskop met gekruiste knoken.

Copperhead Road verschijnt op 17 oktober 1988. De plaat doet het uitstekend. Het titelnummer wordt zelfs een heuse hit. De rockpers noemt hem de “redder van de countrymuziek”: de man die een rockpubliek weet te bereiken. De drums worden luider in Nashville en de gitaren steviger.

‘Copperhead Road’ op Letterman

Toch wordt de boodschap over een Vietnam veteraan die een handeltje opzet in marihuana, niet overal even goed aanvaard. MCA Nashville wil af van die vent met zijn tatoeages en zijn arrogantie. Zeker nu in de pers meer aandacht is voor zijn escapades. Zo kan zijn advocaat nipt een gevangenisstraf vermijden, voor de vechtpartij op Nieuwjaarsavond. Zijn eerste vrouw, Sandy, eist meer geld. Tien dagen voor zijn huwelijk met Teresa, dient Lou-Anne klacht in wegens mishandeling en een vrouw uit East Tennessee beweert dat hij de vader is van haar kind. 

Tot overmaat van ramp gaat Uni net dan over kop, zodat zowel Steve als Teresa op straat komen te staan.

De kersverse mevrouw Earle, wil hem van zijn verslaving afhelpen, door hem te laten opnemen. Ze zorgt er voor dat mei 1989 volledig vrijgehouden wordt. Ze heeft iedereen gevraagd om mee te werken, maar er loopt iets mis. De dag voor hij zou worden opgenomen, tipt iemand hem en hij vlucht weg.

Die zomer mag Steve Earle  met Bob Dylan mee op zomertournee, als zijn openingsact. Dylan toont zich niet zo tevreden over Earle’s taalgebruik op het podium. Veel interessanter lijkt hem het spel van Bucky Baxter, de steelgitarist van The Dukes. Hij vraagt hem zelfs om enkele privé lessen. Twee jaar later krijgt Baxter een plaatsje in de band van de meester.

 

De opvolger van Copperhead Road laat even op zich wachten. The Hard Way verschijnt in juli 1990. De titel is niet toevallig gekozen. ‘Wanneer er zoveel tegen zit, denk je wel eens: Wat heb ik misdaan? Waarvoor word ik gestraft? Je begint er complexen van te krijgen,’ klaagt Earle in 1990 tegen een Britse journalist. 

‘Ik denk dat ik prima weergegeven heb wat er in mijn leven gebeurde,’ blikt hij bij een latere gelegenheid terug. ‘Ik blijf The Hard Way tot de dood verdedigen, omdat ik er bijna was geweest, tijdens de opnamen. Alhoewel, bijna dood ervaringen had ik wel meer in die tijd. Ik kwam steeds te laat, omdat ik altijd in de East Side zat om drugs te scoren. Ik had een Harley uit elkaar gehaald in de lobby van de studio, omdat ik er iets mee van plan was. Natuurlijk waren ze daar niet blij mee, met overal vet en olievlekken … Maar als iemand tegen me zei: “zoiets kan je niet doen”, toonde ik mijn tatoeages en zei “Fuck you!”.’

Ook op zijn vierde plaat schopt hij weer wild om zich heen: een aanklacht tegen het Canadese gerechtssysteem, een song over de ter dood veroordeling van een moordenaar, … Maar het hoogtepunt is ongetwijfeld een prachtig duet met Maria McKee: ‘Promise You Anything’.

Het half miljoen verkochte exemplaren van de voorganger wordt echter lang niet meer gehaald en Earle beseft dat hij de droom om zo groot te worden als Guns N’ Roses of Springsteen stilaan mag opbergen.

Ook de liveplaat Shut Up And Die Like An Aviator (1991) doet het behoorlijk minder dan verwacht.

De platenmaatschappij heeft er genoeg van. Het contract wordt niet verlengd, omwille van zijn aanslepende drugsproblemen. Na amper vijf jaar is de veelbelovende carrière van de Texaan al voorbij.

‘The Other Kind’ uit 1990 – Het lange haar typeert Steve Earle. Iemand van de platenmaatschappij raadde hem aan zijn haar wat te verzorgen, om zo beter over te komen. Waarop Earle vier jaar lang zijn haar niet liet knippen. 

Vakantie in het ghetto

Nadat MCA hem heeft laten vallen, verdwijnt Earle van het toneel. Het grote geld wordt opgesoupeerd aan drank en drugs. Steve Earle wordt snel een full time junkie.

Vooral Teresa moet het bezuren. ‘Het was oorlog!’, grinnikt Steve, ‘Maar ik vond dat wel leuk. Ik hield er toen wel van om de mensen op stang te jagen en te intimideren.’ Ze ziet slechts één oplossing: de geldkraan dichtdraaien. ‘Mijn vrouw besloot dat de enige manier waarop ze me kon redden was mijn truck weg te halen van voor het huis van mijn dealer, mijn rekeningen af te sluiten en me droog te zetten, in de hoop dat ik zou gaan afkicken. Maar ik had een revolver […], werd bewaker van een drugspand en kreeg zoveel drugs ik maar wou.’

Songs schrijven zit er niet meer in. ‘Ik kon niet. Ik had geen tijd. Ik zocht de hele dag naar drugs.’

Trouwens: de gitaren zijn al lang naar het pandjeshuis versast – inclusief de spullen van zus Stacy, bij wie hij een onderkomen heeft gezocht. 

Einde 1993 heeft zijn advocaat een aanbod gekregen van een platenfirma: een miljoen dollar voor twee elpees.  Earle neemt demo’s op van vier songs. ‘Ik moest enkel maar op het vliegtuig stappen. Op naar New York, om daar het contract te tekenen. Ik ging naar het vliegveld, kocht een ticket, liep naar de gate… en draaide me om. Ik had geen plaat in me en ik wist het.’

Essential Steve Earle is een compilatie die MCA in maart 1993 op de markt gooit. Het geld is meer dan welkom, om dure advocaten te betalen. Die zijn nodig om de opeenvolgende echtscheidingen te regelen en hem uit de bak te houden. Want de aanklachten volgden elkaar in een hoog tempo op: drugsbezit, verboden wapendracht, rijden zonder rijbewijs… 

Nadat hij in mei 1993, voor de zoveelste keer is gearresteerd voor drugsbezit, ontvlucht hij Nashville voor de zaak voorkomt. ‘In Chattanooga hadden ze prima methadon.’

Daar leest hij in de krant dat de rechter zich boos heeft gemaakt omdat hij weer eens niet is komen opdagen. Er wacht hem een effectieve celstraf van 11 maanden en 29 dagen. Zijn advocaat raadt hem aan zichzelf te gaan aangeven.

Dat doet hij, maar niet voordat hij zichzelf nog een laatste shot heeft gezet. ‘Paranoide worden en dan naar de gevangenis gaan: prima idee!’ zo geeft hij toe. ‘Midden in de nacht stopten ze me in een cel.’

Na drie weken sturen ze hem naar een ontwenningskliniek, ‘omdat ze vreesden dat ik in de gevangenis zou sterven. … Mijn advocaat regel het voor me, omdat een behandeling beter was dan de gevangenis. Ik ging niet vrijwillig in rehab. Het was mijn bedoeling om bij de eerste de beste gelegenheid ervan door te gaan en naar Ierland te trekken. Maar, op een gegeven moment gebeurde er iets met me: voor het eerst in mijn leven begon ik te doen wat anderen me zeiden. Ik besloot dat ik in leven wou blijven.’

Hij wil geen bezoek, behalve van Lou-Anne, met wie hij in augustus ’94 is hertrouwd. Maar hij krijgt er wel brieven, van Johnny Cash, Waylon Jennings en Emmylou Harris.

Na een maand in rehab, wordt hij terug naar de gevangenis overgebracht. Op 11 november 1994, na anderhalve maand opsluiting, mag hij terug buiten. Voorwaardelijk vrij.

Afgeslankt, clean en met de wil om zijn leven terug in goede banen te leiden, tekent hij een contract voor één elpee, bij een klein onafhankelijk label, Winter Harvest. Hij heeft een duidelijk doel voor ogen: een zuiver akoestische plaat. Een bluegrass achtige elpee, in de stijl van zijn favoriete plaat: Roses In The Snow, van Emmylou Harris uit 1980.

Op de mandoline wil hij graag Sam Bush, maar die heft net zijn arm gebroken. Dan pas denkt hij aan een oude vriend: Peter Rowan, die nog heft gespeeld bij Bill Monroes Bluegrass Boys. ‘Het moet een mentale blokkade geweest zijn,’ vertelt hij. ‘Ik had gewoon niet aan Peter gedacht. … Hij is vooral gekend als gitarist, omdat hij dat instrument bespeelde toen hij bij Bill Monroe zat, maar in de loop der jaren is hij een geweldig mandoline speler geworden. Hij is ook een fantastisch zanger. En zo hadden we meteen onze tenor.’

En dan is er nog een solist: Norman Blake, op dobro en Hawaiïaanse gitaren. ‘Norman uit Georgia laten overkomen is op zich al een hele opdracht,’ verklapt Earle. ‘Hij is, laten we zeggen, nog al honkvast. Niemand doet beter wat hij doet, dan hijzelf. Norman is een flatpick akoestisch gitarist, maar hij kan alles bespelen dat snaren heeft. Hij werd echt wel het manusje van alles van onze plaat’

Behalve Earle zelf is er enkel nog Roy Husky op akoestische bas en Emmylou Harris komt meezingen op twee nummers. ‘Dat was puur geluk’, lacht de zanger. ‘Emmylou was toevallig in de buurt, om die plaat met Daniel Lanois op te nemen. Maar haar te pakken te krijgen, dat was pas moeilijk. Het was gewoon een ingeving.’

De opnamen vinden plaats in januari ’95, in Nashville. De sessies duren maar drie dagen. De zang en het gitaarspel van Steve worden live opgenomen en de overdubs tot een minimum beperkt. Voor het eerst werkt Steve Earle daarbij met analoge apparatuur. Bedoeling is het geluid van de platen van The Louvin Brothers te benaderen. ‘Ik wou dat het klonk als iets van dat oude Opry spul, waar iedereen gewoon rond één microfoon stond. Dat is ook wat wij bijna deden. Uiteindelijk verliep de opname nog meer organisch dan, wat ik had gehoopt.’

‘Ik heb in lange tijd niet zo goed gezongen,’ meent Earle. ‘Vooral omdat ik geen drugs meer gebruik.Heroïne verslapt de stembanden en verlaagt het stembereik wat. Als je daar dan probeert over te gaan…’

Voor de songs grijpt hij terug naar enkele heel oude demo’s. ‘ ‘Tom Ames’ Prayer’, ‘Hometown Blues’ en ‘Mercenary Song’ schreef ik toen ik 19 of 20 was. Het waren de eerste demo’s die ik in Nashville opnam. ‘Tom Ames’ Prayer’ heb ik al voor elk voor mijn elpees willen opnemen. …’Goodbye’ is de eerste song die ik schreef na vier jaar niets te hebben geschreven. Ik vind het één van mijn allerbeste songs.’

Daarnaast zijn er covers van songs van zijn helden: ‘Tecumseh Valley’ van Townes Van Zandt en ‘I’m Looking Through You’ van The Beatles. ‘Rivers of Babvylon’ van de reggae groep The Melodians was een spontane ingeving. Earle en Rowan kwamen er toevallig op tijdens een jam in de studio. 

‘Dit is exact de plaat die ik nu moest maken,’ schrijft de zanger in de hoesnota bij de heruitgave in 2002. ‘Geen enkele grote maatschappij zou mij zoiets laten maken, zeker niet als een comeback na vier jaar. Dit had ik altijd al willen doen. Dit was een plaat zonder drang, op een moment in mijn leven waar ik een plaat zonder drang nodig had.‘ 

Een vijfde Grammy nominatie is de erkenning voor Train A Comin’, misschien wel de beste plaat van Steve Earle.

‘Goodbye’ met Emmylou Harris, die de song ook coverde op haar Wrecking Ball.
Een opname uit 1995, voor Later van Jools Holland.

Op 25 juni 1996, speelt Earle, als onderdeel van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling, een concert in de gevangenis waarin hij heeft gezeten: de  Cold Creek Correctional Facility in Henning, Tennessee. Het optreden wordt gefilmd door MTV. (Ironisch genoeg, want in de hoestekst bij zijn comebackplaat ventileert Earle stevig zijn afkeer van de Unplugged rage.) Een samenvatting van de show wordt uitgezonden op 17 augustus 1996, onder de toepasselijke titel To Hell And Back.

In een serie over muziekinstrumenten die onlosmakelijk verbonden zijn met de muziek uit de South mag natuurlijk de banjo niet ontbreken. “Amerika’s instrument” noemen ze het wel eens. Traditioneel is het instrument veel te horen in old time country en folk, maar de laatste jaren grijpen vooral Americana singer/songwriters graag terug naar die betoverende, bezwerende banjoklanken.

Enkele voorbeelden uit de laatste drie decennia.

The Violent Femmes – “Country Death Song”.

Toen de folk-punk band The Violent Femmes de songs van Hallowed Ground (1984) aan de platenmaatschappij voorstelden, had de grote baas alleen klachten over ‘Country Death Song’: “t Is goed, tot de piano begint en de boel verknoeit.” De band heeft echter helemaal geen piano gebruikt op dit nummer. De man kende het verschil niet tussen het geluid van een piano en dat van een banjo.

 

‘Black Soul Choir’ van 16 Horsepower, uit Sackcloth ‘n’ Ashes (1998)

“Muziek van de oude wereld, de nieuwe wereld en een andere wereld,” zoals David Eugene Edwards het uitdrukt.

 

Gillian Welch – ‘My First Lover’, uit Time (The Revelator) (2001)

Omdat Ariejan Korteweg het zoweel mooier weet uit te drukken, een citaat uit zijn colum Enteren:

“Zangeres Gillian Welch is iemand die weet wat enteren is. Harkerig neemt ze in My first lover de afslag naar het verleden, om op zoek te gaan naar haar eerste geliefde. Een rammelbanjo is haar enige gezelschap. Ze volgt een dun spoor dat haar, zo te horen tot haar eigen verrassing, bij ‘Quicksilver Girl’ van Steve Miller brengt. Een bij nader inzien wonderschoon lied, waarin zonder enige haast de liefde voor een vlinderachtig meisje wordt bezongen. Met hese stem schuift ze het refrein van dat lied haar eigen tekst binnen: “quicksilver girl, quicksilver girl”.
Steve Miller was een hoogbegaafde, aartsluie gitarist, wiens muziek klonk als iemand die zich behaaglijk uitrekt na een diepe slaap. Volkomen op z’n gemak vertelt hij over een verloren liefde: “quicksilver girl, lover of the world. When she needs a little lovin’, she’ll turn on the heat. . .”
Meer dan twintig jaar zijn verstreken. Welch laat de fysieke kant van de zaak rusten. Ze grijpt naar de banjo en beperkt zich tot het eind: and she’s free.”
(Gepubliceerd in De Volkskrant op 18 oktober 2001)

 

Laura Veirs – ‘Through December’, uit The Triumphs and Travails of Orphan Mae (2001). Zo triest… zo schoon.

 

In ‘Decatur’ vertelt Sufjan Stevens het ware verhaal van de skeletten die door een overstroming van het kerkhof door de straten spoelden. Uit Come on Feel the Illinoise (2005).

 

Op ‘Banks Of The Edisto’ bezingt Dyana Kurtz een overleden vriend. Uit Another Black Feather (2006).

 

Omdat er opvallend veel lijken gepasseerd zijn, eindigen we met iets lichter:

Dolly Parton, Emmylou Harris en Linda Ronstadt bezingen in 1976 Partons Hillbilly oom, ‘Apple Jack’.

mandolines

Italiaanse Spanjaarden

De introductie van het mediterane instrument in de Amerikaanse muziek gebeurde op een wel heel bijzondere manier: door imitatoren die de verkeerde instrumenten gebruikten.

 

Aan het einde van de 19de eeuw was Henry Abbey een van de vele impresario’s in New York. In 1879 had hij op de wereldtentoonstelling in Parijs de ‘Estudiantina Figaro’ opgemerkt. De groep van een twintigtal muzikanten was afkomstig uit Madrid en stond onder leiding van Carlos Garcia Tolsa.

Het orkest bracht swingende versies van allerhande muziekstukken, uitgevoerd op traditionele snaarinstrumenten als de chitarra en bandurria. Met hun bontgekleurde kostuums en aanstekelijke muziek waren ze een groot succes bij de vele bezoekers. De impresario nodigde de groep uit om hun kunsten te komen vertonen in de Nieuwe Wereld.

 

Op nieuwjaardsag 1880 presenteerde hij zijn nieuwste ontdekking aan het New Yorkse publiek. Dat reageerde dolenthousiast en de concertreeks kreeg een vervolg met een tournee door het hele continent.

 

Een collega impressario, de Italiaan Carlo Curti was violist en orkestleider in het Waldorf Astorio Hotel in New York. Toen hij zag hoezeer de ‘Estudiantina Figaro’ in de smaak vielen, dacht hij dat er voor hem ook wel wat profijt in zou kunnen zitten. Hij besloot zijn eigen groep op te richten. Bandurria’s waren echter zeer moelijk te vinden in Amerika. Maar precies omdat het snaarinstrument er zo onbekend was zou niemand het merken wanneer het werd vervangen door een gelijkaardig instrument waarmee hij beter vertrouwd was: de Napolitaanse mandoline.

 

Het was voor Curti niet moeilijk om in New York voldoende mandolinespelers te vinden. Tijdens het laatste kwartaal van de 19de eeuw waren vele Italianen naar de Nieuwe Wereld getrokken. Terwijl er in 1870 slechts een kleine drieduizend in heel de Verenigde Staten waren, woonden er tegen het einde van de eeuw, alleen al in New York, honderdvijfenzeventigduizend.

Hoewel Curti’s groep dus uitsluitend gevormd werd door Italiaanse muzikanten presenteerde hij ze toch onder de naam ‘Spanish Students’. Het bleek een goede gok want zijn mandolineorkest werd al snel even populair als het origineel. Zeker toen de Spanjaarden terug naar huis keerden en Carlos (let op de toegevoegde ‘s’) alleen overbleef met zijn mandolinespelers.

 

De vijf-snarige banjo was op dat moment al een rage bij de middenklasse. Overal aan de Oostkust en – in mindere mate – het Midwesten schoten in de jaren tachtig banjoclubs als paddestoelen uit de grond. Maar door het succes van de ‘Spanish Students’ steeg nu ook de vraag naar mandolines en tegen het einde van de eeuw had de mandoline de banjo naar de tweede plaats verwezen. 

 

 

Ontwikkelingen

 

De instrumenten werden eerst nog ingevoerd vanuit Italië en Duitsland. Vanaf 1890 echter begonnen verschillende Amerikaanse bedrijven hun eigen mandolines te bouwen. Langzaamaan slopen er allerlei aanpassingen en verbeteringen in de ontwerpen. Zo kwam Merrill’s Aluminium Instrument Company met een klankkast uit aluminium gekoppeld aan een houten hals. Andere firma’s experimenteerden met allerlei vormen en stijlen. Het populairst waren de Washburn instrumenten van Lyon & Healy uit Chicago, waarvan er tegen 1894 jaarlijks meer dan zevenduizend werden geproduceerd. 

 

Het meest succesvol waren de vernieuwingen van ene Orville Gibson. De excentrieke klerk uit Kalamazoo, Michigan bouwde instrumenten puur als hobby. In 1896 vroeg hij een patent aan voor een “spanningsvrije” mandoline. Grofweg gebaseerd op de stijl van een viool ontwierp hij het prototype van de “Amerikaanse mandoline” zoals die er nog steeds uitziet: een asymetrisch instrument met een gestoken, gewelfd voor- en achterblad en gebogen zijkanten. De klank is hierdoor steviger, warmer en meer van een ‘houten’ karakter dan van de luitvormige mandolines.

 

Met de hulp van lokale geldschieters richtte Gibson in oktober 1902 de Gibson Mandolin-Guitar Manufacturing Co, Ltd op. Dankzij een agressieve marketingcampagne was de firma, amper acht jaar later al marktleider.

 

Het mooie liedje bleef echter niet duren: toen Amerika in 1917 betrokken raakte bij de Eerste Wereldoorlog kwam er een einde aan de populariteit van de mandoline ten voordele van de ukelele en de 4-snarige banjo.

 

Toch betekende dat niet het einde voor de ontwikkeling van het instument. In een poging om de verkoop terug aan te zwendelen ontwikkelde Lloyd Loar voor Gibson het ‘Master model’. De peervormige Gibson F5 die vanaf 1922 op de markt kwam, was niet alleen steviger, ze had bovendien ook een vollere, diepere klank.

Maar de verkoop bleef dalen en Loar verliet in december 1924 de firma. In de vijf jaar dat hij er had gewerkt had hij 326 mandolines gebouwd.

 

De doorbraak van de Gibson F5 kwam er pas halverwege de jaren veertig toen de mandoline aan een tweede jeugd begon als het bluegrass instrument bij uitstek.

 

Sinds die tijd zijn de originele, door Loar gesigneerde en gedateerde exemplaren zeer gezocht, net als een Stradivarius viool. Elk van zijn mandolines is inmiddels een klein fortuin waard en haalt prijzen tot € 200 000.

 

 

Bluegrass

 

Tot halverwege de jaren dertig werd de mandoline haast uitsluitend gebruikt als begeleidingsinstrument in klassieke en volksmuziek: de zogenaamde mandolineorkesten.

 

Daar kwam verandering in door het duo Mac & Bob. Lester McFarland en Robert Gardner, allebei blank en blind, hadden mekaar gevonden op de blindenschool in Kentucky. Samen namen ze vanaf de jaren dertig zo’n 200 songs op, meestal met begeleiding van gitaar en mandoline. Ze waren erg succesvol en verkochten meer dan een miljoen platen.

Dat voorbeeld inspireerde anderen, zodat er in de jaren dertig heel wat duo’s en groepjes onstonden, veelal broers, waarvan de Blue Sky Boys en de Monroe Brothers het meest aanspraken.

 

De echte doorbraak van de mandoline in de country kwam er door één man uit dat laatste groepje.

 

Billl Monroe (1911- 1996) was de jongste van acht kinderen, geboren op een boerderij in Rosine, Kentucky. Zijn moeder kwam uit een muzikaal begaafde familie. Er werd dan ook veel gemusiceerd in huiselijke kring. Omdat zijn oudere broers Birch en Charlie respectievelijk voor de fiddle en de gitaar hadden gekozen, kreeg de jongste het minst gewilde instrument toegespeeld: de mandoline.

Toen zijn ouders vrij kort na mekaar overleden werd Bill verder opgevoed door de broer van zijn moeder: fiddlespeler Pendleton “Uncle Pen” Vandiver. Door met hem op te treden leerde hij veel bij.

Zodra hij 18 werd reisde Bill zijn broers achterna. Die waren naar Indiana getrokken om er te gaan werken in de olie industrie. Daar vormden ze de Monroe Brothers, waarmee ze optraden op feestjes en partijen. 

Vanaf 1936 hadden Bill en Charlie flink wat succes met hun blanke gospel en “old-time” muziek, maar de echt grote doorbraak kwam er pas in 1946. Bill was toen al een aantal jaren aan het experimenteren met zijn nieuwe band, de Blue Grass Boys. In de loop van het vorige jaar had hij zijn puur akoestische band versterkt met een paar uitstekende nieuwe muzikanten: banjospeler Earl Scruggs, zanger/gitarist Lester Flatt, fiddler Chubby Wise en bassist Howard Watts. Hiermee viel alles mooi in zijn plaats: in plaats van de muziek in de stringbandtraditie, waarbij alle instrumenten samen de melodie spelen, kwam iets geheel nieuws.

Net als bij jazz spelen bij bluegrass de muzikanten beurt om beurt een solo. Ze gebruiken daarvoor uitsluitend akoestische snaarinstrumenten als mandoline, banjo en fiddle. Opvallend is dat ze de indrukwekkende “breaks” meestal in een razendsnel tempo doen. In combinatie met de meerstemmige zang levert dat prachtige muziek op.

 

Voor zijn virtuose, vingervlugge mandolinesolo’s gebruikte Bill Monroe een Gibson F5 model, getekend en gedateerd door Lloyd Loar op 9 juli 1923.

Bill Monroe and his Bluegrass Boys – ‘Blue Moon of Kentucky’ uit 1946

 

De Blue Grass Boys bleef amper twee jaar samen in de originele bezetting. Flatt en Scruggs richtten, in 1948, hun eigen groep op: de Foggy Mounatin Boys. Maar inmiddels was bluegrass enorm populair geworden en was de banjo onlosmakelijk met het genre verbonden. Om zich te onderscheiden van de meester, zochten andere banjospelers naar een eigen speelstijl: Jesse McReynolds (van Jim and Jesse) en  Bobby Osborne van de Osborne Brothers bijvoorbeeld.

 

Halverweg de jaren vijftig echter werd bluegrass naar de marge verwezen, door de opkomst van de rock ‘n’ roll en de meer gelikte country uit Nashville. De mandoline verdween opnieuw uit beeld.

 

 

Countryrock

 

De bekendste mandolinespeler van de countryrock is ongetwijfeld Chis Hillman. Na een pure bluegrass start met zijn eigen The Hillmen trad hij zelden nog op voor de voorgrond. Toch speelde hij niet te onderschatten rol bij baanbrekende bands als de Byrds, de Flying Burrito Brothers, Manassas, Souther-Hillman-Furay en de Desert Rose Band. De eerste jaren bespeelde hij een Gibson mandoline uit 1950. Maar in 1972 kreeg hij een echte Lloyd Loar F5 cadeau van Stephen Stills.

 

Chris Hillman & Herb Pederson – Mr. Tambourine Man

 

Misschien dat de sierlijke krul bovenaan de mandoline muzikanten met krulhaar aantrekt, maar David Mansfield is al evenzeer gezegend met een mooie krullenbol. Na de tweede helft van jaren zeventig te hebben doorgebracht in de bands van Bob Dylan, legde hij zich toe op een bestaan als studiomuzikant en componist van filmmuziek (Heaven’s Gate en Songcatcher). 

 

Bruce Hornsby – ‘Mandoline Rain’

 

Loudon Wainwright III – Breakfast in Bed

 

 

 

Bluegrass is here to stay

 

Vanaf het einde van de jaren tachtig kwam bluegrass terug in de belangstelling en daarmee ook de banjo terug in hitlijsten. Dat was vooral te wijten aan enkele jonge vrouwen: Alison Krauss en de Dixie Chicks. Krauss kon rekenen op de samenwerking met de band Union Station, met banjospeler Ron Block. Bij de Chicks bespeelt Emily Robinson het instrument.

 

Later gingen ook andere countryzangers zich herbronnen aan het genre: Dolly Parton (The Grass Is Blue, met Jim Mills– 1999), Steve Earle (The Mountain met Ronnie McCoury – 1999) of Patty Loveless (Mountain Soul – 2001).

 

Na het succes van de film Oh Brother, Where Art Thou kwamen er meer films met een zelfde soundtrackconcept: een mengeling van oude muziek en nieuwe versies gebracht door grote namen: Songcatcher en Cold Mountain.   

In die laatste speelt Jack White van The White Stripes mee. Hij spelt ‘Wayfairing Stranger’ op banjo aan het kampvuur. Daarna gebruikt hij het snareninstrument op verschillende songs van de volgende White Stripes de Icky Thump.

 

 

Mandolines in de Britse rock

 

In Ierse folkmuziek was de mandoline al langer geaccepteerd. Via die omweg sloop het instument aan het einde van de jaren zestig binnen bij Britse folkrockgroepen als The Incredible String Band. Later volgden Lindisfarne (‘Fog on the Tyne’) en McGuinness Flint (‘When I’m Dead And Gone’).

Ray Jackson, de mandolinespeler uit Lindisfarne, speelde ook mee op de eerste soloelpees van Rod Stewart, tussen 1970 en 1974. Zijn bijdrage speelt een prominente rol op hits als ‘Maggie Mae’, ‘Gasoline Alley’ en natuurlijk ‘Mandoline Wind’.

 

Zelfs Led Zeppelin was er niet vies van: bassist John Paul Jones toont zijn kunsten op ‘Going to California’ en ‘That’s the Way’. Jimmy Page wou niet voor hem onderdoen en kwam met ‘The Battle of Evermore’.

 

Begin jaren tachtig volgden nog Yes (‘Wonderous Stories’), The Smiths (‘Please Please Please Let Me Get What I Want’) en Steve Winwood (‘Back In The High Life’).

De jaren negentig brachten The Levellers.

 

Meer recent dook de mandoline op bij Indigo Moss en de man die elk instrument en elk genre wel eens ooit heeft geprobeerd: Paul McCartney. In andere tijden zou zijn ‘Dance Tonight’ een dikke hit zijn geweest.

 

McGuinness Flint – ‘When I’m Dead And Gone’ met Benny Gallager op mandoline

 

Paul McCartney – ‘Dance Tonight’

 

 

 

Waarschijnlijk is het bekendste nummer gebouwd rond een mandoline er eentje van R.E.M. uit 1991: ‘Losing My Religion’. Aan biograaf Johnny Black vertelde Peter Buck dat het nummer eerder toevallig was onstaan. Hij had pas een mandoline gekocht en waseen beetje aan het oefenen terwijl hij TV aan het kijken was. Om te kunnen nagaan of het op iets trok liet hij een bandopnemer meelopen. Toen hij de volgende dag terugluisterde viel hem de riff op, tussen heel veel oefenriedeltjes. En dat was de basis van een van hun grootste hits.

 

 

de National Style O uit 1936, van Mark Knopfler
de National Style O uit 1936, van Mark Knopfler

 

De Resonator gitaar

 

 

Het instrument dat prijkt in het balkje bovenaan deze blog is een resonator. Een gitaar die als geen ander instrument verbonden is met de muziek uit de South: blues, country en bluegrass. Niet voor niets maakte Paul Simon in ‘Graceland’ de vergelijking: “The Mississippi Delta shines like a National Guitar”.

 

National Guitar is slechts één van de namen voor het prachtige metalen instrument. Bekender is waarschijnlijk de Dobro. En voor velen is de gitaar synoniem met een lap steel. Nochtans is het dat niet noodzakelijk.

 

Vreemd is eigenlijk ook dat zo een typisch Amerikaans instrument versierd is met op-en-top Europeese Art Deco ornamenten.

 

Kortom: reden genoeg om even de geschiedenis in te duiken.

 

 

Los Angeles – 1925

 

We komen terug boven water in 1925, in Los Angeles. Hollywood is in die periode volop aan het uitgroeien tot het centrum van de amusementsindustrie. Aangetrokken door de werkgelegenheid voor zowat iedereen en het altijd mooie weer komen de mensen van heinde en verre er hun geluk zoeken.

 

Eén van hen is George D. Beauchamp. Hij werd 26 jaar eerder geboren in Texas en is een ondernemende jongeman. Hij was oorspronkelijk een violist, maar de Hawaïaanse muziekrage heeft hem doen overstappen op lap steel gitaar (zie hier: https://peerke3.wordpress.com/2009/02/16/steel-guitar/).

 

Net als alle ander gitaristen ondervindt hij dat zijn instrument wordt overstemd door de koper- en houtblazers. Het probleem is zelfs nog groter voor lap steel spelers, omdat de gitaar op hun knieën ligt en de klankkast dus naar het plafond is gericht. Er wordt dan ook naarstig gezocht naar oplossingen. Beauchamps heeft een collega gezien die een soort megafoon op zijn gitaar had bevestigd. Dat lijkt hem wel iets en hij gaat op zoek naar iemand die ook zoiets voor hem kan bouwen.

 

In de buurt van zijn huis in Los Angeles is er een banjo-en vioolwinkel. De instrumenten worden er allemaal zelf gebouwd door de uitbaters: John Dopyera en diens broers Robert, Rudolph (Rudy), Louis en Emil (Ed).

John werd in 1893 geboren als Ján Dopjera in Dolná Krupá, Slovenië. De Dopjera’s waren er al generaties lang bekwame vioolbouwers. Net als zovele anderen zijn vader en moeder Dopjera, in 1908, hun vaderland ontvlucht uit angst voor de dreigende oorlog. Op zoek naar een beter leven voor hun tien kinderen. Hoewel de meeste van hun landgenoten gestrand zijn in het Midwesten, zijn zij helemaal doorgereisd tot Californië. Zij zijn er zelfs de eerste Slovenen. Hard werken en kwaliteit leveren is hun enige verweer tegen het racisme waarmee ze af te rekenen krijgen.

 

John gaat dus aan de slag met het verzoek van Beauchamps. Hij bevestigt de hoorn van een Victrola platendraaier aan de onderzijde van de klankkast van een gitaar. Het ding is natuurlijk loodzwaar en de gitaar moet op een standaard worden geplaatst, om de hoorn naar het publiek gericht te houden.

 

Omdat dit toestel niet echt succesvol kan worden genoemd, slaat hij aan het experimenteren. Naar het voorbeeld van de klankkast van een banjo, bouwt hij een koker in de klankkast van de gitaar, vlak onder de brug. Na allerhande materialen en aantallen uitgetest te hebben, bereikt hij het beste resultaat met een metalen klankkast, met daarin drie kokervormige vellen in gesponnen aluminium – de resonators. Hiermee klinkt het instrument niet alleen drie tot vier keer luider dan een gewone akoestische gitaar, bovendien krijgt het instrument een mooie, metalige toon – alsof de gitarist zich in een grote metalen ruimte bevindt.

 

Beauchamp is verrukt over het resultaat. Hij stelt Dopyera voor om samen een bedrijfje op te richten om de gitaren te gaan produceren. Misschien wil zijn schoonbroer wel investeren? Die heeft toch geld genoeg. Ted Kleinmeyer heeft immers een miljoen dollar geërfd toen hij 21 werd en hij krijgt nog eens zoveel wanneer hij dertig wordt.

 

Bij het eerstvolgende feest dat Kleinmeyer geeft, zorgt Beauchamp er voor dat het wereldberoemde Hawaïaanse Sol Hoopii Trio present is, met het prototype van de resonator. De millionair reageert wildenthousiast over zowel het instrument als de plannen van zijn schoonbroer en schrijft, diezelfde nacht nog, een cheque uit van $12,000.

 

 

De National gitaar – of tricone

 

In 1925 is de National String Instrument Corporation een feit. Beauchamp heeft zichzelf natuurlijk aangesteld als directeur. Het personeel bestaat uit een aantal ervaren en competente vakmannen, waaronder de vijf Dopyeras en verschillende leden uit zijn eigen familie.

 

De National, zoals zij de resonator doopten, slaat aan en is al snel een succes in jazz-clubs en bij Hawaiiaanse orkesten doorheen de Verenigde Staten.

 

Omwille van de drie aluminium kokers op een T-stuk wordt dit model aangeduid als een “tricone” (tree cones). De metalen klankkast is nodig, om alle energie van de snaren te kunnen afleiden naar de schalen. Een houten klankkast zou teveel energie opslorpen door zelf mee te trillen. De klankkasten werden gemaakt in “German Silver”, een legering van 65% koper, 10-23% zink en 10-20% nikkel.

Van meet af aan was de tricone beschikbaar met twee soorten van gitaarhalzen. Het model met een rechthoekige hals is speciaal ontworpen om te worden bespeeld als steel gitaar, terwijl die met de ronde hals zowel geschikt is om op de traditionele manier te worden bespeeld als met de slide techniek.

 

Daarnaast werd er een onderscheid gemaakt naargelang de afwerking. Stijl 1 is het basismodel, met een egale klankkast, zonder versieringen en stijl 2 heeft gravures van wilde rozen op de achterzijde.

 

Vanaf 1928 komen er nog twee luxueuzere uitvoeringen bij: Stijl 3 met ingegraveerd lelies en een prachtig afgewerkte hals. Stijl 4 tenslotte is het paradepaardje van National: zowel de voor- als de achterzijde en de zijkanten van de body waren helemaal versierd met ingegraveerde chrysanten.

 

De resonator gitaren waren echter erg duur in vergelijking met gewone standaardgitaren. De spinnen van de aluminium voor de schalen en het graveren van de klankkasten waren daarvoor de voornaamste redenen. Een basismodel kostte $125 in 1930 en het topmodel, de stijl 4 zelfs $195. Ter vergelijking: een goedkope akoestische gitaar koste slechts $1,50.

 

 

National Triolian

 

Dopyra vond dat de tricone veel te duur was om te produceren. Wanneer ze een goedkopere resonator konden produceren zou dat de verkoop zeer zeker ten goed komen, meende hij.

 

Hij ging dus aan de slag om een goedkopere resonator te ontwerpen. Een eerste poging was de triolian, waarbij drie kleinere schalen schuilgingen onder één ronde afdekplaat. Dit bleek echter te complex voor een goedkoper model en er werden er slechts een handvol van verkocht voor de productie werd stopgezet.

 

 

Een echte single cone gitaar

 

Dopyra had ook al mandolines en ukelele’s ontworpen met slechts één enkele schaal. En een gitaar is eigenlijk toch alleen maar een grote ukelele, niet? Dus kwam hij met een nieuw model resonator met slechts één grote schaal. Die werd in een ronde houten trommel aangebracht, met daarboven een metalen afdekplaat ter bescherming. Omdat die ronde trommel erg doet denken aan een koekjesdoos circuleerde al snel de bijnaam “biscuit”.

 

Maar Dopyra was niet tevreden over de klank en wou het instrument niet op de markt brengen.

 

 

De Dobro

 

Al van in het prille begin had het niet echt geboterd tussen de Dopyra’s en Beauchamps. Zowel zakelijk als privé kwamen de twee niet overeen. John en zijn jongere broer Rudy Dopyra besloten daarom einde 1928 om uit de zaak te stappen en een eigen firma op te richten.

 

Ze noemden hun zaak Dobro Manufacturing Company. Die naam was afgeleid van DOpyera BROthers. Bovendien betekent “dobro” in het Slovaaks “goed”, zodat ze konden uitpakken met de slogan: “Dobro means good in any language!”.

 

John Dopyra ontwikkelde een heel nieuw model resonator: de dobro. Het uitgangspunt was het omkeren van de koker, met de bolle zijde naar beneden gericht, in plaats van naar boven. In tegenstelling tot de eerste twee modellen, waarbij de brug rust op de top van de koker, bevestigde hij de brug nu op een achtbenige aluminium spin, die schuil gaat onder een opengewerkte metalen afdekplaat. Het oppervlak van die afdekplaat staat lichtjes bol.

Met de nieuwe techniek was het ook niet langer nodig om een metalen klankkast te gebruiken en kon het binnenwerk worden ingebouwd in een houten klankkast.

Dit systeem was niet alleen goedkoper te produceren, het gaf bovendien ook een nog betere versterking dan de tricone van National.

Om problemen met Beauchamp te vermijden werd het patent aangevraagd op naam van Rudy Dopyra.

 

De dobro werd snel zo populair dat de merknaam een soortnaam werd.

 

Omdat de vraag groter was dan de productie (maximum 600 per maand) gaf Dobro Corps einde 1932 een licentie aan een gitaarbouwer in Chicago om hun resonators in te bouwen in hun eigen, houten klankkasten. Dobro leverde alle metalen onderdelen. Deze werden dan verkocht onder de naam Regal. Om onderlinge concurentie te vermijden behield Dobro de markt ten westen van de Mississippi en verkocht Regal in het oosten.

 

 

National Duolian

 

Met National ging het ondertussen minder goed. Door de grote recessie van 1930 liep de verkoop van de dure tricones sterk terug.

 

Beauchamps had, na het vertrek van de broers, snel het patent op de “biscuit” aangevraagd onder zijn eigen naam. Daardoor kon hij alsnog met een éénschalig model uitpakken om de concurentie met Dobro aan te gaan.

 

Omdat hij nog een pak etiketten had liggen met de naam triolian, werd het instrument eerst onder die naam verkocht. Om het goedkoop te houden werd de afwerking van de metalen klankkast beperkt tot gewoonweg schilderen: in roze of geel, met gestencilde afbeeldingen van hula meisjes op de achterzijde geplakt.

 

Vanaf 1930 kwam National met een budgetversie van hun éénschalige resonator, uitgevoerd in goedkopere materialen: de Duolian (triolian, maar dan iets minder). De Duolian was erg goedkoop in verhouding tot de andere modellen: $32.50 voor een stalen model. 

 

Tegelijk kwamen ze ook met duurdere versies: eerst stijl O in German Silver. En kort daarna stijl N – eigenlijk een Stijl O met gematteerd oppervlak, zodat het publiek niet verblind werd. 

 

Daarnaast bleef National ook de tricone produceren, omdat vele spelers die verkozen, omwille van zijn warmere toon.

 

 

 

van links naar rechts:

Tricone Resonator – National Style 1, 1930
Miner-Cello – G. Miner & Kerry Char, 1994

Dobro – Regal No. 45, ca. 1935

 

 

 

 

 

 

 

Na de intrede van de elektrische gitaar en de versterker, verdween de behoefte aan de luide akoestische resonator. Daardoor verschoof het gebruik van de jazzbands en Hawaiiaanse muziek naar country en blues.

 

Het instrument bleef immers populair bij gitaristen in de South. Op het platteland was lang niet overal elektriciteit voorhanden en met de resonator konden ze onversterkt voor een groter publiek spelen. Bovendien was die metalen klankkast wel handig om belagers een klap te verkopen, zonder dat het instrument er al te erg onder leed.

 

 

Exit Beauchamps

 

Terwijl Dobro bleef groeien, ging het bij National steeds meer bergaf. Kleinmeyer had veel van zijn fortuin verloren bij de beurscrash en hij wilde zijn investering recupereren. Beauchamps zag meer heil in de elektrische gitaren en stapte over naar Rickenbacker.

 

Omstreeks 1934 verkregen de broers Dopyera de controle over beide bedrijven. Een samensmelting lag voor de hand: National-Dobro Corporation werd de nieuwe naam. Binnen het jaar verhuisden zowel de kantoren als de productie van Los Angeles naar Chicago.

 

Omstreeks 1936 kwamen enkele nieuwe modellen van de tricone op de markt: de Stijlen 35 en 97. Beide hadden vernikkelde koperen klakkasten. De achterzijde van de Stijl 35 was versierd met een gezandstraalde en ingekleurde afbeelding van een luitspeler, terwijl de Stijl 97 een surfend meisje vertoonde.

 

 

Exit resonator

 

Maar de hoogdagen van de resonator waren inmiddels voorbij. De vraag naar dit soort gitaren was sterk terug gelopen. De klemtoon kwam voortaan te liggen op de fabricatie van elektrische instrumenten en versterkers en de resonator raakte helemaal op de achtergrond.

 

In augustus 1937 stond National-Dobro de volledige productie van Dobro af aan Regal.

 

Om een idee te geven van de weerslag van terugval ten gevolge van de depressie. Toen de productie van Dobro van start ging, einde jaren twintig was Model 45 het goedkoopste type. In 1941 was ditzelfde Model 45 het duurste type dat Regal aanbood. Belangrijk daarbij is te weten dat het type meteen ook de prijs aangaf. Model 45 kostte dus $45. Het bestverkochte exemplaar van Dobro was – niet verwonderlijk – ook het goedkoopste: model 27. Het duurste de 206!

 

In december 1941 werd de productie helemaal stop gezet op last van de overheid. Na de aanval op Pearl Harbor eistte die alle middelen op voor de productie van oorlogsmaterieel. Aluminium en andere metalen werd allemaal opgeëist voor de oorlogsindustrie. De National Dobro Corporation hield op te bestaan. 

 

 

Kort daarna richtten Victor Smith, Al Frost en Louis Dopyera een nieuwe maatschappij op om onderdelen van vliegtuigen te fabriceren. Ze noemden zich Valco Manufacturing Corporation, naar de initialen van de drie bestuursleden.

Na afloop van de oorlog bouwden ze enkele resonators met overgebleven onderdelen, maar de vraag was haast volledig stilgevallen.

 

De jaren vijftig brengen geen verbetering – integendeel. In de rock ‘n’ roll was er geen plaats voor ouderwetse instrument als de resonator, de banjo of de fiddle.

 

De naam Dobro werd begin jaren zestig verkocht aan Semie Mosely, directeur van de Mostite gitaarfabriek.

 

Wanneer Rudy en Emile Dopyera in 1967 een nieuwe maatschappij oprichten om resonators te gaan bouwen hadden ze dan ook geen rechten meer op de naam. Daarom begon de  Original Musical Instrument Company (OMI) met een nieuwe merknaam: Hound Dog.

 

Na een drietal jaar ging Mosrite echter over kop en kon OMI de naam Dobro terug overnemen.

 

In 1993 werd OMI op zijn beurt overgenomen door Gibson. Die doopten het om in de Original Acoustic Instrument (OAI) afdeling van Gibson. Zij brachten de beste modellen van Dobro en Hound Dog opnieuw uit. Zowel de houten als metalen klankkasten, rechte als ronde halzen zijn van dan af weer beschikbaar. Ook worden er nog nieuwe modellen ontwikkeld, speciaal voor het spelen met de slide techniek.

 

Door de lange periode waarin er geen resonators werden gebouwd door Dobro konden allerlei andere merken beginnen met het bouwen van hun eigen instrumenten. Zo begon Amistar bij voorbeeld in 1991.

 

 

 

 

 

 

 

Ieder zijn voorkeur

 

De grote aantrekkingskracht van de resonator op vele gitaristen is het grote bereik: er is een heel gamma van mogelijkheden tussen een zachte beroering van de snaren en een harde aanslag – veel groter dan bij andere akoestische of elektrische modellen.

 

Die harde aanslag is het grootst bij de éénschalige resonators, terwijl de noten langer aanhouden bij die met drie schalen. Dat maakt de tricone het meest geliefd bij bottleneck spelers, terwijl gitaristen die meer houden van fingerpicking liever grijpen naar de éénschalige resonator.

 

Je zou het niet verwachten maar een resonator in een houten klankkast klinkt haast identiek aan die in een metalen ombouw.  Er is ook haast geen verschil tussen het geluid van een stalen of een koperen klankkast. En de afwerking maakt natuurlijk helemaal geen verschil.

 

Hoewel er geen strikte regels voor zijn blijken verschillende muzieksoorten een zekere voorkeur te hebben voor elk van de drie oorspronkelijke types resonators.

 

 

Hawaiaanse swing

 

De resonator is in eerste instantie ontworpen voor dit muziekgenre. De bekendste naam is misschien die van  Sol Hoopii, de “King of the steel guitar”.

Mensen die gespecialiseerrd zijn in het genre noemen Bob Kaii als de absolute topspeler. Hij nam slechts een handvol nummers op, bij de band van “Jim and Bob – the Genial Hawaiians”. Zijn versies van ‘Song of the Plains’ en ‘Saint Louis Blues’ staan nog steeds hoog aangeschreven.

Hawaiaanse gitaristen gebruikten, zonder uitzondering de National Tricone, met rechthoekige hals.

 

 

Blues

 

Delta bluesgitaristen legden een voorkeur aan de dag voor resonators met een ronde hals. Die hebben meer mogenlijkheden voor fingerpicking, ritmische spelen of bottleneck.

Natuurlijk sprak ook de luide klank hen aan, waardoor ze voor een groter publiek konden spelen.

Enkele bekende bluesgitaristen uit de jaren twintig en dertig die tricones gebruikten zijn: Tampa Red, Bukka White, Peetie Wheatstraw en Kansas Joe McCoy. De duolian was het geliefde instrument voor legendarische namen als Son House, Bukka White en Tampa Red

 

Onder de hedendaagse bluesspelers herkennen we namen als Taj Mahal, Eric Sardinas, Eric Erkkinen en Alvin Hart.

 

 

 

Bukka White – Aberdeen, Mississippi Blues

 

Country

 

Country spelers daarentegen verkozen eerder de rechthoekige hals, omwille van de lap steel kwaliteiten en de mogelijkheid om de gitaar op meerdere manieren te stemmen. Een van de bekendste spelers uit de jaren dertig was Pete Kirby uit de band van Roy Acuff.

 

Roy Acuff met Pete Kirby op resonator: ‘Wabash Cannonball’ 

 

Omdat hij, behalve muziek spelen, ook onnozele fratsen uithaalde op het podium, noemde hij zich Bashful Brother Oswald.

In tegenstelling tot vele van zijn collega’s weigerde Kirby over te stappen op de elektrische lapsteel, waardoor hij aan het einde van de jaren veertig zowat nog de enige was die een dobro bespeelde.

 

 

Bluegrass

 

De dobro werd, in de tweede helft van de jaren vijftig, geïntroduceerd in het bluegrass genre door Buck Graves, die speelde bij Flatt and Scruggs. Graves was net als Kirby, een typische boerse grappenmaker en had ook al een bijnaam: Uncle Josh. Maar spelen kon hij wel. Hij gebruikte daarbij een razendsnelle fingerpicking techniek die Scruggs had ontwikkeld voor de 5-snarige banjo.

 

Die techniek wordt tot op vandaag gebruikt door de meeste moderne dobrospelers – de favoriete resonator binnen het genre.  Denken we maar aan Jerry Douglas, Mike Auldridge, Rob Ickes, Phil Leadbetter, Sally Van Meter, Andy Hall, ‘Cool Rockin’ Sammy Soldani, Dave Giegerich en Russ Hooper. Bekendste uitzondering op de regel is Tut Taylor, die met een flat pick speelt.

 

De meester aan het werk: Jerry Douglas, bij Alison Krauss

  

Vandaag

 

Sinds de jaren zeventig zijn de resonators langzaam aan een come back begonnen, zodat nu zelfs “Vlaamse zangers” als Bart Peeters en Milow het instrument bespelen in genres die niets meer met country, bluegrass of blues te maken hebben.

 

Millow – ‘Ayo Technology’, met zijn Amistar Duolian Duotone.

 

Nog enkele absolute toppers op het instrument:

 

Watermelon Slim bewijst dat blues ook kan gespeeld worden op de lap steel wijze:  ‘Smokestack Lightning’

 

De veel te vroeg overleden Rainer Ptacek, hier met ‘Life Is Fine’ in 1993.

 

 

 

Voor wie meer wil weten over dit prachtige instrument, verwijs ik graag naar het boek The History and Artistry of National Resonator Instruments van Bob Brozman.