een draadje:

one-way-road-sign-my-way-001

Jacques Revaux

Parijs, begin jaren zestig.
De jonge Jacques Revaud heeft gedurende een paar jaar geprobeerd, om voet aan grond te krijgen in de cabarets van de linkeroever. Tevergeefs. Zijn liedjes zijn goed genoeg, maar het charisma ontbreekt hem, om aan te slaan bij het publiek. Ook het handvol singletjes die van hem zijn uitgebracht (bij een van zijn eerste optredens heeft de drukker zijn naam verkeerd gespeld op de affiche: Revaux. Herdrukken kost geld, dus gaat hij voortaan zo door het leven) zijn eigenlijk haast uitsluitend gekocht door vrienden en familie.

De genadeslag is de yé-yé rage. Een frisse wind, die in het zog van The Beatles en The Stones, de Franse populaire muziek vooral richt op een tienerpubliek. Salut les copains!

Jacques besluit zich voortaan toe te leggen op een carrière achter de schermen. Hij neemt zich voor om iedere dag een nummer te schrijven. Om ongestoord te kunnen werken, trekt hij zich terug in een bergdorpje in de Franse Alpen. Daar, op de bovenste verdieping van een klein hotelletje, schrijft hij nummers voor Johnny Hallyday, Eddy Mitchell, Sylvie Vartan, Sheila….

Meestal beperkt hij zich tot de muziek. Voor de tekst houdt hij op wat klanken. ‘Chanter en yaourt’, zoals dat zo mooi heet in het Frans. De echte teksten laat hij liever over aan mensen als Pierre Delanoë, Vline Buggy, Jean-Michel Rivat of Ralph Bernet.

In mei 1967 heeft hij een opdracht voor vier nummers voor de muziekuitgever Norbert Saada. De opdracht is dat het moet klinken als iets dat in Engeland is geschreven. Want de Franse zangers hebben liever een vertaling uit het Engels, dan een originele Franse compositie.

Hugues Aufray krijgt de eerste keuze. Daarna komen Petula Clark, Claude François, Dalida en Sacha Distel aan de beurt. Niemand heeft interesse in ‘For Me’.

Clo Clo

Tijdens een feestje in Cannes, enkele maanden later, vraagt Claude François aan Jacques waarom hij hits schrijft voor zowat iedereen, maar nooit voor hem. De componist antwoordt dat hij hem laatst een nummers heeft aangeboden, maar dat Clo Clo het toen niet wou. Ze spreken af voor een herkansing.

Op 27 augustus 1967 rijdt Revaux naar Dannemois, waar de Franse zanger een buitenverblijf heeft. In en rond het zwembad is een hele troep mensen uit de wereld van radio en TV verzameld. ‘Hij wou dat ik het nummer op de piano speelde, voor iedereen,’ vertelt Jacques Devaux in 1993 aan het tijdschrift Platine. ‘Dat duurde bijna tien minuten. Toen hebben we samen de melodie aangepast. Claude heeft drie of vier noten gewijzigd: eentje in het begin en drie in het refrein. En inderdaad: het was een stuk beter.
Hij zette zich aan de piano en kwam met de openingszin: “Je m’lève et je te bouscule…”
Met in zijn achterhoofd de recente breuk met France Gall, met wie hij een bijna drie jaar een relatie heeft gehad, beschrijft Claude hoe de dagelijkse routine, ongemerkt leidt tot sleur in het leven van elk koppel: ‘Comme d’habitude’.

‘Later heeft hij de tekst uitgewerkt met Gilles Thibault,’ verklaart Revaux. ‘Daar was ik niet bij. Ik weet alleen dat het idee van hem kwam.’
Voor zijn aanpassingen krijgt Claude François een vermelding als co-auteur van de melodie. Hij brengt het ook onder bij zijn pas opgezette muziekuitgeverij Jeune Musique.

Korte tijd later neemt hij het op met het orkest van David Whitaker en brengt het, in november 1967 uit, als aller eerste single van zijn eigen platenlabel Disques Flèche.


Met zo’n driehonderdduizend verkochte exemplaren is het een hit, maar geen monstersucces.

David Bowie

In Londen probeert ene David Jones al een paar jaar om aan de bak te komen in de muziekwereld. In afwachting van zijn doorbraak als David Bowie, schnabbelt hij wat bij voor de muziekuitgever Essex Music. Geoffrey Heath brengt hem in contact met de Belgische jazzpianist Willy Albimoor. Willy heeft een vriendinnetje dat hij graag wil lanceren als zangeres: Andrée Giraud. Hij heeft enkele nummers voor haar gecomponeerd, maar er ontbreekt nog een tekst.
Bowie zet zich aan het werk en in juni 1967 verschijnt ‘Pancho’ van Dee Dee and her Panchos. Van het meisje wordt na deze flop niets meer vernomen, maar voor Albimoor rinkelt de kassa wanneer in 1971 Les Chakachas een dik hit scoren met zijn ‘Jungle Fever’.

Blijkbaar vindt de uitgever dat David een tweede kans verdient. In de winter krijgt hij een stapeltje Franstalige singles toegeschoven. De methode om nummers die hun hitpotentieel bewezen hadden, te slijten aan een Engelstalig publiek kwam wel meer voor in die tijd. Denk maar aan ‘You Don’t Have to Say You Love Me’ van Dusty Springfield: een bewerking van een Italiaans nummer van Pino Donaggio.
Een van de plaatjes is ‘Comme d’habitude’.
Bowie voorziet de melodie van een Engelse tekst over een jongen die zich populair maakt door de clown uit te hangen en daarom niet serieus wordt genomen door het meisje van zijn dromen.

In februari 1968 zingt Bowie zijn tekst in, over het plaatje van François heen. De muziekuitgever is niet onder de indruk van ‘Even A Fool Learns To Love’. Noch van de amateuristische aanpak, noch van de geforceerde tekst vol zelfbeklag. Het commentaar van de grote baas is duidelijk : men ‘zoekt een ster op het nummer op te nemen en geen Johnny uit Bromley.’

Paul Anka / Frank Sinatra

De Canadese zanger en liedjesschrijver Paul Anka (onder andere ‘It Doesn’t Matter Anymore’ van Buddy Holly) verblijft veel in Frankrijk, omdat zijn vrouw – hoewel net als hijzelf van Libanese afkomst – ook Frans bloed heeft. ‘Ik had een huis gehuurd in de buurt van Mougins,’ vertelt hij in 2005. ‘Ik hoorde die melodie op de radio en ik dacht : daar moet ik iets mee doen.’
Hij verwerft de rechten voor de Verenigde Staten, maar daar blijft het bij. Voorlopig toch.

Enkele maanden bevindt hij zich in Florida, in het gezelschap van Frank Sinatra en ’een paar leden van de maffia’. Tijdens het diner verklapt Old Blue Eyes dat hij is uitgekeken op de showbizz, dat hij er over denkt om er mee op te houden.

Zodra hij weer thuis is, in New York, haalt hij de partituur van ‘Comme d’habitude’ te voorschijn. Gezeten aan de piano verandert hij het ritme, beetje bij beetje. Vervolgens begint hij aan de tekst.
‘Om een uur of één ’s nachts,’ gaat Paul verder, ‘zette ik me aan mijn oude IBM typmachine, met de vraag: Wat zou Frank schrijven? Ik begon: “And now, the end is near…”
Het was me opgevallen dat er in tijdschriften veel sprake was van “mijn dit” en “mijn dat”. Met was de ik-generatie en Frank was voor mij de verpersoonlijking daarvan. Zoiets als “I ate it up and spit it out” zou ik zelf nooit zeggen. Maar hij sprak zo. Die kerels van de Rat Pack namen het taaltje over van de maffia – zelfs al hadden ze schrik van hun eigen schaduw.’

Het wordt een tekst waarin de zanger een balans op aan het einde van zijn levensweg. Niet ontevreden stelt hij vast dat hij misschien niet altijd het juiste heeft gedaan, maar in elk geval uniek is geweest. ‘I did it my way.’

Tegen 5 uur in de ochtend is de song klaar. “Ik belde Frank op, in Nevada – hij was in Caesar’s Palace. Ik zei hem: “Ik heb iets, speciaal voor jou.”

Sinatra is blij met het resultaat en legt het vast tijdens een sessie in Los Angeles, op 30 december 1968.

Uitgebracht in maart 1969, bereikt het een 27ste plaats in de Amerikaanse hitlijsten. Opnieuw: een goed resultaat, maar geen megasucces.
Dat is anders in het Verenigd Koninkrijk: hoewel de hoogste notering slechts een vijfde plaats is, blijft de single maar liefst 75 weken onafgebroken in de top 40 (van april 1969 tot september 1971). Inclusief de 49 weken dat het plaatje daarna nog in de top 75 blijft hangen, is het er de langst genoteerde hitsingle ooit.

David Bowie – opnieuw

David Bowie heeft inmiddels enige bekendheid verworven dankzij het nummer ‘Space Oddity’ van zijn tweede elpee. Rijk is hij er echter nog niet mee geworden, want hij neemt nog steeds de bus om de stad in te gaan. Zo ook op een van de eerste lentedagen van 1971. Hij wil een hemd en schoenen gaan kopen en wandelt naar de bushalte. Onderweg hoort hij Sinatra ergens met ‘My Way’. De afwijzing van zijn versie van ‘Comme d’habitude’ is hij nog niet vergeten. De melodie blijft in zijn hoofd malen en vormt langzaam een soort van parodie. Twee haltes verder springt hij van de bus en loopt terug naar huis.

In de flat in Southend Road staat niet veel meer dan een ligstoel, een asbak en een piano. Tegen het einde van de namiddag heeft hij de tekst en melodie klaar van ‘Life on Mars?’ – “Inspired by Frankie” zoals aangegeven op de hoes van zijn derde elpee.

Het onderwerp is een tienermeisje dat, na een aanvaring met haar ouders èn haar vriendje, verstrooiing zoek t in een bioscoop. Allerlei beelden en indrukken komen op haar af en ze vraagt zich af of er misschien ergens anders een betere wereld zou zijn. Misschien is er leven op Mars?

Mick Ronson zorgt voor een prachtig strijkersarrangement, maar voelt zich nog niet zeker genoeg om zelf de pianopartij in te spelen. Daarvoor zorgt Rick Wakeman, op de piano van de Trident studio – dezelfde waarmee Paul McCartney ‘Hey Jude’ heeft gespeeld.

‘Life on Mars?’ verschijnt in december 1971 op Hunky Dory. In eerste instantie is het gewoon een albumtrack, maar anderhalf jaar later, na de doorbraak van Ziggy Stardust wordt het nummer ook als single uitgebracht. Met succes: top 3 in Engeland. In Amerika is men dan nog niet onder de indruk van Bowie: zelfs geen notering in de top 100 van Billboard.

Elvis Presley

Terwijl Bowie zijn ‘Life On Mars’ opneemt in Londen, legt duizenden kilometers daar vandaan, Elvis Presley een versie vast van ‘My Way’. Dat gebeurt op 10 juni 1971 in de RCA studio B, in Nashville, Tennessee. Die opname gaat echter het archief in. Misschien ook omdat Paul Anka Elvis negatief adviseert over het nummer: ‘Laat dat. Het past niet voor jou.’

Toch brengt The King het nummer tijdens twee optredens in Hawaii, in januari 1973. Deze worden, via satelliet wereldwijd uitgebracht en bekeken door zowat een miljard kijkers.

Op 3 oktober 1977, enkele weken na zijn overlijden, wordt een recente live opname van ‘My Way’ dan toch als single uitgebracht. Met een 22ste plaats in de Amerikaanse hitlijst is het een groter succes dan dat van Sinatra. In de Country lijsten stoot het nummer zelfs door tot de top.

Claude François

In een poging door te breken op de Amerikaanse markt, neemt Clo Clo datzelfde jaar een Engelstalige elpee op, in de Londense Abbey Road studio. Daarbij mag natuurlijk zijn interpretatie van ‘My way’ niet ontbreken. Hij kan dan niet vermoeden dat het inderdaad zijn grafschrift zal worden, want op 11 maart 1978 komt hij om het leven, wanneer hij in zijn badkamer een lamp wil vervangen.

Sid Vicious

Tijdens een desastreuse Amerikaanse tournee, stapt Johnny Rotten in januari 1978, uit de Sex Pistols. Manager Malcolm McLarren heeft daardoor een probleem, want hij heeft nog grootse plannen voor de band. Zo is Julien Temple een documentaire film aan het draaien : The Great Rock ‘n’ Roll Swindle. McLarren probeert ieder van de drie overgebleven leden als lead-zanger uit. Tijdens een sessie in Parijs laat hij Sid Vicious een cover opnemen van ‘My Way’. De rebelse bassist gaat enkel akkoord, op voorwaarde dat McLarren een papier ondertekent waardoor hij niet langer Sids manager is.

Hoewel het een spontane punkversie lijkt, is er behoorlijk over nagedacht. Producer Bill Price heeft een strijkersarrangement voorzien, geschreven door Simon Jeffes van het Penguin Cafe Orchestra.

Vicious zelf heeft zijn huiswerk echter niet zo goed gedaan : hij kent de tekst maar half. Daarom improviseert hij er op los, waarbij hij een sneer geeft naar John Lydon gewoonte om een hoed te dragen : “prat who wears hats”

‘Zijn manier van zingen was grotesk,’ meent Simon Jeffes, ‘maar tegelijk liet het je toch niet onberoerd. Toen we het arrangement bedachten hadden we niet de bedoeling om het belachelijk te maken. Ik vond het zelfs pakkend. Want hoewel het enerzijds helemaal van de pot gerukt was, zat het vol van angst en wanhoop. En leven… er zat echt leven in.’

De opname wordt in juni 1978 uitgebracht op een single met ‘No One Is Innocent’, een in Brazilië opgenomen, gezongen door treinrover Ronnie Biggs met begeleiding van de beide andere overgebleven bandleden. Met de hulp van een controversieel clipje raakt ‘My Way’ tot een 7de plaats in de Britse hitlijsten.

Zelfs Paul Anka moet, in een interview in 2007 toegeven, dat het een zekere kwaliteit heeft: ‘Ik was wat uit mijn lood geslagen door de versie van The Sex Pistols, maar ik had de indruk dat hij het echt meende.’

Herman Brood

Wanneer iemand als Herman Brood een cd vol covers opneemt, hoeft hij over zo’n statement als ‘My Way’ natuurlijk geen twee keer na te denken. Dat doet ie, in een bigband uitvoering voor zijn plaat vol swing nummers, Back on the Corner, uitgebracht in juni 1999.
Toch besluit hij om het uiteindelijk niet op dat album te zetten. ‘Breng het maar uit voor je weet wel’, zou hij tegen zijn manager hebben gezegd.

Twee jaar later, op 11 juli 2001, springt hij van het dak van Amsterdamse Hilton hotel. Hermans uitvoering van ‘My Way’ klinkt tijdens zijn crematie, op het moment dat de kist, met daarop een fles Grand Marnier neerdaalt.
Op datzelfde moment draaien, tegelijkertijd een dozijn radiozenders de plaat. Het nummer verschijnt nog diezelfde week op single en wordt postuum de eerste en enige nummer één hit voor Brood.

Raymond van het Groenewoud

Recalcitrant als altijd kiest Raymond ervoor om voor een Vlaamse versie ‘My Way’ links te laten liggen en ‘Comme d’habitude’ te bewerken als ‘Zoals gewoonlijk’. In de zomer van 2004 verschijnt het nummer, als een van de twee nieuwe opnamen op de compilatie cd Ballades. Het is een eerste samenwerking met producer Peter Vermeersch.

Nawoord

Er bestaan inmiddels meer dan 1200 versies van het nummer. Het komt daarmee in de buurt van ‘Yesterday’ van The Beatles. Wereldwijd zou het elke minuut te horen zijn op radio of tv. De zonen van Claude François alleen al verdienen er elk jaar zo’n 750 000 euro aan auteursrechten mee.

‘My Way’ groeide dan ook uit tot een vast onderdeel op het repertoire van elke nachtclubzanger. Maar ook amateurs wagen zich er, met veel overgave aan. In de Filipijnen is het echter tegenwoordig verboden tijdens karaoke avonden. Dit is het gevolg van een half dozijn moorden, wanneer de zanger maar bleef doorgaan met het kwelen van ‘Maaaaaai weeeeeei’, ondanks klachten uit het publiek.

Voor wie het zelf eens wil proberen, hier is je kans:

VenusandMarsalbumcover

Opnamen:
– november 1974 – Abbey Road Studios, Londen
– 16 januari tot 24 februari 1975: Sea-Saint Studios, New Orleans, Louisiana
– 25 februari tot 24 maart: Wally Heider Studios, Los Angeles, Californië

Uitgebracht:
27 mei 1975 – Wings elpee Venus and Mars
Kant 1: ‘Venus And Mars/Rock Show’, ‘Rock Show’, ‘You Gave Me The Answer’, ‘Magneto And Titanium Man’, ‘Letting Go’
Kant 2: ‘Venus And Mars (reprise)’, ‘Spirits Of Ancient Egypt’, ‘Medicine Jar’(Jimmy McCullough/Colin Allen), ‘Call Me Back Again’, ‘Listen To What The Man Said’, ‘Treat Her Gently/Lonely Old People’, ‘Crossroads Theme’(Tony Hatch)

11 april 1980 – Paul McCartney single (b-kant van ‘Coming Up’): ‘Lunch Box/Odd Sox’
13 november 1985 – Paul McCartney single (b-kant van ‘Spies Like Us’): ‘My Carnival’
26 October 1998 – Linda McCartney cd Wide Prairie: ‘New Orleans’

Abbey Road, Londen

Na eerder bescheiden tournees van Wings door Europese en Engelse zalen is de tijd rijp voor een schaalvergroting. Het streefdoel is een grootschalige tournee langs de stadiums van Noord-Amerika. Om er wat in te komen is alvast een tournee gepland door Australië, Nieuw Zeeland en Japan.

De volgende elpee staat dan ook helemaal in het teken van die tournee: veel elektrische gitaren, grootse gebaren, pompende bas…
Paul heeft zijn huiswerk goed gedaan: ‘Ik had zo goed als alles al geschreven voor we [de studio introkken]. Jimmy had ook een nummer geschreven met een vriend van hem. We waren met vakantie gegaan naar Jamaica en voor het eerst had ik alle nummers al geschreven: een rol van hier tot daar. […] Ik zette het ene nummer hier en het andere daar. Een beetje schuiven en zo. De enige keer dat ik zoiets had gedaan was de mini-opera van Abbey Road. Nooit eerder zat ik met vier papieren te verschuiven om ze in een goede volgorde te leggen.’

Om belastingtechnische redenen wil Paul graag weer in het buitenland gaan opnemen en de keuze valt op New Orleans, Louisiana. ‘Daar was ik nog nooit geweest. Ja, op tournee [met The Beatles], maar toen zagen we niets anders dan de binnenkant van een geblindeerd busje. Het enige dat ik me herinner van New Orleans is een vibrerend bed in het motel en dat het er snikheet was.’

Maar dan blijkt dat Denny Laine problemen heeft om een werkvergunning te krijgen voor de Verenigde Staten. Dus trekt Wings begin november 1974 maar naar de Abbey Road studio’s in Londen. Oude getrouwe Geoff Emerick is weer paraat om de techniek in goede banen te leiden.

Een week later krijgt Denny dan toch een bevestigend antwoord. Inmiddels staan basistracks op band van ‘Letting Go’, ‘Love In Song’, ‘Medicine Jar’ en een vroege versie van ‘Rock Show’. ‘Medicine Jar’ is geschreven door Jimmy, op een tekst van Colin Allen, de vroegere drummer van Stone The Crows.

Sea Saint, New Orleans

Op 10 januari 1975 vliegen de McCartney’s naar New York. Paul en Linda gaan er John bezoeken, om hem uit te nodigen te komen meespelen bij de opnamen van de nieuwe Wingselpee in New Orleans. Het idee om Paul weer aan het werk te zien in de studio spreekt John erg aan.
Terwijl ze daar zijn, belt David Bowie. Hij is in de Electric Lady studio’s en wil een cover opnemen van ‘Across The Universe’. John besluit even langs te gaan en vraagt Paul en Linda mee. Johns vriendin May Pang vertelt: ‘Bowie wou ons de tracks van zijn nieuwe elpee laten horen. Young Americans wou hij hem noemen. Hoewel John en ik de plaat al een paar keer hadden gehoord, liet hij de nummers horen aan Paul en Linda …Ik zag dat Paul zenuwachtig werd toen Bowie de nummers voor een derde keer wou afspelen. ‘Kun we naar iets anders luisteren?’ vroeg hij. David negeerde hem maar John greep in: ‘Hebt je niets anders dat ons zou kunnen interesseren?… David mompelt: ‘Als jullie mij even willen excuseren’ en verlaat de zaak.’
Om zich te excuseren biedt John later aan om mee te spelen op Davids coverversie.

Maar dit natuurlijk geheel terzijde. Back to business.

Na een weekje familiebezoek bij Linda’s vader in New York, verzamelt Wings in New Orleans, om er te repeteren en op te nemen in de Sea-Saint Studio. Geluidstechnicus is Alan O’Duffy.

Paul heeft speciaal voor de Sea-Saint Studio gekozen, omdat ‘Lady Marmalade’, de hit van Labelle er is opgenomen (beter gekend als ‘Voulez vous coucher avec moi, ce soir?’. Paul is vooral onder de indruk van de drumklank die producer Allen Toussaint heeft weten vast te leggen. Tousaint is trouwens mede-eigenaar van de studio.

Het materiaal is echter nog niet goed uitgepakt of het rommelt alweer binnen de gelederen: Geoff Britton stapt op. Het heeft nooit geklikt tussen hem en de twee gitaristen: Denny Laine en Jimmy McCulloch.
‘Ik was depressief,’ verklaart de drummer. ‘Ik zag er echt tegen op om naar New Orleans te gaan met hen. Het had een hoogtepunt in mijn leven moeten worden, maar ik voelde me rot en haatte het echt. Elke dag opnieuw was het een strijd om te overleven, om overeind te blijven. Denny kon erg wreed zijn. Hij en Jimmy waren zogezegd beste maatjes, drinkebroers, altijd samen op stap. Maar wanneer hij wat teveel op had, probeerde hij Jimmy een mes in de rug te steken. Een rotzak. Ik had hem op zijn bakkes moeten slaan. Ik heb spijt dat ik het niet gedaan heb.’

Jo Jo Patrie, de vrouw van Denny meent: ‘Het was een lieve kerel, maar hij had zich moeten beperken tot karate [zijn favoriete sport]. Hij was veel te braaf voor die bende, geloof me. Ik bedoel: hij rookte niet eens. En in de ogen van non-stop gebruikers als Paul en Linda is zoiets alleen al redden voor ontslag!’

Geoff geeft toe: ‘Ze vonden me te braaf. ‘[Denny en Jimmy] waren onbenullen. Goede muzikanten, maar ook niet meer. Ze hielden zich vooral bezig met zuipen en drugs gebruiken en daar deed ik niet natuurlijk aan mee. Op feestjes lagen de lijntjes coke klaar op tafel… al wat je wou was er. Na afloop kon niemand nog op zijn benen staan en dan mocht ik hun naar huis brengen. […] Misschien had ik McCulloch en Laine eens onder handen moeten nemen… Dan leefde Jimmy misschien nog en dan zaten we allemaal nog bij Wings.’

Op aanraden van Tony Dorsey wordt Joe English, een drummer uit Macon, Georgia, ter hulp ingeroepen. Met zijn band, Jam Factory heeft hij voorprogramma gespeeld voor Jimi Hendrix, the Grateful Dead en Janis Joplin. Die groep is echter gesplitst en nu was hij net aan het repeteren met Bonnie Bramlett.

Nu kunnen de opnamen eindelijk van start gaan. Er wordt iedere dag gewerkt vanaf 4 uur in de namiddag tot vroeg in de ochtend.
De nieuwe drummer voelt zich meteen op zijn gemak. ‘In de studio stond het je vrij om elke dag te komen en mee te doen aan de opnamen, het mixen, ideeën inbrengen… Paul gaf ons heel wat vrijheid. Natuurlijk, als hij vond dat iets op een bepaalde manier moest, zei hij het ook. In 99% van de gevallen volgde ik hem, omdat hij meestal gelijk had. Maar als ik een beter voorstel had, zei ik dat en dan deden we het zo.’

Ook Jimmy McCulloch bevestigt dat hij veel vrijheid heeft: ‘[Wat mijn gitaarspel betreft] voel ik me als een vis in het water. De gitaarpartijen zijn nooit vooraf vastgelegd. Je speelt puur op het gevoel, wanneer je een beetje in moet houden om de zang tot zijn recht te laten komen, of wanneer je eens lekker loos kunt gaan. Enkel het akkoordenschema staat vast, al de rest is improvisatie: je kunt je eigen interpretatie geven […]. Er is veel vrijheid. Je hebt een houvast: een harmonische structuur en de rest is gewoon uitproberen tijdens de repetities. Mocht iets niet passen, dan probeer je gewoon iets anders. Zo ontwikkel je – ik dus, feitelijk – iets dat past bij de band.’

Op een avond gaat Jimmy kijken naar een optreden van Dave Mason, de vroegere gitarist van Traffic. Na afloop gaat hij de man backstage opzoeken en nodigt hem uit naar de studio.
Er wordt er wat gezellig gejamd. Daaruit komt een outtake: ‘Crawl Of The Wild’.
Daarna wil Paul graag van zijn aanwezigheid gebruik maken om wat gitaar toe te voegen aan ‘Listen To What The Man Said’, een nummer waarin hij een geheide hit ziet, maar waarvan de opname maar niet wil klikken. Net zoals George Harrison dat in de laatste jaren van the Beatles graag placht te doen, wordt daarbij het geluid van Masons gitaar vervormd door het door een roterende speaker van een Leslie orgel te sturen.
Dan vragen ze zich af wat ze kunnen doen voor de solo. Iemand merkt op dat de bekende saxofonist Tom Scott in de buurt woont. Hij blijkt bereid om langs te komen. Sterker nog: een halfuurtje later is hij er al.
‘Daar was hij, met z’n sax,’ vertelt Paul. ‘Hij zette zich neer en speelde. De geluidstechnicus nam het op. Na afloop kwam hij [naar de controlekamer] en vroeg: ‘Heb je dat?’ We luisterden en het was fantastisch. Niet te geloven! We probeerden nog een paar takes, maar niets was zo goed als die eerste take.’
Achteraf blijven ze nog een paar uur napraten.

Dave en Paul

Dave en Paul

Ook andere bezoekers komen wel eens een potje meejammen, zoals Dr. John of Professor Longhair. Allen Toussaint speelt zelf ook mee op de nieuwe versie van ‘Rock Show’. Een jam met The Meters resulteert in het b-kantje ‘My Carnival’.
Andere outtakes zijn vooral instrumentaal ‘Sea Dance’, ‘Lunch Box/Odd Sox’, een nieuwe versie van ‘Tomorrow’. Wel zang hebben een nummertje van Linda: ‘New Orleans’ en een cover van ‘Baby Face’, opgenomen met de Young Tuxedo Brass Band.

Door het toevoegen van een blazerssectie aan vrijwel alle tracks krijgt het geheel een soulvol sausje. Trombonist Tony Dorsey, die Paul heeft overgehouden van de sessies in Nashville krijgt hierbij de leiding. Hij verzorgt de arrangementen en selecteert ook de muzikanten, voornamelijk uit New Orleans. Steve Howard bijvoorbeeld, is de man die trompet speelt op ‘Lady Marmalade’ en de elpee Southern Nights van Toussaint. Thaddeus Richard is te horen op alt sax, fluit en sopraan sax.

De sessies zijn afgelopen op 24 februari.
Jammer genoeg is John Lennon nooit komen opdagen. Die is inmiddels weer bij Yoko en zoekt geen enkel contact meer met andere muzikanten.

tijdens het Mardi Grass in New Orleans

tijdens het Mardi Grass in New Orleans

Wally Heider, Los Angeles

Voor het afwerken van het materiaal verhuist de hele bende naar de Westkust. In de Wally Heider Studios in Los Angeles worden backing vocals en strijkers toegevoegd. Daarna kunnen de tracks gemixt.

Paul besteedt veel aandacht aan de overgangen tussen de verschillende songs, vooral tussen ‘Listen To What The Man Said’ dat onafgebroken doorgaat in ‘Treat Her Gently/Lonely Old People’. Dat laatste bestaat op zichzelf al uit twee nummers.
‘Ik hou wel van dat stukje,’ verklapt Paul. ‘Ik dacht: niemand zal aanstoot nemen aan zo’n extra stukje.’
De laatste song ‘Crossroad Theme’ is een cover… van het thema van een populaire soapserie. ‘Een grapje,’ geeft Paul toe. ‘Britse humor. Misschien een beetje te Brits, maar ik wou het er toch graag op. Als je er niets van af weet, is het gewoon een afsluiter. […] Maar als je mee bent… Het komt vlak na ‘Lonely Old People’. […] Wat doen oude mensen? In Engeland kijken ze naar Crossroads. Het had net zo goed Coronation Street kunnen zijn, maar we kenden toevallig de akkoorden van Crossroads. Ik vond het gewoon grappig.’

De zender ITV kan er alvast mee lachen en gebruikt de versie van Wings zelfs even in plaats van hun gewone eindtune.

Op 24 maart viert Wings het afronden van het werk met een feest in stijl: aan boord van het cruiseschip Queen Mary, in de haven van Long Beach, Californië. Onder de 200 gasten treffen we George Harrison, Bob Dylan, Joni Mitchell, Carole King, Marvin Gaye, The Faces, Phil Everly, The Jackson Five, Led Zeppelin, Dean Martin, Ryan en Tatum O’Neil, Tony Curtis, Cher, de vroegere Monkees Mickey Dolenz en Davy Jones, Derek Taylor en Mal Evans. Voor het muzikaal vermaak zorgen Lee Dorsey, Ernie K-Doe, Professor Longhair, The Meters en Chocolate Milk. De set van Professor Longhair wordt later uitgebracht op de elpee Live On The Queen Mary.

Live-On-The-Queen-Mary-cover

Venus and Mars

Na het succes van Band on the Run zijn de verwachtingen hoog gespannen voor de opvolger. Vooral ook omdat die zolang op zich heeft laten wachten: bijna anderhalf jaar.

De eerste tekenen zijn alvast positief: de eerste single, ‘Listen To What the Man Said’ verschijnt midden mei 1975. Topnotering in de Verenigde Staten, 6 in Engeland en top 20 in Nederland en Vlaanderen.

https://www.youtube.com/watch?v=kRT3V-q_gBI

Paul heeft alvast voldoende vertrouwen herwonnen om de groepsnaam weer in te korten tot Wings. ‘Paul McCartney and Wings heb ik altijd vervelend gevonden. Het was ook nooit Paul McCartney and the Beatles, Paul McCartney and the Quarrymen, of Paul McCartney and the Moondogs. Wings is korter en gemakkelijker uit te spreken. Iedereen weet trouwens wel dat ik in de groep zit.’

De elpee Venus and Mars verschijnt twee weken later. De recensies zijn overwegend lovend (alhoewel hier en daar toch wordt geopperd dat Band on the Run beter was.) De verkoop is schitterend: weliswaar maar één week wereldwijd de best verkochte elpee, maar wel 77 weken lang in de Amerikaanse hitlijst.

Er volgen nog twee singles (‘Letting Go’ en ‘Venus and Mars/Rock Show’), maar die doen het minder goed.

https://www.youtube.com/watch?v=2Rjq0mT3p_I

https://www.youtube.com/watch?v=sn-Cu_NoH4U

De voornaamste kritiek behelst de dikwijls niets-zeggende teksten. Zo zijn Magneto, Titanium Man en Crimson Dynamo slechteriken uit de Marvel stripverhalen.
Over de titelsong vertelt Paul: ‘Het nummer ‘Venus and Mars’ gaat over een niet-bestaande vriend die een vriendin heeft die geïnteresseerd is in astrologie – zo eentje die eerst je sterrenbeeld moet weten voor ze goeiendag zegt. Meer moet je er niet achter zoeken.’
‘Letting Go’ is dan weer de zoveelste ode aan vrouwtje Linda.

Kortom, vrij vertaald luidt de kritiek: “too many silly love songs”.

Rock

Gitaarmerken als Gibson en Martin, die eerst niet geïnteresseerd waren in de 12-snarige gitaar, willen nu toch een graantje meepikken van de folk boom. Niets te vroeg, want in 1964 is de rage voorbij. De Amerikaanse jeugd valt massaal voor The Beatles. Folkmuziek moet plaats maken voor de Britse beatgroepen. Rickenbacker speelt daar handig op in. Wanneer John, Paul, George en Ringo in februari 1964 voor het eerst in Amerika zijn, gaat  Francis C. Hall, de eigenaar van de Rickenbacker fabrieken hen persoonlijk opzoeken. Hij biedt hen gratis versterkers en gitaren aan. Maar hij is niet alleen gekomen. Hij heeft Jean “Toots” Tielemans en gitaarleraar Tony Saks mee. Eeen van de gitaren die hij hen aanbiedt is een prototype van een elektrische 12-snarige gitaar: de ’63 Rickenbacker 360-12 De Lux. Het instrument is eigenlijk bedoeld voor country artiesten, maar wanneer The Beatles er mee op TV komen, is dat goed voor de zaken…

George vertelt: ‘Het was in 1964 dat ik die gitaar kreeg, in het Plaza Hotel in New York. We waren daar voor de Ed Sullivan shows. Ik was er meteen weg van. Ik wist onmiddellijk wat elke snaar was. Sommige 12-snarige ben je uren zoet mee om ze te stemmen. Je draait aan de verkeerde knoppen en zo… het zijn e rook zoveel. Dus gebruikte ik hem onmiddellijk bij de volgende sessie, na de eerste tournee van the Beatles in Amerika. Het was waarschijnlijk ‘Hard Day´s Night’. Je hoort hem al direct bij de intro, dat akkoord. En dan op ‘I Should Have Known Better’, zowat alle nummers van Hard Day´s Night. Het laatste Beatles nummer waarop ik de 12-snarige Rickenbacker gebruikte was, dacht ik,  ‘Ticket To Ride’ [van Help!].’

 

Natuurlijk willen anderen ook die klank. Een van de eersten is Mike Pender van The Searchers: ‘Chris Curtis en ik zochten iets nieuws voor onze volgende single, ‘When You Walk In The Room’. Toen ik George Harrison op TV zag met zijn Rick, moest ik er rook één hebben – die klank!’

Ook in Amerika zijn er volgelingen. Wanneer Jim McGuinn de Beatlesfilm ziet, is ook hij meteen weg van Georges elektrische 12-snarige gitaar. Hij gaat meteen op zoek. De folkie verandert zijn naam in Roger McGuinn en gaat voortaan rock spelen. De combinatie van een tekst van Bob Dylan, met de beat van The Beatles blijkt een gouden zet. ‘Mr. Tambourine Man’ vliegt naar de top van de hitlijsten. Het enige instrument dat The Byrds zelf bespelen, is McGuinns 12-snarige Rickenbacker.

In 1965 lijkt een 12-snarige gitaar onmisbaar voor een hitsingle: The Hollies met ‘Look Through Any Window’, The Rolling Stones met hun eigen versie van ‘As Tears Go By’, of The Beatles zelf met ‘Ticket To Ride‘ en ‘If I Needed Someone’. Voor live uitvoeringen van ‘For Your Love’ bespeelde Eric Clapton een 12-snarige gitaar om de klavecimbelsolo te vervangen.

 

 

The Who hinkt wat achterop want zij komen pas in 1966 met ‘Substitute’.

Daarna zijn het toch vooral weer de folkies, of zoals ze nu heten, de singer-songwriters die de akoestische 12-snarige koesteren: Paul Simon, John Phillips (intro van ‘California Dreaming’), Tim Buckley, Gordon Lightfoot, Leo Kottke, … en David Bowie (‘Space Oddity’).

Dubbele hals.

Gitaren met een dubbele hals bestonden al decennialang. In de jaren dertig en veertig doken de eerste types op in de swingorkesten. Het betrof dan de combinatie van een akoestische en een steelgitaar. In 1958 kwam Gibson met de EDS-1275, waarbij een 6- en een 12-snarige gitaar warden gecombineerd. In 1962 werd dit model aangepast tot een elektrische gitaar met vaste body. Dit instrument werd in de jaren zeventig populair bij rockers die nummers met een folk inslag combineerden met het geweld van een rocksong. In de studio kan dat allemaal perfect worden ingespeeld, maar live is er geen tijd om van gitaar te wisselen, midden in een song.

Jimmy Page gebruikt een 12-snarige op songs als ‘Stairway To Heaven,’ ‘Over The Hills’, ‘The Rain Song’ en ‘The Song Remains The Same.’

 

Andere (over)bekende songs uit deze periode, met een prominent gebruik van de 12-snarige gitaar: ‘A Horse With No Name’, van America , ‘More Than A Feeling’ van Boston, ‘Wish You Were Here’ van Pink Floyd, ‘Hotel California’ van The Eagles en ‘Give A  Little Bit’ van Supertramp.

 

Het is altijd weer grappig om te zien hoe bekende mensen er vroeger uitzagen. Als kind of als jongere. Lang voor de rimepltjes, de wallen onder de ogen, de make up of cosmetische ingrepen hun intrede deden.

Robert Zimmerman, 1957. Vier jaar voor hij zijn naam veranderde in Bob Dylan.

Long John Silver and The Moondogs, of zijn het al The Quarrymen?  George Harrison, John Lennon, Paul McCartney en, euh… dinges. The pre-Fab Four, toen ze nog skiffle speelden.  1957 of zo.

Nog een skifflegroepje, uit diezelfde periode: met een piepjonge Jimmy Page.

We blijven bij de gitaargoden: Emil and The Detectives, in 1964. Rechts herkent u gitarist Richard Thompson, links, met de Beatlesbas, Hugh Cornwell. Hugh zou zo’n 15 jaar later pas bekendheid verwerven bij The Stranglers. Richard kennen we van Fairport Convention en zichzelf.
Het had het begin kunnen zijn van de folkpunk…

Nog eentje: Jack White, lang voor The White Stripes

Als je The Beatles ziet, zijn The Rolling Stones nooit veraf. Hier zijn ze in 1963. Voor hun manager het imago van stoute jongens had bedacht.

Ook al zo’n keurige jongen: David Jones, voor hij David Bowie werd.

 Computerspecialist Declan MacManus, voor hij Elvis Costello werd – 1975  

John Hiatt 1974

Steve Earle, pas aangekomen in Nashville –  1974

Bruce Springsteen, 1975 – voor de fitness.  

Zie je Neil Young? 1963.

Laten we de meisjes niet vergeten! 

Linda Ronstadt, 1967

Joni Mitchell, 1969

 

Alison Krauss, met krulletjes en babyvet.

Folkzangeres Emmylou Harris, in 1967

En wie weet wie dit is?