Herfst. De bladeren vallen. De kale takken komen tevoorschijn. Straks kunnen we door de bomen het bos terug zien. Tijd voor een overzicht.  Een soort van inhoudsopgave van de interessantste stukjes die in de loop van de laatste twee, drie jaren op mijn blogs zijn verschenen.

Voor mijn stukjes over de elpees van Bob Dylan volstaat deze link.

 

Southern muziekinstrumenten

De geschiedenis en toelichtingen bij muziekinstrumenten die mee de klankkleur bepalen van Americana en rootsmuziek.

slide gitaar
steel gitaar 
Dobro’s en National Guitars
Mandoline deel 1 en deel 2
banjo deel 1 en deel 2 

 

Nick Drake  

Five Leaves Left 
Bryter Layter
Françoise Hardy
postuum verschenen platen  
enkele clipjes

The Beatles of de Witte Dubbel : the Beatles in 1968, in zeven delen.
inleiding
Rishikesh
John Lennon
– Paul McCartney
George Harrison
Ringo Starr
–  de opnamen van de Witte Dubbel elpee

De hoezen van Britse Beatles elpees

De Plastic Ono Band op het Rock ‘n’ Roll Revival Festival in Toronto, 13 september 1969 

John Lennon: Rock ‘n’ Roll/Roots 

George Harrison – Delaney Bramlett 

 

Favoriete songs 

Donovan – Sunny Goodge Street
Bobbie Gentry – Ode To Billie Joe
Peter Jones – Kilkelly
The Animals – House Of the Rising Sun
The Beatles – In My Life
Leonard Cohen – Hallelujah en zo
The Rolling Stones – Wild Horses  (ook wel Gram Parsons)
Ry Cooder – Cancion Mixteca
Diversen – Delia’s Gone
Drive-By Truckers – Two Daughters and a Beautiful Wife
Glenn Campbell – Guess I’m Dumb
Gerry Rafferty – Baker Street
Peter LaFarge – The Ballad Of Ira Hayes
Favoriete platen 

David Crosby – If I Only could Remember My Name
Joni Mitchell – Hejira
Richard & Linda Thompson – Shoot Out the Lights 
Dennis Wilson Pacific Ocean Blue  en  Bambu
Emmylou Harris, Dolly Parton & Linda Ronstadt: Trio en Trio II

Voila, urenlang lees- en luistergenot voor de lange winteravonden.

Advertenties

 

de National Style O uit 1936, van Mark Knopfler
de National Style O uit 1936, van Mark Knopfler

 

De Resonator gitaar

 

 

Het instrument dat prijkt in het balkje bovenaan deze blog is een resonator. Een gitaar die als geen ander instrument verbonden is met de muziek uit de South: blues, country en bluegrass. Niet voor niets maakte Paul Simon in ‘Graceland’ de vergelijking: “The Mississippi Delta shines like a National Guitar”.

 

National Guitar is slechts één van de namen voor het prachtige metalen instrument. Bekender is waarschijnlijk de Dobro. En voor velen is de gitaar synoniem met een lap steel. Nochtans is het dat niet noodzakelijk.

 

Vreemd is eigenlijk ook dat zo een typisch Amerikaans instrument versierd is met op-en-top Europeese Art Deco ornamenten.

 

Kortom: reden genoeg om even de geschiedenis in te duiken.

 

 

Los Angeles – 1925

 

We komen terug boven water in 1925, in Los Angeles. Hollywood is in die periode volop aan het uitgroeien tot het centrum van de amusementsindustrie. Aangetrokken door de werkgelegenheid voor zowat iedereen en het altijd mooie weer komen de mensen van heinde en verre er hun geluk zoeken.

 

Eén van hen is George D. Beauchamp. Hij werd 26 jaar eerder geboren in Texas en is een ondernemende jongeman. Hij was oorspronkelijk een violist, maar de Hawaïaanse muziekrage heeft hem doen overstappen op lap steel gitaar (zie hier: https://peerke3.wordpress.com/2009/02/16/steel-guitar/).

 

Net als alle ander gitaristen ondervindt hij dat zijn instrument wordt overstemd door de koper- en houtblazers. Het probleem is zelfs nog groter voor lap steel spelers, omdat de gitaar op hun knieën ligt en de klankkast dus naar het plafond is gericht. Er wordt dan ook naarstig gezocht naar oplossingen. Beauchamps heeft een collega gezien die een soort megafoon op zijn gitaar had bevestigd. Dat lijkt hem wel iets en hij gaat op zoek naar iemand die ook zoiets voor hem kan bouwen.

 

In de buurt van zijn huis in Los Angeles is er een banjo-en vioolwinkel. De instrumenten worden er allemaal zelf gebouwd door de uitbaters: John Dopyera en diens broers Robert, Rudolph (Rudy), Louis en Emil (Ed).

John werd in 1893 geboren als Ján Dopjera in Dolná Krupá, Slovenië. De Dopjera’s waren er al generaties lang bekwame vioolbouwers. Net als zovele anderen zijn vader en moeder Dopjera, in 1908, hun vaderland ontvlucht uit angst voor de dreigende oorlog. Op zoek naar een beter leven voor hun tien kinderen. Hoewel de meeste van hun landgenoten gestrand zijn in het Midwesten, zijn zij helemaal doorgereisd tot Californië. Zij zijn er zelfs de eerste Slovenen. Hard werken en kwaliteit leveren is hun enige verweer tegen het racisme waarmee ze af te rekenen krijgen.

 

John gaat dus aan de slag met het verzoek van Beauchamps. Hij bevestigt de hoorn van een Victrola platendraaier aan de onderzijde van de klankkast van een gitaar. Het ding is natuurlijk loodzwaar en de gitaar moet op een standaard worden geplaatst, om de hoorn naar het publiek gericht te houden.

 

Omdat dit toestel niet echt succesvol kan worden genoemd, slaat hij aan het experimenteren. Naar het voorbeeld van de klankkast van een banjo, bouwt hij een koker in de klankkast van de gitaar, vlak onder de brug. Na allerhande materialen en aantallen uitgetest te hebben, bereikt hij het beste resultaat met een metalen klankkast, met daarin drie kokervormige vellen in gesponnen aluminium – de resonators. Hiermee klinkt het instrument niet alleen drie tot vier keer luider dan een gewone akoestische gitaar, bovendien krijgt het instrument een mooie, metalige toon – alsof de gitarist zich in een grote metalen ruimte bevindt.

 

Beauchamp is verrukt over het resultaat. Hij stelt Dopyera voor om samen een bedrijfje op te richten om de gitaren te gaan produceren. Misschien wil zijn schoonbroer wel investeren? Die heeft toch geld genoeg. Ted Kleinmeyer heeft immers een miljoen dollar geërfd toen hij 21 werd en hij krijgt nog eens zoveel wanneer hij dertig wordt.

 

Bij het eerstvolgende feest dat Kleinmeyer geeft, zorgt Beauchamp er voor dat het wereldberoemde Hawaïaanse Sol Hoopii Trio present is, met het prototype van de resonator. De millionair reageert wildenthousiast over zowel het instrument als de plannen van zijn schoonbroer en schrijft, diezelfde nacht nog, een cheque uit van $12,000.

 

 

De National gitaar – of tricone

 

In 1925 is de National String Instrument Corporation een feit. Beauchamp heeft zichzelf natuurlijk aangesteld als directeur. Het personeel bestaat uit een aantal ervaren en competente vakmannen, waaronder de vijf Dopyeras en verschillende leden uit zijn eigen familie.

 

De National, zoals zij de resonator doopten, slaat aan en is al snel een succes in jazz-clubs en bij Hawaiiaanse orkesten doorheen de Verenigde Staten.

 

Omwille van de drie aluminium kokers op een T-stuk wordt dit model aangeduid als een “tricone” (tree cones). De metalen klankkast is nodig, om alle energie van de snaren te kunnen afleiden naar de schalen. Een houten klankkast zou teveel energie opslorpen door zelf mee te trillen. De klankkasten werden gemaakt in “German Silver”, een legering van 65% koper, 10-23% zink en 10-20% nikkel.

Van meet af aan was de tricone beschikbaar met twee soorten van gitaarhalzen. Het model met een rechthoekige hals is speciaal ontworpen om te worden bespeeld als steel gitaar, terwijl die met de ronde hals zowel geschikt is om op de traditionele manier te worden bespeeld als met de slide techniek.

 

Daarnaast werd er een onderscheid gemaakt naargelang de afwerking. Stijl 1 is het basismodel, met een egale klankkast, zonder versieringen en stijl 2 heeft gravures van wilde rozen op de achterzijde.

 

Vanaf 1928 komen er nog twee luxueuzere uitvoeringen bij: Stijl 3 met ingegraveerd lelies en een prachtig afgewerkte hals. Stijl 4 tenslotte is het paradepaardje van National: zowel de voor- als de achterzijde en de zijkanten van de body waren helemaal versierd met ingegraveerde chrysanten.

 

De resonator gitaren waren echter erg duur in vergelijking met gewone standaardgitaren. De spinnen van de aluminium voor de schalen en het graveren van de klankkasten waren daarvoor de voornaamste redenen. Een basismodel kostte $125 in 1930 en het topmodel, de stijl 4 zelfs $195. Ter vergelijking: een goedkope akoestische gitaar koste slechts $1,50.

 

 

National Triolian

 

Dopyra vond dat de tricone veel te duur was om te produceren. Wanneer ze een goedkopere resonator konden produceren zou dat de verkoop zeer zeker ten goed komen, meende hij.

 

Hij ging dus aan de slag om een goedkopere resonator te ontwerpen. Een eerste poging was de triolian, waarbij drie kleinere schalen schuilgingen onder één ronde afdekplaat. Dit bleek echter te complex voor een goedkoper model en er werden er slechts een handvol van verkocht voor de productie werd stopgezet.

 

 

Een echte single cone gitaar

 

Dopyra had ook al mandolines en ukelele’s ontworpen met slechts één enkele schaal. En een gitaar is eigenlijk toch alleen maar een grote ukelele, niet? Dus kwam hij met een nieuw model resonator met slechts één grote schaal. Die werd in een ronde houten trommel aangebracht, met daarboven een metalen afdekplaat ter bescherming. Omdat die ronde trommel erg doet denken aan een koekjesdoos circuleerde al snel de bijnaam “biscuit”.

 

Maar Dopyra was niet tevreden over de klank en wou het instrument niet op de markt brengen.

 

 

De Dobro

 

Al van in het prille begin had het niet echt geboterd tussen de Dopyra’s en Beauchamps. Zowel zakelijk als privé kwamen de twee niet overeen. John en zijn jongere broer Rudy Dopyra besloten daarom einde 1928 om uit de zaak te stappen en een eigen firma op te richten.

 

Ze noemden hun zaak Dobro Manufacturing Company. Die naam was afgeleid van DOpyera BROthers. Bovendien betekent “dobro” in het Slovaaks “goed”, zodat ze konden uitpakken met de slogan: “Dobro means good in any language!”.

 

John Dopyra ontwikkelde een heel nieuw model resonator: de dobro. Het uitgangspunt was het omkeren van de koker, met de bolle zijde naar beneden gericht, in plaats van naar boven. In tegenstelling tot de eerste twee modellen, waarbij de brug rust op de top van de koker, bevestigde hij de brug nu op een achtbenige aluminium spin, die schuil gaat onder een opengewerkte metalen afdekplaat. Het oppervlak van die afdekplaat staat lichtjes bol.

Met de nieuwe techniek was het ook niet langer nodig om een metalen klankkast te gebruiken en kon het binnenwerk worden ingebouwd in een houten klankkast.

Dit systeem was niet alleen goedkoper te produceren, het gaf bovendien ook een nog betere versterking dan de tricone van National.

Om problemen met Beauchamp te vermijden werd het patent aangevraagd op naam van Rudy Dopyra.

 

De dobro werd snel zo populair dat de merknaam een soortnaam werd.

 

Omdat de vraag groter was dan de productie (maximum 600 per maand) gaf Dobro Corps einde 1932 een licentie aan een gitaarbouwer in Chicago om hun resonators in te bouwen in hun eigen, houten klankkasten. Dobro leverde alle metalen onderdelen. Deze werden dan verkocht onder de naam Regal. Om onderlinge concurentie te vermijden behield Dobro de markt ten westen van de Mississippi en verkocht Regal in het oosten.

 

 

National Duolian

 

Met National ging het ondertussen minder goed. Door de grote recessie van 1930 liep de verkoop van de dure tricones sterk terug.

 

Beauchamps had, na het vertrek van de broers, snel het patent op de “biscuit” aangevraagd onder zijn eigen naam. Daardoor kon hij alsnog met een éénschalig model uitpakken om de concurentie met Dobro aan te gaan.

 

Omdat hij nog een pak etiketten had liggen met de naam triolian, werd het instrument eerst onder die naam verkocht. Om het goedkoop te houden werd de afwerking van de metalen klankkast beperkt tot gewoonweg schilderen: in roze of geel, met gestencilde afbeeldingen van hula meisjes op de achterzijde geplakt.

 

Vanaf 1930 kwam National met een budgetversie van hun éénschalige resonator, uitgevoerd in goedkopere materialen: de Duolian (triolian, maar dan iets minder). De Duolian was erg goedkoop in verhouding tot de andere modellen: $32.50 voor een stalen model. 

 

Tegelijk kwamen ze ook met duurdere versies: eerst stijl O in German Silver. En kort daarna stijl N – eigenlijk een Stijl O met gematteerd oppervlak, zodat het publiek niet verblind werd. 

 

Daarnaast bleef National ook de tricone produceren, omdat vele spelers die verkozen, omwille van zijn warmere toon.

 

 

 

van links naar rechts:

Tricone Resonator – National Style 1, 1930
Miner-Cello – G. Miner & Kerry Char, 1994

Dobro – Regal No. 45, ca. 1935

 

 

 

 

 

 

 

Na de intrede van de elektrische gitaar en de versterker, verdween de behoefte aan de luide akoestische resonator. Daardoor verschoof het gebruik van de jazzbands en Hawaiiaanse muziek naar country en blues.

 

Het instrument bleef immers populair bij gitaristen in de South. Op het platteland was lang niet overal elektriciteit voorhanden en met de resonator konden ze onversterkt voor een groter publiek spelen. Bovendien was die metalen klankkast wel handig om belagers een klap te verkopen, zonder dat het instrument er al te erg onder leed.

 

 

Exit Beauchamps

 

Terwijl Dobro bleef groeien, ging het bij National steeds meer bergaf. Kleinmeyer had veel van zijn fortuin verloren bij de beurscrash en hij wilde zijn investering recupereren. Beauchamps zag meer heil in de elektrische gitaren en stapte over naar Rickenbacker.

 

Omstreeks 1934 verkregen de broers Dopyera de controle over beide bedrijven. Een samensmelting lag voor de hand: National-Dobro Corporation werd de nieuwe naam. Binnen het jaar verhuisden zowel de kantoren als de productie van Los Angeles naar Chicago.

 

Omstreeks 1936 kwamen enkele nieuwe modellen van de tricone op de markt: de Stijlen 35 en 97. Beide hadden vernikkelde koperen klakkasten. De achterzijde van de Stijl 35 was versierd met een gezandstraalde en ingekleurde afbeelding van een luitspeler, terwijl de Stijl 97 een surfend meisje vertoonde.

 

 

Exit resonator

 

Maar de hoogdagen van de resonator waren inmiddels voorbij. De vraag naar dit soort gitaren was sterk terug gelopen. De klemtoon kwam voortaan te liggen op de fabricatie van elektrische instrumenten en versterkers en de resonator raakte helemaal op de achtergrond.

 

In augustus 1937 stond National-Dobro de volledige productie van Dobro af aan Regal.

 

Om een idee te geven van de weerslag van terugval ten gevolge van de depressie. Toen de productie van Dobro van start ging, einde jaren twintig was Model 45 het goedkoopste type. In 1941 was ditzelfde Model 45 het duurste type dat Regal aanbood. Belangrijk daarbij is te weten dat het type meteen ook de prijs aangaf. Model 45 kostte dus $45. Het bestverkochte exemplaar van Dobro was – niet verwonderlijk – ook het goedkoopste: model 27. Het duurste de 206!

 

In december 1941 werd de productie helemaal stop gezet op last van de overheid. Na de aanval op Pearl Harbor eistte die alle middelen op voor de productie van oorlogsmaterieel. Aluminium en andere metalen werd allemaal opgeëist voor de oorlogsindustrie. De National Dobro Corporation hield op te bestaan. 

 

 

Kort daarna richtten Victor Smith, Al Frost en Louis Dopyera een nieuwe maatschappij op om onderdelen van vliegtuigen te fabriceren. Ze noemden zich Valco Manufacturing Corporation, naar de initialen van de drie bestuursleden.

Na afloop van de oorlog bouwden ze enkele resonators met overgebleven onderdelen, maar de vraag was haast volledig stilgevallen.

 

De jaren vijftig brengen geen verbetering – integendeel. In de rock ‘n’ roll was er geen plaats voor ouderwetse instrument als de resonator, de banjo of de fiddle.

 

De naam Dobro werd begin jaren zestig verkocht aan Semie Mosely, directeur van de Mostite gitaarfabriek.

 

Wanneer Rudy en Emile Dopyera in 1967 een nieuwe maatschappij oprichten om resonators te gaan bouwen hadden ze dan ook geen rechten meer op de naam. Daarom begon de  Original Musical Instrument Company (OMI) met een nieuwe merknaam: Hound Dog.

 

Na een drietal jaar ging Mosrite echter over kop en kon OMI de naam Dobro terug overnemen.

 

In 1993 werd OMI op zijn beurt overgenomen door Gibson. Die doopten het om in de Original Acoustic Instrument (OAI) afdeling van Gibson. Zij brachten de beste modellen van Dobro en Hound Dog opnieuw uit. Zowel de houten als metalen klankkasten, rechte als ronde halzen zijn van dan af weer beschikbaar. Ook worden er nog nieuwe modellen ontwikkeld, speciaal voor het spelen met de slide techniek.

 

Door de lange periode waarin er geen resonators werden gebouwd door Dobro konden allerlei andere merken beginnen met het bouwen van hun eigen instrumenten. Zo begon Amistar bij voorbeeld in 1991.

 

 

 

 

 

 

 

Ieder zijn voorkeur

 

De grote aantrekkingskracht van de resonator op vele gitaristen is het grote bereik: er is een heel gamma van mogelijkheden tussen een zachte beroering van de snaren en een harde aanslag – veel groter dan bij andere akoestische of elektrische modellen.

 

Die harde aanslag is het grootst bij de éénschalige resonators, terwijl de noten langer aanhouden bij die met drie schalen. Dat maakt de tricone het meest geliefd bij bottleneck spelers, terwijl gitaristen die meer houden van fingerpicking liever grijpen naar de éénschalige resonator.

 

Je zou het niet verwachten maar een resonator in een houten klankkast klinkt haast identiek aan die in een metalen ombouw.  Er is ook haast geen verschil tussen het geluid van een stalen of een koperen klankkast. En de afwerking maakt natuurlijk helemaal geen verschil.

 

Hoewel er geen strikte regels voor zijn blijken verschillende muzieksoorten een zekere voorkeur te hebben voor elk van de drie oorspronkelijke types resonators.

 

 

Hawaiaanse swing

 

De resonator is in eerste instantie ontworpen voor dit muziekgenre. De bekendste naam is misschien die van  Sol Hoopii, de “King of the steel guitar”.

Mensen die gespecialiseerrd zijn in het genre noemen Bob Kaii als de absolute topspeler. Hij nam slechts een handvol nummers op, bij de band van “Jim and Bob – the Genial Hawaiians”. Zijn versies van ‘Song of the Plains’ en ‘Saint Louis Blues’ staan nog steeds hoog aangeschreven.

Hawaiaanse gitaristen gebruikten, zonder uitzondering de National Tricone, met rechthoekige hals.

 

 

Blues

 

Delta bluesgitaristen legden een voorkeur aan de dag voor resonators met een ronde hals. Die hebben meer mogenlijkheden voor fingerpicking, ritmische spelen of bottleneck.

Natuurlijk sprak ook de luide klank hen aan, waardoor ze voor een groter publiek konden spelen.

Enkele bekende bluesgitaristen uit de jaren twintig en dertig die tricones gebruikten zijn: Tampa Red, Bukka White, Peetie Wheatstraw en Kansas Joe McCoy. De duolian was het geliefde instrument voor legendarische namen als Son House, Bukka White en Tampa Red

 

Onder de hedendaagse bluesspelers herkennen we namen als Taj Mahal, Eric Sardinas, Eric Erkkinen en Alvin Hart.

 

 

 

Bukka White – Aberdeen, Mississippi Blues

 

Country

 

Country spelers daarentegen verkozen eerder de rechthoekige hals, omwille van de lap steel kwaliteiten en de mogelijkheid om de gitaar op meerdere manieren te stemmen. Een van de bekendste spelers uit de jaren dertig was Pete Kirby uit de band van Roy Acuff.

 

Roy Acuff met Pete Kirby op resonator: ‘Wabash Cannonball’ 

 

Omdat hij, behalve muziek spelen, ook onnozele fratsen uithaalde op het podium, noemde hij zich Bashful Brother Oswald.

In tegenstelling tot vele van zijn collega’s weigerde Kirby over te stappen op de elektrische lapsteel, waardoor hij aan het einde van de jaren veertig zowat nog de enige was die een dobro bespeelde.

 

 

Bluegrass

 

De dobro werd, in de tweede helft van de jaren vijftig, geïntroduceerd in het bluegrass genre door Buck Graves, die speelde bij Flatt and Scruggs. Graves was net als Kirby, een typische boerse grappenmaker en had ook al een bijnaam: Uncle Josh. Maar spelen kon hij wel. Hij gebruikte daarbij een razendsnelle fingerpicking techniek die Scruggs had ontwikkeld voor de 5-snarige banjo.

 

Die techniek wordt tot op vandaag gebruikt door de meeste moderne dobrospelers – de favoriete resonator binnen het genre.  Denken we maar aan Jerry Douglas, Mike Auldridge, Rob Ickes, Phil Leadbetter, Sally Van Meter, Andy Hall, ‘Cool Rockin’ Sammy Soldani, Dave Giegerich en Russ Hooper. Bekendste uitzondering op de regel is Tut Taylor, die met een flat pick speelt.

 

De meester aan het werk: Jerry Douglas, bij Alison Krauss

  

Vandaag

 

Sinds de jaren zeventig zijn de resonators langzaam aan een come back begonnen, zodat nu zelfs “Vlaamse zangers” als Bart Peeters en Milow het instrument bespelen in genres die niets meer met country, bluegrass of blues te maken hebben.

 

Millow – ‘Ayo Technology’, met zijn Amistar Duolian Duotone.

 

Nog enkele absolute toppers op het instrument:

 

Watermelon Slim bewijst dat blues ook kan gespeeld worden op de lap steel wijze:  ‘Smokestack Lightning’

 

De veel te vroeg overleden Rainer Ptacek, hier met ‘Life Is Fine’ in 1993.

 

 

 

Voor wie meer wil weten over dit prachtige instrument, verwijs ik graag naar het boek The History and Artistry of National Resonator Instruments van Bob Brozman.

 

Het komt niet meer zo veel voor, maar af en toe kun je nog eens iets ontdekken. “Een deur die plots opengaat” en een heel nieuwe wereld toont.

 

Onlangs legde ik Ghost Repeater van Jeffrey Foucault nog eens op. Een prachtige cd en een van mijn favorieten van de laatste jaren. Ik las dat de cd geproducet was door Bo Ramsey. Nu had ik dat al eerder gelezen, maar er verder nooit bij nagedacht.  Ramsey kende ik natuurlijk ook als producer van Lucinda Williams‘ Essence.

Maar deze keer ging ik Bo Ramsey eens googelen. Zo kwam ik terecht bij Greg Brown, een man waar Ramsey al jaren mee samenwerkt.

Ramsey is blijkbaar zelfs getrouwd met zijn dochter: Pieta Brown. Daar kan hij moeilijk een bezwaar tegen hebben, want zelf is hij niet lang geleden getrouwd met Iris DeMent.

Soit, Greg blijkt al jaren prachtige platen te maken. Allmusic geeft ze haast allemaal vier sterren of meer. Waarom ken ik die dan niet?

Daar heb ik dus even iets aan gedaan. Over And Under, If I Had Knwon, Further In en Honey in The Lions Head blijken allemaal zeer de moeite waard.

Een uitstekend excuus om wat filmpjes te plaatsen.

Pieta Brown met Bo Ramsey brengen ‘How Many times’ van Muddy Waters.

Bo Ramsey met ‘Living In  A Cornfield’

Greg Brown met ‘Hey, Baby, Hey’

Iris DeMent met Emmylou Harris: ‘Our Town’.
Let ook even op Jerry Douglas’s lap steelspel op een dobro.  

Jeffrey Foucault met ‘One For Sorrow’

Steel gitaar

 

Hoewel de termen steel gitaar, lap steel, slide, dobro en bottleneck dikwijls met elkaar verward worden is er wel degelijk een onderscheid tussen te maken.

 

Om van lap steel te kunnen spreken zijn er drie dingen nodig:

          het instrument bevindt zich in een horizontale positie;

          de snaren zijn verhoogd geplaatst boven de hals;

          het instrument wordt bespeeld met een “steel”, meestal een metalen staafje.

 

 

Kenmerken

 

“Steel gitaar” houdt in dat de gitaar, tijdens het bespelen, min of meer horizontaal ligt. Dit kan zowel zittend, met de gitaar op de knieën als staand, met een gitaarriem om de nek. In beide gevallen bevindt het instrument zich ter hoogte van de schoot van de bespeler.

 

Een basisregel bij snaarinstrumenten is: snaren met een kortere trillende lengte geven een hogere toon dan bij een langere trillende lengte. Om nu de lengte van een gespannen snaar te regelen drukt een rechtshandige gitarist met de vingers van zijn linkerhand een aantal snaren tegen de gitaarhals en meer bepaald tegen de “frets”. Dat zijn die metalen streepjes op de hals van de gitaar. Door met de vinger de snaren tegen een van de frets te drukken, wordt de lengte van de snaar ten opzichte van de brug gewijzigd en daarmee wordt dus de toonhoogte veranderd. Dat is de gewone “manier” van spelen.

 

Bij de steel gitaar verkort men de werkzame snaarlengte niet door met de snaren met de vingers tegen de hals te drukken, maar door met een speelstaaf op de snaar te drukken. Hierdoor ontstaat bij aantokkelen een hogere toon dan wanneer men de snaar over haar volledige lengte laat trillen. Een korte snaar produceert immers een hogere toon dan een langere snaar. De speelstaaf kan glijdend over de snaren worden heen en weer bewogen, waardoor de zo karakteristiek glijdende toonverbinding (“glissando”) ontstaat.

 

Omdat het bij deze wijze van spelen niet langer wenselijk is dat de snaren de hals raken worden deze bij een steel gitaar verhoogd boven de gitaarhals geplaatst. Dikwijls ook is de hals rechthoekig in doorsnede in plaats van afgerond aan de onderzijde.

 

De benaming “lap steel” wijst op de combinatie van de beide noodzakelijke kenmerken: het gebruikte staafje (play bar of steel bar) en de horizontale plaatsing ter hoogte van de schoot (lap)

 

Daarnaast spreekt men ook wel over Hawaïaanse gitaar, omwille van de historische oorsprong.

 

Tenslotte mag de steel gitaar mag niet worden verward met de steelstring-gitaar. Dat is gewoon een akoestische gitaar met stalen snaren. Andere veel gebruikte benamingen voor dit instrument zijn dan weer de western-gitaar en flattop gitaar.

 

 

David Lindley (met Jackson Browne) – ‘Mercury Blues’

 

 

De oorsprong van de lap steel

 

De oorsprong van de speelwijze moet worden gezocht op Hawaï.

 

“In het begin (voor het contact met Europeanen), bestond er geen gitaar in de Hawaïaanse muziek,” weet de Amerikaanse gitarist, taalkundige, antropoloog en entho-musicoloog Bob Brozman: “Ze kenden enkel percussie als begeleiding voor hun zang.”

 

De gitaar werd op het eiland geïntroduceerd omstreeks 1865, door Portugese immigranten. De gitaren die ze meebrachten hadden metalen snaren, omdat die beter bestand waren tegen de weersomstandigheden dan de normale snaren gemaakt van darmen.

 

De plaatselijke bevolking zag wel wat in het instrument, mits ze het wat konden aanpassen om beter te voldoen aan hun noden. Daarom veranderden ze enkele snaren van toon, door de snaren ietsje losser te maken. De meeste gitaristen hielden daarbij angstvallig geheim hoe ze hun instrument stemden. Het meest voorkomend bij deze “Ki ho alu” of “slack key gitaar” was de open G stemming.

 

 

Joseph Kekuku

 

Een belangrijke stap in de verdere ontwikkeling van de unieke klank van de Hawaïaanse gitaristen kwam van Joseph Kekuku (1874-1932). Omstreeks 1886 zou hij de lapsteel gitaar hebben uitgevonden.

 

Hij was een jaar of elf toen hij eens muziek aan het maken was door op een kam te blazen waarop een dun papiertje was gewikkeld. Plots glipte de kam uit zijn handen en viel op de gitaar die op zijn schoot rustte. Het geluid dat ontstond door de kam die tegen de snaren gleed beviel hem wel en hij ging aan het experimenteren. Hij gebruikte verschillende dingen zoals de achterzijde van een mes of een schroef die hij vond bij een treinspoor.

In de werkplaats van de Kamehameha School for Boys in Honolulu optimaliseerde hij later zijn gitaar om de techniek te optimaliseren. Zo ontwierp hij een ijzeren staafje, dat nog een beter effect gaf en verder ook metalen clips voor de vingers en duim van zijn rechterhand. 

Aan de reacties van zijn schoolvrienden merkte hij dat hij op de goede weg was en al snel kon hij van zijn hobby zijn beroep maken. De rage verspreidde zich snel en tientallen gitaristen begonnen zijn stijl over te nemen.

 

In 1904 trok hij naar Amerika om er te gaan optreden in vaudeville theaters met zijn groep Kekuku’s Hawaiian Quintet. Daarnaast gaf hij er ook gitaarlessen.

 

 

Popularisering

 

Nadat de Amerikaanse regering de adel van Hawaï in 1893 van de troon had gestoten zagen blanke zakenlui hun kans schoon om geld te verdienen. Om het toerisme aan te wakkeren propagandeerden ze de “exotische cultuur” van het “paradijselijke eiland”.

 

Een van de meest succesrijke pogingen daartoe was een musical. “Bird of Pardise” werd gefinancierd door een Duitse suikerbaron, Claus Spreckles, en begon te lopen in januari 1912  op Broadway in New York. Het verhaaltje was dunnetjes: een blanke man wordt verliefd op een mooie inboorlinge. Ze blijkt een prinses te zijn die moet geofferd worden om te voorkomen dat de vulkaan zal gaan uitbarsten.

 

Veel belangrijker dan de plot was echter de aanwezigheid van vijf authentieke muzikanten, met een prominente rol voor Walter Kolomoku op steel gitaar, naast een aantal ukelele spelers. De “vreemde sensuele muziek van de eilandbewoners” sloeg enorm aan.

 

De Westkust van de Verenigde Staten volgde drie jaar later. Amper negen jaar na de grote aardbeving en brand van San Fransisco wilde de stad aan de wereld tonen dat ze er helemaal terug boven op waren. Om dit te vieren opende op 20 februari 1915 een grootse wereldtentoonstelling de deuren: de Panama-Pacific International Exposition. Zeventien miljoen bezoekers zagen in het  paviljoen van een prachtige tropische tuin een vijftal Hawaïaanse muzikanten. Het grote publiek was gecharmeerd door de exotische klanken. Ukelele’s vlogen de deur uit en elke gitaarfabrikant verkocht accessoires om gitaren om te bouwen zodat er op de lap-steel wijze op kon worden gespeeld.

 

De rage verspreidde zich als een lopend vuurtje en in 1916 verkocht Victor Record Company (het latere RCA Victor) meer Hawaïaanse muziek dan om het even welk ander genre. Vooral ‘On the Beach at Waikiki’ van het Hawaiian Quintet was een nationale hit.

Tin Pan Alley sprong er boven op en kwam met vele hapa-haole (half-blanke) songs, met een combinatie van Engelse teksten en nep-Hawaïaanse woorden: dingen als ‘Oh, How She Could Yacki Hacki Wicki Wacki Woo’ en ‘The Honolulu Hickie Boola Boo’.

 

Omstreeks 1919 werd de musical Bird of Paradise geëxporteerd naar Europa, deze keer met Joseph Kekuku als steel gitarist. Hij speelde er aan zowat elk koninklijk hof, tot zijn dood in 1932.

 

Pas halverwege de jaren twintig raakte de rage over haar hoogtepunt heen en kwam de hot jazz in de plaats. Maar zowel de ukelele als de steel gitaar waren ondertussen stevig ingeburgerd geraakt in de muziek van de blanke bevolking van de Deep South: hillbilly, western, stringband en country.

 

 

De elektrische steel gitaar

 

Een serieus probleem voor gitaristen in die tijd was dat hun instrument nauwelijks te horen was, midden het geweld van koper- en houtblazers. Voor lapsteel gitaristen werd dit probleem nog vergroot omdat het klankgat naar het plafond was gericht in plaats van naar het publiek.

 

Er werd dan ook driftig gezocht naar mogelijkheden om het geluid te versterken. Hermann C. Weissenborn kwam met een grotere klankkast en een holle hals. Een andere oplossingen was de resonator gitaar, waarvan de dobro de bekendste is. In de jaren werd dit allemaal van tafel geveegd toen elementen hun intrede deden om de akoestische gitaren elektrisch te versterken.

 

Daardoor werd de houten klankkast eigenlijk overbodig. Die veroorzaakte bovendien problemen met feedback, zodat snel werd over gegaan op massieve gitaren. En die maakten het dan weer mogelijk om meerdere halzen aan te brengen op één instrument – allemaal anders gestemd.

 

De elektrisch versterkte lap steel gitaar werd het populairst in country muziek. Dat was vooral het werk van “Little” Roy Wiggins, die in de jaren veertig speelde in de band van Eddie Arnold. In zijn klank is nog duidelijk de Hawaïaanse herkomst hoorbaar, door het gebruik van wat werd omschreven als “ting-a-ling” of het “huilende geluid”.

 

Eddie Arnold met ‘Bouquet of Roses’, met Little Roy Wiggins op steel gitaar.

 

 

Jaren vijftig: Honky Tonk & Bluegrass

 

Na Little Roy kwam Jerry Byrd op de voorgrond. Hij ontwikkelde een zeer persoonlijke, vloeiende stijl en was zeer gegeerd door sterren als Hank Williams, Marty Robbins, Rex Allen en Red Foley. Daarnaast bouwde hij ook een solo carriere uit met singles als ‘Steelin’ The Blues’.

 

In tegenstelling tot vele anderen, was hij de techniek zozeer meester dat hij het niet nodig had om te beginnen experimenteren met pedal en andere nieuwigheden. De stijl van de “Master Of Touch And Tone” is nog steeds een voorbeeld voor al wie het instrument wil beheersen. Steve Ray Vaughn en Jerry Garcia bijvoorbeeld volgden lessen bij hem.

 

Jerry Byrd en Marty Robbins met ‘The Night I Came Ashore’

 

 

Hoewel de zingende klanken van de steel gitaar onmiddellijk associaties oproepen met country muziek is het merkwaardig dat een purist als Bill Monroe, toch de “Father of the bluegrass”, decennia lang geweigerd heeft om een steel gitarist toe te laten in zijn band. Hij werkte uitsluitend met akoestische instrumenten en ook drums waren taboe.

Einde jaren veertig echter beginnen twee van de kernleden van zijn Blue Grass Boys voor zichzelf. Zanger / gitarist Lester Flatt en banjospeler Earl Scruggs vormen de Foggy Mountain Boys. Hun bassist, Josh “Buck” Graves, schakelt over op dobro en introduceert zo de steel gitaar in het genre. Zijn energieke manier van spelen houdt het instrument onder de aandacht doorheen de rock ‘n’ roll jaren.   

 

‘Go Home’

 

 

Van steel guitar naar pedal steel

 

De mogelijkheden met een steelbar zijn eerder beperkt. De enige variatie is de steelbar schuin over de snaren te leggen. Dit maakt het moeilijk om een zuiver akkoord te spelen. Daarom werd gezocht naar een systeem om de snaren afzonderlijk van toonhoogte te laten veranderen.

 

Aan het einde van de jaren dertig kwam John Moore met een pedalen systeem. Het idee hiervoor had hij gevonden bij de harp, waarop dit systeem al vanaf de 18de eeuw wordt toegepast. Gibson ontwikkelde het systeem verder en kwam met een gitaar met acht snaren en zes pedalen die allen aan de linkerkant van het instrument waren bevestigd. Het instrument kwam in 1940 op de markt als de Electraharp.

 

De ene ontwikkeling volgde de andere verbetering doorheen de jaren veertig en vijftig. Vanaf 1950 werd de gitaar op een poten geplaatst: een rack of tafeltje. Dit bood dan weer de mogelijkheid om allerhande hefbomen aan te bouwen: voet- en kniepedalen waarmee de snaren van toonhoogte kunnen veranderen. Een effect van het gebruik van de pedalen is dat een noot kan blijven liggen terwijl een ander omhoog of omlaag gaat.

 

Drie jaar later bouwde Leo Fender een dubbel neck met acht snaren en acht pedalen, dat hij in 1957 verbeterde tot tien snaren, met niet alleen evenveel pedalen maar ook een aangepaste changer die dubbele verhogingen en verlagingen mogelijk maakte.

 

Hiermee begon de pedal steel gitaar aan zijn tweede revolutie. Dit systeem bood de mogelijkheid om snaren toe te voegen aan de bestaande stemmingen. Langzaam maar zeker kwam men tot een standaardinstelling met dubbele nek en acht snaren.  Met de oorspronkelijke akoestische steel gitaar is er nog weinig gelijkenis, noch uiterlijk, noch qua klank.

 

De eerste hit waarop het nieuwe geluid van een pedal steel is te horen is ‘Slowly’ van Webb Pierce, uit 1954. Pierce was, na de dood van Hank Williams, de populairste zanger in de country wereld geworden, met songs als ‘There Stands the Glass’ (1953), ‘More and More’ (1954) en ‘In the Jailhouse Now’ (1955). De solo van Bud Isaacs was dan van grote invloed op een hele generatie jonge pedal steel gitaristen.
 

 

Webb Pierce: ‘Slowly’

 

Toch kwam de definitieve doorbraak van het instrument er pas tien jaar later. In 1964 had Buck Owens een dikke hit met ‘My Heart Skips a Beat’. Op de b-kant stond ‘Together Again’ met een steelgitaarsolo door Tom Brumly. En ook dat nummer bereikte de top van de countrylijst.

 

Buck Owens and his Buckaroos: ‘Together Again’

 

 

Country rock

 

Decennia lang waren de zangerige klanken van de steel gitaar uitsluitend te horen in country en bluegrass muziek. Aan het einde van de jaren zestig en begin van de jaren zeventig deed het instrument voorzichtig zijn intrede in de rockmuziek, dankzij de country rock. Een belangrijke rol daarbij speelde Gram Parsons die beide genres wilde vermengen tot Cosmic American Music. Eerst met The Byrds (met steel gitarist Lloyd Green), dan de Flying Burrito Brothers (met Sneaky Pete Kleinow) en tenslotte solo (met Al Perkins).

 

Hoewel Sneaky Pete ook werd gevraagd door Bob Dylan, George Harrison? Joe Cocker, Little Feat, Frank Zappa en John Lennon is van een echte doorbraak echter nooit sprake. Misschien omdat het geluid zozeer verweven lijkt met country blijft het in de rockmuziek een gimmick. Andersom gaan sommigen zover dat ze country muziek zonder pedal steel gitaar geen echte country muziek vinden.

 

Heel bekende voorbeelden in de jaren zeventig zijn ‘Teach Your Children’ van Crosby, Stills, Nash & Young met het kenmerkende intro door Jerry Garcia. Of ‘Top of the World’ van The Carpenters.

 

Emmylou Harris & her Hot Band, Al Perkins op pedal steel: ‘C’est la vie’ – 1975.

 

 

Alt. Country

 

Halverwege de jaren negentig brak de Americana muziek door met bands als Uncle Tupelo, Wilco, Drive-By Truckers, Lucinda Williams en Whiskeytown. Omdat dit genre zijn wortels heeft in de country en blues hadden de meeste van deze bands een steel gitarist in hun rangen.

 

Sinds toen duiken de zoete klanken sporadisch ook wel eens op in een song buiten het genre, zoals in Sheryl Crow’s ‘All I Wanna Do’.

 

Of nog, bij My Morning Jacket, een band die balanceert tussen indie en alternatieve mainstream. Hun gitarist, Carl Broemel wordt door Rolling Stone ingedeeld bij de “20 New Guitar Gods”. En ook hij durft wel eens plaatsnemen achter een pedal steel. Het instrument is hipper dan ooit!

 

Om af te sluiten nog even een absolute virtuoze op de steel gitaar: Cindy Cashdollar. Ryan Adams haalde haar bij Whiskeytown, maar ze speelt evengoed mee op de recente platen van Bob Dylan.