Dit jaar bestaan The Rolling Stones vijftig jaar. Dat wordt alom gevierd. Reden genoeg om ook mijn steentje bij te dragen aan de feestvreugde. Laten we daarom eens terugblikken naar de eerste elpee van de groep die er werkelijk toe doet: Aftermath, uit 1966.

Voor de doorbraak van The Beatles waren de Britten er nooit in geslaagd iets te beteken de Amerikaanse hitparade. Daar kwam in 1964 verandering in, met de zogenaamde British Invasion. De Amerikaanse platenmaatschappijen waren echter overtuigd van hun superioriteit en meenden veel beter te weten wat de Amerikaanse jeugd wou. Daarom namen ze niet zomaar de Britse singlereleases over, maar kozen ze zelf welke songs ze als singles op de markt brachten. Ook de elpees werden onafhankelijk van de oorspronkelijke uitgaven samengesteld.

In Groot-Brittannië huldigde men het principe dat de klant recht had op waarde voor zijn geld: Value for money. Elpees telden er traditioneel 14 songs. Tracks die al op single waren uitgebracht, verschenen niet meer op een elpee. Dat werd aan de overzijde van de oceaan helemaal anders bekeken: daar zette men slechts 12 songs op een album, inclusief de recente hitsingles. Op die manier kon men de tracks uitsmeren over veel meer platen: drie Amerikaanse albums in plaats van twee Britse elpees. Money, money, money….

De artiesten hadden daarbij geen enkele inspraak in titels, hoezen of tracklists. The Beatles ergerden zich daar mateloos aan en dat gold ook voor hun collega’s, The Rolling Stones.

Keith, Andrew en Mick – december 1965 in RCA Studios

december 1965

De eerste drie platen van The Stones waren een samenraapsel van covers en wat eigen nummers, opgenomen tijdens wat vrije momenten tussen een druk tourschema. Om meer een eenheid te vormen besloot de groep om een hele stapel nieuwe zelfgeschreven songs op band te zetten, tijdens een weeklange sessie. ‘Al de vorige sessies waren haastklussen’, verklaart Keith Richards achteraf. ‘Dit keer konden we het rustig aan doen, de tijd ervoor nemen.’

Die sessie is gepland van 3 tot 8 december 1965, na afloop van een maandlange Amerikaanse tournee De songs hebben ze ook allemaal geschreven in die periode. ‘Een Amerikaanse tournee hield in dat je begon te schrijven voor een volgende plaat. Na een week of drie, vier had je genoeg materiaal, en dan trok je naar L.A. om er te gaan opnemen. We werkten snel op die manier en wanneer je zo’n tour achter de rug had, waren we prima op mekaar ingespeeld als band.’

Manager Andrew Loog Oldham, die ook optreedt als producer, heeft de RCA Studios in Hollywood, Californië, geboekt. Vanaf de eerste noten wist de band dat dit anders zou worden. ‘Die studio’s waren niet zo funky als die van Chess,” vergelijkt Bill Wyman met de studio in Chicago, waar ze het vorige jaar waren gaan opnemen. ‘Maar je krijgt er wel een commerciëler geluid. [De geluidstechnicus, Dave Hassinger] heeft een uitstekend oor. Hij zorgde voor een fantastische klank. Omdat de klank altijd goed zat, hadden we meestal genoeg aan een take of 3, 4 per song.’

Een van de eerste songs waaraan ze werken is ‘19th Nervous Breakdown’. “We hadden er net vijf hectische weken in de States op zitten en [op een avond] riep ik: “Geen idee wat jullie er van denken, maar ik ben zowat klaar voor mijn 19de zenuwaanval.” We zagen het als een mogelijke songtitel. Keith en ik werkten er aan tijdens de vrije momenten in de tour.”
Het meest opvallende kenmerk van de song zit helemaal aan het einde: Bill Wyman speelt er een paar reeksen aflopende basnoten. “Ik bespeelde een kleine Framus bas op dat nummer,’ legt hij uit. ‘Andrew of Keith vroeg: “Kun je niet iets aan het einde doen, om de ruimte tussen de zang en de band op te vullen? Ik bedacht dat Bo Diddley-achtige ding. Met mijn vingertop liet ik de snaar stuiteren tegen het pickup element en liep dan mijn vinger over de snaar. Dat gaf dat geluid alsof er een bom aan komt.’

‘Voor het eerst experimenteerden we ook met andere muzikanten,’ gaat de bassist verder. ‘Iemand als Jack Nitzsche speelde af en toe piano.’ Dat is bijvoorbeeld het geval op ‘Sad Day’. Op de 11 minuten lange track ‘Going Home’, is hij dan weer te horen op percussie. Zesde Stone, Ian Stuart, zit daarbij aan de toetsen.
Het was eigenlijk helemaal niet de bedoeling om zo’n lang nummer op te nemen. De song was voorzien als iets van een minuut of twee-drie. Maar ‘… toen we bezig waren, wachten we op een teken om op te houden’, verklaart Wyman. ‘Maar niemand gaf iets aan….’ Hij wijst ook nog op een foutje: ‘Op een moment hoor je de drums wegvallen. Keith had zijn jas naar Charlie geworpen. Die herpakte zich echter snel.’

Met dezelfde bezetting wordt ook ‘Doncha Bother Me’ op band gezet.
Bij ‘Take It or Leave It’ bespeelt Nitzsche het orgel. Brian Jones is daarbij dan weer te horen op klavecimbel en een Japanse snareninstrument: de koto.

Voor de solo op ‘Mother’s Little Helper’, grijpt Keith naar een 12-snarige elektrische gitaar. ‘Een 12-snarige met een slide er op, ‘specifieert hij. ‘Dat geeft het iets Oosters. Het nummer had iets speciaals nodig, want anders klonk het nogal vaudeville-achtig.’

Jack en Keith

Could You Walk On The Water?

Eens weergekeerd in Engeland, wordt uit de sessies een elpee samengesteld. De platenfirma, Decca Records, plant 10 maart 1966 als datum van verschijnen.

De tracklist:

kant 1: ‘19th Nervous Breakdown’, ‘Sad Day’, ‘Take It Or Leave It’, ‘Think’, ‘Mother’s Little Helper’
kant 2: ‘Goin’ Home’, ‘Sittin’ On A Fence’, ‘Don’t You Follow Me’, ‘Ride On, Baby’, ‘Looking Tired’

‘Goin’ Home’ is daarbij stevig ingekort, waardoor de plaat net geen half duurt. ‘Don’t You Follow Me’ is de oorspronkelijke titel voor wat later ‘Doncha Bother’ zal gedoopt worden en ‘Looking Tired’ tenslotte is een overblijvertje uit de sessies voor de vorige elpee, Out Of Our Heads.

Voor de hoes kiest Oldham een foto waarbij de hoofden van de bandleden tevoorschijn komen uit een waterreservoir.

Wanneer de plaat wordt gepresenteerd aan de raad van bestuur van de platenfirma verslikken enkele hoge pieten zich in hun thee bij het zien van de voorgestelde hoesfoto, in combinatie met de bewust provocerende titel. Ze weigeren de plaat uit te brengen op die manier.

Terwijl de onderhandelingen lopen, wordt ‘19th Nervous Breakdown’ naar voor geschoven als een single. Het verschijnt op 4 februari 1966, met op de b-kant een ouder nummer: de Stones versie van ‘As Tears Go By’. Marianne Faithfull had in ‘64 een hit gehad met haar versie van de song – één van de eerste successen van het schrijversduo Jagger/Richards. En de Stones versie was in de VS een hit in december ’65.
Daarom kiest men daar voor een nieuw nummer als b-kant: ‘Sad Day’.
Mede dankzij optredens op Top of The Pops en de Ed Sullivan Show bereikt de single aan beide zijden van de oceaan de top 3: 2 in de VS en 1 in Engeland.

maart 1966

Na afloop van een Australische tournee, keren Jagger en Co terug naar de RCA Studio’s in Los Angeles om er vier dagen lang bijkomende opnamen te maken: van 3 tot 9 maart 1966.

De vrijheid die ze er vorige keer hebben ervaren zet aan tot meer experimenteerdrift. De periode waarin The Stones uitsluitend rhythm-en bluesnummers brachten, ligt definitief achter hen. In 2003 blikt de zanger terug: ‘In die periode begonnen we ook wat andere soorten muziek te schrijven. Keith schreef veel melodieën en we probeerden verschillende arrangementen uit. Niets was vooraf gepland. Alles gebeurde in de studio, spontaan. We deden alles in een paar sessies bij RCA. We waren goed bezig. Het zit tsjokvol hooks: ‘Paint It Black’, die Bo Diddley riff in ‘19th Nervous Breakdown’ – uiterst hooky en pure pop.’

‘We experimenteerden meer met instrumenten,’ gaat de bassist verder. ‘We hadden nooit eerder die vrijheid in de studio. Brian vond er altijd wel iets om uit te proberen.’ Manager Andrew Oldham is het daar mee eens: ‘Brians bijdrage is merkbaar op zowat elke track bij die opnamen in RCA. Als hij een instrument niet kon bespelen, leerde hij het wel. Nummers als ‘Lady Jane’ of ‘Paint It Black’ zouden heel anders klinken zonder hem. Bij sommige songs was het veel meer dan alleen maar decoratief. Soms was het Brians spel dat er iets speciaals van maakte.’

‘Ik denk niet dat Brian de gitaar beu was,’ meent Mick. ‘Hij hield van het inkleuren van de songs – en hij deed dat uitstekend. Zijn gitaarspel was heel goed, vooral als hij slide speelde – dat was zijn sterke – maar hij was niet echt een rockgitarist. Keith deed dat beter en dus was Brian niet echt nodig daarvoor. Daarom greep hij naar een blokfluit of een sitar. Brian was meer een all-round muzikant dan een gespecialiseerd gitarist.’

‘Ik heb veel geleerd van platen als platen als December’s Children en Aftermath’, vertelt Keith. ‘Ik speelde alle gitaarpartijen die Brian normaal gezien zou hebben gedaan. Gekkenwerk was dat! Het was niet zoals tegenwoordig, dat je vier tot zes maanden aan een plaat werkt. Toen had je tien dagen de tijd om een elpee op te nemen… plus een single. Dat was de norm. Doordat Brian een stapje terug zette op [als gitarist], kwam alle druk op mij terecht.’

Een mooi voorbeeld is ‘Paint It Black’.
‘We zagen het [eerst] als een comedy track’, verklapt Keith, ‘met een funky ritme’. Maar dat leidde nergens naar toe. Ze zijn wat aan het dollen met de song, wanneer Bill Wyman met zijn vuisten op de pedalen van een Hammond orgel begint te slaan. Als Brian daar dan bij komt met een sitar, valt plots alles op zijn plaats.

Brian

Een flink aantal songs gaan natuurlijk over meisjes: ‘Lady Jane’, ‘Under My Thumb’, ‘Out of Time’ en ‘Stupid Girl’. De ode aan de adellijke Jane is één van die songs waarop ze nieuwe wegen verkennen. De akoestische gitaar van Keith wordt aangevuld met Jack Nitzsche op klavecimbel en Brian Jones op dulcimer, een snaarinstrument dat met stokjes wordt bespeeld. ‘Brian was helemaal weg van de dulcimer toen,’ weet Keith. ‘Dat kwam door Richard Fariña… We waren toen ook beginnen luisteren naar muziek uit de Appalachen. Als je het mij vraagt, klinkt ‘Lady Jane’ erg Elizabethiaans. Er zijn nog steeds enkele plekken in England waar ze zo nog spreken: het Engels van Chaucer’.
‘Ik heb zelf geen idee waar het eigenlijk over gaat,’ verklapt Mick. ‘De namen zijn historisch juist, maar het is puur toeval dat ze allemaal passen binnen dezelfde periode.’

In de andere songs komen de meisjes er niet zo goed van af. Stuk voor stuk worden ze onder de duim gehouden, als ouderwets bestempeld of gewoon dom genoemd. ‘Dat is het gevolg van onze omgeving…’, meent Keith. ‘…hotels en te veel domme grieten. Niet allemaal dom – verre van – maar je hebt er zo bij.’

Jaren later moet Mick zich nog steeds verdedigen voor deze vrouwonvriendelijke teksten. In 1976: ‘Ach, [die songs] waren zo naïef – en toch zit er ook een waarheid in, niet?. Ik vind niet dat er iets mis mee is. Het kwam er misschien niet helemaal goed uit, maar die songs waren toch echt wel juist. Kijk, je zegt iets en dan denken ze dat het op alle vrouwen slaat. Maar als je goed naar de tekst luistert – niet te letterlijk – “under my thumb, a girl who ONCE had ME down” Snap je? Dat is toch niet onredelijk. Waarom zou dat op elke vrouw slaan?’ ‘Het was gewoon terugslaan eigenlijk,’ verduidelijkt hij zes jaar later nog. ‘de “onderdrukte man” slaat terug.’
Dat komt uit mijn tienertijd’, meent hij in ’78. ‘In die tijd was er nog geen kritiek van de feministen, want dat bestond toen nog niet.’

Ook hier weer wordt het geluid bepaald door Brian – dit keer op marimba.
Op ‘Stupid Girl’ horen we Brian nog eens op akoestische gitaar. Keith speelt elektrische, Ian Stewart op orgel en Jack Nitzsche op elektrische piano. ‘Dat nummer is veel smeriger dan ‘Under My Thumb’, meent Mick in 1995. ‘Ik had duidelijk problemen toen. Mijn relatie zat niet goed. Of beter: teveel slechte relaties. Ik had toen veel vriendinnen. En geen van hen scheen het zich aan te trekken dat het niet echt klikte. Ik zat duidelijk in de verkeerde omgeving.’

Na afloop kijkt Mick tevreden terug op de sessies: ‘We namen 21 Jagger-Richard composities op in Los Angeles. We waren zo druk bezig, dat ik er over dacht om mijn bed naar de studio te verhuizen.’

Brian is niet zo gelukkig met de evolutie. Nu Mick en Keith alle songs aandragen, komt zijn positie als leider van de groep steeds meer onder druk te staan. ‘Fysisch, noch op andere wijze, was Brian sterk genoeg om de controle te houden’, verklaart Charlie Watts. Ook Ian Stewart bevestigt: ‘Songschrijver zorgde voor veel wrijvingen. Maar Brian kon het gewoon niet. […] Zijn probeersels waren echt vreselijk.’
Keith ziet het zo: ‘Brian trok het zich erg aan, dat Mick en ik alle songs schreven. […] Hij herwon nooit meer enige status. Hij verloor meer en meer zijn interesse in de groep.’ Dat gebrek aan doorzettingsvermogen kenmerkt zich ook in zijn spel. ‘Hij was een slimme muzikant’, weet Charlie, ‘maar hij bleef nooit lang genoeg aan iets werken om een uitstekend muzikant te worden. Hij bespeelde een bepaald instrument gedurende drie weken en keek er dan nooit meer naar om.’

Big Hits (High Tide and Green Grass)

De Amerikaanse platenmaatschappij begint stilaan ongeduldig te worden. Er wordt van uitgegaan dat groepen als The Beatles en The Rolling Stones slechts een paar jaar succes zullen hebben. Dus moet er snel geïncasseerd worden. Omdat de nieuwe elpee te lang op zich laat wachten, komen ze, op 28 maart 1966, met een verzamelalbum: Big Hits (High Tide and Green Grass).

Het fotoboekje dat was voorbereid voor Could You Walk On Water wordt er bij gevoegd en voor de hoes wordt een andere foto uit dezelfde fotosessie in het Franklin Canyon Park in Los Angeles gekozen. London Records is echter wel zo voorzichtig om te kiezen voor een foto waarbij de Stones naast het water staan en niet er op!

Aftermath

De Britse platenfirma kiest er voor om nog even te wachten met de verzamelaar en brengt Aftermath uit op 15 april 1966. De titel Aftermath – nasleep – is een inside-joke naar de lange strijd om de oorspronkelijke elpee uit te brengen.

In de tussentijd zijn een aantal nummers uit de eerste sessies geschrapt. ‘19th Nervous Breakdown’ en ‘Sad Day’ zijn al op single verschenen. ‘Ride On Baby,’ ‘Sitting On A Fence’ en ‘Looking Tired’ verdwijnen in de kast (al duiken twee van die drie songs in 1967 op, op de Amerikaanse compialtie Flowers).

De klemtoon komt te liggen op de recentere opnamen. Van de elf nummers opgenomen in maart, worden er negen geselecteerd voor de nieuwe tracklist.

Die ziet er zo uit:
kant 1: ‘Mother’s Little Helper’, ‘Stupid Girl’, ‘Lady Jane’, ‘Under My Thumb’, ‘Doncha Bother Me’, ‘Goin’ Home’
kant 2: ‘Flight 505’, ‘High And Dry’, ‘Out Of Time’, ‘It’s Not Easy’, ‘I Am Waiting,’ ‘Take It Or Leave It’ ‘Think’, ‘What To Do’

De twee overblijvende songs, ‘Paint It, Black’ (met komma, opeens) en ‘Long Long While’ komen terecht op de volgende single, die op 13 mei verschijnt. Het wordt de zesde Stones singles die de top bereikt in Engeland.

De Britse muziekpers reageert enthousiast op de elpee. Melody Maker noemt het ‘ongetwijfeld de beste Stones plaat tot nu toe’ en de New Musical Express stelt dat de band ‘heeft gezorgd dat je de beste investering ooit kunt doen met deze nieuwe elpee’. Het publiek volgt: de plaat verdringt de soundtrack van The Sound Of Music van de top en voert acht weken lang de Britse hitlijsten aan.
… waarna het weer de beurt is aan ‘Edelweiss’ en ‘The hills come alive…’.

Een andere Aftermath

Omdat ze de verkoop van de verzamelelpee niet willen dwarsbomen, wacht London Records tot 1 juli eer ze Aftermath in de VS op de markt brengen. In afwachting verschijnt wel al ‘Paint It, Black’ op single, maar met ‘Stupid Girl’ als b-kant. De single bereikt ook daar de top.

Wanneer Aftermath er dan, met anderhalve maand vertraging, toch verschijnt, is er, ironisch genoeg, toch weer gekozen voor een andere tracklist en hoes. Vier nummers houdt men achter de hand voor latere releases: ‘Mother’s Little Helper’, ‘Out Of Time’, ‘Take It Or Leave It’ en ‘What To Do’. De meest recente hitsingle komt vooraan en het 11 minuten lange ‘Goin’ Home’ komt als afsluiter, in plaats van pal in het midden van de plaat.

Dat geeft dit resultaat:
kant 1: ‘Paint It, Black’, ‘Stupid Girl’, ‘Lady Jane’, ‘Under My Thumb’, ‘Doncha Bother Me’, ‘Think’
kant 2: ‘Flight 505’, ‘High and Dry’, ‘It’s Not Easy’, ‘I Am Waiting’, ‘Goin’ Home’

De hoesfoto wordt vervangen door een andere foto, geleend uit het programmaboekje van de Britse tournee. Voor alle duidelijkheid is de bandnaam er bij gezet, plus de toevoeging: ‘Including ‘Paint It, Black’’.

Ter promotie is er ook een nieuwe single: ‘Mother’s Little Helper’ met ‘Lady Jane’ als b-kant.
Desondanks moet Aftermath het afleggen tegen Yesterday and Today van The Beatles – ook al zo’n Amerikaanse bijgeharkt zootje. Vooral bekend omwille van de slagershoes, waarmee de vier uit Liverpool wilden protesteren tegen het verminken van hun elpees door de Amerikaanse platenmaatschappij.

Charlie, Andrew, Brian, Mick, Keith en Bill
Jack en Ian buiten beeld.

In 1995 blikt Mick Jagger terug op de plaat: ‘Die plaat was een keerpunt voor ons. Het was de eerste keer dat we alle songs zelf schreven. Eindelijk konden we breken met die, ongetwijfeld, zeer fijne en interessante covers van oude R&B songs – het blijven tenslotte covers. Om eerlijk te zijn: we vonden trouwens dat we die nummers geen recht deden, vooral omdat we de maturiteit niet hadden. […]
[Aftermath] biedt een heel spectrum aan muzikale stijlen: ‘Paint It Black’ was zo’n beetje een Turks nummer. Er waren ook erg bluesy dingen, zoals ‘Goin’ Home’. Als ik me niet vergis staan e rook watt rage nummers tussen. Heel wat goede nummers, verschillende stijlen en goed opgenomen. Wat mij betreft: een hoogtepunt.’

 

 

 

Most Of The Time

 

Een van de mooiste nummers van Bob Dylan uit zijn latere periode is ‘Most Of The Time’, dat in september 1989 verscheen op Oh Mercy. Dankzij Tell Tale Signs hebben we nog twee andere versies uit die sessies. En dan is er ook nog een geheel andere versie, een jaar later opgenomen voor een videoclipje.

 

 versie 1 – Tell Tale Signs cd 1 – 8 maart 1989 (3:46)

Wanneer Bob Dylan de song voor het eerst naar de studio in New Orleans brengt, heeft hij enkel een tekst en moet nog op zoek naar een melodie. Hij probeert het nummer voor te spelen op zijn akoestische gitaar.  Dankzij de alertheid van geluidstechnicus Malcoln Burn werd deze versie bewaard. In een interview voor het Britse muziektijdschrift Uncut vertelt hij trots:  “Ik nam het op. [Dylan] zei: ‘We zouden het zo kunnen doen.’  – en hij speelde het hele nummer op akoestische gitaar en harmonica. Het archetypische Bob Dylan geluid. Hij verwees naar zichzelf in de derde persoon: ‘Dat zou de typisch Bob Dylan manier zijn.” En dan probeerde hij het anders: als een blues, echt heel langzaam. En die versie nam ik ook op.”

Deze kale versie had net zo goed op Another Side of Bob Dylan kunnen staan, of op Blood On The Tracks. Alleen de stem verraadt dat de opname dateert uit zijn latere periode. Hij is nog hoorbaar op zoek naar de melodie, maar hoewel hij weet dat het niet de bedoeling is om deze opname ooit te gebruiken, is de emotie al aanwezig. 

 * * *

 In ‘Most Of The Time’ maakt de zanger zichzelf iets wijs. Hij houdt bij hoog en laag vol dat hij haar vergeten is. Meestal toch. Want iedere keer hij ontkent dat hij nog aan haar denkt, komt de herinnering natuurlijk terug. Hij is haar zo fel vergeten dat hij een nummer aan haar wijdt.

* * *

 versie 2b – Oh Mercy – 12 maart 1989 (5:01) en radio edit (3:55)

Vier dagen later probeert hij de song “voor echt” op te nemen. Producer Daniel Lanois speelt dobro, Dylan zelf akoestische gitaar. De ritmesectie bestaat uit drummer Willie Green  en bassist Tony Hall. Cyril Neville en Daryl Johnson voegen percussie toe.

En, speciaal voor deze sessie is er een extra muzikant uitgenodigd: rockabilly gitarist Mason Ruffner.

Met Ruffner wordt ‘Most Of The Time’ opnieuw uitgeprobeerd. Er is nog steeds geen echte melodie gevonden en het is Lanois die er voor zorgt dat de song zich ontwikkeld tot een langzaam, melancholisch nummer.  “De versie die op de plaat is gekomen heeft de typische Lanois stempel,”  weet geluidstechnicus Malcolm Burn, “waarbij Lanois de basistrack overdub na overdub aankleedt”. Volgens zijn collega Mark Howard was de uiteindelijk  versie  “gebouwd rond een kleine groep: enkel Bob, Dan en Malcolm. De basis was een loop of een patroon van een 808 drum machine”.

Het resultaat, zoals het op Oh mercy verschijnt is de meest ambitieuze productie van de plaat. “Magistraal”, zoals criticus Allan Jones schreef. Of  “ruimtelijk en theatraal”, zoals Malcolm Burn het noemde: “Op en top Lanois.”
In Chronicles schrijft Dylan dat, terwijl Lanois de track opbouwde, hij zich alsmaar ongemakkelijker ging voelen. Het klonk allemaal niet slecht, maar het was niet zoals hij het had bedoeld. Hij wist niet welke kant het dan wel moest uitgaan, maar zo niet. “Een big band behandeling zou misschien goed geweest zijn. In gedachte zong ik het met begeleiding van het Johnny Otis Orchestra. Een pak regels moesten een andere plaats krijgen en ik voelde mij afgeblokt.”

 Misschien dat hij daarom op Tell Tale Signs ook een versie heeft geplaatst uit diezelfde sessie – misschien zelfs dezelfde take – maar dan zoals de song live in de studio klonk. “Evolution mix” noemde de producer deze versie.

Niet zo geproducet, minder swampy, minder Lanois. De akoestische gitaren zijn meer prominent aanwezig en er zijn enkele kleine tekstafwijkingen.

I got enough faith and I got enough strength
I keep it all away, way beyond arm’s length

zingt hij, in plaats van

I don’t build up illusion ‘till it makes me sick,
I ain’t afraid of confusion no matter how thick

versie 2a – Tell Tale Signs cd 3 – 12 maart 1989 (5:10)

* * *

 

Maar is het wel een vrouw die hem heeft verlaten? Misschien bezingt Dylan zijn muze.

De song werd geschreven in januari 1988, na een lange periode van writer’s Block. Op zijn vorige plaat, Down In The Groove, had Dylan geen enkele nieuwe tekst geschreven. Hij was zelfs al een tijdje aan het overwegen of hij niet beter een ander beroep zou kiezen.

Gehandicapt dooreen stom ongeluk in de tuin en ingesneeuwd op zijn boerderij wordt hij geconfronteerd met zichzelf. Hij vraagt zich af of zijn muze hem voor altijd heeft verlaten.

 Most of the time
I can’t even be sure
If she was ever with me
Or if I was ever with her 

Was het mijn muze wel, of mocht ik enkel af en toe in haar gezelschap vertoeven?

 * * *

 versie 3 – video clip – 16 maart 1990 (4:55)

Toen ‘Most Of The Time’ werd geselecteerd als derde single van de plaat, drong de platenfirma aan op een videoclipje. Dylan was net Under The Red Sky aan het voorbereiden met Don en David Was als producers.

Net een jaar na de oorspronkelijke opname trok hij daarom opnieuw de studio in. Deze keer was het de Culver City Studios in Los Angeles. Hij koos echter voor een radicaal andere aanpak dan die van Lanois. Geen van de oorspronkelijke muzikanten was uitgenodigd. In plaats daarvan koos hij voor meestergitarist David Lindley en de ritmesectie van Randy Jackson en Kenny Aronoff.

Deze versie verscheen ook op de promoversie van de single.

* * *

Een derde interpretatie is dat het helemaal niet over een vrouw gaat: geen van vlees en bloed, maar ook geen mythische. Het zou ook kunnen dat de zanger, nu hij de vijftig nadert, terugblikt op zijn jeugd. Een periode in zijn leven die voorgoed voorbij is en die ver achter hem ligt. “It don’t matter where it went” zingt hij in de versie op cd 3 van Tell Tale Signs.

I can survive and I can endure
And I don’t even think about her
Most of the time