In de stortvloed van cd’s die we in de aanloop naar de Kerstperiode elk jaar weer over ons heen krijgen dreigt er menig fijn plaatje ten onder te gaan. Alle aandacht gaat naar de grote kleppers of nieuwe beloftevolle debutanten. Wie kijkt dan nog om naar een tribute voor haast vergeten bluesmuzikanten?

Ik heb het over Things About Coming My Way, A tribute to the music of The Mississippi Sheiks op het label Black Hen Records.

“The Mississippi wie?” hoor ik u denken. Daarom eerst een brokje geschiedenis.

 

de sheiks door Robert Crumb

 

 

The Mississippi Sheiks

In ons collectieve geheugen roept het woord blues twee beelden op: een eenzame zwarte gitarist met een akoestische gitaar, of een zwetende even zwarte man met een elektrische gitaar in een rokerige club. Toch is iemand als Robert Johnson – zowat het archetype van de akoestische blues – gestorven als een onbekende, terwijl de eens zo populaire Mississippi Sheiks nu zo goed als vergeten zijn.

De stringband, met gitaren, fiddles, bas en en mandolines of banjo’s gaat terug tot de negentiende eeuw. In het landelijke Amerika waren ze de enige bron van dansmuziek. Deze bands hadden allemaal een gelijkaardig repertoire, of de muzikanten nu zwart of blank waren. Ze speelden zowel walsen als polka’s, volksliedjes, blues en andere populaire melodietjes.

Aan het begin van de vorige eeuw was een van de populairste stringbands in Jackson, Mississipppi die van Ezell Chatmon. Hij werd begeleid door zijn vele zonen en andere familieleden. Sommigen daarvan groeiden later uit tot grote bluesmannen. Charlie Patton was bijvoorbeeld zijn halfbroer en Peter Chatman raakte bekend als Memphis Slim.

De Chatmons opereerden onder diverse namen: Walter Jacobs And The Carter Brothers, The Chatman Brothers, The Mississippi Mud Steppers, The Mississippi Blacksnakes en, vanaf 1926, The Mississippi Sheiks. Die naam ontleenden ze aan de in die periode populaire film The Sheik, met Rudolph Valentino.

De kern van de groep bestond tegen die tijd uit de fiddler Lonnie Chatmon en gitarist Walter Vinscon. De gitaristen Bo en Sam Chatmon hadden daarnaast ook succesvolle solo carrières en konden daarom niet altijd aanwezig zijn.

Dat was ook zo tijdens de eerste opnamesessie van de familie Chatmon. Die sessie voor het platenlabel Okeh, vond plaats op 17 februari 1930 in Shreveport, Louisiana. Walter zong, zichzelf begeleidend met zijn gitaarspel, terwijl Lonnie de fiddle beroerde. Onder de pseudoniemen Walter Jacobs en Lonnie Carter legden ze een aantal nummers vast, waaronder ‘The Jazz Filddler’, ‘World Gone Wrong’ en ‘Sittin’ On Top Of The World’.

Sittin’ On Top Of The World 

Dat laatste nummer sloeg onmiddellijk aan. Over de gehele Verenigde Staten gingen er meer dan een miljoen exemplaren van het achtenzeventig toeren plaatje van de hand. De opvolger ‘Stop And Listen’ deed het bijna even goed. The Mississippi Sheiks groeiden uit tot een ontzettend populaire band, met vele imitatoren.

In het boekje bij Heritage, een cd van de retro string band Carolina Chocolate Drops schrijft Dom Flemmons: “Van ‘Sitting on Top of the World’ wordt verteld dat het het favoriete nummer was van Bonnie en Clyde. Het werd ook geregeld uitgevoerd tijdens grote bijeenkomsten van de mafia. De Sheiks zelf beweerden later dat ze het ooit zongen op verzoek van Al Capone.”

Alles samen hebben ze zo’n zeventig nummers op band gezet, in diverse genres.

Maar de depressie maakte komaf met een en ander. Vanaf 1933 ging het succes achteruit en na een laatste sessie in 1935 trokken de mannen terug naar hun boerderijen.

The Mississippi Sheiks zelf

De herkomst

Walter Vinson beweerde dat hij ‘Sitting on Top of the World’ schreef de ochtend nadat ze hadden opgetreden op een  danspartij voor blanken in Greenwood, Mississippi. De melodie had hij echter zo goed als zeker geleend van Tommy Johnson’s ‘Big Road Blues’ uit 1928. Victor Records, die het copyright op ‘Big Road Blues’ hadden, kloegen OKeh Records aan en de zaak werd in der minne geregeld.

Overigens gebruikte Robert Johnson het statige ritme en de melodie van het nummer van The Sheiks voor zijn eigen ‘Come On In My Kitchen’, terwijl Charlie Patton er ‘Some Happy Day’ van maakte en Tampa Red ‘Things About Coming My Way’. Anderzijds kunnen al deze songs ook worden terug gelinkt aan ‘How Long, How Long’ van Leroy Carr & Scrapper Blackwell, een dikke blueshit uit 1928.

Robert Johnson met ‘Come On In My Kitchen’

En verder?

Het nummer ‘Sitting On Top Of the World’ werd later geadopteerd door Western Swing groepen en na een opname door Bill Monroe in 1957 ook door bluegrass bands.

Datzelfde jaar nam ook Howlin’ Wolf het nummer op in een elektrische bluesversie. Hij behield enkel de tweede en vijfde strofe van het origineel en nam de middelste strofe over van een versie van Ray Charles uit 1949. Toch zette hij er, voor het gemak, zijn eigen naam onder: Chester Arthur Burnett.

En die versie vormde dan weer de basis voor een cover door Cream op hun Wheels Of Fire (1968).

Meer recent bracht Jack White van The White Stripes het nummer, zittend aan een kampvuur, in de film Cold Mountain (2003).

Natuurlijk kunnen we het ook terugvinden bij Bob Dylan. Die bracht het in 1992 op Good As I Been To You. Op de opvolger World Gone Wrong stonden zelfs twee nummers van de Mississippi Sheiks: ‘Blood In My Eyes For You’ en de bijna titelsong ‘The World Is Going Wrong’.

Dylan is een grote fan van de mannen. In zijn merkwaardige hoesnota’s bij dat laatste plaatje vertelt hij: “Al hun songs gaan tot op het bot & zijn vlekkeloos gemaakt voor deze moderne tijden ( de Nieuwe Middeleeuwen) – de Mississippi Sheiks hebben nog niks van hun kracht verloren.”

Overigens kende Bob Dylan het nummer al heel lang. Een van de eerste keren dat hij een platenstudio aan de binnenzijde zag was in maart ’62. Hij mocht harmonica spelen bij een sessie van de bluesmuzikanten Victoria Spivey en Big Joe Williams voor de plaat Three Kings And A Queen. En een van de nummers die toen werden vastgelegd was precies dit ‘Sitting On Top Of the World’.

‘Sitting on Top of the World’ werd in 2008 bijgezet in de Grammy Hall of Fame. Hetzelfde gebeurde met de The Mississippi Sheiks zelf in de Mississippi Musicians Hall of Fame in 2004.

Things About Comin’ My Way

Terug naar de tribute cd.

Initiatiefnemer is de gitarist en producer Steve Dawson. Hier  geeft hij tekst en uitleg over het project, inclusief een toelichting bij elk van de songs en de uitvoerders.

Tenslotte nog wat live versies van deze songs.

Steve Dawson – Lonely One In This Town

Jim Byrnes – Jailbird Love Song

The Sojourners – He Calls That Religion

 

 

Dylan and the Dead

 

Zowel artistiek als emotioneel was Dylan in 1987 op een dieptepunt aanbeland. Hij leed al enkele jaren aan writer’s block, was zwaar aan de drank en zijn geheime huwelijk met een van zijn zwarte zangeressen stelde niet veel voor. Zelfs wanneer zij met hem mee de wereld rond trok bedroog hij haar voortdurend met een van zijn vele vriendinnen.

Zelfs optreden zei hem niks meer. 

 

Tien jaar later blikte hij terug: “[In 1987] had ik het dieptepunt bereikt. Wat het ook was wat ik had willen doen, dat was het zeker niet. Ik wou er mee ophouden… Ik wist niet meer wat [mijn songs] betekenden… alleen maar wat woorden? Het stond allemaal zover van mij af. ..
Ik teerde lang voort op mijn naam. Mijn naam en mijn reputatie, dat was alles wat ik nog had. Ik was ten prooi gevallen aan geheugenverlies… Ik wist niet wat ik moest voorstellen op het podium.”

 

Toch heeft Elliott Roberts, de manager van Bob Dylan, voor zijn cliënt nog een aantal optredens op touw gezet samen met The Grateful Dead.  “We hielden altijd al van zijn muziek,” verklaarde Jerry Garcia, de leider van die band enthousiast: “en nog steeds. Dat was iets wat we altijd al wilden doen: Bob Dylan & The Grateful Dead. Dus toen we hem tegenkwamen [in ‘86] en we erover begonnen zei hij OK.”

Dylan was alleen maar akkoord gegaan omdat het een erg lucratieve deal was: hij krijgt maar liefst 70% van de inkomsten!

 

* * *

 

Garcia had dat jaar enkele maanden op het randje van de dood gebalanceerd. Hij was in een coma geraakt, veroorzaakt door een combinatie van suikerziekte en langdurig gebruik van heroïne en cocaïne. Met de gezamenlijke tournee in het vooruitzicht zorgde Garcia er voor dat hij clean was. Ook de rest van de band keek uit naar deze zes uitzonderlijke optredens. “Hij kwam langs voor een week of twee, drie en we repeteerden en probeerden wat uit. We speelden wat dingen en hadden plezier en trokken met elkaar op.”

 

Maar Dylan zag dat allemaal heel anders. Hij bracht zelfs geen gitaar mee naar de repetities.  Bob Weir bood hem aan er één te kiezen uit zijn collectie. Dylan pikte er  een roze exemplaar uit.

 

De repetities vonden, de eerste twee weken van juni 1987, plaats in Club Front in San Rafael, Californië. Dylan verbeef er in het Stoufers Hotel. Zijn vrouw was thuisgebleven met hun dochtertje. Dylan had Carole Childs mee om hem gezelschap te houden.

 

Tot Dylans verassing wilden de Dead meer en andere nummers repeteren dan hij gewoonlijk speelde met Petty. Dat probleem had hij ook al bij de Heartbreakers gehad: “Benmont Tench bleef mij maar vragen, smeken bijna, om eens wat andere nummers te spelen… en ik kwam iedere keer met een of andere smoes…”

 

De paniek sloeg bij hem toe: “Geen van die liedjes zei me ook maar iets en ik wist niet hoe ik ze met enige overtuiging kon zingen. “

 

In zijn Kronieken vertelt Dylan hoe hij met een smoesje de deur uit vluchtte en het op een lopen zette. Een paar straten verder passeerde hij een bar waar een paar muzikanten jazzballades speelden. Hij ging er binnen en keek naar de mannen. De zanger was ontspannen en zong met een natuurlijke kracht.

“Plots, zonder enige waarschuwing, leek het alsof deze kerel een raam naar mijn ziel had open gezet,” vertelt Dylan. “Ik deed dat vroeger ook zo, besefte ik. Het was lang geleden en het ging automatisch. Die techniek was zo elementair, zo simpel en ik was haar vergeten. Ik vroeg me af of ik het nog steeds kon. Ik wilde het op z’n minst een keer proberen.”

 

Hij keerde terug naar de repetitieruimte, alsof er niks was gebeurd, en probeerde het uit.  “In het begin verliep het moeizaam, alsof ik door een betonnen muur heen moest. Ik proefde alleen het stof. Maar dan kwam er opeens iets  los vanbinnen. Heel wonderlijk… Ik speelde die shows met de Dead en hoefde er nooit bij na te denken. Misschien hadden ze gewoon iets in mijn drankje gedaan – wie weet? Maar wat ze ook voorstelden, voor mij was alles prima. En dat had ik allemaal te danken aan die oude jazz zanger.“

 

Natuurlijk hebben de Grateful Dead en hun management een ander beeld van die repetities. “Hij was moeilijk om mee samen te werken,” weet Bob Weir. “Hij wou een nummer ooit meer dan twee of drie keer repeteren. We speelden misschien honderd nummers elk twee of drie keer…”

 

* * *

 

 

 

De tournee zelf ging twee weken later van start, op 4 juli. De dag  ervoor hadden Dylan en de Dead afgesproken in het Red Lion Hotel bij Foxboro, om de setlist op te stellen. De band wou een vast repertoire voorstellen, terwijl de zanger, verrassend genoeg, net met het  voornemen kwam om de setlist overhoop te gooien. “Bob kwam met een lijst nummers die weinig leek op wat we hadden gerepeteerd.”

Het resultaat was niets minder dan een ramp. “Het was alsof we nooit hadden gerepeteerd,” aldus Bob Weir over de openingsshow in het Sullivan Stadium van Foxboro, Massachusetts.

 

Geen van de beide drummers van de band volgde de zanger of gaf hem een basis om op voort te bouwen. Na twee songs werd het al duidelijk dat Dylan liever ergens was geweest.  Tussen de songs draaide hij zijn rug naar het publiek om zijn gitaar te stemmen. En tijdens het zingen keek hij naar de grond. Zijn stem klonk ook meer gehavend dan ooit.

 

Jerry Garcia toonde zich verbaasd om de werkmethoden van The Zimm: “Hij is grappig: een beetje een kameleon. Hij speelt volgens zijn gevoel… maar er zijn twee dingen die uiterst belangrijk zijn in de muziek, waar hij echt geen kaas van heeft gegeten: een nummer beginnen en eindigen. Alles wat daar tussen zit is fantastisch, maar het begin en het einde… “

 

Het meest dramatische was echter dat het jongensachtige imago van de vorige zomer was omgeslagen in het andere uiterste: Dylan zag er plots uit als een oude man, met een baard, gekromde rug, bijziend en zwijgzaam zowel tussen de nummers als tussen de optredens. Contractueel was vastgelegd dat op de videoschermen geen close-ups van hem mochten worden vertoond.

Volgens Denny McNally, de biograaf van de groep, was Dylan tijdens deze reeks optredens zo dronken of stoned dat hij dikwijls zijn teksten vergat. Soms speelde hij gewoon in een andere toonaard dan de rest van de groep. Kringen rond de zanger legden uit dat Dylan zware medicatie nam, omdat hij rugklachten had.

 

Samen speelden ze een half dozijn shows, telkens voor zo’n 75 000 toeschouwers. De Dead speelde eerst twee uur lang en dan volgde een gezamenlijke set met de Dead als backing band voor Bob. Daarbij brachten ze telkens twaalf songs, plus een toegift. Per set waren er hooguit drie nummers die niet uit de jaren zestig kwamen.

Tot de verrassingen behoorden ‘Chimes Of Freedom’ dat hij sinds 1964 niet meer had gezongen. Zowel ‘John Brown’ als ‘Tomorrow Is A Long Time’ waren nog nooit in een studio versie verschenen.

En dan waren er nog ‘Queen Jane Approximately’ en ‘Joey’ die hun live debuut kregen.

 

Terwijl de concerten hadden gezorgd voor een pak frustraties bij de Dead, had Dylan er veel van geleerd.  Zowel van hun gezelschap, als van de wijze waarop ze, haast moeiteloos, elke denkbare vorm van Amerikaanse muziek naar hun hand zetten: of hun nu folk ballads uit de Appalachen waren, een nummer van Bing Crosby of free-form jazz.  “Hij schreef niet veel toe,” blikte Jerry Garcia terug. “Ik denk dat hij op zoek was naar een nieuwe richting voor zijn songs.  We praatten over mensen als Elisabeth Cotton, Mississippi Sheiks, Earl Scrugs, Bill Monroe, Gus Cannon, Hank Williams…. We probeerden wat van die dingen uit tijdens de repetities. Ik toonde Bob wat van die nummers: ‘Two Soldiers’, ‘Jack-A-Roe’, ‘John Hardy’… Het probleem was dat Bob die nummers liever leek te spelen dan zijn eigen songs.”

 

“[Met de Grateful Dead] had ik een soort openbaring,” verklapte hij aan Mikal Gilmore van Rolling Stone: “Ik leerde er hoe ik die songs opnieuw kon spelen, door bepaalde technieken te gebruiken. Toen ik daarna weer met Petty ging optreden, gebruikte ik die technieken en ik ontdekte dat ik opnieuw kon spelen.”

Voortaan zou hij veel gevarieerder sets brengen, waarbij de setlist vlak voor het optreden werd bepaald en dan nog dikwijls ter plekke werd gewijzigd.

 

* * *

 

Maar de lijdensweg van Garcia en de zijnen was nog niet voorbij. Natuurlijk waren alle shows opgenomen met de bedoeling een live-LP op de markt te brengen.

 

We gingen naar zijn huis in Malibu,” vertelde Jerry Garcia, “dat ligt daar ergens… ver van de stad. Hij heeft daar grote honden rondlopen, zeker een stuk of zeven… We komen daar aan, en direct  omsingelen die honden de auto.

Dylan was iets in zijn huis aan het rommelen en hij nam ons mee naar een soort zaal, met een open haard, houten lambrisering  en een hoog plafond. Op tafel stond een goedkope ghetto blaster. Hij pakte de cassette, stopte die daarin en zei: ‘Vinden jullie ook niet dat de zang wat te hard staat, hier?’ Wij zitten daar maar te luisteren naar dat goedkope apparaat en hij zegt dan: ‘Ik vind dat er wat meer bas mag’.”

 

The Dead had het optreden van 12 juli integraal uit te brengen, maar daartegen stelde Dylan zijn veto.  Hij schrapte drie van de beste versies: ‘Wicked Messenger’, ‘Ballad of Frankie Lee and Judas Priest’ en ‘Chimes Of Freedom’ en stond er op dat ze werden vervangen door – nog maar eens – ‘All Along the Watchtower’ en ‘Knockin’ On Heaven’s Door’ van een andere avond.

 

* * *

 

De plaat, Dylan And The Dead, verscheen pas anderhalf jaar na de tournee: op 6 februari 1989.

 

Er staan slechts zeven nummers op en geen enkel daarvan is de moeite waard. Dylan worstelt zich mompelend door de teksten, hele lappen overslaand of door elkaar haspelend. De band doet zijn best om hem te volgen.

 

Een van de drummers van de band, Tim Hart, bekeek het zo: “We probeerden een zanger te begeleiden op songs die niemand kende. Het was niet ons beste werk – en het zijne trouwens ook niet. Ik snap niet waarom iemand zoiets op plaat wou uitbrengen.”

 

En toch deed de live opname het beter dan Dylans recente studiowerk en bereikte zelfs een 37ste plaats in de Billboard-albumlijst. Maar dat was misschien meer te danken aan de nasleep van het succes van de Traveling Wilburys, waarvan de plaat een paar maanden eerder was verschenen.

 

‘Queen Jane Approximately’ van 12 juli 1987