Naar goede gewoonte plaats mijn muziekbroeder  Leo hier zijn eindejaarslijstje. En het is er weer eentje om veel tips van op te steken.

22 december 2012 at 1:17 am

Hoi de mannen, hier mijn lijstje voor 2012 :

De plaat, eigenlijk verzamelbox, die mij het nauwst aan het hart ligt is “Country of Peer”, een unieke en zeer overzichtelijke verzameling van de country muziek, uitgebracht op 1 exemplaar en helemaal voor mij alleen. Deze zal ik koesteren, mijn hele leven lang. Bedankt maat, bedankt voor al dat hartelijke moois. En dan naar de gewone orde van de dag:

1) Bob Dylan “Tempest”
Zonder discussie en geen gezever verdomme!!!  Eigenlijk heb je dit jaar “Tempest” en de rest.   Waarom moeten de kenners zich toch zo in alle bochten draaien om toch maar iets anders op 1 te zetten, terwijl ze beter weten. “Tempest” en niks anders is de beste plaat van 2012!!!   Wat niet wil zeggen dat er geen andere goeie platen gemaakt zijn dit jaar. “Tempest” is zoals Bob wil dat zijn platen nu klinken en zijn niet te  vergelijken met zijn vroegere werk. Het is als het ware appelen met peren  vergelijken. “Tempest” dus, is het duidelijk?

2) Neil Young “Psychedelic Pill”
Evenzeer een meesterwerk.   Waarom voor mij op 2? Zie de schitterende commentaar van Roen!!!

3) The Bony King of Nowhere
Zo subtiele pracht die zich in mijn wezen genesteld heeft.  Ik draag deze plaat mee voor altijd. Bedankt, Bram.

4) Chris Smither “Hundred Dollar Valentine”
Luister aub eens naar wat voor schitterende Songs, met Hoofdletter, dit  zijn. De man wordt nog steeds beter.

5) John Fullbright “From The Ground Up”
Bevestigt helemaal, zelfs beter dan dat. Ene hele grote meneer, nu al.

6) Ben Bedford “What We Lost”
Man van mijn hart. Adembenemend mooi wat hij weer brengt.  Muziek alsof het een bestseller is in de literatuur.

7) Greg Brown “Hymns To What Is Left”
Muziek recht uit het goede muzikale hart. Waar blijft de man al die pracht halen?

8) Eric Bibb “Deeper In The Well”
Essentiële lessen in muziekgeschiedenis en op een o zo mooie manier  gebracht. De man verdient er iedere keer bij te zijn.

9) Kelly Joe Phelps “Brother Sinner & The Whale”
Joepie, hij is er weer en hoe! Welcome back, Blues Man!

10) Iris DeMent “Sing The Delta”
Wat zit er in de lucht bij de Brown’s om zo veel pracht op de wereld los te laten? Welcome back, Iris! Het was het wachten meer dan waard.

11) Malcolm Holcombe “Down The River”
Is eigenlijk ook een top tien plaats waard!!!

12) John Statz “Old Fashioned”
En dit geldt ook voor deze gast. Luister hier eens naar aub, dan weten jullie waarom.

13) Caroline Herring “Camilla”
En ook voor deze grote Dame. Weer zo veel pracht gelijk voorheen.

14) Nels Andrews “Scrimshaw”
Wat moet een mens nog meer doen opdat men dit massaal zou kopen?

15) Tift Merritt “Traveling Alone”
Haalt het beste uit haar zelfs met deze mooie plaat

16) Gretchen Peters “Hello Cruel World”
Zwaar onderschat deze Dame. Plaat te vroeg in het jaar uitgebracht.

17) Ry Cooder “Election Special”
Gewoon weer goed zoals altijd van deze meester.

18) Jim White “Where It Hits You”
Prachtplaat zonder meer!!! Ook weer vergeten door iedereen. Jammer, verdient veel beter dan weer niks op de plank.

19) John Hiatt “Mystic Pinball”
Altijd goed. Altijd!!!

20) Ray Wylie Hubbard “The Gifter’s Hymnal”
Ook zo iemand die altijd goed is om beluisterd te worden.

21) Mark Knopfler “Privateering”
Meer dan de moeite waard. Eigenlijk gewoon schitterend en kon hoger staan.

22) Rob Lutes “The Bravest Birds”
Blijft gewoon goed gelijk voorheen. Te laat op het jaar voor erkenning. Jammer genoeg geen plaats meer voor de man hogerop, maar kon perfect. Kopen zou ik zeggen, hij verdient het!

23) Richie Syrett “Good Morning Midnight”
Wat een kennismaking is dat zeg! Groot talent!!!

24) Jimmy Lafave “Depending On The Distance”
Nog zo iemand die altijd zo veel pracht brengt maar voor geen meter verkoopt. Schitterende versies van 3 Dylan nummers.

25) Drew Nelson “Tilt A Whirl”
En wat dan gezegd van deze? Kon eveneens hoger in de lijst.

26) Rose Cousins “We Have Made A Spark”
Kende ik niet, maar nu des te beter. Mooie plaat!

27) Buddy Miller & Jim Lauderdale “Buddy & Jim”
Kan niet anders dan goed zijn en… is het ook!

28) Hans Chew “Tennessee & Other Stories”
Nog net op tijd leren kennen en maar goed ook. Echte Americana.

29) Lincoln Durham “theshovel (vs) thehowlingbones”
Muziek zoals velen zouden willen maken.

30) The Sumner Brothers “I’ll Be There Tomorrow”
Bevestigen helemaal. Americana zonder meer en goed.

Mogen ook op de lijst, zeker weten :

31) Carolina Chocolate Drops “Leaving Eden”

32) Douglas Firs ” Shimmer & Glow” Belgisch en maatje van Bram en goed.

33) Leeroy Stagger “Radiant Land”

34) The Pines “Dark So Gold”

35) Kevn Kinney “A Good Country Mile”

36) Dave Tate “Anima” Verdient ocharme veel beter.

37) Steve Strongman “A Natural Fact”

38) Joe Filisko & Eric Noden “Missed Train Blues”

39) Ryan Bingham “Tomorrowland”

40) Joel Henderson “Locked Doors & Pretty Fences”

Plaat uit 2011 maar in 2012 leren kennen : 41) Phantom Limb “The Pines” Stond anders veel hoger, zeker weten!!!

Ontgoocheling van het jaar : 42) Jenee Halstead “Raised By Wolves” Waarom die mooie muziek verknoeien met dat drumspul? Jammer, heel jammer.

Opnieuw ontdekt dit jaar en van genoten : 43) Miles Davis “Kind Of Blue” Wilde ik echt meegeven

Zo dat was het voor 2012 wat mij betreft. Ik zal nog wel heel veel vergeten zijn zeker? Maar hier heb ik van genoten en daar gaat het om, nietwaar?

Leike

ImageVoor de wereld binnenkort vergaat… De hoogste tijd voor het jaarlijkse lijstjesfestijn!

Volgens de regeltjes van Roens Ranch tellen compilaties en live-opnamen niet mee in het jaaroverzicht. Daarom wil ik graag het fantastische Country Funk 1969-1975  even afzonderlijk vermelden. Blanke muzikanten uit het zuiden van de Verenigde Staten die een flinke scheut soul aan hun country toevoegen, dat is helemaal mijn ding.

De heruitgave van het jaar komt ook uit dezelfde hoek: Ever Changing Minstrel, de enige elpee van ene Bill Wilson, uit 1973.  Een vergeten meesterwerk. Google zijn verhaal maar eens. 

Geveld door een hernia was ik deze zomer vier maanden aan bed gekluisterd. In die periode heb ik heel veel naar muziek kunnen luisteren en er over lezen. Daar zat heel veel country bij. Daarvoor had ik een goede reden. Mijn goede vriend en muziekbroeder Leo vierde dit jaar zijn 50ste verjaardag. Daarom heb ik een reeks cd’s in elkaar geknutseld rond de geschiedenis van de country: twee schijfjes per decennium. Van 1922 tot vandaag zijn dat 17 cd’s geworden. (2010 tot 2014 volgt over twee jaar, Leo.)

Country voerde ook de boventoon in twee soundtracks die een speciale vermelding verdienen.  The Broken Circle Breakdown was alom tegenwoordig. Johan Heldenbergh gaf zijn uitstekende theatervoorstelling The broken circle breakdown featuring the cover-ups of Alabama een vervolg als film en een reeks uitverkochte optredens. Binnenkort volgen waarschijnlijk nog een boek en een T-shirt. Ach ja, waarom ook niet? Het is fijn dat bluegrass eindelijk eens wat aandacht krijgt in Vlaanderen.

Een beetje vergelijkbaar is wat Nick Cave en Warren Ellis deden voor de soundtrack van Lawless. Internationaal ligt het budget natuurlijk wat anders. Met mensen als Emmylou Harris en Ralph Stanley had het evengoed een productie van T-Bone Burnett kunnen zijn. Maar de keuze voor covers van Velvet Underground en Captain Beefheart, plus de aanwezigheid van Mark Lanegan, geven het geheel toch een net iets scherper randje. Heerlijk.   

Maar dan nu over tot de orde van de dag: het lijstje.

Bovenaan staat de nieuwste klassieker van Bob Dylan. De hemel in geprezen bij het verschijnen, om vervolgens te worden genegeerd door bladen die vooral hip zijn belangrijk vinden. Zo’n zeventiger bovenaan de lijst zou het jeugdig doelpubliek wel eens kunnen afschrikken.

Anyway, als de geruchten waar zijn, hebben we alvast iets om naar uit te kijken de volgende jaren. De twee volgende delen van de never-endig Bootleg Series zouden gewijd zijn aan de jaren zeventig. Vol. 10 zou de periode 1969-1973 (Nashville Skyline, Self Portrait, Greatest Hits II, Dylan en New Morning) beslaan en het volgende deel zou de periode daarna uitdiepen (Planet Waves, Blood On The Tracks, Desire en misschien ook Street-Legal).

Opvallend is ook wel dat de gevestigde waarden goed vertegenwoordigd zijn dit jaar. Er staan weinig debuten in mijn top 20: John Fullbright (zijn live elpee ven niet meegerekend), Andrea Schroeder (een productie van Chris Eckman) en Frank Ocean. Die laatste naam blijkt trouwens zowat de enige zwarte medemens die me muzikaal heeft weten te boeien, dit jaar.

 

  1. Bob Dylan – Tempest
  2. Eric Bibb – Deeper In The Well
  3. Richard Hawley – Standing at the Sky’s Edge
  4. Mark Lanegan – Blues Funeral
  5. The Avett Brothers – The Carpenter
  6. Gretchen Peters – Hello Cruel World
  7. Blaudzun – Heavy Flowers
  8. Andrew Bird – Break It Yourself
  9. Iris DeMent – Sing The Delta
  10. Alexa Woodward – It’s A Good Life, Honey, If You Don’t Grow Weary

 

  1. Neil Young – Psychedelic Pill
  2. John Fullbright – From The Ground Up
  3. Bony King Of Nowhere – Bony King Of  Nowhere
  4. First Aid Kit – The Lion’s Roar
  5. Bill Fay – Life Is People
  6. Andrea Schroeder – Blackbird
  7. Rebecca Zapen – Nest
  8. Frank Ocean – Channel Orange
  9. The Pines – Dark So Gold
  10. Dr. John – Locked Down

 

 En verder, in min of meer chronologische volgorde:

Alex Highton – Woodditton Wives Club

The Beach Boys – That’s Why God Made the  Radio

Beachwood Sparks – The Tarnished Gold

Ben Bedford – What We Lost

Beth Orton – Sugaring Season

Bobby Womack – The Tallest man In The Universe

Buddy Miller & Jim Lauderdale – Buddy Miller & Jim Lauderdale

Calexico – Algiers

Carolina Chocolate Drops – Leaving Eden

Caroline Herring – Camilla

The Catatonics – The Catatonics

Cat Powers – Sun

Chelle Rose – Ghost Browder Holler

Chris Smither – Hundred Dollar Valentine

Corn Lund – Cabin Fever

Darrell Scott – Long Ride Home

David Byrne & St. Vincent – Love This Giant

Dr. John – Locked Down

Dylan LeBlanc – Cast The Shadow

Françoise Hardy – L’amour fou

Flying Horseman – Twist

Greg Brown – Hymns To What Is Left

Harry Taussig – Fate Is Only Twice

Heritage Blues Orchestra – And Still I Rise

Huw M – Gathering Dusk

Isbells – Stoalin’

Jack White – Blunderbuss

Jake Bugg – Jake Bugg

James Yorkston – I Was A Cat From A Book

Jimmy Lafave – Depending On The Distance

John Cale – Shifty Adventures in Nooky Wood

John Hiatt – Mystic Pinball

John Statz – Old Fashioned

Karen Collins & The Backroads Band – No Yodeling On The Radio

KIN – Songs By Mary Karr & Rodney Crowell

Lincoln Durham – The Shovel vs the Howling Bones

Malcolm Holcombe – Down The River

Matt Harlan – Bow And Be Simple

Megan Reilly – The Well

Minco Eggersman – Reservoir By ME

Neil Halstead – Palindrome Hunches

Neil Young – Americana

Nels Andrews – Scrimshaw

Neneh Cherry & The Thing

Patrick Watson – Adventures in Your Own Backyard

Phantom Limb – The Pines

Roger Tarry – Quiet Town

Rose Cousins – We Have Made A Spark

Ryan Bingham – Tomorrowland

Ry Cooder – Election Special

Sean Rowan – The Salesman and The Shark

Sharon Van Etten – Tramp

Sinead O’Connor – How About I Be Me (And You Be You)?

Tift Meritt – Traveling Alone

Tom McRae – From The Lowlands

Walt Wilkins – Plenty

Winterpills – All My Lovely Goners

Wovenhand – The Laughing Stalk

 

 

Een experimentje.

Ik kom de naam van Rita Coolidge tegen op heel wat van mijn favoriete platen van het einde van de jaren zestig. Ik ken haar eigenlijk vooral als zangeres van ballads en duetten met Kris Kristofferson. Dus heb ik wat research gedaan.

Gelukkig wou ze, speciaal voor de lezers van Peerke’s Plaatjes  haar verhaal hier zelf vertellen.

Rita Coolidge

“Zingen heb ik altijd graag gedaan. Iedereen in onze familie. Mijn zussen Priscilla en Linda zongen in het kerkkoor in Lafayette, Tennessee. Papa was dominee in Lafayette. Dominee Coolidge. Ik mocht al meedoen toen ik nog heel klein was. Ik heb leren zingen en dansen in dat kerkkoor. Wij waren The Coolidge Sisters en ik was de jongste.

Met The Coolidge Sisters hebben we heel wat prijzen gewonnen, op talentenwedstrijden en zo. We zongen overal waar we konden: op feestjes en braderieën en zo. Tot Priscilla een beurs kreeg, om professioneel zanglessen te gaan volgen. Linda is toen gestopt met zingen. Ze had er genoeg van. Later ben ik dan naar Florida getrokken om er kunst te gaan studeren  aan de universiteit.

Na het behalen van mijn diploma, wou ik het eerst even proberen als zangeres, in Memphis. Naast optredens, soms samen met Priscilla, zong ik af en toe wat reclamespotjes in, bij Pepper-Tanner. Een van de mensen daar, Marty Lacker, was een goede vriend van Elvis Presley. Hij had net een platenfirma opgericht: Pepper Records. Hij vond mijn stem zo mooi dat hij aanbood om een singeltje op te nemen, in de American Studio, in Memphis. Maar ‘Turn Around and Love You’ werd een dikke flop.

Toen hebben Delaney en Bonnie mij “ontdekt”.

Delaney Bramlett en Bonnie O’Keefe – dat was me een stel! Heftig! Ze hingen altijd aan mekaar. Ofwel waren ze smoorverliefd, ofwel hadden ze kletterende ruzie. Altijd wat met die twee. Ze waren getrouwd, vijf dagen nadat ze mekaar hadden leren kennen!

Delaney was een Shindog geweest. Je weet wel, een van de muzikanten van de band van het TV programma Shinding. En Bonnie was de eerste blanke in de groep van Ike en Tina Turner: de Ikettes.

Enfin, ze gingen een elpee opnemen voor Stax, in Los Angeles. En ze vroegen of ik geen zin had om mee te doen. Ik had toch geen andere plannen, dus…

Heel gek: in L.A. kende iedereen mijn naam! Het bleek dat ‘Turn Around and Love You’ er in de top 10 had gestaan. Nergens had het plaatje iets gedaan, behalve in L.A.  Ik ben nooit terug gekeerd naar Memphis. Ik liet alles achter en begon opnieuw.

Waar we daar terecht kwamen! Een bende hippies. Maar wel stuk voor stuk heel fijne muzikanten. Het draaide allemaal zo’n beetje rond Leon Russell. Leon was jarenlang sessiemuzikant geweest. Hij heeft piano en gitaar gespeeld bij iedereen: van Frank Sinatra tot the Beach Boys en The Byrds. Maar nu wou hij iets anders. Hij had een groot huis gekocht in Skyhill Drive, in de heuvels boven Hollywood. Daar had hij een studio ingericht. Het was eigenlijk een soort clubhuis. Veel jonge beginnende muzikanten hingen daar rond, voor de sfeer en in de hoop carrière te kunnen maken.

De vaste kern was The Flying Burrito Brothers. Dat waren twee mannen die uit de International Submarine Band van Gram Parsons waren gestapt. Gram wou meer de richting van country uit en zij wilden meer rock spelen. De band wisselde dikwijls van bezetting. Leon speelde mee en gitarist Jesse Ed Davis – een volbloed indiaan. Wij zijn trouwens halfbloed: van mama’s kant zijn we Cherokee. Saxofonist Bobby Keys… Taj Mahal was er ook, J.J. Cale… Dr. John kwam langs…

Rare jongens die twee Burrito Brothers. Heel principieel. Ze hadden een absolute afkeer van de muziekindustrie. Ze wilden geen platencontract. Toen ze fans begonnen te krijgen in LA, zijn ze naar New York vertrokken. Parsons heeft de naam later overgenomen.

Maar dat was later. Met Delaney en Bonnie  hebben we dus Accept No Substitutes opgenomen. We hadden een heel fijne band, met bassist Carl Radle, drummer Jim Gordon, Bobby Whitlock op orgel en gitaar, Bobby Keys op sax en Jim Price op trompet. Allemaal Southernes, mensen uit het zuiden.

In afwachting dat de plaat zou gaan verkopen, speelden we de clubs in en rond L.A.

In de zomer van 1968 kwam Gram Parsons zijn oude makkers opzoeken. Hij had Keith Richards bij en Anita Pallenberg. De Stones waren in stad om er Beggars Banquet af te werken. Ze kwamen kijken naar ons optreden in de Palomino. Gram was enthousiast. Hij vond dat we het verdienden om door te breken. Toen hij de volgende keer langs, in november, kwam had hij weer iemand anders bij: George Harrison.

George wou de plaat in Engeland laten uitbrengen door Apple Records, maar dat ging uiteindelijk niet door.

Later kregen we een telefoontje van Eric Clapton. Die had een nieuwe groep: Blind Faith. George Harrison had hem onze plaat laten horen en hij vroeg of we zin handen om het voorprogramma te doen van hun Amerikaanse tournee.
Die tournee vond plaats in de zomer van ’69. Clapton kwam elke avond naar ons kijken. Hij hing voortdurend bij ons rond, om te jammen en zo. Hij reisde zelfs mee in onze tourbus.

Na afloop van die tournee wou hij een plaat opnemen met ons. Clapton had altijd alleen gitaar gespeeld. Zingen liet hij aan anderen over. Maar Delaney had hem over de streep getrokken. ‘Je hebt een prima stem,’ hoorde ik hem zeggen, als je er niets mee doet, neemt God die stem weg!’

De opnamen vonden plaats  in Los Angeles, met Delaney als producer. Hij heeft ook de meegeschreven aan een groot aantal nummers, waaronder ‘Let It Rain’. En hij heeft hem laten kennis maken met de liedjes van J.J. Cale. ‘After Midnight’ is een dikke hit geworden.

In november zijn we dan naar Engeland gevlogen, voor een Britse tournee. Eric Clapton had ons uitgenodigd. We mochten allemaal logeren in zijn huis Hurtwood Edge, in Surrey. We stapten pas van het vliegtuig of hij nam ons al meteen mee naar zijn vriend George Harrison. Die was in de studio aan het werk met Doris Troy. Daar hebben we meteen ‘So Far’ opgenomen, een nummer dat Klaus Voorman had geschreven. Die was er trouwens ook bij. ‘Willen jullie niet naar bed?’ vroeg hij. ‘Jullie komen net van het vliegtuig!’ Euh… nee. Wij willen spelen!”

Bij Eric thuis.
Achterste rij Eric Clapton, Judy Keys, Rita Coolidge, Jim Gordon, Jim Price.
Voorste rij: Bobby Whitlock, Bonnie Bramlett, Delaney Bramlett, PP Arnold (voorprogramma), Carl Radle, Bobby Keys (vooraan).

Tijdens de tournee hadden wij opeens drie extra gitaristen: Eric Clapton, Dave Mason van Traffic en George Harrison van The Beatles. Die drie stonden er op om elke avond mee te spelen, achteraan op het podium. Anoniem. Zo enthousiast waren ze.

Maar  voor mij had de tour een wrang nasmaakje. Jim Gordon en ik waren een koppel, maar af en toe gedroeg Jim zich heel vreemd. Hij hoorde stemmen en zo. Een keer kwamen we net van het podium en opeens gaf hij mij een vuistslag in mijn gezicht. Zomaar, zonder enige aanleiding. Achteraf gezien was het misschien maar goed, dat het daarna over was tussen ons, want later heeft hij zijn moeder vermoord. Ook iets met die stemmen…

In januari hebben we nog die eerste plaat van Eric verder afgewerkt in in Los Angeles, maar daarna was het gedaan. Dat gedoe tussen Delaney en Bonnie werkte iedereen op zijn zenuwen en de band is gesplit.

***

Maar de rust heeft niet lang geduurd.

Voor ik bij Jim was, had ik nog een tijdje iets gehad met Leon Russell en die had ‘Delta Lady’ voor mij geschreven. Mooi, he? Delta Lady was zijn koosnaampje voor mij. Hij had het nummer aan Joe Cocker gegeven en die heeft het opgenomen voor zijn tweede elpee. Leon was namelijk producer voor die plaat.

Begin maart ’70 was Joe op bezoek gekomen bij ons. Hij wou wat uitrusten van een uitputtende tournee met zijn Grease Band. Die band was trouwens ook gesplit – teveel stress en teveel… van alles. Bon, Joe was dus net bij ons, toen hij van zijn manager te horen kreeg dat hij opnieuw de baan op moest. Die had hem geboekt voor een nieuwe tournee van zeven weken… te beginnen binnen één week!

De manager liet hem verstaan dat, als hij niet zou komen opdagen, hij zijn carrière verder wel kon vergeten. Daar zou hij wel voor zorgen.

Paniek!

Leon stelde voor om hem te helpen. Hij zou de muzikale leiding van de tour op zich nemen, een band bijeen zoeken, de repetities leiden,  gitaar en piano spelen… Kortom: alles. De volledige band van Delaney en Bonnie werd terug opgetrommeld  – minus dat koppel natuurlijk. Plus Bobby Whitlock die bij Clapton gebleven was om samen aan songs te werken. Daar kwamen wat leden van de Grease Band bij en nog wat anderen. Uiteindelijk stonden we met dertig man klaar voor de repetities. Twee drummers, blazers, een koor van tien man… Tien uur per dag hebben we gerepeteerd. De tournee heette niet voor niets Mad Dogs and Englishmen.

Het was groots. Fantastisch! Iets helemaal nieuws. Je moet de film zeker eens bekijken, als je hem te pakken krijgt. Ik zou wel eens de beelden willen zien die de film niet gehaald hebben. Dat was zeker “kinderen niet toegelaten”!

http://www.youtube.com/watch?v=n6splB7acXc

Iedere avond kreeg ik een solo spot met mijn versie van ‘Groupie (Superstar)’, een nummer dat Bonnie, samen met Leon had geschreven.

Na  de tournee zijn Carl Radle en Jim Gordon weer naar Engeland gevlogen om er de nummers op te nemen waaraan Eric Clapton en Bobby Whitlock hebben gewerkt. Dat is de plaat Layla and Other Assorted Love Songs geworden. Je kent ‘Layla’ toch, he. Tuurlijk. Wie kent dat niet?

Dat tweede deel, dat  lange pianostuk, dat komt eigenlijk een beetje van mij.

Dat zit zo. Op een keer had Eric iets vergeten in de studio. Toen hij daar aankwam was Jim, Jim Gordon dus, in zijn eentje aan het werk. Hij gaf toe dat hij, in de vrijgekomen studiotijd een plaat aan het opnemen was. Eric vond dat pianostuk dat hij gehoord had heel mooi en vroeg of hij het zelf mocht gebruiken. Dat mocht.

Maar eigenlijk had ik die melodie geschreven, toen we nog bij Delaney and Bonnie waren, in een gastenverblijf bij John Garfield Jr. Jim heeft me dat zo dikwijls horen spelen. Het nummer heet eigenlijk ‘Time.’ Mijn zus Priscilla heeft het later ook opgenomen, samen met haar man, Booker T. Jones.

***

In de lente van 1970 ging ik terug naar LA, om er mijn solodebuut op te nemen met David Anderle als producer. Natuurlijk kreeg ik daarbij hulp van vele vrienden en collega’s: Priscilla en Booker T., Donald Duck Dunn, Leon Russell en Marc Benno, Bobby Womack, Spooner Oldham, een aantal Byrds, Jim Keltner, … noem maar op. Tussendoor werkten we ook nog aan een ander solodebuut: dat van Dave Mason van Traffic. Fijne tijden.

Maar toen kwam dat gedoe met Stephen en Graham. Stephen Stills was toen zowat de toonaangevende figuur bij Crosby, Stills, Nash & Young – de carrière van Neil kwam pas later echt van de grond. Stephen woonde toen in Londen, in een huis dat hij van Ringo Starr had gekocht. Ik had hem ontmoet tijdens de sessies met Clapton, in Londen. Hij speelde mee op ‘Let It Rain’. Daarna maakte hij er zijn eigen soloplaat, in de Island Studios. Hij maakte altijd eerste de basistracks in zijn eentje en dan vulde hij die aan met andere dingen. Daarvoor kon hij krijgen wie hij wou: Jimi Hendrix kwam langs, Eric Clapton, Ringo…

In de zomer [juni 1970 – nvdr] was hij terug in Los Angeles voor een tournee met CSN en Young. Tussendoor werkte hij de plaat af. Hij had Booker T er bij gevraagd en Priscilla en mij ook, om de backing in te zingen. Er was nog veel bekend volk: Mama Cass, John Sebastian en zo… en natuurlijk Graham Nash.

Graham nodigde me uit om eens naar een show van CSN & Y te komen kijken. Hij gaf me zijn telefoonnummer.

Maar toen ik belde nam Stephen op. Hij vertelde me dat Graham zich had bedacht, maar dat hij me wel een backstage pasje kon bezorgen.

Toen hij me kwam oppikken, vertelde Stephen me  dat hij verliefd op me was. Al een hele tijd. We kusten en … enfin. We waren een koppeltje voor we de backstage kwamen. Stephen speelde die avond fantastisch. Hij bleef maar doorgaan: het ene nummer na het andere. Prachtig. Tijdens de pauze bleek dat het helemaal niet de bedoeling was dat Stephen zoveel nummers speelde. Bedoeling was om beurt om beurt eentje te doen. Vooral Graham leek nogal gepikeerd. Tegenover mij deed hij koel en afstandelijk.

De dagen en weken daarna was Stephen heel lief. Hij noemde me The Raven, omwille van mijn lange zwarte haar. Hij had zelfs twee nummers over mij geschreven: ‘Sit Yourself Down’ en ‘Cherokee’. …

Maar, een paar weken later, vertelde Graham me dat Stephen eigenlijk vuil spel had gespeeld. Dat hij helemaal niet gezegd had dat hij niet met mij wilde gaan. Ik was er echt door geschokt. Ik wou hem dat zelf gaan vertellen. We reden naar zijn huis. Hij lag in een zetel bij het zwembad, toen we aankwamen. Toen ik hem confronteerde met zijn bedrog en hem vertelde dat ik Graham eigenlijk leuker vond dan, werd Stephen razend. Hij spuwde zelfsnaar Graham. Daarna heeft hij maandenlang geen woord meer tegen hem gezegd.

David Crosby heeft er een nummer over geschreven: ‘Cowboy Movie’, op zijn eerste soloelpee, If I Could Only Remember My Name. De namen zijn verandert, maar verder kun je ons allemaal wel herkennen. Ik ben “the indian maiden”, waarover Stephen – “Eli the Gunner” – en Graham -“theDuke” – ruziën. Davis is “Fat Albert” en Neil is “Young Billy”. Zij kijken toe hoe hun clubje uitelkaar valt.
Achteraf beweerde men dat dit de reden was waarom de band uit elkaar ging, maar dat geloof ik niet. Er was veel geld mee gemoeid… en drugs en ego’s en zo.

Korte tijd later, op 9 november 1970, stond ik in de vlieghaven van Los Angeles te wachten op mijn vliegtuig. Ik wou terug naar Memphis. Daar kwam ik Kris Kristofferson tegen. Hij had net zijn eerste plaat uit en hij was onderweg naar Nashville om er een interview te gaan geven. We raakten aan de praat. Hij had een tijdje iets gehad met Janis Joplin maar die was kort daarvoor gestorven [4 oktober 1970 – nvdr]. Mijn relatie met Graham leed onder de spanningen in de groep. Het klikte meteen met Kris en hij vloog met me mee naar huis.

Drie jaar later zijn we getrouwd.

Deel 3 – The Fallen Angels

Emmylou  spendeert het geld dat ze kreeg voor haar bijdrage aan de opnamen van Gram Parsons solodebuut aan een splinternieuwe Martin D28 akoestische gitaar.  Die kan ze meteen gebruiken tijdens de maandlange tournee die Grams manager Eddie Tickner organiseert in het voorjaar van 1973.

Presley’s muzikanten zijn veel te duur, dus moet Parsons op zoek naar andere begeleiders. ‘We probeerden Waddy Wachtel te krijgen, op gitaar,’ weet Phil Kaufman, ‘maar hij wou niet op tournee. We vroegen [ex-Byrds ] Clarence White, die kon niet. Dus namen we een vriend van Emmylou: Gerry Mule.’

Verder bestaat de band uit twee oudere sessiemuzikanten uit Nashville: bassist Kyle Tullis en steelgitarist Neil Flanz. De ‘psychotic redneck ‘ drummer komt uit The Remains.

De band krijgt de naam The Fallen Angels (Parsons had The Turkeys voorgesteld, maar dat werd weggelachen).

Road manager Kaufman reist mee om toe te zien dat Parsons uit de buurt van  verboden spullen blijft. Ook Grams vrouw Gretchen trekt mee rond, vooral omdat ze erg jaloers is op Emmy. Emmy zelf heeft haar dochtertje mee.

De geplande repetities draaien uit op feesten, al doet Emmylou nog zo haar best om hen bij de les te houden.

Meteen bij het eerste concert gaat het dan ook goed fout. ‘In Boulder bleek dat [Gerry Mule, de sologitarist] het niet kon,’ weet Kaufman. ‘Hij was een beetje als een baseball coach: hij kon het uitleggen, maar hij kon niet samenspelen. Dus trokken we de stad in en vroegen: “Kan hier iemand gitaar spelen?” Zo vonden we Jock Bartley, ergens in een winkeltje in Boulder. We huurden hem in en vertrokken. Heel bizar.’

Een paar optredens zijn als voorprogramma van The Eagles. Bernie Leadon bevestigt Emmylou’s bezorgdheid over de samenhang van de band: ‘Ik had met Gram gewerkt en wist dat hij niet veel zin had in repeteren. Dat hield in had hij er geen graten in zag om songs te herschikken als hij dat nodig vond. De lengte van een intro, het aantal strofen, het hernemen van een refrein, dat kon allemaal zomaar veranderen.’

Hij herinnert zich wel de prachtige combinatie van de stemmen van Gram en Emmy . ‘Dat was volledig haar verdienste,’ meent hij.  ‘[Op het podium stond] Emmy vlak bij hem en keek naar zijn gezicht, naar zijn mond. Het was haast telepathisch hoe ze wist wat hij zou gaan doen. Als je goed luistert naar die opnamen, zou het me niet verbazen dat haar zang een microseconde achter de zijne volgt.’

Na afloop van een optreden blijven Gram en de muzikanten vaak, tot een stuk in de nacht, plaatjes draaien en countryliedjes zingen. ‘Hij liet me kennismaken met The Louvin Brothers,’ vertelt Emmylou.

Deze spoedcursus country is voor Harris een openbaring. ‘Een nieuwe wereld ging voor me open. […] Daarvoor had ik altijd het idee gehad dat country politiek incorrect was. […] Natuurlijk hou ik van the South. Ik ben er geboren, ik heb er familie van wie ik ontzettend veel hou, maar die waarschijnlijk nooit zullen begrijpen dat blank en zwart naast samen kunnen leven. Het zijn goede mensen, maar ze zijn zo opgegroeid. De muziek van the South stond voor mij voor al dat foute spul. Daarom verloochende ik mijn afkomst, omdat zoveel daar belachelijk was: die kapsels en die kostuums… Ik luisterde nooit naar country muziek.’

In Houston, mogen The Fallen Angels vier avonden openen voor Neil Young. Die trekt rond met zijn Time Fades Away tour. Linda Ronstadt en haar band spelen vormen het voorprogramma.

Chris Hillman – hij weer – stelt de beide zangeressen aan mekaar voor. ‘Jullie zouden goed met mekaar kunnen opschieten,’ meent hij.  En gelijk heeft hij. ‘Toen ik haar voor het eerst ontmoette, dacht ik: Ik wel met haar zingen,’ vertelt Linda Ronstadt: ‘Ik zag ons al de Everly Sisters. Ze had natuurlijk al Gram om mee te zingen en dat was een fantastische combinatie. Ik weet nog dat ik tegen mijn toenmalige vriend zei dat Emmy hoger en langer kon zingen dan ik, en luider en zachter en dat haar frasering beter was. Ze was op-en-top country–rock. Country–rock was tot dan toe mijn specialiteit, maar ze waren mij hard aan het pushen om meer de rocktoer op te gaan. En ik vond: ‘Ze doet dat zo goed, ik geef het op.’ Niemand kan tegen haar op.’

‘Het opzet was om country en rock & roll te spelen in de betere hippie honky tonks van de natie,’ vat Emmylou de tour samen. ‘Het publiek was er. De zalen waren klein, maar het was intens. Misschien niet in dezelfde mate in Chicago als in Austin, maar de energie was er wel altijd.

Ze kwamen om die jonge man te zien en zijn stem te horen, een stem die kon breken en kraken, puur en prachtig, zoetgevooisd, maar ook vol pijn. Er werden niet bepaald records verbroken aan de kassa, maar diegene die er bij waren zullen het nooit vergeten…’

Een optreden voor een radiozender in Long Island, opgenomen in maart 1973, verschijnt negen jaar later, als Gram Parsons & The Fallen Angels Live 1973. De live versie van ‘Love Hurts’ krijgt dan zelfs een nominatie als ‘Beste opname door een country duo.

Zowel op als naast het podium, wordt Emmylou steeds met veel respect behandeld, door de andere muzikanten. ‘Misschien wilden ze haar beschermen omdat ze van de oostkust kwam en al een kind had,’ meent Leadon. ‘Ik denk dat iedereen om haar gaf omdat ze er zo onschuldig en oprecht uitzag.’

Minder goed ligt Emmy bij Gretchen. Hoewel alle betrokkenen volhouden dat er nooit iets is gebeurd tussen die twee, is mevrouw Parsons razend jaloers op de goede verstandhouding tussen de beide zangers. De spanningen lopen zo hoog op, dat de tourmanager Gretchen op een bus zet, richting L.A.

– – –

Enkele maanden na de tournee van The Fallen Angels zijn er plannen voor een “All Star World Tour”. Ter voorbereiding heeft Warner Bros. Records alvast een mini-tour opgezet in het eerste weekend van juni 1973. Het geheel wordt aangekondigd als een “country-rock festival”. De verschillende deelnemende bands zijn allemaal opgebouwd rond ex-leden van The Byrds: Clarence White, Gene Parsons, Sneaky Pete Kleinow en Chris Ethridge.

Op 14 juli wordt Clarence White echter omvergereden door een dronken chauffeur. Hij overlijdt een dag later.

De plannen voor de wereldtournee komen hiermee abrupt ten einde.

 

 

Wordt vervolgd:

Deel 4 – Sleepless Nights : Grievous Angel

 

 

Het is altijd weer grappig om te zien hoe bekende mensen er vroeger uitzagen. Als kind of als jongere. Lang voor de rimepltjes, de wallen onder de ogen, de make up of cosmetische ingrepen hun intrede deden.

Robert Zimmerman, 1957. Vier jaar voor hij zijn naam veranderde in Bob Dylan.

Long John Silver and The Moondogs, of zijn het al The Quarrymen?  George Harrison, John Lennon, Paul McCartney en, euh… dinges. The pre-Fab Four, toen ze nog skiffle speelden.  1957 of zo.

Nog een skifflegroepje, uit diezelfde periode: met een piepjonge Jimmy Page.

We blijven bij de gitaargoden: Emil and The Detectives, in 1964. Rechts herkent u gitarist Richard Thompson, links, met de Beatlesbas, Hugh Cornwell. Hugh zou zo’n 15 jaar later pas bekendheid verwerven bij The Stranglers. Richard kennen we van Fairport Convention en zichzelf.
Het had het begin kunnen zijn van de folkpunk…

Nog eentje: Jack White, lang voor The White Stripes

Als je The Beatles ziet, zijn The Rolling Stones nooit veraf. Hier zijn ze in 1963. Voor hun manager het imago van stoute jongens had bedacht.

Ook al zo’n keurige jongen: David Jones, voor hij David Bowie werd.

 Computerspecialist Declan MacManus, voor hij Elvis Costello werd – 1975  

John Hiatt 1974

Steve Earle, pas aangekomen in Nashville –  1974

Bruce Springsteen, 1975 – voor de fitness.  

Zie je Neil Young? 1963.

Laten we de meisjes niet vergeten! 

Linda Ronstadt, 1967

Joni Mitchell, 1969

 

Alison Krauss, met krulletjes en babyvet.

Folkzangeres Emmylou Harris, in 1967

En wie weet wie dit is?

 

 

Na het grote succes van de Trio LP in 1987 kregen Emmylou Harris, Linda Ronstadt en Dolly Parton steeds weer dezelfde vraag te horen: “komt er een vervolg?”. Het duurde echter twaalf jaar eer Trio II in de winkels lag en het is zeer onwaarschijnlijk dat er ooit nog een Trio III zal verschijnen.

Was de eerste plaat al een moeilijke bevalling, bij de tweede ontstonden er nog veel meer complicaties.

 

 

Emmylou Harris

 

Het begin van de jaren negentig was een periode van grote veranderingen voor Emmylou Harris. Aan het einde van de jaren tachtig had ze problemen gekregen met haar stembanden. Ze kon de voortdurende competitie met het versterkte instrumentarium van haar begeleidingsband The Hot Band niet meer aan. Noodgedwongen ontbond ze de band die haar jarenlang had begeleid.

 

In januari 1992 liep ook haar derde huwelijk, met Paul Kennerley, op de klippen en de platenmaatschappij  Warner Bros./Reprise Records beëindigde, na twintig jaar, de samenwerking met haar. De reden daarvoor was dat ze nog weinig werd gedraaid door de Amerikaanse radiozenders. Die vonden haar te oud.

 

Ze liet zich echter niet ontmoedigen en vocht terug. Ze formeerde een nieuwe band: The Nash Ramblers. Met die puur akoestische band gaf ze enkele optredens in het Nashville’s legendarisch Ryman Auditorium. De zaal van waaruit vroeger de Grand Old Ophry uitzendingen plaatsvonden stond al enkele jaren leeg. Met de opbrengsten van de uitstekende live-LP At the Ryman, hielp ze mee de zaal terug in orde te laten brengen.

 

Daarna wou ze terug iets gaan doen, samen met Linda Ronstadt. Ze wou ook andere mensen er bij betrekken: zangers en schrijvers waarvoor ze een bewondering had, zoals de Canadese zussen McGarrigle. Ronstadt introduceerde haar aan Alison Krauss.

 

 

Met of zonder Dolly?

 

Ronstadt stelde ook voor om Dolly er terug bij te halen. Maar Emmylou zag dat zo niet zitten. Ze herinnerde zich maar al te goed hoe moeilijk de vorige samenwerking was verlopen. Wat een problemen het gaf om de agenda’s op mekaar af te stemmen en hoe moeilijk het was geweest om promotie te doen voor de plaat – en dat was nu nog belangrijker geworden dan vroeger.

Puur praktisch bekeken zou het een ramp zijn als Dolly aan de plaat meewerkte en zich dan terug trok. “Met ons tweeën konden we de plaat niet promoten, als het een trio-lp was,” weet Linda. “Dus wou Emmy dat we het onder ons hielden. Bovendien herinnerde ze zich dat wij een andere smaak hebben dan haar. Maar ik vond dat wat we met ons drieën hadden gedaan zo mooi was. Ik wou dat overdoen, dus vocht ik daar voor.”

 

Ze polsten Dolly of die zin heeft om mee te werken aan een paar tracks. Die liet weten dat ze het te druk had.

 

In 1993 had Dolly Parton namelijk net de jackpot gewonnen – of toch iets in die aard. Whitney Houston had een oud nummer van haar gecoverd voor de soundtrack van de film The Bodyguard. Gedurende de laatste maanden van 1992 en de lente van 1993 voerde ‘I Will Always Love You’ maar liefst 14 weken de Amerikaanse hitlijsten aan en er werden 12 miljoen exemplaren van verkocht.

Dolly had het nummer twintig jaar eerder geschreven als afscheid aan haar muzikale partner en mentor Porter Wagoner. Het was toen ook al een dikke  countryhit geweest voor haarzelf. Elvis Presley had het nummer toen willen coveren, maar zijn manager had de helft van de rechten opgeëist en daar had ze niet van willen weten. Dat was dus niet doorgegaan.

“En nu kan ik Graceland zelf kopen,” grapte ze.

 

Een half jaar na haar oorspronkelijke weigering, liet Dolly Parton opeens weten wel weer mee te willen werken aan een tweede Trio plaat.

 

 

1994

 

Omdat Bob Krasnow, de grote baas van Elektra, de platenmaatschappij van Linda Ronstadt, de samenwerking met Dolly Parton niet zag zitten, was Linda bereid de kosten voor de opnamen op zich te nemen. Een studio werd geboekt in Marin County, Californië. Een aantal topmuzikanten werd ingehuurd, zoals mandolinespeler David Grisman, steelgitarist Ben Keith, drummer Jim Keltner en bluegrassgitaristen Carl Jackson en John Starling. Daarnaast waren er ook mensen als Alison Krauss op fiddle en David Lindley op autoharp.


En dan, de avond voor de eerste sessie, kwam er een fax van Dolly: er was iets misgelopen en ze moest een dag of tien weg.

 

Omdat de muzikanten veel te duur waren om ze terug naar huis te sturen, besloten de beide andere zangeressen de opnamen maar te maken zonder Dolly.

 

Uiteindelijk kwam Parton toch opdagen. Emmylou en Linda namen haar even apart. Ze wilden er zeker van zijn dat er nu niets meer fout kon gaan. “We vragen je nu of je bereid bent om drie wken uit te trekken voor promotie en een korte tournee. We moeten een datum vastleggen.” Zij geeft haar woord.

“‘Ik heb zoveel ijzers in het vuur dat ik mijn eigen kont verbrand,’ dat waren haar exacte woorden,” herinnert Linda Ronstadt zich. “Wij dachten: ‘Dat is mooi.’ Maar ze had haar erewoord gegeven.

Krasnow was er echter niet gerust in. Hij zei: “Ze heeft de reputatie niet betrouwbaar te zijn.” Maar ik zei: ze gaf me haar erewoord en dat is voldoende voor mij.”

 

Ze spraken een datum af waarop Dolly haar zang zou toevoegen. De studio werd voor een week gereserveerd… En dan zei ze opnieuw af. “Dat koste ons alweer $20,000,” zucht Ronstadt. “Iedere keer als we zo een fax kregen gingen er twintig in rook op.”

 

De zenuwen raakten stilaan overspannen. Emmylou had net haar vader verloren, maar er stond ook een tournee geboekt en af zeggen zou een enorm financieel verlies met zich meebrengen. Linda had net een nieuwe baby gekregen en spendeerde elk vrij uur in de studio, waar ze, samen met George Massenburg, de zaak op tijd probeerde klaar te krijgen.

 

Een van de eerste songs die af raakt is de hymne ‘Softly And Tenderly’… en die blijft tot 2007 in het archief liggen, tot Emmylou hem opdiept voor haar Songbird boxset. Ze vertelt daarover: “Ik vond het erg jammer dat deze [song] niet werd uitgebracht. Ik vind de zang zo buitengewoon. Wanneer Linda daar omhoog gaat begrijp je weer waarom ze een van de mooiste stemmen heeft…. en dan lieten we Dolly weer terug die oude nummers zingen…Het was een ongelofelijke ervaring om die stemmen  terug samen te horen.”

 

‘Feels Like Home’ was geschreven door Randy Newman, voor zijn Faust project, waaraan Linda had meegewerkt.  Het kreeg een prachtige, nieuwe benadering die het nummer helemaal tot zijn recht liet komen.

 

Op ‘Lover’s Return’, een song van A. P. Carter, uit 1935, speelt de fiddle van Alison Krauss een prominente rol. Maar het mooiste is de cover van ‘After the Gold Rush’. Het titelnummer van Neil Young’s plaat uit 1970 word gedragen door piano, maar krijgt daarbij de hulp van een heel bijzonder instrument: de armonica. Dat is een glasinstrument, waarvoor Linda een bijzondere belangstelling heeft.

 

In dit clipje, gedraaid in maart 1999 in een synagoge in New York, is het instrument twee keer heel even te zien, tegen het einde aan.

 

 

Uiteindelijk stonden Dolly’s partijen er op. Of toch bijna. “We moesten nog twee mixen doen en toen bracht ze opeens een live LP uit – een maand voor onze plaat zou verschijnen. Ze zei dat die goed zou verkopen en dat de Trio plaat zou helpen promoten.

Wel, dat vonden wij dus niet zo’n goed idee. Maar we konden haar niet aan de telefoon krijgen.”

 

De kosten liepen verder op en de afgesproken releasedatum naderde schrikbarend snel. Paniek sloeg toe. Tracks werden aan de kant geschoven en Linda begon voor een aantal songs Dolly’s partijen zelf in te zingen. Voor andere werd Valerie Carter er bij betrokken.

 

Pas na meer dan een week beantwoorde Dolly Parton de telefoon. “Hoe kunnen jullie mij dit aandoen?” pruilde ze, “Ik verdrink in het werk.”

“Dolly, je hebt een keuze gemaakt,” stelde Linda.

“Het was God’s wil,” meende Dolly: “alsof je een been breekt of zo.”

“Niks God’s wil,” kaatste Linda terug. “Het was de wil van Dolly.”

 

Volgens Parton “smeekte en bad” ze haar partners nog om het uitbrengen van de plaat uit te stellen tot de volgende lente. Dan zou ze zich zeker kunnen vrijmaken voor promotie. Maar dat zien ze niet zitten “Het werd een machtsstrijd,” meent Parton: “Het maakte dat ik me gekwetst voelde, beledigd en beladen met schuld. Ik zou mij aan mijn woord gehouden hebben, maar mijn belofte was niet goed genoeg voor hun. Uiteindelijk riep ik: ‘De pot op. Vervolg me dan maar.'”
 

 

 

Feels Like Home

 

Om tenminste een deel van haar kosten te recupereren besloot Linda een aantal songs te gebruiken voor haar volgende solo-LP. Dolly (of haar platenmaatschappij) wilden echter geen toestemming geven voor het gebruik van haar stem. De songs mochten wel worden gebruikt – mits haar stem was weggemixt – tegen een redelijke financiële vergoeding.

 

Met de hulp van, onder andere, Alison Krauss nam Ronstadt nog een aantal bijkomende songs op en in maart 1995 verscheen Feels Like Home. Vijf van de songs waren afkomstig van de Trio sessies: ‘High Sierra’, ‘The Blue Train’, ‘Feels Like Home’, ‘After the Gold Rush’ en ‘Lover’s Return’.

 

Ter vergelijking: de “solo-versie” van Linda Ronstadt.

 

 

Dolly slaat terug

 

In juli 1995 publiceerde het Amerikaanse damesblad Home Journal een interview met Dolly Parton. Tegenover Jim Jerome liet ze zich laatdunkend uit over haar beide collega’s: Harris noemde ze “een brave country puriste die haar materiaal  uiterst zorgvuldig uitkiest” en Ronstadt, een perfectionistische diva die “leeft voor de studio en zo langzaam werkt dat ik er gek van wordt. Ik wou een cattle prod nemen (nvdr: een stok waarmee het vee een elektrische schok wordt toegediend om het aan te sporen) en roepen: ‘Wordt wakker, teef, ik heb nog wat anders te doen’.”

Dat was allemaal nergens voor nodig, vond ze, want “ik zing het net zo goed de eerste keer als de honderdste.”

 

Op de vraag of de vriendschap nu voorbij was, antwoordde Parton schouderophalend: “We waren toch al nooit zo close – gewoon zakenrelaties.” Ze wil wel toegeven dat ze het jammer vindt van de prachtige samenzang, die aanvoelde “als een creatief, emotioneel orgasme.” 

 

 

Natuurlijk vielen die uitspraken niet in goede aarde. Linda Ronstadt reageerde in een interview met Bill Deyoung, dat in augustus 1996 verscheen in Goldmine. 

“Ik kan niet met haar werken. Ze heeft bewezen dat ze onbetrouwbaar is. Emmy wil niet meer met haar werken, omdat zij vindt dat ze geen waardering heeft voor wat wij gedaan hebben. Daarom is die plaat niet uitgekomen. En Dolly heeft ons dan ook beledigd in dat interview. Zij was erg onvriendelijk tegenover ons. Ik vind dat ze zich moet verontschuldigen.”

 

En dat deed zij dan ook.

“Ze schreef ons allebei een brief en zei dat ze spijt had van hoe het allemaal was gelopen,” vertelt Ronstadt drie jaar later aan hetzelfde tijdschrift, “en dat het fijn zou zijn om de plaat toch nog een kans te geven, in de vorm waarin ze oorspronkelijk was bedoeld. We hebben het bijgelegd en dat was dat.”

 

In 1997 werden de oorspronkelijke opnamen terug boven gehaald en eindelijk afgewerkt. Maar het was nog steeds moeilijk om de agenda’s op mekaar afgestemd te krijgen en het duurde tot februari 1999 eer Trio II in de rekken verscheen. De drie hadden zelfs nooit de tijd gevonden om samen te poseren voor een hoesfoto, zodat er zwart-wit fototootjes uit hun kindertijd moesten worden gebruikt.

 

De kritieken zijn nog steeds zeer positief, maar de magie van de eerste keer is er niet meer. Er worden dan ook “slechts” een half miljoen exemplaren van verkocht – een vierde van de voorganger.

 

In maart 1999 vindt een korte gezamenlijke tournee plaats. Ook het videoclipje voor ‘After The Goldrush’ werd toen gedraaid.

 

High Sierra

 

En hoe kijkt Emmylou Harris nu terug op hun avontuur?

“Uiteindelijk, mogen we mekaar toch graag. Er waren gewoon wat misverstanden en die zijn uit de hand gelopen. Ik dank dat iedereen er spijt van heeft, omdat we van mekaar houden en vooral van de muziek die we samen maken. Ik ben erg blij dat Trio II uitgekomen is. Maar belangrijker nog, vind ik, is dat we rond de tafel zijn gaan zitten en ons hart hebben gelucht. We zijn terug vriendinnen nu. Dat is het belangrijkste. Want dit zijn twee zeer bijzondere vrouwen. Wij drieën hebben een zeer speciale band.”

 

trio

 

 

Supergroepen zijn meestal geen lang leven beschoren. Wat begon als een vriendenclubje eindigt haast altijd met discussies waarbij een klein legertje advocaten elke partij vertegenwoordigt. Het komt dan ook zelden voor dat zulke groepen meer dan één plaat kunnen uitbrengen.  Trio, bestaande uit drie vooraanstaande dames uit de Amerikaanse country – en rockmiddens slaagden er in om twee platen te maken. Maar ook dat was niet zonder slag of stoot gegaan.

 

Linda Ronstadt en Emmylou Harris hadden mekaar voor het eerst ontmoet in 1973. Linda was toen een rijzende ster. Ze had al een Grammy onderscheiding ontvangen voor haar hit ‘Long Long Time’. Haar LP Hand Sown… Home Grown wordt weleens aangewezen als de eerste alternatieve countryplaat van een zangeres.

Maar grotere dingen lagen in het verschiet: de Britse producer Peter Asher zou haar doorbraak forceren bij een breder publiek door haar een repertoire te laten brengen waarbij rock en countrysongs mekaar afwisselden. Met hits als ‘You’re No Good’ legde zij samen de basis voor de internationale doorbraak die in 1977 zou volgen met Simple Dreams.

 

Ook Emmylou Harris was aan het begin van haar carrière. Na een mislukte debuutplaat was de folkzangeres door ex-Byrd Chris Hillman ontdekt. Hij vroeg haar om bij zijn groep The Flying Burrito Brothers te komen spelen. Toen die groep echter al snel over kop ging, stelde hij haar voor aan Gram Parsons. De jongeman had eerst met The Byrds en daarna met diezelfde Burrito’s geprobeerd de werelden van country en rock te verzoenen. Voor zijn eerste solo-lp was hij op zoek naar een zangeres, in de traditie van Tammy Wynette en George Jones of Dolly parton naast Porter Wagoner. Ter promotie van die eerste LP GP, waren  Gram en Emmylou in de lente van 1973 op tournee met de band The Fallen Angels.

 

Het was backstage tijdens Neil Young’s Time Fades Away tour dat Chris Hillman – hij weer – de twee zangeressen aan mekaar voorstelde. “Jullie zouden goed met mekaar kunnen opschieten,” had hij gezegd.  En gelijk had hij. “Bij ons eerste gesprek bleek dat we allebei als favoriete zangeres Dolly Parton gemeen hadden,” weet Harris.

 

“Toen ik haar voor het eerst ontmoette, dacht ik: ‘Ik wel met haar zingen’,” vertelt Linda Ronstadt: “Ik zag ons al de Everly Sisters. Ze had natuurlijk al Gram om mee te zingen en dat was een fantastische combinatie. Ik weet nog dat ik tegen mijn toenmalige vriend zei: dat Emmy hoger en langer kon zingen dan ik, en luider en zachter en dat haar frasering beter was. Ze was op-en-top country–rock. Country–rock was tot dan toe mijn specialiteit, maar ze waren mij hard aan het pushen om meer de rocktoer op te gaan. En ik vond: ‘Ze doet dat zo goed, ik geef het op.’ Niemand kan tegen haar op.

Ik heb toen een keuze gemaakt. Ik besloot dat van haar muziek genieten belangrijker voor mij was dan dat ik zou vasthouden aan het idee dat ik de “queen of country–rock” was. Ik beschouwde haar als mijn zang-zus en ik wou iedere gelegenheid aangrijpen om met haar samen te kunnen zingen. En dus zongen we een duet op ‘I Can’t Help It (If I’m Still In Love With You).’ We wonnen zelfs een Grammy voor die plaat.”

 

‘I Can’t Help It (If I’m Still In Love With You)’ stond op Heart Like A Wheel, haar eerstvolgende LP, uit het najaar van 1974.

 

Dolly Parton was op dat moment al een grote ster. Samen met Tammy Wynette was zij één van de leading lady’s van de countrymuziek.

Op Pieces Of The Sky, haar eerste solo-LP na het overlijden van Gram Parsons had Emmylou een cover gebracht van ‘Coat Of Many Colors’, de grootste hit van Parton.

Om haar te bedanken coverde Dolly het volgende jaar Emmylou’s eigen ‘Boulder To Birmingham’ op de LP All I Can Do. Voor die plaat verscheen had ze Emmylou uitgenodigd om de banden te komen beluisteren. De song net voor ‘Boulder’ was daarbij ‘To Daddy’. Harris raakte niet uitgesproken over wat een prachtig nummer ze dat vond, zodat Parton het haar gaf voor haar volgende LP. Ze nam de song op 6 mei 1977 op en het werd een dikke hit op Quarter Moon In A Ten Cent Town.

 

In september 1975 zongen de drie voor het eerst samen. “Van de eerste keer dat we samen zaten wisten we dat onze stemmen mooi samen pasten, “ vertelt Emmylou, “Ik denk dat het eerste nummer ‘When I Stopped Dreaming’ was. Het klonk prachtig. Daarna namen we ‘Light Of the Stable’ op als Kerstsingle – daar kwam dan weer mijn Kerst-LP van voort. En iemand zei toen: ‘We zouden een hele plaat moeten doen.’ Iedereen was het er mee eens.”

De basis was gelegd voor een samenwerking.

 

‘Applejack’ tijdens de Dolly Parton Show in 1976

 

 

In de volgende maanden zong Dolly ook mee op ‘I Never Will Marry’ van Linda’s Simple Dreams en ‘When I Stop Dreaming’ van Emmylou’s Luxury Liner – twee albums die werden uitgebracht in 1977.

 

 

The Queenston Trio

 

Ergens in de loop van dat jaar kreeg Ronstadt een telefoontje van Harris. Ze zei dat ze Parton had uitgenodigd voor een bezoekje aan haar huis in Los Angeles. “Ik zal er zijn,” reageerde Ronstadt meteen enthousiast. Wanneer Harris die avond haar gitaar bovenhaalt, wordt het pas echt gezellig. “We begonnen samen te zingen en het klonk echt fantastisch,” vertelt Ronstadt:  “We zeiden ‘Wow, dit moeten we opnemen.'”

 

Ronstadt  legt uit dat ze nochtans een heel ander stem heeft dan Harris. “Maar ik heb zoveel met haar platen meegezongen dat ik haar heel goed kan schaduwen. Dolly kan niemand kopiëren, maar je moet je in haar geest verplaatsen en zingen zoals zij doet – met het hart. Je moet je laten meedrijven en het aanvoelen zoals zij dat doet. ”

 

In de herfst van 1977 begonnen Emmylou Harris, Dolly Parton en Linda Ronstadt aan de opnamen van een gezamenlijke LP. Ze noemden zich het Queenston Trio, naar de legendarische folkgroep het Kingston Trio.

 

Brian Ahern, Emmylou’s echtgenoot en vaste producer zou de zaak in goede banen leiden. Hij werkte zoals steeds met zijn mobiele studio: de Enactron Truck. Hiermee heeft hij alle LP’s van Emmylou opgenomen tot dan toe, gewoon bij hem thuis. De opnameapparatuur wordt opgesteld in de woonkamer en de kabels lopen over het gazon naar de oprit waar de truck staat geparkeerd. Communicatie verloopt via een gesloten TV-circuit. 

 

In 1996 legt Linda Ronstadt aan Bill Deyoung uit dat precies deze werkwijze bijgedragen heeft tot het mislukken van het project. “Ik denk dat we bijna rond waren. Maar er waren teveel problemen. Brian is een uitstekend producer, maar hij was er niet helemaal bij voor dit project. Hij communiceerde niet goed. Ik ben gewoon om te werken met iemand waar ik mee kan discussiëren. De controlekamer was in de vrachtwagen en wij zaten binnen… en er waren veel drugs in omloop in die tijd. Ik zeg niet dat wij ze namen, maar ze waren er wel. Het was een andere mentaliteit.

Het was vooral moeilijk voor Emmy om getrouwd te zijn met de producer. Soms was ze het niet met hem eens over iets, maar dan had zij had toch het gevoel dat ze zijn kant moest kiezen. Soms werd te lang over iets doorgeboomd. Het was pijnlijk, zowel voor Brian als voor Emmy.. als voor ons allemaal dat de zaak neit doorging. Maar Dolly en ik hebben de knoop doorgehakt, aan de telefoon. We vonden dat wat we hadden niet goed genoeg was. “

 

Volgens Ronstadt was uiteindelijk niet idereen genoeg betrokken bij het project en was iedereen teveel bezig met haar eigen carrière.

 

In de loop van de daaropvolgende jaren zijn sporadisch wat opnamen opgedoken op LP’s van de dames. ‘Even Cowgirls Get the Blues’ (van Rodney Crowell) bracht Emmylou op haar album Blue Kentucky Girl en op Evangeline (1981) stond hun versie van ‘Mister Sandman’, een jaren vijftig song van The Chordettes.

 

“Ik was er echt op tegen om die song te doen,” vertelt Emmylou jaren later, “en uiteindelijk kreeg ik dan ook nog het moeilijkste stuk. Er was al niet te veel melodie aan dat ding en voor de harmoniezang was er nog minder. Door de jaren heen heb ik het nummer echter leren appreciëren en respecteren, precies omdat het zo moeilijk is. Het is zoiets als Russisch leren spreken of zo.”

 

Wanneer Emmylou’s het nummer als single wil uitbrengen, stuit ze op een veto van de platenfirma van Dolly. Er zit niets anders op dan de andere stemmen weg te mixen en zelf in te zingen. Het is al die moeite waard, want het resultaat wordt een top 10 hit.
“‘Mister Sandman’ was één van de problemen,” meent Linda. “We zongen het niet gelijk. Het is geen goede versie. Ik vind haar versie oneindig veel beter.”

Een andere song, het door Dolly geschreven ‘My Blue Tears’ verscheen op Linda’s LP Get Closer (1982). “Ik heb dat speciaal gevraagd,” verklapt Ronstadt: “Dat is de richting die we uitmoesten met ons driën, volgens mij. ‘Even The Cowgirls Get The Blues’ was er ook zo een en ‘Evangeline’.  Ik herinner me dat Dolly vond dat de LP te rommelig was en ik ben het met haar eens.”

 

Een clipje uit 1981 voor ‘Mr. Sandman’ .

 

De gospel ‘Palms Of Victory’ tenslotte verschijnt pas dertig jaar later, op Emmylou’s compilatie Songbird. Het is de eerste keer dat een nummer van die sessies onopgesmukt verschijnt. “We houden allemaal van The Carter Family dus leek ‘Palms Of Victory’ een vanzelfsprekende keuze,” vertelt Emmylou daarover in het boekje.

 

 

The Twisted Sisters

 

Na die mislukte eerste poging duurt het een aantal jaren eer de dames terug met elkaar kunnen of durven samenwerken. “We waren de richting kwijt,” meent Harris. “Het was uiteen gevallen. Ik denk dat we niet terug samen durfden te komen, omdat we niet wilden dat het weer op niks zou uitdraaien.”

Bovendien had Parton haar handen vol met het uit de grond stampen van Dollyville, haar themapark in de buurt van Knoxville, Tennessee. Harris had een scheiding te verwerken en Ronstadt zat met rugklachten.

 

Het is 1984 wanneer Emmylou de eerste stap zet en de beide zangeressen naar de studio lokt. Op haar conceptalbum Ballad of Sally Rose is Dolly zowat op alle songs te horen en op één song, ‘The Sweetheart Of The Rodeo’, is het trio zowaar herenigd.

 

Het ijs is gebroken, iedereen heeft een nieuwe platenmaatschappij en de agenda’s worden naast elkaar gelegd. Er wordt een periode van drie weken gevonden wanneer iedereen beschikbaar is:  januari 1986. 

 

Het eerste probleem is het bepalen van het materiaal: welke nummers ze gaan opnemen. Linda Ronstadt: “Het probleem was dat Emmy en ik passioneel zijn over de materiaalkeuze. Dat leidde dikwijls tot situaties waarbij we met tweeën tegenover één stonden. Jammer genoeg heeft Dolly dikwijls een andere smaak; zij heeft een andere mening over wat mooi is, of indrukwekkend. Het was moeilijk voor ons om haar niet te kwetsen of het gevoel te geven dat we hipper waren of ons beter voelden. Ik denk dat ons dat goed is gelukt. We hadden geen enkele keer ruzie.”

 

“We discussieerden lang of we een rockplaat of een popplaat zouden maken,” legt Parton uit.

“We hielden alle opties open,” verklaart Ronstadt.

“Het duurde even eer we beseften dat het niet de bedoeling was om de allerbeste plaat ooit te maken,” weet Harris. “Eigenlijk  wilden we alleen maar een mooi akoestisch plaatje maken. Het was niet onze bedoeling om er een enorme popplaat van te maken. Waar we het best in zijn is samen eenvoudige, melodische liedjes zingen met een simpele akoestische begeleiding. De eer [van die beslissing] komt eigenlijk toe aan Brian [Ahern]. Hij was het die ons die richting op stuurde. Wij waren aan het discussiëren van ‘We moeten dit doen. En ‘We eten dat doen!’ En dat was waar het fout liep [bij die eerste poging]. Als je goed luistert naar deze plaat is het eigenlijk puur akoestisch.”

En dan kom je al snel uit bij de muziek uit de Apalachen: pure, meerstemmige muziek met akoestische instrumenten: gitaar, autoharp, dobro, dulcimer….. “Dat is wat we wilden,” giechelt Ronstadt: “old-timey.”

“Wat we gemeen hebben is de liefde voor die muziek,” voegt Parton daar aan toe: “We kunnen uren en uren doorgaan [met die liedjes] te zingen. We worden het nooit moe.”

 

George Massenburg wordt ingehuurd als producer. Volgens hem hielden de vrouwen de touwtjes strak in handen: “Het was hun plaat. Dit zijn drie vrouwen die de controle hebben over hun leven en carrières. Ze aanvaarden niet om het even wat als het gaat om hun muziek en waar ze staan in de wereld.”

 

Omdat er de vorige keer “teveel chiefs waren en te weinig indianen” besluiten ze nu anders te pakken. Naast de producer huren ze nog een aantal mensen in – als buffer: John Starling is “Musical Director” en Herb Pedersen “Vocal Arranger”.

“Niemand wou de rol op zich nemen om te zeggen: ‘zing jij dit’ of ‘zing jij tenor dan doe ik de basstem’,” legt Pedersen uit. “Dus was het mijn taak om naar het arrangement te luisteren en dan suggesties te doen in de aard van: ‘Misschien kan Dolly dit deel zingen, want dat past beter bij haar stembereik en dat is dan makkelijker voor Linda en Emmy kan dan de bariton zingen’. Het hing af van de melodie en de toonaard.”

 

Toen hij er bij kwam waren alle backingtracks al opgenomen. Het was puur zijn job om de samenzang te regelen.

“We namen de zang op als individuele delen,” legt Linda uit, “omdat we niet de luxe hadden om veel tijd samen door te brengen op een tour bus… en mekaars (vocale) bewegingen leren… duurt jaren.”

 

De opnamen lopen uit. In maart 1986 kondigt Harris aan dat ze bijna klaar zijn: “We moeten nog één nummer samen zingen en dan nog een a capella song. Maar misschien komen we daar niet meer aan toe…”

In mei wordt aangekondigt dat de LP herdoopt is in The Twisted Sisters.

 

Na afloop van de opnamen duurt het nog even voor het resultaat kan verschijnen. Omwille van hun drukke agenda’s is het moeilijk om tijd te vinden waarin ze zich allemaal kunnen vrijmaken voor promotie. Er is ook sprake van een gemeenschappelijke tournee, maar die komt er nooit. “Ik denk dat Dolly’s manager het geen goede carrièrezet voor haar vond,” meent Linda Ronstadt. “Het is niet aan ons om te bepalen wat zij belangrijk moet vinden. Hij overtuigde haar dat het voor haar belangrijker was om een Tv-optreden te doen.”

 

Geen tour dus, maar wel enkele afzonderlijke optredens, zoals tijdens de Country Music Association show op 13 oktober 1986. Ze brengen er ‘Dear Companion’, een nummer van Jean Ritchie. “Het is niet oud,” verklaart Ronstadt, “maar het klinkt tijdloos en heeft zijn wortels in de bergen.”

 

 

De plaat, uiteindelijk simpelweg Trio gedoopt, ligt vanaf 2 maart 1987 in de winkels – tien jaar na de eerste sessies. De kledij die de drie zangeressen op de hoesfoto dragen is speciaal voor de gelegenheid ontworpen door Manuel uit Hollywood. Het zwarte pakje dat Linda Ronstadt draagt koste maar liefst $11,000. De andere zijn iets bescheidener: dat van Dolly kostte $5,000 en het Hank Williams-achtige vest van Emmylou “slechts” $3,500.

 

De plaat wordt voorafgegaan door de eerste single, ‘To Know Him is to Love Him’ . Dat is een cover van een single van The Teddy Bears, uit 1958. Eigenlijk is het de allereerste single van Phil Spector, die het nummer ook zelf schreef, gebaseerd op het opschrift op het graf van zijn vader.

“De song kwam binnengewaaid recht in de mond van Emmylou,” verklaart Ronstadt. “Toen we het akoestisch zongen leek het net een gebed. Het paste gewoon zo goed bij haar stijl dat we het wel moesten opnemen.”

De tremologitaarsolo is van Ry Cooder.

 

Er wordt een videoclipje bij gemaakt, geregisseerd door George Lucas. De Star Wars regisseur was op dat moment de partner van  Linda Ronstadt – vandaar. Het filmpje wordt opgenomen bij Linda thuis.

 

 

De single doet het erg goed en bereikt de top van de countrylijst.

 

Voor de opvolger valt de keuze op ‘Telling Me Lies’, een prachtig nummer van Linda Thompson, de ex van Richard Thompson en een heel goede vriendin van Linda Ronstadt.

 

Hoewel de plaat totaal niet past binnen de dan heersende stromingen wordt Trio wordt een enorm succes: behalve vijf weken aan de top van de Amerikaanse countrylijst bereikt de plaat ook de zesde plaats van de gewone lijst. Voor Emmylou is het de eerste keer dat ze een platinaplaat mag ontvangen – en ook de enige keer. Verder zijn er ook nog twee Grammy onderscheidingen.

 

Precies omdat het allemaal akoestisch is gehouden is Trio een tijloze plaat die perfect vandaag zou kunnen worden uitgebracht – maar evengoed vijftig jaar geleden. Een klassieker dus.

 

‘Those Memories’ uit een TV-show in 1987

 

 

Nog een heel mooi filmpje (bijna tien minuten lang) waarbij de drie dames, om de beurt, de leadvoacls voor hun rekening nemen. En tussendoor ook nog wat uitleg geven bij hun songkeuze.

 

‘Dear Companion’, ‘Hobo’s Meditation’ en ‘Those Memories Of You’