VenusandMarsalbumcover

Opnamen:
– november 1974 – Abbey Road Studios, Londen
– 16 januari tot 24 februari 1975: Sea-Saint Studios, New Orleans, Louisiana
– 25 februari tot 24 maart: Wally Heider Studios, Los Angeles, Californië

Uitgebracht:
27 mei 1975 – Wings elpee Venus and Mars
Kant 1: ‘Venus And Mars/Rock Show’, ‘Rock Show’, ‘You Gave Me The Answer’, ‘Magneto And Titanium Man’, ‘Letting Go’
Kant 2: ‘Venus And Mars (reprise)’, ‘Spirits Of Ancient Egypt’, ‘Medicine Jar’(Jimmy McCullough/Colin Allen), ‘Call Me Back Again’, ‘Listen To What The Man Said’, ‘Treat Her Gently/Lonely Old People’, ‘Crossroads Theme’(Tony Hatch)

11 april 1980 – Paul McCartney single (b-kant van ‘Coming Up’): ‘Lunch Box/Odd Sox’
13 november 1985 – Paul McCartney single (b-kant van ‘Spies Like Us’): ‘My Carnival’
26 October 1998 – Linda McCartney cd Wide Prairie: ‘New Orleans’

Abbey Road, Londen

Na eerder bescheiden tournees van Wings door Europese en Engelse zalen is de tijd rijp voor een schaalvergroting. Het streefdoel is een grootschalige tournee langs de stadiums van Noord-Amerika. Om er wat in te komen is alvast een tournee gepland door Australië, Nieuw Zeeland en Japan.

De volgende elpee staat dan ook helemaal in het teken van die tournee: veel elektrische gitaren, grootse gebaren, pompende bas…
Paul heeft zijn huiswerk goed gedaan: ‘Ik had zo goed als alles al geschreven voor we [de studio introkken]. Jimmy had ook een nummer geschreven met een vriend van hem. We waren met vakantie gegaan naar Jamaica en voor het eerst had ik alle nummers al geschreven: een rol van hier tot daar. […] Ik zette het ene nummer hier en het andere daar. Een beetje schuiven en zo. De enige keer dat ik zoiets had gedaan was de mini-opera van Abbey Road. Nooit eerder zat ik met vier papieren te verschuiven om ze in een goede volgorde te leggen.’

Om belastingtechnische redenen wil Paul graag weer in het buitenland gaan opnemen en de keuze valt op New Orleans, Louisiana. ‘Daar was ik nog nooit geweest. Ja, op tournee [met The Beatles], maar toen zagen we niets anders dan de binnenkant van een geblindeerd busje. Het enige dat ik me herinner van New Orleans is een vibrerend bed in het motel en dat het er snikheet was.’

Maar dan blijkt dat Denny Laine problemen heeft om een werkvergunning te krijgen voor de Verenigde Staten. Dus trekt Wings begin november 1974 maar naar de Abbey Road studio’s in Londen. Oude getrouwe Geoff Emerick is weer paraat om de techniek in goede banen te leiden.

Een week later krijgt Denny dan toch een bevestigend antwoord. Inmiddels staan basistracks op band van ‘Letting Go’, ‘Love In Song’, ‘Medicine Jar’ en een vroege versie van ‘Rock Show’. ‘Medicine Jar’ is geschreven door Jimmy, op een tekst van Colin Allen, de vroegere drummer van Stone The Crows.

Sea Saint, New Orleans

Op 10 januari 1975 vliegen de McCartney’s naar New York. Paul en Linda gaan er John bezoeken, om hem uit te nodigen te komen meespelen bij de opnamen van de nieuwe Wingselpee in New Orleans. Het idee om Paul weer aan het werk te zien in de studio spreekt John erg aan.
Terwijl ze daar zijn, belt David Bowie. Hij is in de Electric Lady studio’s en wil een cover opnemen van ‘Across The Universe’. John besluit even langs te gaan en vraagt Paul en Linda mee. Johns vriendin May Pang vertelt: ‘Bowie wou ons de tracks van zijn nieuwe elpee laten horen. Young Americans wou hij hem noemen. Hoewel John en ik de plaat al een paar keer hadden gehoord, liet hij de nummers horen aan Paul en Linda …Ik zag dat Paul zenuwachtig werd toen Bowie de nummers voor een derde keer wou afspelen. ‘Kun we naar iets anders luisteren?’ vroeg hij. David negeerde hem maar John greep in: ‘Hebt je niets anders dat ons zou kunnen interesseren?… David mompelt: ‘Als jullie mij even willen excuseren’ en verlaat de zaak.’
Om zich te excuseren biedt John later aan om mee te spelen op Davids coverversie.

Maar dit natuurlijk geheel terzijde. Back to business.

Na een weekje familiebezoek bij Linda’s vader in New York, verzamelt Wings in New Orleans, om er te repeteren en op te nemen in de Sea-Saint Studio. Geluidstechnicus is Alan O’Duffy.

Paul heeft speciaal voor de Sea-Saint Studio gekozen, omdat ‘Lady Marmalade’, de hit van Labelle er is opgenomen (beter gekend als ‘Voulez vous coucher avec moi, ce soir?’. Paul is vooral onder de indruk van de drumklank die producer Allen Toussaint heeft weten vast te leggen. Tousaint is trouwens mede-eigenaar van de studio.

Het materiaal is echter nog niet goed uitgepakt of het rommelt alweer binnen de gelederen: Geoff Britton stapt op. Het heeft nooit geklikt tussen hem en de twee gitaristen: Denny Laine en Jimmy McCulloch.
‘Ik was depressief,’ verklaart de drummer. ‘Ik zag er echt tegen op om naar New Orleans te gaan met hen. Het had een hoogtepunt in mijn leven moeten worden, maar ik voelde me rot en haatte het echt. Elke dag opnieuw was het een strijd om te overleven, om overeind te blijven. Denny kon erg wreed zijn. Hij en Jimmy waren zogezegd beste maatjes, drinkebroers, altijd samen op stap. Maar wanneer hij wat teveel op had, probeerde hij Jimmy een mes in de rug te steken. Een rotzak. Ik had hem op zijn bakkes moeten slaan. Ik heb spijt dat ik het niet gedaan heb.’

Jo Jo Patrie, de vrouw van Denny meent: ‘Het was een lieve kerel, maar hij had zich moeten beperken tot karate [zijn favoriete sport]. Hij was veel te braaf voor die bende, geloof me. Ik bedoel: hij rookte niet eens. En in de ogen van non-stop gebruikers als Paul en Linda is zoiets alleen al redden voor ontslag!’

Geoff geeft toe: ‘Ze vonden me te braaf. ‘[Denny en Jimmy] waren onbenullen. Goede muzikanten, maar ook niet meer. Ze hielden zich vooral bezig met zuipen en drugs gebruiken en daar deed ik niet natuurlijk aan mee. Op feestjes lagen de lijntjes coke klaar op tafel… al wat je wou was er. Na afloop kon niemand nog op zijn benen staan en dan mocht ik hun naar huis brengen. […] Misschien had ik McCulloch en Laine eens onder handen moeten nemen… Dan leefde Jimmy misschien nog en dan zaten we allemaal nog bij Wings.’

Op aanraden van Tony Dorsey wordt Joe English, een drummer uit Macon, Georgia, ter hulp ingeroepen. Met zijn band, Jam Factory heeft hij voorprogramma gespeeld voor Jimi Hendrix, the Grateful Dead en Janis Joplin. Die groep is echter gesplitst en nu was hij net aan het repeteren met Bonnie Bramlett.

Nu kunnen de opnamen eindelijk van start gaan. Er wordt iedere dag gewerkt vanaf 4 uur in de namiddag tot vroeg in de ochtend.
De nieuwe drummer voelt zich meteen op zijn gemak. ‘In de studio stond het je vrij om elke dag te komen en mee te doen aan de opnamen, het mixen, ideeën inbrengen… Paul gaf ons heel wat vrijheid. Natuurlijk, als hij vond dat iets op een bepaalde manier moest, zei hij het ook. In 99% van de gevallen volgde ik hem, omdat hij meestal gelijk had. Maar als ik een beter voorstel had, zei ik dat en dan deden we het zo.’

Ook Jimmy McCulloch bevestigt dat hij veel vrijheid heeft: ‘[Wat mijn gitaarspel betreft] voel ik me als een vis in het water. De gitaarpartijen zijn nooit vooraf vastgelegd. Je speelt puur op het gevoel, wanneer je een beetje in moet houden om de zang tot zijn recht te laten komen, of wanneer je eens lekker loos kunt gaan. Enkel het akkoordenschema staat vast, al de rest is improvisatie: je kunt je eigen interpretatie geven […]. Er is veel vrijheid. Je hebt een houvast: een harmonische structuur en de rest is gewoon uitproberen tijdens de repetities. Mocht iets niet passen, dan probeer je gewoon iets anders. Zo ontwikkel je – ik dus, feitelijk – iets dat past bij de band.’

Op een avond gaat Jimmy kijken naar een optreden van Dave Mason, de vroegere gitarist van Traffic. Na afloop gaat hij de man backstage opzoeken en nodigt hem uit naar de studio.
Er wordt er wat gezellig gejamd. Daaruit komt een outtake: ‘Crawl Of The Wild’.
Daarna wil Paul graag van zijn aanwezigheid gebruik maken om wat gitaar toe te voegen aan ‘Listen To What The Man Said’, een nummer waarin hij een geheide hit ziet, maar waarvan de opname maar niet wil klikken. Net zoals George Harrison dat in de laatste jaren van the Beatles graag placht te doen, wordt daarbij het geluid van Masons gitaar vervormd door het door een roterende speaker van een Leslie orgel te sturen.
Dan vragen ze zich af wat ze kunnen doen voor de solo. Iemand merkt op dat de bekende saxofonist Tom Scott in de buurt woont. Hij blijkt bereid om langs te komen. Sterker nog: een halfuurtje later is hij er al.
‘Daar was hij, met z’n sax,’ vertelt Paul. ‘Hij zette zich neer en speelde. De geluidstechnicus nam het op. Na afloop kwam hij [naar de controlekamer] en vroeg: ‘Heb je dat?’ We luisterden en het was fantastisch. Niet te geloven! We probeerden nog een paar takes, maar niets was zo goed als die eerste take.’
Achteraf blijven ze nog een paar uur napraten.

Dave en Paul

Dave en Paul

Ook andere bezoekers komen wel eens een potje meejammen, zoals Dr. John of Professor Longhair. Allen Toussaint speelt zelf ook mee op de nieuwe versie van ‘Rock Show’. Een jam met The Meters resulteert in het b-kantje ‘My Carnival’.
Andere outtakes zijn vooral instrumentaal ‘Sea Dance’, ‘Lunch Box/Odd Sox’, een nieuwe versie van ‘Tomorrow’. Wel zang hebben een nummertje van Linda: ‘New Orleans’ en een cover van ‘Baby Face’, opgenomen met de Young Tuxedo Brass Band.

Door het toevoegen van een blazerssectie aan vrijwel alle tracks krijgt het geheel een soulvol sausje. Trombonist Tony Dorsey, die Paul heeft overgehouden van de sessies in Nashville krijgt hierbij de leiding. Hij verzorgt de arrangementen en selecteert ook de muzikanten, voornamelijk uit New Orleans. Steve Howard bijvoorbeeld, is de man die trompet speelt op ‘Lady Marmalade’ en de elpee Southern Nights van Toussaint. Thaddeus Richard is te horen op alt sax, fluit en sopraan sax.

De sessies zijn afgelopen op 24 februari.
Jammer genoeg is John Lennon nooit komen opdagen. Die is inmiddels weer bij Yoko en zoekt geen enkel contact meer met andere muzikanten.

tijdens het Mardi Grass in New Orleans

tijdens het Mardi Grass in New Orleans

Wally Heider, Los Angeles

Voor het afwerken van het materiaal verhuist de hele bende naar de Westkust. In de Wally Heider Studios in Los Angeles worden backing vocals en strijkers toegevoegd. Daarna kunnen de tracks gemixt.

Paul besteedt veel aandacht aan de overgangen tussen de verschillende songs, vooral tussen ‘Listen To What The Man Said’ dat onafgebroken doorgaat in ‘Treat Her Gently/Lonely Old People’. Dat laatste bestaat op zichzelf al uit twee nummers.
‘Ik hou wel van dat stukje,’ verklapt Paul. ‘Ik dacht: niemand zal aanstoot nemen aan zo’n extra stukje.’
De laatste song ‘Crossroad Theme’ is een cover… van het thema van een populaire soapserie. ‘Een grapje,’ geeft Paul toe. ‘Britse humor. Misschien een beetje te Brits, maar ik wou het er toch graag op. Als je er niets van af weet, is het gewoon een afsluiter. […] Maar als je mee bent… Het komt vlak na ‘Lonely Old People’. […] Wat doen oude mensen? In Engeland kijken ze naar Crossroads. Het had net zo goed Coronation Street kunnen zijn, maar we kenden toevallig de akkoorden van Crossroads. Ik vond het gewoon grappig.’

De zender ITV kan er alvast mee lachen en gebruikt de versie van Wings zelfs even in plaats van hun gewone eindtune.

Op 24 maart viert Wings het afronden van het werk met een feest in stijl: aan boord van het cruiseschip Queen Mary, in de haven van Long Beach, Californië. Onder de 200 gasten treffen we George Harrison, Bob Dylan, Joni Mitchell, Carole King, Marvin Gaye, The Faces, Phil Everly, The Jackson Five, Led Zeppelin, Dean Martin, Ryan en Tatum O’Neil, Tony Curtis, Cher, de vroegere Monkees Mickey Dolenz en Davy Jones, Derek Taylor en Mal Evans. Voor het muzikaal vermaak zorgen Lee Dorsey, Ernie K-Doe, Professor Longhair, The Meters en Chocolate Milk. De set van Professor Longhair wordt later uitgebracht op de elpee Live On The Queen Mary.

Live-On-The-Queen-Mary-cover

Venus and Mars

Na het succes van Band on the Run zijn de verwachtingen hoog gespannen voor de opvolger. Vooral ook omdat die zolang op zich heeft laten wachten: bijna anderhalf jaar.

De eerste tekenen zijn alvast positief: de eerste single, ‘Listen To What the Man Said’ verschijnt midden mei 1975. Topnotering in de Verenigde Staten, 6 in Engeland en top 20 in Nederland en Vlaanderen.

https://www.youtube.com/watch?v=kRT3V-q_gBI

Paul heeft alvast voldoende vertrouwen herwonnen om de groepsnaam weer in te korten tot Wings. ‘Paul McCartney and Wings heb ik altijd vervelend gevonden. Het was ook nooit Paul McCartney and the Beatles, Paul McCartney and the Quarrymen, of Paul McCartney and the Moondogs. Wings is korter en gemakkelijker uit te spreken. Iedereen weet trouwens wel dat ik in de groep zit.’

De elpee Venus and Mars verschijnt twee weken later. De recensies zijn overwegend lovend (alhoewel hier en daar toch wordt geopperd dat Band on the Run beter was.) De verkoop is schitterend: weliswaar maar één week wereldwijd de best verkochte elpee, maar wel 77 weken lang in de Amerikaanse hitlijst.

Er volgen nog twee singles (‘Letting Go’ en ‘Venus and Mars/Rock Show’), maar die doen het minder goed.

https://www.youtube.com/watch?v=2Rjq0mT3p_I

https://www.youtube.com/watch?v=sn-Cu_NoH4U

De voornaamste kritiek behelst de dikwijls niets-zeggende teksten. Zo zijn Magneto, Titanium Man en Crimson Dynamo slechteriken uit de Marvel stripverhalen.
Over de titelsong vertelt Paul: ‘Het nummer ‘Venus and Mars’ gaat over een niet-bestaande vriend die een vriendin heeft die geïnteresseerd is in astrologie – zo eentje die eerst je sterrenbeeld moet weten voor ze goeiendag zegt. Meer moet je er niet achter zoeken.’
‘Letting Go’ is dan weer de zoveelste ode aan vrouwtje Linda.

Kortom, vrij vertaald luidt de kritiek: “too many silly love songs”.

 

 

 

Most Of The Time

 

Een van de mooiste nummers van Bob Dylan uit zijn latere periode is ‘Most Of The Time’, dat in september 1989 verscheen op Oh Mercy. Dankzij Tell Tale Signs hebben we nog twee andere versies uit die sessies. En dan is er ook nog een geheel andere versie, een jaar later opgenomen voor een videoclipje.

 

 versie 1 – Tell Tale Signs cd 1 – 8 maart 1989 (3:46)

Wanneer Bob Dylan de song voor het eerst naar de studio in New Orleans brengt, heeft hij enkel een tekst en moet nog op zoek naar een melodie. Hij probeert het nummer voor te spelen op zijn akoestische gitaar.  Dankzij de alertheid van geluidstechnicus Malcoln Burn werd deze versie bewaard. In een interview voor het Britse muziektijdschrift Uncut vertelt hij trots:  “Ik nam het op. [Dylan] zei: ‘We zouden het zo kunnen doen.’  – en hij speelde het hele nummer op akoestische gitaar en harmonica. Het archetypische Bob Dylan geluid. Hij verwees naar zichzelf in de derde persoon: ‘Dat zou de typisch Bob Dylan manier zijn.” En dan probeerde hij het anders: als een blues, echt heel langzaam. En die versie nam ik ook op.”

Deze kale versie had net zo goed op Another Side of Bob Dylan kunnen staan, of op Blood On The Tracks. Alleen de stem verraadt dat de opname dateert uit zijn latere periode. Hij is nog hoorbaar op zoek naar de melodie, maar hoewel hij weet dat het niet de bedoeling is om deze opname ooit te gebruiken, is de emotie al aanwezig. 

 * * *

 In ‘Most Of The Time’ maakt de zanger zichzelf iets wijs. Hij houdt bij hoog en laag vol dat hij haar vergeten is. Meestal toch. Want iedere keer hij ontkent dat hij nog aan haar denkt, komt de herinnering natuurlijk terug. Hij is haar zo fel vergeten dat hij een nummer aan haar wijdt.

* * *

 versie 2b – Oh Mercy – 12 maart 1989 (5:01) en radio edit (3:55)

Vier dagen later probeert hij de song “voor echt” op te nemen. Producer Daniel Lanois speelt dobro, Dylan zelf akoestische gitaar. De ritmesectie bestaat uit drummer Willie Green  en bassist Tony Hall. Cyril Neville en Daryl Johnson voegen percussie toe.

En, speciaal voor deze sessie is er een extra muzikant uitgenodigd: rockabilly gitarist Mason Ruffner.

Met Ruffner wordt ‘Most Of The Time’ opnieuw uitgeprobeerd. Er is nog steeds geen echte melodie gevonden en het is Lanois die er voor zorgt dat de song zich ontwikkeld tot een langzaam, melancholisch nummer.  “De versie die op de plaat is gekomen heeft de typische Lanois stempel,”  weet geluidstechnicus Malcolm Burn, “waarbij Lanois de basistrack overdub na overdub aankleedt”. Volgens zijn collega Mark Howard was de uiteindelijk  versie  “gebouwd rond een kleine groep: enkel Bob, Dan en Malcolm. De basis was een loop of een patroon van een 808 drum machine”.

Het resultaat, zoals het op Oh mercy verschijnt is de meest ambitieuze productie van de plaat. “Magistraal”, zoals criticus Allan Jones schreef. Of  “ruimtelijk en theatraal”, zoals Malcolm Burn het noemde: “Op en top Lanois.”
In Chronicles schrijft Dylan dat, terwijl Lanois de track opbouwde, hij zich alsmaar ongemakkelijker ging voelen. Het klonk allemaal niet slecht, maar het was niet zoals hij het had bedoeld. Hij wist niet welke kant het dan wel moest uitgaan, maar zo niet. “Een big band behandeling zou misschien goed geweest zijn. In gedachte zong ik het met begeleiding van het Johnny Otis Orchestra. Een pak regels moesten een andere plaats krijgen en ik voelde mij afgeblokt.”

 Misschien dat hij daarom op Tell Tale Signs ook een versie heeft geplaatst uit diezelfde sessie – misschien zelfs dezelfde take – maar dan zoals de song live in de studio klonk. “Evolution mix” noemde de producer deze versie.

Niet zo geproducet, minder swampy, minder Lanois. De akoestische gitaren zijn meer prominent aanwezig en er zijn enkele kleine tekstafwijkingen.

I got enough faith and I got enough strength
I keep it all away, way beyond arm’s length

zingt hij, in plaats van

I don’t build up illusion ‘till it makes me sick,
I ain’t afraid of confusion no matter how thick

versie 2a – Tell Tale Signs cd 3 – 12 maart 1989 (5:10)

* * *

 

Maar is het wel een vrouw die hem heeft verlaten? Misschien bezingt Dylan zijn muze.

De song werd geschreven in januari 1988, na een lange periode van writer’s Block. Op zijn vorige plaat, Down In The Groove, had Dylan geen enkele nieuwe tekst geschreven. Hij was zelfs al een tijdje aan het overwegen of hij niet beter een ander beroep zou kiezen.

Gehandicapt dooreen stom ongeluk in de tuin en ingesneeuwd op zijn boerderij wordt hij geconfronteerd met zichzelf. Hij vraagt zich af of zijn muze hem voor altijd heeft verlaten.

 Most of the time
I can’t even be sure
If she was ever with me
Or if I was ever with her 

Was het mijn muze wel, of mocht ik enkel af en toe in haar gezelschap vertoeven?

 * * *

 versie 3 – video clip – 16 maart 1990 (4:55)

Toen ‘Most Of The Time’ werd geselecteerd als derde single van de plaat, drong de platenfirma aan op een videoclipje. Dylan was net Under The Red Sky aan het voorbereiden met Don en David Was als producers.

Net een jaar na de oorspronkelijke opname trok hij daarom opnieuw de studio in. Deze keer was het de Culver City Studios in Los Angeles. Hij koos echter voor een radicaal andere aanpak dan die van Lanois. Geen van de oorspronkelijke muzikanten was uitgenodigd. In plaats daarvan koos hij voor meestergitarist David Lindley en de ritmesectie van Randy Jackson en Kenny Aronoff.

Deze versie verscheen ook op de promoversie van de single.

* * *

Een derde interpretatie is dat het helemaal niet over een vrouw gaat: geen van vlees en bloed, maar ook geen mythische. Het zou ook kunnen dat de zanger, nu hij de vijftig nadert, terugblikt op zijn jeugd. Een periode in zijn leven die voorgoed voorbij is en die ver achter hem ligt. “It don’t matter where it went” zingt hij in de versie op cd 3 van Tell Tale Signs.

I can survive and I can endure
And I don’t even think about her
Most of the time

Naar aanleiding van het verschijnen van Tell Tale Signs bracht het Britse muziektijdschrift Uncut een lang artikel over de opnamen van Bob Dylans platen in de laatste twee decennia. Daarvoor interviewden ze allelei sleutelfiguren die bij de sessies aanwezig waren: muzikanten, producers en geluidstechnici. In de weken na het verschijnen van het artikel werden de volledige interviews gepubliceerd op de website van Uncut. Daaruit kwamen zoveel nieuwe gegevens naar boven dat ik het stuk over Oh Mercy voor een groot stuk heb herschreven.

 

Een bizar ongeluk

 

In zijn boek Chronicles (vertaald als Kronieken) dat wordt gepresenteerd als een autobiografie, gaat Bob Dylan uitgebreid in op de periode rond het schrijven en opnemen van Oh Mercy. Jammer genoeg blijkt weer dat mensen die er bij aanwezig waren niet altijd de beste getuigen zijn. Nogal wat details blijken helemaal niet te kloppen.

Zo vertelt de auteur dat hij, terwijl hij in zijn tuin aan het rommelen is, zijn hand zwaar kwetste. De hand is opengereten tot op het bot en de dokters vertellen hem dat het erg onzeker is of hij ooit nog gitaar zal kunnen spelen. Hij situeert het ongeluk tussen Kerstmis en nieuwjaar 1986, maar uit allerlei details blijkt dat het een jaar later moet zijn gebeurd.

En zelfs dan blijft het bizar, want op 20 januari 1988 speelt hij niet slechter gitaar dan vroeger, wanneer hij wordt opgenomen in de Rock ‘n’ Roll Hall of Fame.

 

* * *

 

Aan het einde van de jaren tachtig was Dylans ster sterk getaand. Na het kwalitatief sterke Infidels (1983) en het iets mindere Empire Burlesque (1985), kreeg hij opnieuw te maken met writer’s bloc.

Voor het stuurloze Knocked Out Loaded had hij tevergeefs geprobeerd inspiratie op te wekken door het spelen van obscure oude rock ‘n’ roll nummers (Arthur Alexander, Willburg Harrison…). Bij de mogelijk nog zwakkere opvolger Down in the Groove trachtte hij het gebrek aan eigen materiaal te verdoezelen door beroep doen op allerhande co-auteurs (Carole Bayer-Sager!)

 

* * *

 

Bovendien was het de laatste jaren ook met zijn live-reputatie van kwaad naar erger gegaan. Zijn optreden tijdens Live Aid, met Keith Richards en Ron Wood kan niet anders worden omschreven dan beschamend: duidelijk dronken, vals gezongen en slecht gespeeld.

Een lange tournee met Tom Petty and the Heartbreakers werd nog wel goed ontvangen, maar een tussendoortje met de Grateful Dead als begeleiders was desastreus.

 

In zijn autobiografie verklaart hij dat hij het allemaal voor gezien wou houden. “Ik had een tournee van 18 maanden gedaan met Tom Petty and the Heartbreakers. Het zou mijn laatste zijn. Ik had geen voeling meer met wat voor inspiratie dan ook. Tom stond op de top van zijn kunnen en ik op de bodem van het mijne. Ik kon het verschil niet overbruggen. Alles lag in duigen. Mijn eigen liedjes waren vreemden voor me geworden… Ik had mijn tijd gehad. Ik kon haast niet wachten om me terug te trekken en mijn tent te pakken. Nog één keer met Petty met de pet rond en dan hield ik het voor gezien.”

 

Halverwege het Europese luik van die tournee kreeg hij echter plotseling, als in een flits, een nieuwe invalshoek, die zijn hele bestaan zou omgooien. Hij besloot zich terug te trekken uit het popcircus en zich te voegen in de oeroude traditie van rondtrekkende troubadour, in het voetspoor van Woody Guthrie. Het allerbelangrijkste wordt het uitdragen van de songs naar de mensen. De songs is waar het om draait: geen grootse shows. geen zangeressen, geen extra muzikanten. Gewoon het strikte minimum: bas, gitaar en drums. Naar de mensen toe gaan: in kleine zalen, in kleine steden en zo opnieuw een reputatie opbouwen en door mond aan mond reclame zorgen dat de mensen blijven komen luisteren.

De Never Ending Tour is geboren. Voortaan zal Dylan telkens meer dan honderd keer per jaar op de podia staan.

 

* * *

 

En net op dat moment zou, ergens einde december 1987, dat bizarre ongeluk met zijn hand zijn gebeurd. Hij vreesde dat zijn carrière er op zat en bedacht wat hij nu kon gaan doen: vis kweken, meubels maken… of misschien houten benen?

 

Een week later zat hij, laat op de avond, aan de keukentafel bij hem thuis. Hij pakte pen en papier en begon te schrijven: “We’re living in a political world”. Twintig strofen kwamen er in een ruk uit.
Het was het eerste nummer sinds lange tijd. “Het was als het ontwaken uit een droom, of een soort coma. En plots gaat dan een gong en wordt je wakker.”

 

Zijn inspiratie was terug: in de loop van de volgende maand schreef hij zo’n twintig liedjes. “Ze kwamen uit de lucht gevallen,” vertelt hij in zijn boek. “Misschien had ik ze niet geschreven als ik niet zo onthand was geweest.”

 

De nieuw hervonden muze gaf hem voldoende zelfvertrouwen om, op 18 januari 1988, zijn contract bij CBS/Columbia voor nog eens tien cd’s te verlengen.

 

Ongelukkig met de lukrake productie van zijn laatste platen, begon Dylan bij collega’s te polsen naar aanbevelingen voor een goede producer. Op uitnodiging van Bono, ging hij U2 helpen bij de opname van een nummer voor hun Rattle And Hum LP. In Los Angeles speelde hij Hammond orgel op ‘Hawkmoon 289’.

Na afloop gingen ze stevig doorzakken, met veel Guiness. Bob liet enkele van zijn nieuwe composities horen en vertelde dat hij als producer iemand wou die zelf ook een muzikant is. Bono beval hem Daniel Lanois aan. De Canadees, die net met U2 Joshua Tree had opgenomen, zou wel eens de geschikte producer kunnen zijn die Dylans nieuwe songs tot hun recht kon laten komen.

 

Maar Dylan had geen haast. Er stonden al een pak optredens gepland voor zijn tournee, die onofficieel zou worden bestempeld als de Never Ending Tour.


Zowel het formaat als het concept van de optredens bleken helemaal vernieuwd: de begeleidingsgroep was beperkt tot het strikte minimum: gitaar, bas en drums – zelfs geen harmonica! En er was geen vaste setlist, al was wel nog een vaste structuur.
Midden in de set werd een akoestisch gedeelte ingevoerd van drie tot vijf nummers, waarbij hij enkel werd begeleid door G. E. Smith. Daarbij zaten altijd wel een paar covers: uiteenlopend van Ierse ballades als ‘Eileen Aroon’ tot folk, country of rock ‘n’ roll klassiekers als ‘Nadine’. De rest van de nummers kregen strakke rock arrangementen.

Opmerkelijk is de enorme verscheidenheid in gebrachte nummers: tijdens de 71 optredens die het eerste luik van de tournee vormen, werden maar liefst 92 verschillende nummers gebracht.

 

 

Een Canadees in New Orleans

 

Al dan niet toevallig eindigde het tweede deel van de tournee in New Orleans, waar Daniel Lanois aan het werk was. Met het geld dat hij had verdiend met de productie van Joshua Tree en met So van Peter Gabriel, was Lanois verhuisd naar New Orleans.

 

Hij wou er op zoek gaan naar zijn roots. “Ik vond aansluiting bij dat zydeco-Cajun gebeuren. Het fascineerde me dat de Acadiens van Canada naar Louisiana waren getrokken. Het is een fantastisch verhaal en het zit echt in mijn achtergrond. Ik dacht dat het interessant zou zijn om in het voetspoor te treden van mensen die mij zovele generaties geleden waren voorgegaan.”

Op zijn eerste solo LP, Acadie, zou hij verslag doen van “mijn afkomst, mijn familie, de verhuis van mijn familie, mijn Franse roots en de verbintenis met Louisiana.”


Maar eerst wou hij ervaring op doen met de plaatselijke muzikanten. Daarvoor wou hij graag werken met een muzikale familie. “Ik verdiepte mij in de achtergrond van de Neville Brothers: waar ze hun spullen vandaan haalden, de buurt – dat fascineerde mij echt allemaal, terwijl anderen er misschien een beetje genoeg van hadden. Ik denk dat daar wel een les in zit: als je ergens in geloofd en er enthousiast over bent, dan werkt dat aanstekelijk op anderen.”

 

Speciaal voor de opnames van Yellow Moon van The Neville Brothers had Lanois een studio ingericht, op de tweede verdieping van een groot gebouw (EMLAH Court in 3829 St. Charles Ave.), vlak naast het Columns Hotel. “Wonder boven wonder, kregen we het hele gebouw voor slechts 1 200 dollar per maand,” vertelt hij. “Charles Neville woonde op de eerste verdieping en ik op de bovenste verdieping. Het leek wel een commune. Maar het was plezant.”

 

Die opnamen waren nog volop aan de gang toen Bob Dylan met zijn Never Ending Tour, op 25 september 1988, de stad aandeed. In 1989 vertelde Dylan in een interview: “Daniel kwam me opzoeken toen we in New Orleans speelden vorig jaar en…we schoten goed op. Hij begreep waar het in mijn muziek om draait. Het is erg moeilijk om een producer te vinden die zelf kan spelen…en weet hoe je met al dat modern gedoe moet opnemen. Dat was waar ik in het verleden problemen mee had.”
 

 

In zijn Kronieken beschrijft hij de ontmoeting met Lanois: “Hij was helemaal in het zwart – donkere sombrero, zwarte broek, hoge laarzen, handschoenen – een en al schaduwen en silhouet – een zwarte prins van de zwarte heuvels.”


Lanois nam Dylan mee naar de studio, waar hij hem de cover liet horen die de Neville Brothers opgenomen hadden van zijn ‘With God On Our Side’. “Hij zei me: ‘Dat klinkt goed,'” vertelde Lanois. “Wel, van iemand als Dylan is zoiets een fantastisch compliment.”


Dylan was genoeg onder de indruk om Lanois voor te stellen om samen te werken. “Ik vroeg hem of hij in New Orleans wou werken,” zegt Lanois. “Hij zei ja. Ik vroeg of hij in dat gebouw wou werken. Hij zei, ‘Dat maakt niet uit.’ Ik zei, ‘Wel, de huur is afgelopen. Ik zal een ander gebouw huren en alles voorbereiden.'”

 

Terwijl Dylan verder rondtrok, ging Lanois op zoek naar een geschikte ruimte. “We vonden een leegstaand huis van rond de eeuwwisseling,” vertelt Daniel Lanois. “Fantastische omgeving… (Soniat Street 1305, New Orleans) het had iets van een bordeel. We veranderden de controleruimte in een moeras… overal mos en opgezette dieren en koppen van alligators.”

 

 

The Grateful Dead

 

Op 12 februari, een week na het uitbrengen van de liveplaat Dylan And The Dead stapte de zanger ongevraagd opnieuw op het podium tijdens een optreden van The Grateful Dead in het LA Forum. Hij speelde (verschrikkelijk slecht) gitaar bij acht nummers. Ze slaagden er uiteindelijk in hem te overtuigen om ook zelf een nummer te brengen. Dat werd ‘Knockin’ On Heaven’s Door’.

 

De volgende dag belde hij naar het management van de band om te zeggen dat hij lid wou worden van The Grateful Dead. Mogelijk had het groepsgevoel bij de Traveling Wilburys een grote indruk op hem gemaakt.

 

De band besloot er over te stemmen. Er was één tegenstem en het lidmaatschap ging dus niet door.

 

 

Traveling light

 

Het is met die ingesteldheid dat Bob Dylan naar New Orleans trekt. “Ik had er over gedacht om iemand mee te brengen naar de sessies,” vertelt Bob. “Een ervaren muzikant… maar uiteindelijk bracht ik niemand mee. Zelfs geen materiaal. Ik was sceptisch. Ik wou wel eens zien wat Danny in zijn eentje kon. Ik hoopte dat hij mij zou verrassen. En hij heeft me verrast.”

 

Misschien was die ervaren muzikant waarvan sprake Ron Wood. Volgens Malcolm Burn had Dylan alle songs voor hij naar New Orleans kwam al eens op band gezet met de Rolling Stone. “Ik denk dat Dylan misschien had beslist dat hij niet hield van wat er was gebeurd.”
 

 

“Bob kwam naar de opnamen met een paar velletjes papier,” herinnert Daniel Lanois zich, “geen instrumenten, niets eigenlijk. Alles stond voor hem klaar. Ik gaf hem het hele pakket. Voor $150,000 kreeg hij alles: muzikanten, uitrusting, mixen… alles. ”
 

 

Lanois brengt vanzelfsprekend zijn rechterhand mee: zijn vaste geluidstechnicus Malcolm Burn. Die wordt op zijn beurt bijgestaan door Mark Howard. “Dat was oorspronkelijk de bedoeling,” licht Howard toe, “maar Malcolm is ook een muzikant en uiteindelijk speelde hij meer dan dat hij aan de knoppen zat. Dus stond ik in voor de opnamen.

Ik was nog een groentje toen. Ik kwam net uit Canada en dei plaat van de Neville Brothers was mijn eerste klus geweest. Ik was pas 21. Ik was assistent en kreeg dus van allerlei opdrachten: een geschikte locatie vinden, de studio bouwen, de bankzaken afhandelen… en opeens stond ik nu ook in voor de opnamen. In het diepe geworpen…”

 

Malcolm Burn vertelt dat ze vooraf niet veel instructies hadden gekregen van Dylan. “Dan had alleen wat tekstregels te horen gekregen. Hij had dus geen idee met wat voor materiaal Dylan te voorschijn zou komen. Hij had alleen gezegd dat hij een piano-bas wou hebben. Alleen had niemand ook maar enig idee wat een piano-bas was. En verder wou hij iets doen met Fats Domino, omdat we toch in New Orleans zaten.”

 

Een week voor de geplande opnamen kregen ze een cassette toegezonden. Er zit een briefje bij van Bob Dylan: “Luister hier naar. Dan weet je waar ik naar toe wil. Luister hier goed naar. Je kunt er veel van leren” Vol verwachting steken ze het ding in de speler. Maar in plaats van demo’s horen ze Al Jolson. Ze spoelen wat vooruit: nog meer Al Jolson. Een hele cassette vol met muziek uit de jaren twintig. Wat moeten ze daar nu mee?

 

Pas wanneer de sessies al een tijdje aan de gang zijn geeft Bob toelichting: hij beklemtoont dat de frasering alles verandert. “Je kunt een geweldig tekst hebben, maar als die niet goed gebracht wordt, komt het niet over.”  Hij licht verder toe: “Mijn favoriete zangers zijn Frank Sinatra en Al Jolson.”

 

 

Alle begin is moeilijk

 

De muzikanten die Lanois had uitgekozen waren de kern van de band van de Neville Brothers: gitarist Brian Stoltz, bassist Tony Hall en drummer Willie Green. Lanois was van meet af aan ook van plan om zelf mee te spelen. Net als zijn kompaan Malcolm Burns. Beide bespelen elektrische en 12-snarige gitaren, dobro, toetsen, tot drums en bas.

 

“Omdat ik zelfs geen instrumenten had meegebracht, nam ik een van Lanois antieke Telecasters,” vertelt Dylan. “Die dingen kunnen gemeen klinken als je op een betonnen vloer staat onder een zinken dak, maar even goed kan het soms ook luchtig klinken. Ik vond het een fijn instrument om te bespelen, dus hield ik het bij die ene gitaar. “

 

De opnamen begonnen in de derde week van februari 1989. Hoewel, van echt opnemen is de eerste dagen geen sprake. Dylan doet niets anders dan zijn gitaar aanslaan. Hij speelt geen akkoorden, rotzooit maar wat en weigert in te gaan op voorstellen. 

 

“Het was tamelijk ongemakkelijk die eerste twee weken,” meent Mark Howard: “Dylan was nogal hautain en Dan heeft de neiging om over-enthousiast te zijn. Zo werk hij nu eenmaal: hij pept de mensen op. Daardoor raken zij ook opgewonden en dat geeft dikwijls betere resultaten. Maar dat werkt dus niet met Dylan.”

 

“Terwijl we opnamen sprak Bob nooit met de andere muzikanten. Hij sprak alleen met mensen die hij kende of van gehoord had. Verder was hij niet geïnteresseerd om vriendschapsbanden op te bouwen. Hij droeg altijd een kap over zijn hoofd. De tweede of derde nacht kwam de drummer, Willie Green, naar me toe. Ik zat aan het mengpaneel en Bob zat naast me. Willie zei: ‘Man, Ik ben hier nu al een paar dagen. Wanneer komt die verdomde Bob Dylan nu eigenlijk?’

Even later – en het is echt zo gebeurd – komt de bassist, Tony, binnen en zegt: ‘Man, die Bob Dylan dat is me een rare.’ Bob keek even op, trok een wenkbrauw omhoog en werkte verder aan zijn teksten.”

 

Behalve de muzikanten negeert hij ook de technici. “Ik zat voor hem op de grond,” gaat Mark Howard verder, “ik trachtte de microfoon voor zijn mond op te stellen. En dan draaide hij zich om. Ik stond op en bracht de microfoon naar die kant en dan draaide hij zich weer terug om. Het leek echt alsof hij het met opzet deed. Heel bizar.”

 

“We hadden niet onmiddellijk goede resultaten,” bevestigd Lanois, “maar Bob was de kale manier van werken die ik voor ogen had niet gewoon. Een paar keer raakten we ontmoedigd, wanneer de dingen niet liepen zoals hij ze wou. Een groot deel van zijn beste werk kwam altijd al van zijn band – live spelen in de studio – en mijn manier van werken, overdubben en spoor na spoor opbouwen, was zelfs geen optie voor hem.”

 

 

Harley David – Son of a bitch

 

Een paar van de muzikanten hebben Harley’s waarmee ze naar de sessies komen. Dylan heeft veel belangstelling voor de motoren. Geluidstechnicus Mark Howard is een verzamelaar en hij laat speciaal voor de zanger een Shovelhead Harley Davidson uit Florida laten overkomen. Het is een politiemotor uit 1966.

Met zijn vrouw achterop gaat de zanger de omgeving wat verkennen.

 

“In die tijd was er geen verplichting om een helm te dragen in Californië. Maar in New Orleans dus wel. Toen hij terugkwam van een ritje zei hij: ‘De politie is hier acht vriendelijk. Ze wuiven allemaal naar me.’ Ik heb hem duidelijk gemaakt dat hij beter een helm zou dragen.”

 

Mark Howard meent dat de motor zeker bijgedragen heeft om hem te helpen alles op een rijtje te zetten. “Hij ging wat rijden en kon dan nadenken. Ik denk dat hij daardoor inzag waar Daniel heen wou met de plaat. Dylan gaf zich niet gewonnen, maar hij werd wat inschikkelijker. Toen konden we pas beginnen.

 

 

Een Shovelhead uit 1966

Een Shovelhead uit 1966

 

 

 

 

De doorbraak

 

Uit de archieven van Sony, die Michael Krogsgaard mocht inkijken voor zijn boek The Recording Sessions, blijkt dat eerste song pas op dinsdag 7 maart op band werd gezet.

 

Die eerste song is er een waarin Dylan zijn twijfel verwoordt: ‘What Good Am I?’ Dylan heeft alleen de tekst en er wordt lang gezocht naar een bijpassende melodie. “Zo werkt Bob,” verklaart Mark Howard: “Hij schrijft op een typmachine. Hij houdt daarbij geen rekening met toonaard of tempo. Er staan geen akkoorden op papier. En dan probeert hij verschillende dingen uit. Hij zoekt wat hem het beste ligt: waar zijn stem het beste bij past, waar hij zich goed bij voelt.”

 

Voor ‘What Good Am I?’ speelt hij piano, Malcolm Burns toetsen en Daniel Lanois probeert allerhande gitaren. Wanneer Lanois meent dat er iets de moeite waard is worden daar verder instrumenten aan toe gevoegd.
Dylan is blijkbaar niet erg tevreden over het resultaat: “Te traag naar mijn smaak!”

 

“We stonden opgesteld als een hoefijzer,” herinnert Green zich. “Ik stond in het midden, Tony aan de ene kant, Brian aan de andere, Bob naast Daniel, zodat we mekaar allemaal konden zien. Het was interessant om, met de koptelefoon op Bob te horen zingen in je oren terwijl hij daar voor je neus zit. Ik heb ook gewerkt met Paul Simon, maar dat kwam zelfs niet in de buurt qua gevoel.”

 

Omstreeks 1 uur in de ochtend wordt dan overgestapt op het volgende nummer: ‘Ring Them Bells’. Hoewel er op papier sprake is van slechts één take, eindigt de sessie pas om 4 uur in de ochtend. Lanois heeft die ene take dan ook grondig bewerkt met allerhande overdubs.
Deze keer is Dylan wel erg tevreden over het resultaat. “Daniel vatte het moment goed… In dit nummer was hij veel meer dan een man van het geluid. Hij was als een dokter met wetenschappelijke principes.”

Het is dan ook een van de weinige nummers van de plaat die niet opnieuw zijn ingezongen.

Op de derde cd van Tell Tale Signs prijkt een kale studioversie, waarbij we enkel de zang en piano van Dylan horen.

 

Misschien wat overmoedig omdat ze eindelijk wat resultaat hebben bereikt wil Lanois wat ideeën voor ‘Political World’ voorstellen. Hij vraagt de muzikanten om de volgende namiddag een uurtje vroeger te komen, zodat ze het alvast kunnen uitwerken om het aan Dylan te laten horen. 

“We bedachten een mooie groove,” vertelt gitarist Brian Stoltz, “en perfectioneerden die”

 

Wanneer Bob arriveert begint Lanois heel enthousiast: ‘We hebben deze middag iets uitgewerkt voor ‘Political World’.”

Maar Dylan houdt hem tegen: “Ik moet het niet horen. Ik wil alleen iets horen als het ’s nachts is gedaan.

Lanois raakte zo gefrustreerd door Dylan’s negatieve opstelling dat hij een dobro aan diggelen slaat.

 

De muzikanten en technici laten de twee even alleen. “Het werd echt oncomfortabel in de studio,” vertelt Howard. “Toen we terugkwam was Dylan opeens heel aangenaam om mee te werken. Hij begon me bij naam te noemen en we schoten goed op.”

 

Als eerste song die woensdagavond staat ‘Most of the Time’ op het programma. Bob moet weer eerst nog op zoek naar een melodie. Hij probeert het nummer voor te spelen op zijn akoestische gitaar. Dankzij Malcoln Burns kunnen we op Tell Tale Signs horen hoe dit klonk. “Ik nam dit op,” zegt hij trots. “En [Dylan] zei: ‘We zouden het zo kunnen doen.’  – en hij speelde het hele nummer op akoestische gitaar en harmonica. Het archetypische Bob Dylan geluid. Hij verwees naar zichzelf in de derde persoon: ‘Dat zou de typisch Bob Dylan manier zijn.” En dan probeerde hij het anders: als een blues, echt heel langzaam. En die versie nam ik ook op.”

 

Na een paar takes wordt overgeschakeld op ‘What Was It You Wanted?’ dat met de volledige band wordt opgenomen.

 

Dan is hij toch bereid om eens te luisteren naar het voorstel voor ‘Political World’. Maar natuurlijk vindt hij het  maar niks.

Gitarist Brian Stoltz vertelt: “Bob pakt zijn gitaar en zegt (imiteert Dylans nasale stem), ‘Nee, zo gaat dat niet. Zo gaat dat!’ en speelt iets helemaal anders. Wij vallen onmiddellijk in en dat is wat je hoort op de plaat: take 1 – Je had Dan zijn gezicht moeten zien!”

 

Daarna volgt nog een derde song: ‘Disease of Conceit’. Dat nummer schreef Dylan naar aanleiding van het openbreken van het schandaal rond de TV-evangelist Jimmy Swaggart. De basistrack was enkel Bob Dylan alleen aan de piano en het harmonium. De rest van de instrumenten werden er tijdens een latere sessie aan het einde van de maand aan toegevoegd. Een van die overdubs is een korte gitaarsolo van Mason Ruffner.

“Achteraf kreeg ik een brief van [Bob  Dylan] waarin hij schreef dat hij dat nummer had laten horen aan Eric Clapton. En dat die dacht dat het Mark Knopfler was die speelde. Ik dank dat het bedoeld was als een compliment – Ik weet het niet zeker – maar ik weet wel dat hij het goed vond.”
 

 

De kop is er af. “Dylan twijfelde lang over de richting die Dan uit wou met deze tracks,” meent Howard, “maar na een tijdje hield hij wel van de sfeer. Tegen het einde [van de sessies] genoot hij er zelfs van – denk ik.”

 

Hoewel er de volgende avond een sessie gepland is, heeft Dylan geen zin om uit bed te komen.

 

 

Nightlife


Dylan staat er op dat er uitsluitend ’s nachts wordt gewerkt. Hij arriveert om een uur op 4 of 5 ’s avonds en werkt dan de hele nacht door.

Lanois kan daarvoor wel begrip opbrengen: “Zoals ik het zie, hebben mensen ’s nachts een ander tempo dan overdag. Een beetje exotisch, langzaam ritme klinkt om middernacht perfect, maar de volgende middag wil je het tempo wat aanzwengelen. Bob zag dat wel zitten: hij wist precies wat voor gevoel hij wou overbrengen.”

 

“Bob kwam pas rond een uur of acht, negen ’s avonds opdagen,” bevestigt Malcolm Burn. “en we werkten dikwijls door tot de vroege uurtjes: vier, vijf soms zelfs zes of zeven ’s ochtends. Dat was zijn schema. Iedere avond kwam hij binnen met een opgerolde papierbundel, met een elastiek er rond. Dat waren de teksten waar hij aan het werken was. Hij liep recht naar het hoekje met de koffiemachine, legde de tekst op tafel en begon te schrijven en te schrappen. En dan zei hij: ‘OK, we beginnen.'”

 

“Hij kwam binnen met zo’n twintig strofen,” vult Brian Stoltz aan: “Die begon hij te herwerken. Hij koos er dan misschien een stuk of vijf uit. Het was verbazingwekkend om te zien wat hij allemaal weggooide. Strofen die nooit werden gebruikt. Straffe gast!”

 

Dat schaven aan de teksten wordt bevestigd door Lanois. Hij beschreef in februari 2003 de ervaring Dylan aan het werk te zien: “Ik zat twee maanden naast hem terwijl hij aan het werk was aan de plaat. Dat was buitengewoon. Bob schrijft veel te veel. Hij blijft maar schrappen. Hij zoekt een plaatsje voor zijn favoriete regels en die kunnen overal opduiken. Ik heb dezelfde regels in twee, drie verschillende nummers gezien, terwijl hij ze uitprobeert. Het is allemaal niet zo ongenaakbaar als het lijkt.”

 

“Ik heb nooit iemand zo geconcentreerd zien schrijven als Dylan,” voegt Mark Howard er aan toe. “Hij was altijd aan zijn teksten aan het schaven. Er stonden misschien duizend woorden op één blad. In alle mogelijke richtingen: gewoon onleesbaar – ondersteboven, opzij… niet te doen…. Ik heb hem nooit zien eten. Hij leefde op koffie en sigaretten. En maar schrijven en schrappen. Ik heb niets dan bewondering voor de manier waarop hij met zijn songs bezig is.”

 

 

Een nieuwe gitarist
 

Wanneer ze zondagavond terug bijeenkomen is er iemand bijgekomen. Mason Ruffner is een rockabilly gitarist. Hij vertelt dat Daniel Lanois hem belde: “Hij zei me niet dat het voor een plaat van Dylan was. Ik woonde toen in New Orleans en dus had ik al een vermoeden. Het was dan ook niet echt een verassing toen ik daar aankwam en Bob Dylan daar stond.
In 1987 had ik een plaat uitgebracht, Gypsy Blood. Die had wel wat gedaan in Amerika en Canada. Achteraf vernam ik dat de plaat in de studio lag. Dylan had hem gehoord en daarom vroegen ze me naar de sessie. Dylan kende me dus al toen ik kwam opdagen.”
 

 

Met Ruffner wordt ‘Most Of The Time’ opnieuw uitgeprobeerd. Er is nog steeds geen echte melodie gevonden en het is Lanois die er voor zorgt dat de song zich ontwikkeld tot een langzaam, melancholisch nummer. “Dat is de versie die op de plaat is gekomen,” weet Malcolm Burn: “met de typische Lanois stempel.”
Die komt er wanneer Lanois de basistrack overdub na overdub begint aan te kleden.

Dylan voelt zich daarbij echter alsmaar ongemakkelijker. Het klinkt allemaal niet slecht, maar het is niet zoals hij het bedoelde. Hij weet niet welke kant het dan wel moest uitgaan, maar zo niet. “Een big band behandeling zou misschien goed geweest zijn. In gedachte zong ik het met begeleiding van het Johnny Otis Orchestra. Een pak regels moesten een andere plaats krijgen en ik voelde mij afgeblokt.”

Toch is het precies het atmosferische resultaat dat het ‘I’m Not In Love’ achtige thema boven zichzelf doet uitstijgen.

 

De rest van de nacht proberen ze ‘God Knows’ op te nemen. Ze kunnen geen bevredigend resultaat bereiken en Dylan laat de song rusten tot de volgende plaat. Hoe deze vroege versie klinkt is te horen op Tell Tale Signs.

 

‘Dignity’ was een van de weinige nummers waarvoor Dylan wel al tempo en melodie in gedachte had voor hij naar New Orleans kwam. Hij had er zelfs al een pianodemo van opgenomen, die later werd uitgebracht op een bonus cd-tje dat bij de eerste druk van Chronicles in Amerika werd aangeboden (en later opnieuw op Tell Tale Signs).

De eerste versie wordt op maandag 13 maart opgenomen met een heel kleine bezetting: gitarist Brian Stoltz, drummer Willie Green en Dylan zelf aan de piano.

Na afloop is Daniel Lanois erg enthousiast. Hij stelt voor om het nummer de volgende dag op te nemen met Rockin’ Dopsie and His Cajun Band. Dylan vindt dat de kale versie die net is opgenomen goed genoeg is, maar is bereid om het experiment aan te gaan.

 

In zijn Kronieken beweert Dylan dat ze de volgende avond tegen 9 uur beginnen aan de cajun versie. Maar dat klopt niet met de logboeken die Dylanoloog Michael Krogsgaard heeft mogen inkijken.

Wanneer die cajunversie van ‘Dignity’ is opgenomen is niet te achterhalen. Feit is dat het niet lukte. Ze krijgen de juiste sfeer niet te pakken, hoe ze ook trachten het ritme of de toonaard aan te passen. Tegen 3 uur in de ochtend geven ze het op en beginnen te jammen.

Terwijl ze zo bezig zijn gooit Dylan er een van zijn nieuwe composities tussen: ‘Where Teardrops Fall’. Dopsie pikt het op en het klikt meteen.
Binnen de vijf minuten staat het nummer op band. “Aan het einde speelde Dopsie’s saxspeler, John Hart, een intrieste solo die me de adem afsneed,” vertelt Dylan. “De man had daar de hele avond al in het donker gezeten en ik had hem zelfs nog niet gezien.”

“De man was blind, “verklaart Malcolm Burns: “Hij speelde zijn saxofoon voor de muur en daar komt die mooie klank vandaan. En Dylan riep uit: ‘Waar heb je die kerels gevonden’.”

 

“We namen zo een song op allerlei maniere op,” vertelt gitarist Mason Ruffner: “Als een rocker, als een slow, funky of folky… allerlei dingen en tempo’s. Hij zei nooit waar hij naar toe wou. Niemand gaf ons aanwijzingen. Bob keek naar beneden en begon te spelen..  en wij probeerden te volgden. Het leek allemaal een groot experiment: probeer twintig verschillende manieren om één song te spelen.”

 

Wanneer ze later al die verschillende versies van ‘Dignity’ beluisteren keurt Dylan ze een na een af. Het nummer komt dan ook niet op de plaat.
Toch worden er later drie officiële studioversies van uitgebracht (naast de demo).
Op Greatest Hits 3 wordt de zang en Dylan’s gitaar van de oorspronkelijke versie gerecycleerd, maar alle andere instrumenten worden in 1994 toegevoegd. De oorspronkelijke outtake wordt dan later, lichtjes hermixt en met enkele kleine aanpassingen, toch uitgebracht op de soundtrack van de TV-serie Touched By An Angel.

En op Tell Tale Sigs staat er tenslotte ook nog een zwakke ska-achtige versie, met een sterk afwijkende tekst.

 

In plaats van ‘Dignity’ stond, op die bewuste dinsdagavond van 14 maart ‘Everything Is Broken’ op het programma. Lanois vindt het een onbelangrijk nummer, maar Dylan wil het toch een kans geven.

Het wordt live opgenomen met de volledige band: Tony Hall op bas en Willie Green op drums, Daryl Johnson op conga’s en Brian Stoltz en Bob zelf op gitaren. “Danny hoefde er niet veel mee te doen, het was zo al moerassig genoeg.”

Na drie takes als ‘Broken Days’ wordt er wat stoom afgelaten met een lange jam.

Dylan gaat dan wat herschrijven waarna nog eens drie takes worden opgenomen als ‘Three Of Us Are Free’. Het nummer kreeg zijn uiteindelijke titel op 3 april, toen het opnieuw werd ingezongen met een herschreven tekst.
Een van de afgekeurde versies kan beluisterd worden op Tell Tale Signs. Er zit wat meer venijn in de zang, maar het blijft meer een opsomming dan een song, in welke versie dan ook.

 

Het thema is een van de favorieten van Dylan in de jaren negentig: een man die zich niet op zijn gemak voelt met de heersende ethiek van zijn tijd. Hij heeft die periode dan ook ooit omschreven als “het tijdperk van de masturbatie”. Hij vond dat de banden met alles van waarde verbroken waren: “Het is allemaal geneutraliseerd: niets is nog bedreigend, niets is magisch, niets uitdagend. Ik haat dat. ‘Geweten’ is een vies woord geworden.”

Typisch voor Dylan is dat hij het nummer, dat toch één van de zwakste is van de sessies, lange tijd overweegt als titelsong van het album en het ook laat uitbrengen als eerste single.

 

 

In de vroege uren van 15 maart wordt begonnen aan een nieuw nummer: ‘Shooting Star’. Dylan heeft het geschreven nadat hij een luchtje is gaan scheppen tijdens twee takes in. Het is drukkend heet in de kamers van het huis en er is geen airco. In de tuin meent hij iets gezien te hebben. Misschien een vallende ster?

Hij had Irma Thomas willen vragen om het nummer als een duet met hem te zingen, maar toen hij haar ging opzoeken was ze er net niet. Jammer.

 

De volgende avond begint Dylan met het opnieuw inzingen van ‘God Knows’. Hij is, zoals hij dat steeds doet, aan de teksten blijven schaven. 

 

Dan besluit hij er even een weekendje tussenuit te trekken.

 

Op dinsdag 21 maart wordt ‘What Was It You Wanted?’ opnieuw opgenomen. Hoewel hij in zijn Kronieken beweert dat hij piano speelde bij de opname, geeft het papierwerk aan dat hij “guitars & harp” speelde. Malcolm Burns speelde gitaar en bas, Willie Green zat aan het drumstel, Cyril Neville zorgde voor percussie en Mason Ruffner en Daniel Lanois speelden nog allerhande gitaren.

Om zijn zinnen wat te verzetten gaat Dylan de volgende avond kijken naar de film Homeboy met Mickey Rourke. “Hem te zien acteren gaf me genoeg inspiratie om de laatste nummers op te nemen.”

 

‘Series of Dreams’ is een van de favoriete nummer van Lanois.
Bij de opnamen op donderdag heeft hij wat voorstellen voor het nummer, maar Dylan wil daar niks van weten. “Lanois heeft een technische knobbel en hij is muzikant. Hij speelt meestal mee op de platen die hij produceert. Hij heeft opvattingen over overdubben en manipulaties van de banden die hij heeft ontwikkeld met Brian Eno. Hij heeft een sterke wil. Maar ik ben ook nogal onafhankelijk en ik hou er niet van iets te moeten doen wat ik niet begrijp. Dat was soms een probleem. Ik moet hem wel nageven dat hij er wel telkens voor ging. Tijdens het opnemen van ‘Series of Dreams’ bleef hij mij maar pushen: ‘we hebben sterke nummers nodig. Iets in de aard van ‘Masters of War,’ ‘Girl from the North Country,’ of ‘With God on Our Side.” Hij bleef mij maar vervelen daarmee. Ik knikte maar. Hij had gelijk, maar ik had zo niks liggen.”

 

 

Een frisse kop voor de eindspurt

 

Opnieuw trekken de heer en mevrouw Dylan er voor een paar dagen tussenuit met de motor. In Kronieken schets Dylan een ontmoeting met een kleurrijke uitbater van een winkeltje in nutteloze zaken.

“Ik keerde terug naar New Orleans met een frisse kop,” blikt Dylan terug. “Ik maakte af waaraan ik met Lanois was begonnen – schreef hem zelfs een paar nummers die ik anders nooit zou hebben geschreven. Een daarvan was ”Man in the Long Black Coat’ en het andere ‘Shooting Star’.”

 

Cyril Neville, die percussie speelt op de plaat meent dat de laatste paar sessies de doorslag hebben gegeven. “Het grootste deel van de opnamen was lekker ouderwets opgenomen, met de band zij aan zij. Het deed mij denken aan wat ik goed vind aan de oude muziek uit New Orleans. Wat je op die plaat hoort, zijn optredens: eerste poging, tweede poging, derde poging… tot je een goeie hebt.”

 

“‘Man in the Long Black Coat’ is één van mijn favorieten is,” blikt Lanois terug. “We deden er lang over om de sfeer goed te krijgen. De opname van de krekels – het typische nachtelijke geluid van New Orleans. Het nummer was direct geïnspireerd op de omgeving en de sfeer van de stad. Bob kwam naar de opnamen van Oh Mercy met een heel pak nummers klaar, maar ‘Man In The Long Black Coat’, werd volledig in de studio gecomponeerd. Het was een drukkend hete tijd daar en dat is precies hoe het nummer klinkt. Op Oh Mercy staat Bob in het algemeen midden in de songs, maar hier staat hij er buiten, als observator. Het is een fascinerend onderwerp voor een lied: het idee dat iemand aan de sleur van het dagelijkse leven kan ontsnappen door een plotse, impulsieve handeling. Het gaat over een keerpunt, een ogenblik dat een heel leven kan veranderen – zoiets als van huis lopen om met het circus mee te trekken.”

De basistrack werd in één take opgenomen, met Bob aan de piano, een harmonica om zijn nek. De enige andere muzikant was Daniel Lanois die dobro speelde. “We repeteerden zelfs niet,” schrijft Bob. “We begonnen er gewoon aan met wat tekens. Zelfs voor het eerste woord werd gezongen wisten we dat het goed zat. Dit is Lanois-terrein en het kon nergens anders zijn opgenomen.”

Later voegt Lanois er bas en drums aan toe en Dylan elektrische en 12-snarige akoestische gitaar.
“De combinatie van instrumenten is perfect. Toen het gedaan was keek Danny me aan als om te zeggen: ‘Dat was ‘m.’ En ’t was ‘m.”

 

Mark Howard onthuld waar het geluid van de krekels vandaan komt: “Malcolm bespeelde een Yamaha DX7, die door Brian Eno was geprepareerd. Hij was langsgekomen tijdens de opnamen voor de Neville Brothers en had er allerlei geluiden in gestopt. En daar zaten ook die krekels bij.

Tijdens de opnamen van ‘Man In The Long Black Coat’ begon Malcolm opeens te spelen met dat geluid. Het gaf meteen de perfecte  sfeer. Mijn haar stond overeind, het was pure magie.”

 

 

Inzingen, afwerken en … herschrijven
 

 

Vanaf 1 april gaat Dylan verder met het opnieuw inzingen van zowat alle nummers. Dikwijls worden daarbij de teksten aangepast.

 

De basistracks zelf staan allemaal vrij vlug op band. “Bob werkt graag snel, zo spontaan mogelijk,” vertelt Daniel Lanois. “Op deze plaat kwamen een aantal dingen snel tot stand en we pakten ze ook zo. En dan werkten we lang aan de details. Sommige zangpartijen werden stevig bewerkt en de teksten veranderd en verknipt.”


“Ik had echt de indruk dat hij vond dat een song niet klaar was om te worden gezongen zolang niet alle regels hun plaats hadden,” meent Malcolm Burn. “Ik bedoel: melodie en akkoorden spelen voor hem een ondergeschikte rol. Hoe een song klinkt is voor hem niet belangrijk. Het is de tekst die telt…. Dikwijls herschreef hij één regel. Zelfs toen we aan het mixen gingen, kon hij dikwijls nog roepen: ‘Ik heb die regel herschreven. Kan ik hem opnieuw zingen?” En dan was ik net klaar met de mix.

Dus moest ik die regel er uit knippen – letterlijk knippen was dat toen nog. Ik plakte dat stukje dan met plakband tegen de muur. Want de volgende dag kwam hij dan dikwijls af van: ‘Heb je die regel van gisteren nog? Ik vond die toch beter.’ Dan pakte ik dat ding terug van de muur en plakte hem terug in de mix.”


Er worden ook overdubs toegevoegd door Lanois (dobro en akoestische gitaren) en Dylan (harmonica en soms elektrische gitaar).

Dit gebeurt op een dagelijkse basis tot 8 april.

 

Op 11 april keert Dylan terug om ‘Dignity’ opnieuw in te zingen en de laatste sessie vindt twee dagen later plaats, wanneer hij ‘Born In Time’ een derde keer inzingt. Die versie zal echter op de plank blijven tot 2008, wanneer het verschijnt op Tell Tale Signs.

 

De volgende dag, 14 april 1989, koopt Dylan, in het geheim, een huis in de onaanzienlijke voorstad Tarzana in de vallei van San Fransisco. Het pand aan Shirley Avenue 5430 is een grote moderne bungalow met een hoog ijzeren hek eromheen. Zijn vrouw Carolyn en dochtertje Desiree wonen er wanneer Dylan op tournee is.

 

 

Opnieuw de baan op

 

En dat is al gauw, want in mei beginnen de repetities voor de volgende tournee.
Dylan wil een hele resem elektrische covers uitproberen. Heel verscheiden nummers, van ‘I Can See For Miles’ van The Who tot ‘God Only Knows’ van The Beach Boys.

 

De band is dezelfde als het vorig jaar, aangevuld met ene Mindy op akoestische gitaar, fiddle en backing vocals. Naar verluidt zegt Dylan tijdens de twee, drie weken dat er wordt gerepeteerd nauwelijks een woord tegen zijn muzikanten.

 

Het eerste luik van Tour 89 gaat van start op 27 mei in Zweden. Er is slechts één wijziging ten opzichte van de vorige tournee: Dylan begint terug harmonica te spelen, zowel tijdens de akoestische als tijdens de elektrische sets. De band bestaat uit gitarist G. E. Smith, bassist Kenny Aaronson en drummer Christopher Parker. Mindy is nergens te zien.

 

De eerste optredens lijkt Dylan totaal niet geïnteresseerd in wat hij daar staat te doen op het podium. Bovendien is zijn gezicht onzichtbaar doordat hij, gedurende het hele optreden, een kap over zijn hoofd draagt.

Na enkele dagen moet bassist Kenny Aaronson dringend terug naar de VS voor een operatie: hij heeft huidkanker. Hij wordt vervangen door Tony Garnier (van Asleep At The Wheel) met wie G. E. Smith vroeger in een band heeft gespeeld.

 

Het eerste optreden met Garnier is op 3 juni, in Dublin. Prompt blijkt Dylan zijn energie terug te hebben gevonden. Zonder enige repetitie begint hij compleet nieuwe covers te introduceren in zijn show.

Het Europese luik van de tournee eindigt op 28 juni in Athene.

 

Er zijn wel geteld twee dagen rust ingebouwd – om van Europa naar Amerika te vliegen – en de tournee wordt verder gezet in Amerika, in het lucratieve “picknick circuit”.
Er wordt nog steeds geen enkel nummer van de nieuwe plaat gespeeld. Wel worden weer een pak nieuwe covers toegevoegd aan de setlist, veelal van tijdsgenoten als Gordon Lightfoot, Van Morrison, Steve Earl of Jimmy Cliff.

 

Ondertussen speelt tussen 26 en 29 juni Malcolm Burn zijn baspartijen opnieuw in op zowat alle tracks en tenslotte voegt Daniel Lanois tussen 5 en 8 juli extra gitaarpartijen toe aan de tracks.

De banden worden dan naar New York gebracht waar de Never Ending Tour een tiental dagen passeert tijdens de tweede helft van juli.

Fietsend op weg naar de Sterling Sound studio waar Greg Calbi de plaat aan het masteren is, komt Bob Dylan langs een muur met graffiti in West 57th Street in Manhattan. Hij vindt het werkje mooi en laat er een foto van maken die op de hoes wordt geplaatst. De graffiti is er niet meer en de kunstenaar is nooit vergoed voor zijn werk.

 

 

Oh Mercy
 

 

Eén week voor het einde van de tournee in Los Angeles, wordt, op 19 september 1989, Oh Mercy uitgebracht.

Ter promotie geeft Dylan één interview, aan Edna Gundersen van USA Today.
Op 24 september is hij ook op TV te zien… op de Joodse zender Chabad TV . Hij doet mee aan de benefiet uitzending “L’Chaim To Life”. Met zijn schoonzoon Peter Himmelman en Harry Dean Stanton als gitaristen, speelt hij fluit en blokfluit (!) op drie nummers. De groep wordt aangekondigd als ‘Chopped Liver’.

De CD wordt zeer goed ontvangen. Toch behaalt de plaat geen grote verkoopscijfers. De cd komt op 7 oktober 1989 de Billboard-albumlijst binnen, maar blijft op een dertigste plaats steken. In Engeland is het album goed voor een zesde plaats.

 

De meeste critici overladen vooral de producer, Daniel Lanois, met lof omdat hij Dylan had geholpen om één van zijn beste platen te maken. Lanois’ productie gaf de plaat hetzelfde onvatbare, moerasachtige geluid van Yellow Moon

Lanois: “Op de plaat hoor je haast geen synthesizers, alleen maar rechtoe-rechtaan drums, bas en gitaren. En toch klinkt alles ongewoon.”


Bassist Tony Hall meent te weten waarom de sombere sfeer op Oh Mercy zo goed aanslaat bij de luisteraars: “Dylan zong met zijn eigen, natuurlijke stem,” zegt Hall. “Op die plaat was de toonaarden wat lager. Hij moest nooit hoge noten halen, en zijn stem klinkt daarom meer ontspannen.”

 

Toch heeft Dylan, die de plaat zelf als “spookachtige plaat” omschreef, nog altijd de touwtjes stevig in handen gehouden. Lanois had dolgraag de plaat willen openen met ‘Series Of Dreams’. Koppig als altijd schrapte Dylan het daarop van de lijst.

 

Malcolm Burn: “Ik vond het een geweldig nummer: de sfeer, de tekst… alles. Toen er moest beslist worden welke songs op de plaat zouden komen bleven we er maar voor pleiten. Ik zie ons nog staan, daar op de binnenkoer van dat huis in New Orleans en Bob zei: “Ik wil maar tien songs op mijn plaat.” En ik zei: ‘Maar Bob, dat is een geweldig nummer.’ En hij weer: ‘Nee, nee, tien songs is genoeg.'”

Wanneer ze blijven aandringen legt hij uit waarom: “De tekst is niet af. Ik ben er niet gelukkig mee. Het nummer is te lang, maar ik wil niks schrappen.”

Wanneer de song uiteindelijk toch verschijnt, als afsluiter van de eerste reeks van The Bootleg Series, heeft hij inderdaad een strofe geknipt.


Ook ‘God Knows’, ‘Born In Time’ en ‘Dignity’ haalden de plaat niet. Al vormden nieuwe versies van die eerste twee wel de basis voor de opvolger, het teleurstellende Under The Red Sky.

 

 

Nawoord

 

“Ik vond het niet moeilijk om voor Bob te werken, ” blikt Mason Ruffner in 2008 terug. “Maar voor sommige mensen kon hij echt lastig zijn. Met Lanois was hij soms aan het discussiëren om te discussiëren. Toen ik zijn [Kronieken] las, begreep ik dat het een cruciale periode in zijn leven was. Het was zo een moment in zijn carrière van … kakken of van de pot af. Ik had het gevoel dat hij daar heel erg mee zat.

Hij kende Daniel Lanois ook niet echt. Dan is een hele geschikte kerel: meegaand en sympathiek.

Ik denk dat Dylan in het begin nerveus was…. onzeker. Hij wist niet of hij wel een plaat zou kunnen maken. Of hij het nog had. Maar eens hij zag dat ze goed bezig waren, veranderde hij helemaal.”

 

Het zou acht jaar duren voor Dylan opnieuw met een sterke plaat met eigen materiaal zou komen: Time Out Of Mind. En die cd was opnieuw geproduceerd door Daniel Lanois.

 

 

 

Voor wie niet genoeg kan krijgen van Oh Mercy, zijn hier nog wat outtakes, op de bootleg Deeds Of Mercy.

Het commentaar bij Bobsboots.

 

En links naar de beide delen van de cd: deel 1 en deel 2.

 the-deeds-of-mercy