Na het grote succes van de Trio LP in 1987 kregen Emmylou Harris, Linda Ronstadt en Dolly Parton steeds weer dezelfde vraag te horen: “komt er een vervolg?”. Het duurde echter twaalf jaar eer Trio II in de winkels lag en het is zeer onwaarschijnlijk dat er ooit nog een Trio III zal verschijnen.

Was de eerste plaat al een moeilijke bevalling, bij de tweede ontstonden er nog veel meer complicaties.

 

 

Emmylou Harris

 

Het begin van de jaren negentig was een periode van grote veranderingen voor Emmylou Harris. Aan het einde van de jaren tachtig had ze problemen gekregen met haar stembanden. Ze kon de voortdurende competitie met het versterkte instrumentarium van haar begeleidingsband The Hot Band niet meer aan. Noodgedwongen ontbond ze de band die haar jarenlang had begeleid.

 

In januari 1992 liep ook haar derde huwelijk, met Paul Kennerley, op de klippen en de platenmaatschappij  Warner Bros./Reprise Records beëindigde, na twintig jaar, de samenwerking met haar. De reden daarvoor was dat ze nog weinig werd gedraaid door de Amerikaanse radiozenders. Die vonden haar te oud.

 

Ze liet zich echter niet ontmoedigen en vocht terug. Ze formeerde een nieuwe band: The Nash Ramblers. Met die puur akoestische band gaf ze enkele optredens in het Nashville’s legendarisch Ryman Auditorium. De zaal van waaruit vroeger de Grand Old Ophry uitzendingen plaatsvonden stond al enkele jaren leeg. Met de opbrengsten van de uitstekende live-LP At the Ryman, hielp ze mee de zaal terug in orde te laten brengen.

 

Daarna wou ze terug iets gaan doen, samen met Linda Ronstadt. Ze wou ook andere mensen er bij betrekken: zangers en schrijvers waarvoor ze een bewondering had, zoals de Canadese zussen McGarrigle. Ronstadt introduceerde haar aan Alison Krauss.

 

 

Met of zonder Dolly?

 

Ronstadt stelde ook voor om Dolly er terug bij te halen. Maar Emmylou zag dat zo niet zitten. Ze herinnerde zich maar al te goed hoe moeilijk de vorige samenwerking was verlopen. Wat een problemen het gaf om de agenda’s op mekaar af te stemmen en hoe moeilijk het was geweest om promotie te doen voor de plaat – en dat was nu nog belangrijker geworden dan vroeger.

Puur praktisch bekeken zou het een ramp zijn als Dolly aan de plaat meewerkte en zich dan terug trok. “Met ons tweeën konden we de plaat niet promoten, als het een trio-lp was,” weet Linda. “Dus wou Emmy dat we het onder ons hielden. Bovendien herinnerde ze zich dat wij een andere smaak hebben dan haar. Maar ik vond dat wat we met ons drieën hadden gedaan zo mooi was. Ik wou dat overdoen, dus vocht ik daar voor.”

 

Ze polsten Dolly of die zin heeft om mee te werken aan een paar tracks. Die liet weten dat ze het te druk had.

 

In 1993 had Dolly Parton namelijk net de jackpot gewonnen – of toch iets in die aard. Whitney Houston had een oud nummer van haar gecoverd voor de soundtrack van de film The Bodyguard. Gedurende de laatste maanden van 1992 en de lente van 1993 voerde ‘I Will Always Love You’ maar liefst 14 weken de Amerikaanse hitlijsten aan en er werden 12 miljoen exemplaren van verkocht.

Dolly had het nummer twintig jaar eerder geschreven als afscheid aan haar muzikale partner en mentor Porter Wagoner. Het was toen ook al een dikke  countryhit geweest voor haarzelf. Elvis Presley had het nummer toen willen coveren, maar zijn manager had de helft van de rechten opgeëist en daar had ze niet van willen weten. Dat was dus niet doorgegaan.

“En nu kan ik Graceland zelf kopen,” grapte ze.

 

Een half jaar na haar oorspronkelijke weigering, liet Dolly Parton opeens weten wel weer mee te willen werken aan een tweede Trio plaat.

 

 

1994

 

Omdat Bob Krasnow, de grote baas van Elektra, de platenmaatschappij van Linda Ronstadt, de samenwerking met Dolly Parton niet zag zitten, was Linda bereid de kosten voor de opnamen op zich te nemen. Een studio werd geboekt in Marin County, Californië. Een aantal topmuzikanten werd ingehuurd, zoals mandolinespeler David Grisman, steelgitarist Ben Keith, drummer Jim Keltner en bluegrassgitaristen Carl Jackson en John Starling. Daarnaast waren er ook mensen als Alison Krauss op fiddle en David Lindley op autoharp.


En dan, de avond voor de eerste sessie, kwam er een fax van Dolly: er was iets misgelopen en ze moest een dag of tien weg.

 

Omdat de muzikanten veel te duur waren om ze terug naar huis te sturen, besloten de beide andere zangeressen de opnamen maar te maken zonder Dolly.

 

Uiteindelijk kwam Parton toch opdagen. Emmylou en Linda namen haar even apart. Ze wilden er zeker van zijn dat er nu niets meer fout kon gaan. “We vragen je nu of je bereid bent om drie wken uit te trekken voor promotie en een korte tournee. We moeten een datum vastleggen.” Zij geeft haar woord.

“‘Ik heb zoveel ijzers in het vuur dat ik mijn eigen kont verbrand,’ dat waren haar exacte woorden,” herinnert Linda Ronstadt zich. “Wij dachten: ‘Dat is mooi.’ Maar ze had haar erewoord gegeven.

Krasnow was er echter niet gerust in. Hij zei: “Ze heeft de reputatie niet betrouwbaar te zijn.” Maar ik zei: ze gaf me haar erewoord en dat is voldoende voor mij.”

 

Ze spraken een datum af waarop Dolly haar zang zou toevoegen. De studio werd voor een week gereserveerd… En dan zei ze opnieuw af. “Dat koste ons alweer $20,000,” zucht Ronstadt. “Iedere keer als we zo een fax kregen gingen er twintig in rook op.”

 

De zenuwen raakten stilaan overspannen. Emmylou had net haar vader verloren, maar er stond ook een tournee geboekt en af zeggen zou een enorm financieel verlies met zich meebrengen. Linda had net een nieuwe baby gekregen en spendeerde elk vrij uur in de studio, waar ze, samen met George Massenburg, de zaak op tijd probeerde klaar te krijgen.

 

Een van de eerste songs die af raakt is de hymne ‘Softly And Tenderly’… en die blijft tot 2007 in het archief liggen, tot Emmylou hem opdiept voor haar Songbird boxset. Ze vertelt daarover: “Ik vond het erg jammer dat deze [song] niet werd uitgebracht. Ik vind de zang zo buitengewoon. Wanneer Linda daar omhoog gaat begrijp je weer waarom ze een van de mooiste stemmen heeft…. en dan lieten we Dolly weer terug die oude nummers zingen…Het was een ongelofelijke ervaring om die stemmen  terug samen te horen.”

 

‘Feels Like Home’ was geschreven door Randy Newman, voor zijn Faust project, waaraan Linda had meegewerkt.  Het kreeg een prachtige, nieuwe benadering die het nummer helemaal tot zijn recht liet komen.

 

Op ‘Lover’s Return’, een song van A. P. Carter, uit 1935, speelt de fiddle van Alison Krauss een prominente rol. Maar het mooiste is de cover van ‘After the Gold Rush’. Het titelnummer van Neil Young’s plaat uit 1970 word gedragen door piano, maar krijgt daarbij de hulp van een heel bijzonder instrument: de armonica. Dat is een glasinstrument, waarvoor Linda een bijzondere belangstelling heeft.

 

In dit clipje, gedraaid in maart 1999 in een synagoge in New York, is het instrument twee keer heel even te zien, tegen het einde aan.

 

 

Uiteindelijk stonden Dolly’s partijen er op. Of toch bijna. “We moesten nog twee mixen doen en toen bracht ze opeens een live LP uit – een maand voor onze plaat zou verschijnen. Ze zei dat die goed zou verkopen en dat de Trio plaat zou helpen promoten.

Wel, dat vonden wij dus niet zo’n goed idee. Maar we konden haar niet aan de telefoon krijgen.”

 

De kosten liepen verder op en de afgesproken releasedatum naderde schrikbarend snel. Paniek sloeg toe. Tracks werden aan de kant geschoven en Linda begon voor een aantal songs Dolly’s partijen zelf in te zingen. Voor andere werd Valerie Carter er bij betrokken.

 

Pas na meer dan een week beantwoorde Dolly Parton de telefoon. “Hoe kunnen jullie mij dit aandoen?” pruilde ze, “Ik verdrink in het werk.”

“Dolly, je hebt een keuze gemaakt,” stelde Linda.

“Het was God’s wil,” meende Dolly: “alsof je een been breekt of zo.”

“Niks God’s wil,” kaatste Linda terug. “Het was de wil van Dolly.”

 

Volgens Parton “smeekte en bad” ze haar partners nog om het uitbrengen van de plaat uit te stellen tot de volgende lente. Dan zou ze zich zeker kunnen vrijmaken voor promotie. Maar dat zien ze niet zitten “Het werd een machtsstrijd,” meent Parton: “Het maakte dat ik me gekwetst voelde, beledigd en beladen met schuld. Ik zou mij aan mijn woord gehouden hebben, maar mijn belofte was niet goed genoeg voor hun. Uiteindelijk riep ik: ‘De pot op. Vervolg me dan maar.'”
 

 

 

Feels Like Home

 

Om tenminste een deel van haar kosten te recupereren besloot Linda een aantal songs te gebruiken voor haar volgende solo-LP. Dolly (of haar platenmaatschappij) wilden echter geen toestemming geven voor het gebruik van haar stem. De songs mochten wel worden gebruikt – mits haar stem was weggemixt – tegen een redelijke financiële vergoeding.

 

Met de hulp van, onder andere, Alison Krauss nam Ronstadt nog een aantal bijkomende songs op en in maart 1995 verscheen Feels Like Home. Vijf van de songs waren afkomstig van de Trio sessies: ‘High Sierra’, ‘The Blue Train’, ‘Feels Like Home’, ‘After the Gold Rush’ en ‘Lover’s Return’.

 

Ter vergelijking: de “solo-versie” van Linda Ronstadt.

 

 

Dolly slaat terug

 

In juli 1995 publiceerde het Amerikaanse damesblad Home Journal een interview met Dolly Parton. Tegenover Jim Jerome liet ze zich laatdunkend uit over haar beide collega’s: Harris noemde ze “een brave country puriste die haar materiaal  uiterst zorgvuldig uitkiest” en Ronstadt, een perfectionistische diva die “leeft voor de studio en zo langzaam werkt dat ik er gek van wordt. Ik wou een cattle prod nemen (nvdr: een stok waarmee het vee een elektrische schok wordt toegediend om het aan te sporen) en roepen: ‘Wordt wakker, teef, ik heb nog wat anders te doen’.”

Dat was allemaal nergens voor nodig, vond ze, want “ik zing het net zo goed de eerste keer als de honderdste.”

 

Op de vraag of de vriendschap nu voorbij was, antwoordde Parton schouderophalend: “We waren toch al nooit zo close – gewoon zakenrelaties.” Ze wil wel toegeven dat ze het jammer vindt van de prachtige samenzang, die aanvoelde “als een creatief, emotioneel orgasme.” 

 

 

Natuurlijk vielen die uitspraken niet in goede aarde. Linda Ronstadt reageerde in een interview met Bill Deyoung, dat in augustus 1996 verscheen in Goldmine. 

“Ik kan niet met haar werken. Ze heeft bewezen dat ze onbetrouwbaar is. Emmy wil niet meer met haar werken, omdat zij vindt dat ze geen waardering heeft voor wat wij gedaan hebben. Daarom is die plaat niet uitgekomen. En Dolly heeft ons dan ook beledigd in dat interview. Zij was erg onvriendelijk tegenover ons. Ik vind dat ze zich moet verontschuldigen.”

 

En dat deed zij dan ook.

“Ze schreef ons allebei een brief en zei dat ze spijt had van hoe het allemaal was gelopen,” vertelt Ronstadt drie jaar later aan hetzelfde tijdschrift, “en dat het fijn zou zijn om de plaat toch nog een kans te geven, in de vorm waarin ze oorspronkelijk was bedoeld. We hebben het bijgelegd en dat was dat.”

 

In 1997 werden de oorspronkelijke opnamen terug boven gehaald en eindelijk afgewerkt. Maar het was nog steeds moeilijk om de agenda’s op mekaar afgestemd te krijgen en het duurde tot februari 1999 eer Trio II in de rekken verscheen. De drie hadden zelfs nooit de tijd gevonden om samen te poseren voor een hoesfoto, zodat er zwart-wit fototootjes uit hun kindertijd moesten worden gebruikt.

 

De kritieken zijn nog steeds zeer positief, maar de magie van de eerste keer is er niet meer. Er worden dan ook “slechts” een half miljoen exemplaren van verkocht – een vierde van de voorganger.

 

In maart 1999 vindt een korte gezamenlijke tournee plaats. Ook het videoclipje voor ‘After The Goldrush’ werd toen gedraaid.

 

High Sierra

 

En hoe kijkt Emmylou Harris nu terug op hun avontuur?

“Uiteindelijk, mogen we mekaar toch graag. Er waren gewoon wat misverstanden en die zijn uit de hand gelopen. Ik dank dat iedereen er spijt van heeft, omdat we van mekaar houden en vooral van de muziek die we samen maken. Ik ben erg blij dat Trio II uitgekomen is. Maar belangrijker nog, vind ik, is dat we rond de tafel zijn gaan zitten en ons hart hebben gelucht. We zijn terug vriendinnen nu. Dat is het belangrijkste. Want dit zijn twee zeer bijzondere vrouwen. Wij drieën hebben een zeer speciale band.”

 

 

In de lente van 1968 gonst het van de geruchten dat The Beatles een dertig tal songs gaan opnemen voor hun volgende plaat.  Al op 20 april 1968 meldt het Britse muziektijdschrift New Musical Express dat The Beatles tegen het einde van de maand terug de studio zullen intrekken.  Een concurrerend blad, Melody Maker, komt s op 29 mei met meer details. Ze hebben een kort interview met Paul: “Twintig [songs] werden geschreven toen we bij de Maharishi waren in Indië. De andere tien schreven we sinds we terug naar Londen zijn gekomen. We denken er over om ze alle dertig op te nemen en dan er een stuk of 14 uit te kiezen voor een LP. Misschien worden het twee platen of zelfs drie. We zien wel als we er mee klaar zijn.”

Het blad heeft zelfs een lijstje gekregen met werktitels van de songs die Paul wil opnemen: ‘Obla-dee Obla-da’, ‘ Scrap Heap’, ‘Ballad’, ‘Back In The U.S.S.R.’, ‘Country Boy’, ‘Martha My Dear’, ‘Silly Girl’ en ‘Rocky Racoon’.

 

 

De Kinfauns Tapes

 

Ter voorbereiding maken John, George en Paul tijdens de derde week van mei alvast demo-opnamen van de songs die ze de laatste maanden hebben geschreven. Dat gebeurt in Kinfauns, het huis van George huis in Esher. In zijn huisstudio heeft hij een Ampex vier-sporen bandopnemer opgesteld. In het algemeen speelt de componist zijn songs telkens twee keer op akoestische gitaar terwijl hij zingt. Er zijn maar een handvol uitzonderingen. Op vier nummers van Lennon is slechts een enkele gitaar te horen. George voegt voor twee nummers harmonium en /of orgel toe. Op de opname van ‘Sour Milk Sea’ is er zelfs elektrische gitaar, bas en percussie toegevoegd.

 

Alles bij elkaar zetten ze zevenentwintig songs op band, waarvan John bijna de helft voor zijn rekening neemt. Paul komt met zeven songs en George met vijf. Het geluid is verre van perfect en de synchronisatie bij het overdubben laat te wensen over, vooral op de demo’s van John. Toch is het interessant om deze ontspannen versies te horen. Begin jaren negentig verschenen er een twintigtal op een bootleg: Unsurpassed Demos. Maar tot verassing van de verzamelaars bleken er nog meer te zijn, toen in 1995 zeven tracks officieel verschenen op Anthology 3.

Daarbij waren verschillende nummers die pas op Abbey Road zouden verschijnen: ‘Mean Mr. Mustard’ en ‘Polythene Pam’.

 

Sommige nummers zouden ze zelfs pas na de split van The Beatles in een echte studio opnemen: John’s ‘I’m Just a Child of Nature’ is een vroege versie van ‘Jealous Guy’, terwijl zijn ‘What’s the New Mary Jane’ op een veto van de andere stuitte en nooit werd afgewerkt. Paul hield ‘Junk’ achter voor zijn solodebuut en George bleef met het meeste materiaal zitten: ‘Sour Milk Sea’ gaf hij aan Jackie Lomax, ‘Not Guilty’ werd opgenomen door The Beatles maar niet uitgebracht en ‘Circles’  verscheen pas in 1982 op Gonne Troppo.

 

 

Mei ’68 in de studio

 

De eigenlijke opname gaan van start op 30 mei. Nochtans was de studio 2 van EMI studio aan Abbey Road vanaf 20 mei geboekt voor elke werkdag, telkens van 14:30 tot middernacht. The Beatles gingen er van uit dat ze  tien weken zouden nodig hebben: tot 26 juli.

 

Het eerste werk zijn 18 takes van wat John ziet als de nieuwe single: ‘Revolution’. Het is zijn commentaar op de gebeurtenissen in de lente van 1968. Overal in de Westerse wereld braken er rellen uit: studenten en arbeiders braken de straten op in Leuven, Parijs en Praag. Betogingen tegen de oorlog in Vietnam vonden plaats in New York en Londen. En in Memphis en Detroit reageerden de zwarte op jaren van onderdrukking na de moord van hun leider Martin Luther King.

“Ik was er over aan het denken gegaan in de heuvels van Indië,” vertelde John in 1980 aan Playboy. “Ik had zo’n gevoel van ‘God zal ons ter hulp komen’: ‘It’s going to be all right.’ Daarom deed ik het: ik wou er over praten. Ik wou iets zeggen over revoluties. Ik wou zeggen tegen de luisteraar: ‘Wat vind jij? Dit is wat ik vind.’

En ik sta er nog altijd achter: ik wil het plan zien. Geweld doe ik niet aan mee. Ik klim alleen op de barricades met bloemen.
Jarenlang mochten we niks zeggen over de oorlog… Maar nu wou ik absoluut dat The Beatles een standpunt innamen over de oorlog.”

 

The Beatles zijn goed op dreef en een van de best geslaagde takes ontaard in een lange kakofonische jam. Die past helemaal in het straatje van de avant-garde kunst van Yoko, die dan ook haar steentje bijdraagt met kreten en gefluister.

De volgende dagen wordt de opname afgewerkt met talrijke overdubs. Om zijn stem anders te doen klinken zingt John het nummer in, liggend op de vloer. Paul en George voegen doo-wop backing vocals toe.

 

De volgende paar dagen worden besteedt aan Ringo’s ‘Don’t Pass Me By’. Maar er is veel afleiding in de studio: de zangeres Lulu komt op bezoek en ook Davy Jones van the Monkees, het fotomodel Twiggy en de cineast Franco Zeffirelli.

 

 

Solo Beatles

 

Na amper een week worden de geplande sessies alweer afgezegd omdat George en Ringo met hun vrouwen naar Los Angeles vliegen voor een vakantie in Monterey.

 

John en Yoko profiteren van de gelegenheid om de laatste zes minuten van ‘Revolution’ om te werken in een afzonderlijk nummer: ‘Revolution No. 9’. Dagenlang voegen ze allerlei geluidseffecten aan de toch al kakofonische opname toe. Sommige effecten maken ze zelf terwijl ze andere uit de EMI archieven halen.

 

John en Yoko komen pas ’s avonds naar de studio afgezakt. Dus is Paul dinsdagnamiddag 11 juni de enige is komen opdagen. Hij neemt dan maar in zijn eentje een nummer op: ‘Blackbird’. Het is zijn commentaar op de recente gebeurtenissen. “Ik dacht aan een zwarte vrouw, in plaats van aan een merel. Het was de tijd van de burgerrechtenbeweging. Ik wou iets zeggen over de zwarte vrouw, die de dupe was van al die problemen in de Vernigde Staten… ‘Laat me je aanmoedigen om te blijven proberen, om vertrouwen te houden: er is hoop.’ Maar ik heb nogal de gewoonte om het niet openlijk te zeggen. Dus, in plaats van iets te zeggen als ‘Black woman living in Little Rock’, had ik het over een vogel, een symbool, iets dat algemeen toepasbaar is.”

 

George en Ringo keren op 18 juni terug uit Amerika… maar twee dagen later vertrekt Paul dan weer naar Los Angeles om de Apple te gaan promoten bij de platenmaatschappij Capitol.

Die avond vindt er een hectische sessie plaats waarbij de master wordt samengesteld voor ‘Revolution 9’. John en Yoko hebben alle drie de studio’s nodig om de bandjes met geluidseffecten rechtstreeks, tijdens de mix toe te voegen aan de mastertape. John zit zelf achter de knoppen van het mengpaneel.

 

Terwijl John en Yoko de volgende paar dagen besteden aan het afwerken en mixen van beide versies van ‘Revolution’ maakt George gebruik van de onbenutte studiotijd om met Jackie Lomax ‘Sour Milk Sea’ op te nemen.

 

 

Een nieuwe start

 

Pas op 26 juni is iedereen terug op post, na een onderbreking van twintig dagen. Eindelijk kan dan nog eens een nieuw nummer worden aangepakt. De keuze valt op John’s ‘Everybody’s Got Something To Hide Exept Me And My Monkey’. Op het stukje over de aap na, bestaat de tekst grotendeels uit citaten van de Maharishi.

“Natuurlijk ging het over mij en Yoko,” bevestigd John: “Iedereen leek wel paranoïde, behalve wij twee. Wij waren smoorverliefd. Alles is klaar en duidelijk wanneer je verliefd bent. Rondom ons was iedereen gespannen: ‘Wat doet ZIJ hier? Waarom is ze bij hem?’ Zo een gedoe terwijl wij gewoon de hele tijd samen wilden zijn.”

 

Twee dagen wordt er gerepeteerd en opgenomen – of beter avonden, want de sessies beginnen pas rond 19 uur en gaan door tot half vijf in de ochtend.

Het volgende nummer is er opnieuw eentje van John: ‘Good Night’. Het is zijn afscheid aan zijn vijfjarig zoontje Julian. Hij durft het echter niet zelf te zingen. Daarom vraagt hij Ringo om het te doen. “Ik denk dat hij het niet goed vond voor zijn imago,” meent Paul. “Maar het was prachtig om het hem te horen doen: hij zong het fantastisch. We hoorden het hem zingen om het Ringo aan te leren. Hij deed het met veel gevoel. John toonde zelden zijn zachte kant. Maar toch blijven die momenten me het beste bij, die momenten wanneer hij zichzelf bloot gaf als een gevoelig, liefdevol mens.”

De volgende paar dagen worden beide nummers verder verfijnd en afgewerkt.

 

Pas op 3 juli wordt er voor het eerst samen gewerkt aan een nummer van Paul: ‘Ob-La-Di, Ob-La-Da’. “[Jimmy Scott] was een vriend van me, een Nigeriaan… en wanneer je hem vroeg: ‘hoe is het?’ antwoordde hij steeds: ‘Say ob-la-di, ob-la-da life goes on, bra.’ Ik vond dat mooi.

Ik herinner me dat George Harrison tegen me zei dat hij zo niet kon schrijven. Hij schrijft altijd vanuit persoonlijke ervaring. Hij zei: ‘Ik snap niet hoe je zoiets als ob-la-di, ob-la-da, kunt schrijven. Ken jij die Molly en Desmond?’ Ik zei: ‘Nee, die vind ik uit, zoals een romanschrijver zijn personages bedenkt.”

Paul ziet het nummer als een potentiële single en wil het dan ook zo goed mogelijk op band krijgen. Verschillende keren wordt er helemaal opnieuw begonnen, in de loop van de volgende vier-vijf dagen.

 

 

Revolution No. 3

 

Vanaf 9 juli is het weer aan John. Hij wil een snellere versie van ‘Revolution’: sneller en harder. “De spanning steeg tussen The Beatles,” vertelde John in  1980. “Ik ha de langzame versie van ‘Revolution 1’ gedaan en ik wou die als single uitbrengen: als een statement van the Beatles over Vietnam en over de revolutie. Die eerste versie van ‘Revolution’ …wel, George en Paul waren niet akkoord: ze vonden het niet snel genoeg. Als je wil discussiëren over wat al dan niet een hitsingle is…  misschien [heb je gelijk]. Maar the Beatles konden het zich permitteren om de langzame, goed verstaanbare versie van ‘Revolution’ als single uit te brengen. Of het nu een gouden of een houten plaat was geworden.”

 

“Als ze harder en sneller willen kunnen ze dat krijgen ook,” moet John hebben gedacht. Hij wil dat alle naalden in het rood slaan: alle regels en reglementen overboord. Geluidstechnicus Phil McDonald vertelt: “John wou die klank: geen zuiver geludi. De gitaren werden rechtstreeks ingeplugd in de opname console, dat was technisch absoluut geen goed idee. Alles ging aan het piepen en knarsen. Gelukkig hebben de onderhoudsmensen er niks van gemerkt. Ze waren niet blij met ‘misbruik van apparatuur’.”

 

De geluidstechnici merken ook wel dat er spanningen zijn tussen de vroegere vrienden. Geoff Emerick was sinds een jaar of vijf de rechterhand van George Martin, de producer van The Beatles. De man kwam telkens weer op de proppen met technische oplossingen voor hun eisen om de klank te veranderen en te verbeteren. Maar aan zijn  geduld kwam een einde, tijdens het afwerken van ‘Ob-La-Di, Ob-La-Da’

“We staken veel werk in ‘Ob-La-Di, Ob-La-Da’. Paul was het nummer opnieuw in aan het zingen, toen George Martin iets over zijn zang zei. Paul snapte terug: ‘Kom jij dan hier en zing het verdomme zelf’. Het was vreselijk.”

Voor Emerick is het de druppel die de emmer doet overlopen. Hij is de enorm verslechterde sfeer en het geruzie beu en wil niet langer werken voor the Beatles.

“Een week daar voor had John ook al zoiets tegen mij gezegd. Ik was aan het werk om die verstoorde gitaarklank van ‘Revolution’ voor mekaar te krijgen. Ik zat naast het mengpaneel om die dingen in te pluggen – iets wat strik verboden was. Hij kwam naast me staan en zei: ‘Een maand of drie in het leger zou je goed gedaan hebben.’ Ik heb geen idee waarom hij dat zei, maar het maakte me kwaad.”

De volgende dag stapt hij naar George Martin en laat weten dat hij onmiddellijk opstapt. “John kwam nog naar me toe. Hij zei: ‘Het heeft niets met jou te maken. Het is dit – de studio.’ Ik bedoel: bakstenen muren, metalige industriële verlichting tegen het plafond en dan die grijze doeken tegen de muren. Ze zaten daar week na week opgesloten.

Maar ik was weg.”

 

Ook Paul’s vriendin, Francie Schwartz merkt dat de mannen onder druk staan. Op een avond gaat ze Paul  opzoeken in de studio. “Paul lag op zijn rug op de grond. Hij was iets aan het uitproberen op zijn bas. Iedereen was eten en er was niemand anders daar. Toen hij mij zag, riep hij: ‘Juden raus!’

Ik vond het zo triest. Ik sloop terug naar buiten en ging naar huis. We hebben het er nooit meer over gehad. Ik denk dat hij zich schaamde. Toen hij die nacht thuis kwam was hij overstuur – nog meer dan anders. Tegen de hoogzomer moet het erg geworden zijn voor Paul: de anderen beten van zich af wanneer hij de leiding nam.”

 

Niemand durft de andere nog aanwijzingen te geven en er wordt eigenlijk alleen nog gejamd. Verschillende versies van ‘Sexy Sadie’ lopen uit tot meer dan acht minuten en een versie van ‘Helter Skelter’duurt zelfs 27’11”.

 

 

Een weekendje er tussen uit

 

Een adempauze is meer dan nodig. John en Yoko brengen per helikopter een bezoek aan het eiland Dorinish. John heeft het eiland voor de Ierse kust een tijdje geleden gekocht, maar hij is er nog nooit geweest.

Paul rijdt ondertussen met Francie naar Liverpool om haar voor te stellen aan zijn vader. En daarna brengt hij een bezoekje aan John’s ex, Cynthia.

 

Na het weekend wordt eerst een paar dagen op neutral terrein gewerkt: diverse songs worden afgewerkt. En dan, op 25 juli is het eindelijk de beurt aan George. Nadat hij zijn demoversie van ‘While My Guitar Gently Wheeps’.

heeft opgenomen en voorgesteld wordt er uitgebreid gerepeteerd. Na afloop kan hij twee banden met outtakes mee naar huis nemen.

 

 

Hey Jude

 

Maar de volgende dag komt Paul met ‘Hey Jude’ aandragen. John is er behoorlijk van aangedaan. Onmiddellijk wordt besloten dat dit de nieuwe single moet worden. George moet weer even op zijn tanden bijten.

 

De volgende dagen repeteren The Beatles uitgebreid op het nummer, in afwachting van de echte opnamen in de Trident Studios. Die onafhankelijk studio beschikt namelijk over 8-sporen opnameapparatuur terwijl EMI het nog altijd met 4-sporen moet doen.

Op 31 juli is het zo ver. De basis track staat op band in vier takes.”Daar hangt een grappige anekdote aan vast,” vertelt Paul: “Ringo ging even naar het toilet en ik had dat niet gemerkt. Het toilet is niet ver van de plaats waar het drumstel stond opgesteld, maar hij was achter mij door gelopen. Ik begon te spelen en het was de goede take. Maar het duurt een hele tijd eer de drums invallen bij ‘Hey Jude’. Opeens voel ik Ringo op zijn tenen langs mij door trippelen, zich haastend om op tijd bij zijn drumstel te raken. Hij zet zich neer en: boom boom boom, Zijn timing was absoluut perfect.”

De volgende dag vinden de opnamen met een 36-man sterk orkest plaats. “De studio in Trident was lang en smal,” vertelt Chris Thomas – toen 21 jaar en leerling-producer. “Toen we de overdubs met het orkest opnamen moesten we de trombones helemaal vooraan plaatsen, anders kregen de anderen ze in hun nek.”

Wanneer ze de backing vocals gaan inzingen zet John zijn koptelefoon op. Maar die staat veel te hard. Op 2:58 is zijn reactie nog goed hoorbaar op de achtergrond.

 

Er wordt lang getwijfeld of ‘Hey Jude’ wel geschikt is om als single te worden uitgebracht. 7:11 erg lang voor een 45-toeren plaatje. Het kost dan ook behoorlijk veel moeite om de klank goed te krijgen. “Het was langer dan een single ooit geweest was,” weet Paul McCartney, “Maar we hadden uitstekende technici. We vrogen hoelang een 45 toren plaatje mocht zijn. Vier minuten was de grens, vertelden ze, voor het volume serieus naar beneden ging en iedereen het ding harder moest gaan zetten. Maar ze pakten het handig aan, door het stuk dat niet hard hoefde te zijn te compressoren zodat er meer plaats vrij kwam voor de rest. Op de een of andere manier slaagden ze er in om de 7 minuten er op te krijgen – een hele prestatie.”

 

Apple Records wordt officieel gelanceerd op 11 augustus 1968 met National Apple Week. De pers ontvangt een speciaal pakket Our First Four. Daarin zitten naast ‘Hey Jude’/’Revolution’ van The Beatles, ook drie andere Apple singles: ‘Those Were The Days’ van Mary Hopkin, ‘Sour Milk Sea’ van Jackie Lomax en ‘Thingumybob’ van the Black Dyke Mills Band. Tegenwoordig is zo’n doos meer dan € 1 700 waard.

 

 

 

Augustus

 

Na ‘Hey Jude’ is het nog eens de beurt aan George Harrison. Hij heeft vijf dagen en 101 takes nodig om ‘Not Guilty’ op band te zetten. En dan wordt het nummer niet gebruikt. Wanneer één van die sessies al om 2 uur ’s nachts is afgelopen blijft Paul nog wat hangen, om in zijn eentje ‘Mother Nature’s Son’ op te nemen.

 

Het studio personeel raakt al die nachtelijke sessies stilaan beu. Daarom trekt EMI een aantal jonge technici aan om de anderen wat rust te gunnen. Een van die nieuwelingen is John Smith. Hij is pas 17. In de jaren negentig deed hij zijn verhaal tegen Mark Lewisohn: “Er werd veel geruzied en gesnauwd in de band. De mensen die voor de opnamen instonden wilden terugkeren naar normale werkuren. Maar daar wilden the Beatles niets van weten. Dikwijls werkten ze van 6 uur ’s avonds tot 8 uur ’s morgens. Dat zagen de meeste ouderen echt niet zitten.
Nochtans was het prettig werken voor hun en met hun. Ze hadden veel meer geld dan ik…zij arriveerden in een Rolls Royce en ik kwam met de metro. Toch waren het gewone mensen, voor zover mogelijk. Ik stond niet in bewondering voor hun en dat wilden ze ook niet. Daarom schoten we goed op met mekaar.”

Het ergste zijn de lange uren wanneer de technici moeten wachten terwijl de muzikanten iets uitwerken. Bij mooi weer gaan ze dan wat verpozen op het dak van de studio. Van daar uit kunnen ze kijken naar de buurvrouwen die zich omkleden om te gaan slapen. Wanneer The Beatles daar van horen, brengen ze ook verrekijkers mee.

“Nochtans kon je echt niet veel zien. Zelfs niet met verrekijkers. Maar het was wel een grappig zicht om hen daar te zien staan, op een rijtje met hun verrekijkers.”

 

 

Op 12 augustus is George ver genoeg opgeschoten met ‘Not Guilty’ om het nummer in te zingen. Dat doet hij niet in de studio, maar in de controlekamer. Een van de technici lacht met de eeuwige zoektocht van The Beatles om een “ander geluid” te verkrijgen: “Wat gaan we nu nog meemaken? We hebben het rommelhok nog niet geprobeerd.”

Zoiets moet je niet tegen Lennon zeggen. Het hok wordt leeggemaakt en de volgende avond kruipen ze er met hun vieren in om ‘Yer Blues’ en een nieuwe versie van ‘Sexy Sadie’ op te nemen.

 

George heeft weer een vakantie gepland. Dat spoort de anderen aan om wat sneller te werken. Zowel John’s experimentele ‘What’s The New, Mary Jane?’als Paul’s country pastiche ‘Rocky Raccoon’ staan er elk in één avond op. George probeert dan zelf ook nog even ‘While My Guitar Gently Wheeps’ opnieuw.

 

John en Ringo profiteren dan van de afwezigheid van George om enkele songs af te werken en bij te schaven, terwijl Paul in een andere studio alleen werkt. In een paar uur tijd zet hij ‘Wild Honey Pie’ op band.

 

Doordat Paul op wandelafstand van de Abbey Road studio woonde kon hij veel gemakkelijker binnen springen dan de anderen – die minstens een uur moesten rijden. Daardoor was hij dikwijls als eerste aanwezig. Hij had al een riff, een basloopje of een drumpatroon uitgewerkt voordat de anderen kwamen binnen sijpelden. En af en toe werkte dat zijn collega’s behoorlijk op de zenuwen. Dat was ook het geval bij de opname van ‘Back In The USSR’. Wanneer George binnenkomt is Ringo al opgestapt.

“Ik herinner me niet meer waarom Ringo weg ging,” vertelt George: “Iemand zei me: ‘Oh, Ringo is met vakantie.’ Later ontdekten we dat hij vond dat wij met ons drieën goed overeen kwamen en hij niet. Het was zoiets. Iedereen voelde het zo aan. We waren het allemaal stilaan beu: ‘Waarom ben ik hier nog? Zij zijn allemaal zo hip en ik pas er niet bij.’”

Het nieuws wordt geheim gehouden en de opnamen gaan door, zonder Ringo.

 

Op 26 augustus vindt de feestelijke opening plaats van de club Vesuvio, waarvan Mick Jagger en Keith Richards mede-eigenaren zijn. De Stones stellen hun nieuwe lp Beggars Banquet, voor. Het is het succes van de avond tot Paul, rond een uur of drie binnenkomt. Hij heeft de nieuwe, nog niet verschenen, single van The Beatles mee. Wanneer de DJ die oplegt is iedereen zwaar onder de indruk. “Mick kwam naar me toe,” vertelt Paul trots, “Hij zei: ‘Dat zijn bijna twee songs, man. Eerst een nummer en dan nog dat heel stuk “na na na” aan het einde’”

 

Nog steeds zonder Ringo keren de overgebleven Beatles terug naar de Trident Studios om er ‘Dear Prudence’ op band te zetten. Paul speelt drums en George en John gitaren. De basistrack krijgt een aantal overdubs tijdens de volgende nacht: bas (Paul), zang (John), backing vocals, handgeklap en tamboerijn (Paul, George, Mal Evans, John McCartney (Paul’s neef) en Jackie Lomax), piano (Paul) en flügelhorn (Paul).

 

‘Hey Jude’/’Revolution’ wordt op 30 augustus uitgebracht als eerste Beatles-single op het Apple label. Met meer dan 6 miljoen exemplaren wordt het de best verkochte single van de groep. In Amerika vliegen er de eerste week al meer dan 1 miljoen exemplaren van de deur uit, waardoor de single op 10 binnen komt in de lijst van Billboard. Zoiets is nog nooit vertoond.

 

Ringo keert net op tijd terug op mee te werken aan de opname van promofilmpjes voor beide songs van de single. Dat gebeurt op 4 september in de Twickenham filmstudios. Michael Lindsay-Hogg heeft de leiding. Ze zijn zo tevreden over zijn werk dat ze hem later opnieuw vragen voor Let It Be.

 

 

Chaos en hysterie

 

Niemand had verwacht dat de opnamen zo lang zouden aanslepen. George Martin had dan ook een vakantie geboekt. The Beatles maken meteen van zijn afwezigheid gebruik om in opstand te komen. Ze zijn te weten gekomen dat in de EMI studio ook een 8-sporen machine is, maar dat die nog niet mag worden gebruikt. Ieder nieuw apparaat moet immers eerst goed onderzocht en goedgekeurd worden en zoiets vraagt tijd.

Ze maken van gelegenheid gebruik om de machine te “bevrijden”. George laat meteen de bestaande vier-sporen band van ‘While My Guitar Gently Wheeps’ overzetten op acht-sporen. Vervolgens probeert hij, in zijn eentje, een zorgvuldig achteruit gespeelde gitaarsolo er aan toe te voegen. Hij wil het geluid van een huilende gitaar verkrijgen, zonder gebruik te maken van een wah-wah pedaal. Urenlang is hij daar mee bezig. Volgens Geoff Emerick had George altijd veel tijd nodig voor zijn solo’s. “Niets ging ooit snel bij hem. Hij had het overal wat moeilijk mee.”

 

Maar het resultaat stelt hem toch niet tevreden. Hij besluit helemaal opnieuw te beginnen. Omdat ook dat niet helemaal naar zijn zin is, haalt hij er Eric Clapton bij.

 

Wanneer op 9 september de leerling-producer Chris Thomas terugkomt uit zijn vakantie vindt hij een nota van George Martin op zijn bureau, waarin die hem vraagt, hem te vervangen als Beatles-producer. “Ik werkte pas zes maanden voor George. Ik was nog in mijn proefperiode…” vertelt Chris Thomas: “Ik dacht: ik ga daar stilletjes zitten in de controlekamer en ik hou mij gedeisd. Maar niets daarvan. Paul kwam binnen en vroeg wat ik daar deed. Ik was er van uit gegaan dat George hen had verwittigd. Dus zei ik: George heeft me gezegd om te komen, wisten jullie dat niet? Paul keek me aan en zei: ‘Als je ons wilt producen, dan doe je maar. En anders kun je het afstappen.’ En weg was ie. Ik heb uren niks durven zeggen. Ik zat daar stijf van schrik toen de anderen binnen kwamen.

Ken Scott had het overgenomen van Geoff Emerick omdat die niet meer tegen de gespannen sfeer kon. Ik zat naast Ken en zij begonnen met ‘Helter Skelter’. Ik dacht: die gaan mij negeren en ik vlieg er uit. En dan kan ik mijn job wel vergeten.

Dus had ik niks meer te verliezen. Toen iemand een foutje maakte, zei ik: ‘Er ging iets fout.’ En zei: ‘Niets van’. Maar ze kwamen allemaal luisteren en ze gaven mij gelijk. Het lijkt ongelofelijk dat ik dat gedurfd had, maar het was gewoon puur uit angst dat ik het deed.”

 

Onder zijn “leiding” proberen The Beatles een chaotische remake van ‘Helter Skelter’. “Ik had gelezen dat The Who net de luidste, wildste rock ‘n’ roll plaat ooit hadden gemaakt,” legt Paul uit. “Ik heb geen idee over welk nummer het ging, maar ik dacht: “Juist! Dat moeten wij ook doen’.”

John speelt bas en saxofoon, Mal Evans speelt al even amateuristisch trompet, George en Paul delen de gitaarsolo’s en Ringo beukt op zijn drumstel. Er is verder ook nog piano, heel veel feedback en vervorming en backing vocals van John en George. Terwijl de manische lead zang van Paul wordt opgenomen, draagt George bij tot de sfeer door met een brandende asbak op zijn hoofd door de studio te rennen.

“‘Helter Skelter’ was pure gekte en hysterie,” weet ook Ringo. “Soms moet je je eens laten gaan en met die song – Paul’s bas en mijn drum – Paul begon te schreeuwen en te krijsen en verzon het ter plaatse.”

“We begonnen er aan om half drie in de namiddag,” vertelt Chris Thomas. “En we waren klaar tegen half drie ’s nachts. Na afloop vroeg ik aan Paul: ‘En hoe zit het voor morgen?’ Hij zei: ‘Je bent welkom.’ Ik dacht: ‘Hij heeft mij niet weg gestuurd. Wow!’”

 

Met ‘Glass Onion’ bedankt John Paul en neemt hij meteen ook mentaal afscheid.

 

George is er niet bij wanneer ‘I Will’ opgenomen wordt. Paul zingt en speelt akoestische gitaar, Ringo speelt maracas en cimbalen en John geeft het ritme aan door met hout op metaal te kloppen. Paul improviseert vrijelijk tussendoor: ‘Can you take me back’, ‘Step Inside Love’, ‘Los Paranoias’, …

De volgende avond werkt Paul alleen van 7 ’s avonds tot 5 in de ochtend aan het afwerken van de song. Hij voegt een backing vocal toe, een dum-dum-dum baritone bas klank nabootsing en een tweede akoestische gitaar.

 

Ook de volgende dag, 18 september, is hij vroeger dan de anderen in de studio. Hij speelt wat met een ideetje rond het thema van een verjaardag. Wanneer iedereen aanwezig is, wordt ‘Birthday’ dan opgenomen, in 20 takes. Ze werken snel, want die avond zendt de BBC The Girl Can’t Help It uit: een klassieke rock ‘n’ roll film uit 1956 met Little Richard, Fats Domino en Eddie Cochran. Na de basistracks trekken The Beatles, Yoko, Patti, Chris Thomas en waarschijnlijk nog wat anderen naar Paul’s huis om er TV te gaan kijken. En daarna keren ze terug naar de studio, waar ze de song afwerken. De meisjes mogen zelfs meezingen.

 

Een dag later is George weer aan de beurt: ‘Piggies’. Chris Thomas komt met het idee om een klavecimbel te gebruiken. “Die stond in studio 1 opgesteld voor een sessie van klassieke muziek,’ vertelt hij. “Ik had er wat op gespeeld en ik vond dat het erg goed klonk. Dus zei ik tegen George: Er staat een klavecimbel, is dat niks voor jouw song?”

 

 

De laatste loodjes

 

Begin oktober keert George Martin terug uit verlof. In de Trident studio leidt hij de opname van Paul’s ‘Honey Pie’ en ‘Savoy Truffle’ van George – niet bepaald hoogtepunten uit het repertoire van The Beatles.

‘Martha My Dear’ is beter. Paul nam het nummer – alweer – helemaal alleen op. “Toen ik piano leerde spelen,” vertelt Paul, ‘wou ik zien hoever ik kon gaan. Dit begon als iets dat je leert tijdens een pianoles. Het is nogal moeilijk om te spelen: het is twee-handig. De woorden betekenen niet echt iets: ik probeerde zomaar wat. Toevallig kwam ik op ‘Martha my dear.’ Het is puur verzonnen. Martha, is eigenlijk mijn hond en onze relatie is puur platonisch, geloof me.”

 

Ringo en George hebben reisplannen vanaf half oktober en dus moet er stevig worden doorgewerkt.

George besteedt twee lange nachten aan ‘Long Long Long’. Het spookachtige geluid aan het einde van de song is een fles wijn die ratelt door de lage tonen van een versterker. The Beatles waren dol op dit soort toevalligheden.

John zet op één avond ‘I’m So Tired’ en ‘The Continuing Story of Bungalow Bill’ op band. Yoko Ono en Maureen Starkey zijn bij de opname aanwezig en Yoko mag zelfs één regel zingen.

Terwijl de anderen ‘Long Long Long’ afwerken neemt Paul in zijn eentje ‘Why Don’t We Do It in the Road’ op. Wanneer John het resultaat hoort is die niet blij. Het is precies zijn soort song en hij had er wat graag aan meegewerkt. 

 

In een aantal marathonsessies worden strijkers en blazers toegevoegd en songs gemixt.

John krijgt het laatste woord: op zondag 13 oktober neemt hij het laatste nummer op voor het album: ‘Julia’. Het is John’s enige solo-nummer voor The Beatles. Linda fotografeert.

De volgende dag vertrekt Ringo met zijn familie naar Sardinië, met vakantie.

 

De laatste mixen worden gemaakt en op woensdag 16 oktober werken John, Paul en George, George Martin en Chris Thomas onafgebroken gedurende 24 uur om de LP samen te stellen en af te mixen.

 

Er zijn in totaal 32 nummers opgenomen, waarvan ‘Not Guilty’ en ‘What’s The New Mary Jane’ (één experimentele geluidscollage is genoeg) op de plank blijven liggen.

 

 

Het is eerder een verzameling van solo-opnamen dan een echte groeps-lp. “Het is niet gemakkelijk om de muziek van drie songschrijvers op één plaat samen te brengen,” meent John. “Dus maakten we er een dubbel van.”

 

George Martin heeft zijn bedenkingen. “Ik vond niet alle songs even sterk. Ik vond dat we beter er een heel erg  sterk enkel album uit konden halen, in plaats van een dubbele LP. Maar ze hielden voet bij stuk. Ik denk dat het ongelofelijk goed zou zijn geweest als het wat meer … gebald was.

Nochtans hebben een pak mensen me verteld dat ze het hun beste plaat vinden. Dat is niet mijn mening, maar…. Pas veel later heb ik gehoord dat ze door al die songs op te nemen sneller van hun contract met EMI af wilden geraken.”

 

“Wat moet je anders doen als je zoveel songs hebt,” meent George Harrison: “We zaten met veel ego’s in de band. Misschien hadden we een pak songs opzij kunnen leggen of er b-kantjes van maken.”

 

 

Bij het bepalen van de volgorde worden enkele regeltjes gehanteerd: de vier overblijvende nummers van George worden netjes verdeeld over de vier plaatkanten. En verder worden alle songs over dieren samen gebracht op één zijde.

 

Geluidstechnicus Ken Scott vertelt over de dag lange laatste spurt: “Het was uitputtend. We zaten letterlijk overal. We probeerden zoveel verschillende manieren om de songs te ordenen. Ik kan het mij niet herinneren. Ik zat in de ene controlekamer en John Smith zat in een andere. We waren allemaal tegelijk bezig. We zaten overal verspreid doorheen de studio’s van Abbey Road. Ik kan u echt niet vertellen wie wat gedaan heeft.”

 

 

Na een hazenslaapje vertrekken George Harrison, Mal Evans en Jackie Lomax naar Los Angeles.  George neemt de masters van The Beatles mee die hij persoonlijk gaat afgeven bij Capitol.


 

 

THE BEATLES of de witte dubbel-lp verschijnt op 22 november 1968 in Engeland en drie dagen later in Amerika. Hoewel het Apple label op de labels prijkt, wordt de plaat eigenlijk gewoon verdeeld door respectievelijk Capitol en EMI. Terwijl in Engeland zowel een mono als een stereoversie beschikbaar is, krijgen de Verenigde Staten enkel de stereo versie.

Nochtans is de mono uitgave diegene die door The Beatles zelf is samengesteld. Zij waren bij alle mono mixen aanwezig. De stereo uitgaven wijkt op een groot aantal punten af van die mono versie.

 

De totale verkoopscijfers komen wereldwijd op meer dan zeventien miljoen exemplaren.

 

 

 

https://i0.wp.com/www.jpgr.co.uk/pcs7067_c.jpg