1942 – Woody Guthrie

Vroeg of laat moesten Woody Guthrie (1912) en Pete Seeger (1919), de twee toonaangevende mannen van de Amerikaanse folkbeweging mekaar ooit ontmoeten. De gelegenheid was een benefietconcert in New York, in maart 1940. Het was het begin van een levenslange vriendschap. Zowat een jaar later besluiten ze samen een folk-protestgroep op te richten: The Almanac Singers. De bedoeling is vooral om de vredesbeweging te ondersteunen.

Maar hun houding ten opzichte van de oorlog verandert nadat Hitler, tegen alle afspraken in, de Sovjetunie binnenvalt. Korte tijd later zullen Guthrie en zijn vriend Cisco Houston zich zelfs aanmelden bij de marine. Maar in eerste instantie beperken ze zich tot het schrijven van ant-fascistensongs.

“De songs die je het best bijblijven zijn meestal die, die een verhaal vertellen over iets dat echt is gebeurd,” zo verklaarde Woody Guthrie aan Robert Shelton. “Ik kan het nieuws niet uitvinden. Dat kan niemand. Wat ik wel kan doen is het nieuws zo brengen dat je het kan zingen. […] Zoals dat van die Nazi torpedo die dat beroemde Amerikaanse schip opblies, voor we de oorlog verklaarden aan Hitler en Mussolini….”

De gebeurtenis vindt plaats in de nacht van 30 op 31 oktober 1941. Een oorlogsschip van de Amerikaanse marine, de U.S.S. Reuben James, is ingehuurd door de Britse regering als bescherming bij een goederentransport. Voor de kust van Ijsland komt het konvooi in het vizier van een Duitse onderzeeër. De kapitein meent (terecht zo blijkt achteraf) dat er oorlogsmateriaal wordt aangevoerd en laat enkele torpedo’s afschieten. Het is echter nooit uitgeklaard of het Amerikaanse schip per ongeluk of met opzet is geraakt. In ieder geval: er vallen 86 doden en 44 gewonden te betreuren.
De verontwaardiging van de Amerikaanse bevolking over wat als een laffe daad van de Duitsers wordt ervaren, is groot. De Verenigde Staten zijn immers dan nog niet betrokken in de Tweede Wereldoorlog en de aanval wordt gezien als een oorlogsverklaring.

Gordon Friesen, net als Guthrie afkomstig uit Oklahoma. Samen met zijn vrouw, Agnes ‘Sis’ Cunningham heeft hij net een tijdelijke verblijfplaats gevonden in Almanac House, de uitvalsbasis van The Almanac Singer, wanneer de mannen hun gevoelens over de gebeurtenis willen verwoorden in een song.
Volgens een oude truuk bij pamflettaire songs, zetten de nieuwe tekst op een bestaande melodie. Dat maakt het geheel makkelijker herkenbaar voor de toehoorders. Zo is de melodie van Guthries ‘This Land Is Your Land’ terug te voeren op ‘Oh, My Loving Brother’, een oude gospel hymne, zoals gebracht door The Carter Family. Ook dit keer gebruiken een bekend songe van hetzelfde trio als basis: ‘Wildwood Flower’.

“Het nummer is vooral het werk van Woody Guthrie,” weet Friesen. “Hij schreef alle strofen, maar kwam vast te zitten met het refrein.”

Om de tragedie zo menselijk mogelijk te maken, gaat Guthrie uit van de lijst met namen van de gesneuvelden, zoals die is gepubliceerd in de New York Times.

There’s Harold Hammer Beasley, a first rate man at sea
From Hinton, West Virginia, he had his first degree.
There’s Jim Franklin Benson, a good machinist’s mate
Come up from North Carolina, to sail the Reuben James.
Dennis Howard Daniel, Glen Jones and Howard Vore
Hartwell Byrd and Raymond Cook, Ed Musselwhite and more
Remember Leonard Keever, Gene Evans and Donald Kapp
Who gave their all to fight about this famous fighting ship.

“Hij wou beklemtonen dat de manschappen van de Reuben James symbool stonden voor de eenheid uit de verscheidenheid van de Amerikaanse bevolking. Hij wou zo pleiten voor gelijke behandeling. Er waren Scandinavische namen bij, Ierse, Angel-Saxische, Joodse, mensen van Spaanse afkomst: Ghetzler, Evans, Ortizauela, Johnston, Polizzi.”

Pete Seeger vindt de opsomming van al die namen toch wel wat vervelend. Een goed refrein, in combinatie met strofen waarin de gebeurtenissen worden geschetst zijn zeker zo doeltreffend, zo meent hij. Daarom verdeelt Guthrie de tekst in vier dele;. Millard Lampell komt dan weer met het voorstel om de regel “What were their names?” als refrein te gebruiken, om de klemtoon te houden op de mensen, eerder dan op de feiten.
“Hiermee ging Woody aan de slag en maakte de song af,” concludeert Friesen. In de ware geest van de linkse folkbeweging delen de Almanac Singers echter de auteursrechten van de song – evenwel zonder enige vermelding van Carter of Webster.

1955 – Hank Thompson en Merle Travis

De vader van Merle Travis (°1917) was een mijnwerker in Rosewood, Kentucky. Het is dan ook niet moeilijk om te achterhalen waar hij de inspiratie vandaan haalde voor twee van zijn bekendste songs:
‘Sixteen Tons’ en ‘Dark as a Dungeon’. Beide staan op zijn elpee Folk Songs of the Hills, een collectie folksongs, aangevuld met enkele zelfgeschreven nummers, uit 1947. Hoewel elpee geen juiste omschrijving is: de songs waren verspreid over vieren 78-toerenplaatjes. Het album behaalde geen schitterende verkoopscijfers, maar blijkt, achteraf gezien, toch wel een baanbrekende plaat.
Zo meldt Johnny Cash vijftig jaar later in zijn autobiografie: “Op de wat afgezaagde maar nog steeds interessante vraag: ‘Welke muziek zou je meenemen naar een onbewoond eiland?’, zou ik antwoorden Freewheelin’ [Bob Dylan]. Verder zou ook Down Home (sic) van Merle Travis op de lijst staan. […] Dat was de eerste country concept plaat!”
The Man in Black heeft het hier ongetwijfeld over Back Home, de heruitgave van Folk Songs of the Hills, uit 1956.

Nochtans is Merle niet zo zeer bekend om zijn zang of schrijfkwaliteiten, maar vooral als gitarist.
“Travis picking”, een manier van finger picking, die de inspiratie vormt voor fans als Chet Atkins en Scotty Moore. De folk klassieker ‘Angie’ tot ‘The Boxer’ van Paul Simon, allemaal zijn ze schatplichtig aan de speelwijze die hij op de kaart heeft gezet.

Zijn moeilijke karakter, in combinatie met het verzetten van grote hoeveelheden alcohol, stond echter in de weg van een bloeiende carrière. Begin jaren vijftig werd hij opgepikt door countryster en groot bewonderaar Hank Thompson (°1925), om gitaar te komen spelen in zijn band.
In 1955 namen ze samen een instrumentale versie op van ‘Wildwood Flower’, die het tot in de top 5 van de countrylijst schopte.

Als Tennessee Ernie Ford da nook nog eens wekenlang de hitlijst aanvoert met een cover van zijn ‘Sixteen Tons’ ziet het er plots weer goed uit voor Merle. Folk Songs of the Hills wordt opnieuw uitgebracht met vier extra tracks, onder de naam Back Home. Maar dan slaat een dronken Travis zijn vrouw het ziekenhuis in. Het gebeuren wordt breeduitgesmeerd in de pers en de man staat weer bij af.

wordt vervolgd

Pete Seeger

Folk

De titel King of the 12-String gaat dan ook naar Lead Belly. Huddie Ledbetter wordt in 1888 geboren op een kleine boerderij in Louisiana. Als tiener trekt hij er weg, op zoek naar een beter leven. Onderweg neemt hij alle mogelijke werk aan. Tussendoor leert hij piano, concertina, mandoline en gitaar bespelen. Omstreeks 1912 kan hij een 12-snarige Stella gitaar op de kop tikken in een pandjeswinkel in Dallas. Het instrument blijkt hem erg te liggen.

Maar de man heeft ook een kort lontje en in 1917 wordt hij veroordeeld wegens moord. Er wacht hem dertig jaar dwangarbeid. Door hard te werken en zijn muzikale gaven wordt hij een van de populairste gevangenen. Wanneer hij verneemt dat de gouverneur op bezoek zal komen, schrijft hij een nummer waarin hij om gratie verzoekt. Het werkt en in 1924 is hij opnieuw vrij. Zijn vrijheid blijkt van korte duur, want zes jaar later belandt hij opnieuw achter de tralies. Dit keer krijgt hij tien jaar dwangarbeid.

Opnieuw is het de muziek die hem er uit helpt. Folklorist John Lomax meent dat in gevangenissen de meest authentieke folk muziek kan worden aangetroffen, omwille van de geïsoleerde situatie waarin de gevangenen zich bevinden. Wanneer hij, samen met zijn zoon Alan Lomax, Lead Belly “ontdekt” in de gevangenis van Louisiana, zijn beiden zeer onder de indruk. Zij slagen er in de man vrij te krijgen, door te beloven hem in vaste dienst te nemen, als chauffeur en contactpersoon met de zwarte bevolking. Later trekken ze naar het noorden om lezingen te geven, waarbij Ledbetter dan enkele nummers uit zijn uitgebreide repertoire speelt.

Wanneer ze in New York aankomen springt de pers echter op het verhaal. Promotoren komen met voorstellen voor concerten. Iemand wil zijn leven zelfs verfilmen. Al snel volgen er discussies over het geld en Huddie gaat in zijn eentje verder. De zwarte bevolking van Harlem blijkt niet geïnteresseerd in de oude folk en blues songs. Linkse, blanke intellectuelen uit Greenwich Village echter wel. Lead Belly wordt er de ster voor de vooroorlogse folk beweging. Hij trekt op met mensen als Woody Guthrie, Pete Seeger en Josh White.

Na het overlijden van Huddie Ledbetter, in december 1949, is er niemand die zijn rol overneemt. De 12-snarige gitaar dreigt te verdwijnen.  Als eerbetoon aan zijn collega en vriend, neemt Pete Seeger neemt met zijn groep The Weavers een cover op van diens ‘Good Night Irene’. Het wordt een enorme hit en bereikt de top van de hitlijsten.  Op de versie van The Weavers is echter geen 12-snarige gitaar te horen. Pete Seeger bespeelt dan nog vooral de 5-snarige banjo.

In de eerste helft van de jaren vijftig wordt de populariteit van de eerste folk revival in de kiem gesmoord door de blinde Communistenjacht van de republikeinse senator Joseph McCarthy. Folk muzikanten hebben de reputatie linkse sympathieën te hebben. Ze zijn dus hoogst verdacht. McCarthy zet de pers en de media onder druk. Iedereen met een een uitgesproken mening wordt verbannen van radio en TV, promotoren zeggen optredens af… Kortom: de meeste muzikanten kunnen beter uitkijken naar een andere job.

In 1958, komt echter een tweede folk revival op gang. Het Kingston Trio brengt een zeer aaibare versie van een heel oud nummer: ‘Hang Down Your Head, Tom Dooley’.  Hun folk is grondig opgekuist. Keurige samenzang is de norm. Folk is radiovriendelijk geworden. Dat geldt ook voor The Rooftop Singers, die in 1963 doorbreken met ‘Walk Right In’. The band is speciaal opgericht om een nieuwe versie op te nemen van het oude nummer van Gus Cannon. Initiatiefnemer is Eric Darling, een van de mannen uit The Weavers. De klank van ‘Walk Right In’ wordt naast de zang, vooral gekenmerkt door de 12-snarige gitaren, bespeeld door beide gitaristen:  Eric Darling dus en Bill Svanoe. De daaropvolgende maanden  wordt de 12-snarige het folk instrument bij uitstek.

Dat is vooral de verdienste van Pete Seeger. Wanneer zijn carrière op een laag pitje komt te staan, als één van de vele slachtoffers van McCarthy, legt hij zich toe op de studie van de 12-snarige gitaar. “Ik was zowat 30 toen Lead Belly stierf,” vertelt hij in 2002 aan Acoustic Guitar. “Vele mensen vroegen me toen: ‘Waarom leer jij niet 12-snarige gitaar spelen?’ Een vriend hielp me op weg door te beginnen met de Travis methode. Ik leerde dus wat van Lead Belly’s stijl en wat van (Merle) Travis methode. Lead Belly speelde geen moeilijke akkoorden, maar man, wat kon hij een prachtige baslijnen verzinnen.”

Seeger kan het niet laten: “Mijn  basisfilosofie is dat ik een leraar ben. Ik leer de mensen om mee te doen, of het nu gaat om banjo’s of gitaren of politiek, of om het even wat.” Net als hij eerder met de banjo heeft gedaan, schrijft ook nu weer een handboek: A Folksinger’s Guide to the 12-String Guitar as Played by Leadbelly.

Hij trekt door het land om workshops te gaan geven. Aan al wie dat wil geeft hij lessen op de banjo en de 12-snarige gitaar. Op die manier komt een nieuwe generatie in contact met de folkmuziek. Mensen als Jim McGuinn, Bob Gibson, Dick Rosmini en Fred Gerlach ontdekken de 12-snarige gitaar door Seeger.

Het mooiste voorbeeld van zijn invloed is het nummer ‘Turn Turn Turn’’ In 1963 is Jim McGuinn is door Judy Collins aangetrokken om arrangementen uit te werken voor haar derde elpee. Met zijn vorige groep, The Limeliters, heeft hij een onuitgegeven nummer van Pete Seeger opgenomen:  ‘To Everything There Is a Season”. Dit keer bedenkt hij een ‘Bach-achtige riff’ op 12-snarige gitaar. De song wordt omgedoopt tot ‘Turn Turn Turn’. Maar de echte hitversie brengt hij twee jaar later zelf, als derde single van zijn nieuwe folkrock groep, The Byrds.

Seeger zelf gebruikt de kracht en het nieuwe van de 12-snarige gitaar om maximaal aandacht te trekken voor de boodschap die hij wil overbrengen met ‘We shall overcome’, een hit in 1963.

Hoewel een banjo er op het eerste gezicht een beetje uitziet als een ietwat rare gitaar is het eigenlijk een heel ander soort instrument. In essentie is een banjo een drum: een drum met snaren. Daarom is de wijze van bespelen ook helemaal anders. Een gitarist tokkelt: hij plukt aan de snaren van beneden naar boven, terwijl een banjospeler “slaat” met de achterkant van de nagels, met een beweging richting de vloer.

 

Er zijn zelfs twee geheel verschillende speelwijzen voor de banjo.

Bij clawhammer of “oldtime” gebruikt de speler enkel de duim en de wijs- of middelvinger van zijn rechterhand.

 

de clawhammer techniek

 

Ofwel worden er plastic of metalen fingerpicks op de vingertoppen geplaatst. Bij deze techniek gebruikt de speler, behalve de duim, drie vingers. Dit levert een veel drukker geluid op, dat vooral bij bluegrass erg populair is.

 

de fingerpicks techniek

 negro-playing-banjo

Herkomst

Midden 18de eeuw was de banjo het instrument van de zwarte slaven. Het was terug te vinden op elke plantage in Maryland en Virginia. “Een uniek instrument is de banjar,” getuigt ene Thomas Jefferston, wanneer hij in 1781 het leven van de slaven op een plantage in Virginia beschrijft. “Die hebben ze mee overgebracht uit Afrika,” concludeert hij.

 

Verdere studie leert echter dat de eerste beschrijving van een banjo-achtig instrument helemaal niet uit het Appalachengebregte stamt, maar uit Martinique. Daar dook de banjo ruim een eeuw eerder op: in 1678. Later volgen nog getuigenissen uit Jamaica (1869) en Barbados (1708).

 

Vanaf het begin van de 17de eeuw werden massaal mensen uit West-Afrika naar de Nieuwe Wereld  getransporteerd om er te werken als slaven op de plantages. Onder de harde omstandigheden was muziek een van de weinige dingen die hun troost kon bieden. In eerste instantie was dat zang, met begeleiding van percussie. De blanken ervoeren dat tromgeroffel achter als een bedreiging, omdat ze vreesden dat hiermee boodschappen werden doorgegeven. Mogelijk kon zo een opstand worden georganiseerd. Al snel volgde er een algemeen verbod op het gebruik van trommels. 

 

Daarom zochten de slaven naar andere instrumenten. Voor het bouwen daarvan baseerden ze zich op het voorbeeld van de vertrouwde instrumenten uit het thuisland. Ze maakten gebruik van goedkope materialen die in de nieuwe leefomgeving te vinden waren: kalebassen bijvoorbeeld. Dat zijn niet-eetbare pompoenen (in het Engels: gourd) met een harde schil. De vrucht werd uitgehold en met een dierenvel bespannen. Daarop werd dan een lange hals gemonteerd, waarop drie tot vier snaren werden aangebracht.

In verschillende studies wordt gewezen op de overeenkomsten tussen de banjo en de luitachtige instrumenten die door de griots werden bespeeld. De ngoni uit Mali wordt genoemd, de akonting uit Senegal en nog meer exotische namen als de busunde, de kasinta en de ngopata.

Omwille van de bamboestok die dikwijls oorspronkelijk als hals werd gebruikt, kreeg het nieuwe instrument namen als banjar, bangie, banjer, banza of banjo. Of naar de pompoen-klankkast: gourd-banjo.

Echter, naar het voorbeeld van de Spaanse en Portugese snaarinstrumenten, verschenen in de loop van de jaren Westerse vernieuwingen aan de hals: houten pinnen om de snaren aan te spannen en een kam.

 

Na verloop van tijd werd ook de pompoen vervangen. In de plaats kwam een tamboerijn-achtige romp: een ronde klankkast, met aan de voorzijde een strak gespannen vel. Doordat de kam rust op het gespannen vel kan de energie die bij het bespelen van de snaren wordt toegevoerd zeer snel weg. Dit levert een kort maar hard geluid op. Het beklemtoont het percussiekarakter waarnaar de muzikanten op zoek waren ter vervanging van de drums. Het beklemtonen van het ritme is immers essentieel als begeleiding van worksongs. 

 

Honderd jaar lang was de banjo het uitverkoren instrument van de zwarten. Niet alleen tijdens het werk maar ook ter begeleiding van zang en dans ter vermaak. Het cliché van een zwarte jongen of man met strohoedje en een banjo in de hand is in zowat elke Lucky Luke strip terug te vinden.

 

Minstrel shows

In de vroege jaren dertig van de negentiende eeuw ontstond de minstrel show of minstrelsy. Een troep rondtrekkende acteurs en muzikanten brachten vermaak met sketches, parodieën, slapstick, dans en muziek. Een onderdeel van hun show was de blackface act. Blanke mannen kleedden zich in lompen, maakten hun gezicht zwart en imiteerden zo de zwarten. De typische manier van spreken en bewegen, de muziek en de dans van de zwarten werden er uitvergroot tot vermaak van de blanken. Een van de veel voorkomende typetjes was de ex-slaaf die terug verlangde naar de plantage waarin hij was opgegroeid. De boodschap die de minstrels brachten was: ‘je hoeft je geen zorgen te maken om de slaven, die zijn best tevreden met hun lot’. En ook ‘Zwarten horen niet thuis in de noordelijke staten’.

 

Om de “negermuziek” authentiek te laten klinken begonnen ze typische “zwarte instrumenten” als de banjo en de tamboerijn te bespelen.

 

Een van die allereerste blanke banjospelers was Joel Walker Sweeney (1810 – 1860). Hij was, in zijn eentje, misschien wel verantwoordelijk voor de doorbraak van het instrument bij het blanke publiek. Daarvoor had hij wel een paar aanpassingen nodig, zoals een vijfde snaar!

Niet dat die extra snaar een uitvinding van hemzelf was. Er zijn oudere afbeeldingen bekend van vijfsnarige banjo’s. Maar tot dan toe werd die vijfde, veel kortere snaar tot klinken gebracht door de resonantie van het instrument zelf. De bespeler raakte de snaar zelf niet aan.

Sweeney ging de snaar bespelen met zijn duim. Sterker nog: hij ging precies die duimsnaar gebruiken om de melodie te spelen, terwijl hij op de andere vier snaren een begeleiding tokkelde met de vingers. Dit opende geheel nieuwe perspectieven.

 

Een niet onbelangrijk element in de groeiende populariteit van de banjo was het werk van Amerika’s eerste professionele songwriter: Stephen C. Foster (1826 -1864). Vele van de songs die hij schreef voor de minstrels groeiden uit tot klassiekers zoals ‘Oh Susanna’, ‘Swanee River’, ‘Hard Times’, ‘Beautiful Dreamer’ en ‘Camptown Races’.

 

Oh Susanna

 

Camptown Races

 

Een andere songwriter was Daniel D. Emmett (1815-1904). Hij begon als blackface fiddlespeler bij de Virginia Minstrels maar schakelde later over op de banjo. Voor dat instrument schreef hij tientallen songs waaronder ‘Dixie’s Land’. Als ‘Dixie’ groeide het tijdens de Burgeroorlog  (1861 – 1864) uit tot het lijflied van de Confederatie en later van de gehele South.

 

Na die Burgeroorlog bloeide de nieuwe five-string banjo op als het populairste instrument, zowel in de huiskamers van de hogere en middelklasse als op de concertpodia en de schamele huisjes in het Appalachengebergte.

 blacked%20band2

Evolutie

Tot het einde van de 19de eeuw bleef de banjo een heel eenvoudig instrument, enkel geschikt om er een zeer eenvoudige melodie mee aan te geven. Het ontbreken van frets op de minstrelbanjo maakte het erg moeilijk om de juiste toon aan te houden. Hoewel Henry Dobson al in 1878 patent aanvroeg voor een commerciële banjo met frets, duurde het bijna drie decennia eer het concept aansloeg.

Dat gebeurde pas toen de stalen snaren hun intrede deden. Naar analogie van de mandolines waarbij een plectrum werd gebruikt, begonnen banjospeler toen ook te experimenteren. De plectrumbanjo was geboren en de vijfde snaar werd meteen weer overbodig.

 

In de eerste decennia van de twintigste eeuw leidden Europese elementen, onder meer de invloed van de gitaar, tot een meer klassieke speelstijl. Tegelijk ontstonden er allerlei hybride instrumenten waarbij de banjo werd  ‘gekruist’ met een ander snaarinstrument. Op de klankkast van een banjo (vaak met resonator) werd dan de hals van een ander instrument geplaatst. Bedoeling was om het bespelers van andere instrumenten mogelijk te maken gebruik te maken van het penetrante banjogeluid. Dat was vooral zeer gegeerd zolang er nog geen elektrische versterking beschikbaar was.

 

Nergens was zo belangrijk om luid te kunnen spelen als in het drukke nachtleven van New Orleans. De banjo was dan ook perfect om het ritme in de blaasbands te accentueren. Omstreeks 1920 ontstond zo een nieuw genre: Dixieland (ook gekend als New Orleans jazz of traditional jazz).

 

Maar dat was een laatste opflakkering, want eens de elektrische versterkers hun intrede deden waren de gouden jaren van de banjo voorbij. Enkel in het Appalachengebergte bleven five-string banjospelers populair bij de southern dance bands en andere hillbillymuziek. Het publiek genoot er van instrumentalisten als Uncle Dave Macon, Stringbean, Clarence Ashley en The Carter Family met June Carter.

 

Een van de grootste namen was Charlie Poole (1892-1931).

Als jongen had Charlie twee passies: spelen op zijn zelfgemaakte gourdbanjo en baseball. Bijna kwam aan allebei een eind toen hij eens een bal met de blote hand wou pakken, omwille van een weddenschap. Hij hield er een paar gebroken botten in zijn  rechterhand aan over met een permanente vervorming van enkele vingers als gevolg. Poole was echter een doorzetter. Hij bedacht een geheel nieuwe techniek om de banjo te bespelen: de “threefinger picking style”, waarbij hij melodie, arpeggio en ritme wist te combineren

Zijn eerste echte banjo kon hij pas kopen toen hij ging werken in een textielfabriek.

Poole zag in de banjo een uitweg om niet, net als zijn ouders, zijn hele leven te moeten zwoegen in die fabriek. Hij vulde het weinige geld dat hij kon sparen aan met de opbrengst van illegale alcoholstokerij, om zich zo een eersteklas banjo te kunnen veroorloven. Met die Gibson van $200 kon hij professioneel gaan spelen. In 1917 richtte hij, samen met zijn schoonbroer, de fiddelspeler Posey Rorrer, een eigen stringband op: de North Carolina Ramblers. Drie jaar later waren ze een veelgevraagde band op dansfeesten en partijen door het gehele zuidoosten.

Op 27 juli 1925 mochten ze in New York hun eerste plaatje gaan opnemen. Het was meteen raak. Meer dan honderdduizend exemplaren van ‘Don’t Let Your Deal Go Down Blues’ vlogen de deur uit. En dat in een tijd waarin slechts zeshonderdduizend mensen een grammofoon hadden. Charlie Poole werd de eerste countryster.

Hoewel hij zelf nauwelijks songs schreef groeiden vele van de zeventig nummers die hij in de volgende jaren opnam uit tot klassiekers in bluegrass en country: ‘Can I Sleep In Your Barn Tonight, Mister?’, ‘Old and Only In the Way’, ‘White House Blues’…

Toen de depressie de verkoop in elkaar deed stuiken, ging hij graag in op een aanbod van Hollywood om te gaan werken voor de filmindustrie. Hij zou echter nooit in Californië raken. Na dertien weken (!) van fuiven en drinken begaf zijn hart het. Poole werd slechts 39 jaar oud.

 

‘White House Blues’ – Charlie Poole, opgenomen op 20 september 1926 en voor de eeuwigheid bewaard op de Anthology of American Folk Music.

 

 

Revival

Pas in de tweede helft van de jaren veertig, werd de banjo, net als de mandoline, terug opgepikt door bluegrassspelers. Hoewel Bill Monroe zijn eerste Blue Grass Boys band oprichtte in 1939, was het pas zes jaar later dat het genre echt van de grond kwam. Dat was te danken aan de komst van een banjospeler uit North Carolina: Earl Scruggs. De jongeman liet het publiek helemaal uit de bol gaan door zijn razendsnelle solo’s, gespeeld met een geheel eigen drie-vingertechniek. Hiervoor maakte hij gebruik van fingerpicks: een soort plastic of stalen kunstnagels die op de duim en vingers worden geklemd.

Zijn vernieuwende “Scruggs style” banjospel sloeg zo aan dat hij wel gek zou zijn om niet voor zichzelf te beginnen. Samen met Lester Flatt richtte hij The Foggy Mountain Boys op. Hun grootste succesnummer was ongetwijfeld ‘Foggy Mountain Breakdown’, uit 1949. Twintig jaar later werd het instrumentale nummer wereldwijd populair door het gebruik in de film Bonnie & Clyde – over een gansterkoppel in de jaren twintig!

 

‘Foggy Mountain Breakdown’ – Earl Scruggs met Steve Martin

 

Bonnie & Clyde

 

Lester Flatt & Earl Scruggs in de Grand Ol’ Opry Show

 

Drie jaar later schoot, opnieuw dankzij een film, een ander instrumentaal banjonummer naar de top van de hitlijsten: ‘Duelling Banjos’. De oorspronkelijke versie heet ‘Feudin’ Banjos’ en werd in 1955 geschreven door Arthur Smith. Hij nam het zelf op, op een vier snarige plectrum banjo, met Don Reno op een vijfsnarige instrument.

In de thriller Deliverance zien we de acteurs Billy Redden (de hillbilly dorpsidioot op banjo) en Ronny Cox (de Yankee op gitaar). Maar we horen respectievelijk Eric Weissberg en Steve Mandell, in een productie van Joe Boyd.

 

‘Dueling Banjos” uit de thriller Deliverance (1971).

 

 

Maar ook buiten de countrywereld maakte de banjo een comeback vanaf de jaren veertig. Dat was voornamelijk te danken aan Pete Seeger. Hij keerde terug naar de traditionele muziek die nu folk werd genoemd. In 1948 publiceerde hij de eerste versie van zijn boekje, How To Play The 5-String Banjo,  dat groeide uit tot het handboek voor vele generaties banjospelers.

 

 

Dankzij de folkrevival kwamen de oorspronkelijke uitvoerders terug in de belangstelling. Velen van hen kregen de kans om hun oude opnamen nog eens over te doen, met veertig jaar ervaring en veel beter geluidskwaliteit als bonus.

Een van hen was Clarence ‘Tom’ Ashley. Op 23 oktober 1929 zette hij, in Johnson City, Tennessee, de oorspronkelijke versie neer van het aloude ‘The Coo Coo Bird’. Harry Smith had het plaatje in 1952 terug onder de aandacht gebracht op zijn Anthology of American Folk Music.

Maar in 1961 zette hij de definitieve versie neer, met de hulp van een blinde gitarist uit Deep Gab, North Carolina: Doc Watson.

 

Clarence ‘Tom’ Ashley – The Coo Coo Bird.

 

 

Tegen het einde van de jaren zestig ontstonden de eerste, voorzichtige toenaderingspogingen tussen twee geheel verschillende werelden: country en rock. Het waren de rockmuzikanten die, onder invloed van de muziek die ze in hun jeugd op de radio hadden gehoord, het initiatief namen: Gene Clark, Bob Dylan, Gene Parsons, Michael Nesmith, …. Voor het bespelen van specifieke instrumenten als steelgitaar, mandoline en banjo keken de rockers naar de beste bluegrassartiesten. Earl Scruggs beroerde de vijfsnarige banjo op Dylans ‘Nashville Skyline Rag’ en The Byrds vroegen Doug Dillard van The Dillards mee op tournee. Zijn banjospel moest hun geluid wat authentieker maken.

 

Na afloop van de Europese tour vroeg ex-Byrd Gene Clark hem om samen Dillard & Clark op te zetten. Zij omringden zich met fantastische countrymuzikanten waaronder Bernie Leadon, die later The Eagles zou helpen oprichten.

 

‘Train Leaves Here This Morning’ uit The Fantastic Expedition of Dillard & Clark.

 

De banjo in de Britse rock

De Britten beschouwden de banjo als een zeer primitief instrument. Volgens de overlevering zou de Britse muziekhistoricus Cecil Sharp, toen hij tijdens de Eerste Wereldoorlog door het Appalachengebergte trok op zoek naar songs, uitdrukkelijk hebben laten weten dat hij geen banjo’s of gitaren wou zien. Die interesseerden hem niet. Wat hij zocht waren oude Ierse en Schotse balladen of dansmuziek. Niet van die niewerwetse dingen.  

 

Vanaf het midden van de negentiende eeuw zochten banjobouwers naar manieren om meer mensen aan te spreken door de mogelijkheden uit te breiden.

De tenorbanjo had een kortere nek met 19 frets en wordt bespeeld met een plectrum. Het was een uitstekend begeleidingsinstrument voor de jazz- en dancebands in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Vooral omdat het te horen was boven de blazers en saxofoon uit. De komst van de elektrisch versterkte gitaar verdrong de tenorbanjo van het podium. Enkel in de meer traditionele Dixieland jazz bleef er een plaatsje voor over.

 

Een andere, voor de hand liggende oplossing om de mogelijkheden te verruimen, is het toevoegen van een zesde snaar. Vooral jazzmuzikanten, zoals Johnny St. Cyr en Django Reinhardt, experimenteerden met de guitanjo, zoals het instrument werd gedoopt. Maar ook een bluesman als Reverend Gary Davis had er een.

Helemaal er over is de zither-banjo: met zeven snaren is er wel erg ver afgeweken van het oorspronkelijke concept.

 

De stiefmoederlijke behandeling van het instrument in de Britse muziek is merkbaar in het feit dat de banjo slechts zelden wordt gebruikt in de pop- of rockmuziek. Enkele uitzonderingen zijn: ‘Stop Stop Stop’ van The Hollies, ‘Squeeze Box’ van The Who, ‘Gallows Pole’ van Led Zeppelin, Bright Side of the Road van Van Morrison, ‘Cowboy Dreams’ van Prefab Sprout of ‘Sing’ van Travis.

Veel meer kan ik er eigenlijk niet bedenken.

 

‘Cowboy Dreams’, uit The Gunman And Other Stories, met Eric Weissberg op de banjo.

 

 

 

En om af te sluiten nog eentje die helemaal buiten alle categoriën valt: de slaggitarist van de Amerikaanse garageband The Monks. Dave Day bespeelde een zessnarige banjo alsof het een elektrische gitaar was. Met behulp van een kleine ingebouwde microfoon verkreeg hij zo een speciale metaalachtige klank.

 

The Monks met hun enige pseudohit, ‘Cuckoo’, uit 1966.

 

De jonge priester in het kerkje in Parijs was geschokt. Een koppeltje, waarvan het meisje alleen maar Engels sprak, was bij de dekenij komen aankloppen met de vraag of ze dringend konden trouwen. Die twee waren zeker van huis weggelopen. Niet te verwonderen, want het meisje was duidelijk zwanger. Als het van hem had afgehangen… Maar ja, de deken had hem opgedragen het huwelijk te voltrekken. Hij kon het dan ook niet nalaten de bruidegom op het hart te drukken dat het huwelijk een ernstige zaak was. Die vent was trouwens een heel stuk ouder dan het meisje. Die zou toch beter moeten weten…

 

Behalve het jonge paar zat er in het koude kerkje op die 24ste januari 1959 alleen nog een zwaar bebaarde vent. Ook al zo’n Engelsman. Wat had die hier mee te maken? Hij was een stuk ouder dan de bruidegom, maar toch nog te jong om de vader van de bruid te zijn.

 

Toen de plechtigheid was afgelopen schudde de priester meewarig zijn hoofd terwijl de drie proestend de kerk uitliepen, waarschijnlijk op zoek naar het korst bijzijnde café.

 

Het meisje heette Peggy Seeger. Ze was pas 24, maar had al heel wat levenservaring. Ze was afkomstig uit New York, waar ze, net als haar ouders en haar broers, thuis was in de kringen van folkmuzikanten in de buurt Greenwich Village.

 

Na een bezoek aan China bleek haar paspoort te zijn ingetrokken. De spokenjagers van McCarthy konden zo’n bezoek aan een communistisch land absoluut niet waarderen. Peggy besloot dan maar naar Europa te trekken, waar ze rondtrok met haar banjo. Zo was ze in 1956 in Londen terecht gekomen.

 

De leidinggevende figuur in de Londense folkkringen was toen de communistische Schot Ewan MacColl (1915 – 1989). Hij was eigenlijk acteur en toneelschrijver. Wanneer hij voor een stuk een liedje nodig, schreef hij dat dan ook maar. Eentje daarvan was ‘Dirty Old Town’ dat hij in 1949 schreef over zijn geboortestad Salford in Lancashire. Het nummer is tegenwoordig vooral bekend in de versie van The Pogues die het brachten op hun tweede LP Rum Sodomy & the Lash in 1985.

 

Net als Alan Lomax was hij gaandeweg begonnen met het verzamelen van authentieke volksliederen, die hij ook opnam en bijhield. Toen de BBC hem vroeg om iets te maken rond de heroïsche dood van een treinbestuurder, kwam hij met allerlei geluidsopnamen,  fragmenten van echte interviews en door gewone mensen gezongen volksliedjes. De Radio Ballad, zoals het formaat werd gedoopt was een revolutionair idee en de aanzet tot de folkrage van de jaren zestig in Engeland.

 

Na een kortstondig huwelijk met de actrice Joan Littlewood was Ewan getrouwd met de danseres Jean Newlove. Ze hadden samen twee kinderen: Hamish en Kirsty.

 

Kirsty MacColl (1959 -2000) zou later een van de allerbeste Britse zangeressen worden. Zo hielp ze dat zelfde zootje ongeregeld die haar vaders ‘Dirty Old Town’ had gecoverd met één van de allerbeste kerstsingles ooit: ‘Fairytale of New York’. Aan haar carrière en leven kwam abrupt een einde toen ze tijdens het zwemmen voor de kust van Mexico werd aangereden door een arrogante miljonair in een speedboat.

 

The Pogues met Kirsty MacColl – ‘Fairytale of New York’

 

Maar terug naar Ewan. Die werd verliefd op de jonge Amerikaanse en ze begonnen al snel een relatie. Voor een toneelstuk waarin ze meespeelde vroeg zij hem een lied te schrijven. Een uurtje later belde hij haar terug en zong haar wat hij had bedacht. Dat was ‘The First Time Ever I Saw Your Face’. In 1971 nam Roberta Flack een tragere, sensuele versie van het nummer op voor het regiedebuut van Clint Eastwood: Play Misty for Me. De single werd een dikke hit: 6 weken op 1 in Amerika en maar liefst 14 weken aan de top in het Verenigd Koninkrijk.

 

Roberta Flack – The First Time Ever I Saw Your Face

 

Toen einde 1958 haar werkvergunning voor Engeland dreigde te verlopen moest er dringend iets gebeuren of Peggy zou het land worden uitgewezen. Door te trouwen zou ze het Britse staatsburgerschap krijgen en zou ze kunnen blijven. Maar Ewan was – hoewel weg bij zijn vrouw – officieel nog getrouwd. Dus besloten ze de hulp in te roepen van een vriend. De Schotse folkzanger Alex Campbell (1925 – 1987) werd bereid gevonden om mee te spelen.

 

Hoewel “vriend” eigenlijk een slechte omschrijving is. De twee mannen hadden elk een totaal tegengestelde opvatting over folk muziek. Ewan was een purist die vond dat je alleen nummers mocht zingen die uit je eigen streek afkomstig waren, terwijl Campbell alles zong wat hem aanstond, of het nu Schotse balladen waren of Amerikaanse werkliederen, die hij leerde van zijn Amerikaanse vriend, de banjospeler Derroll Adams. (Aan het begin van de jaren tachtig bracht Campbell zelfs een LP uit Live In Belgium – maar dit geheel terzijde).

 

Eens terug in Engeland, na de hilarische vertoning in Parijs, vroeg iedereen onmiddellijk de scheiding aan en wat later konden Ewan en Peggy met elkaar trouwen. Ze kregen drie kinderen en maakten zowel samen als apart een groot aantal platen. Na de dood van haar man, in 1989, keerde Peggy terug naar Amerika.

 

En Alex Campbell? Die trouwde later ook “voor echt” en twee van zijn zonen, Ali en Robin, vormden later de kern van de Britse reggae-groep UB40. Na hun sterke debuutplaat herinnert enkel hun naam (UB40 is het formulier dat recht geeft op stempelgeld) nog aan hun linkse achtergrond.

 

 

De familie Seeger

 

Peggy’s familie is interessant genoeg om wat verder op in te gaan.

 

Haar vader was Charles Seeger (1886–1979), een belangrijke musicoloog en folklorist. Charles was muziekleraar aan de University of California in Berkeley, tot hij in 1918 vanwege zijn pacifisme gedwongen werd zijn baan op te zeggen.

 

Voor hun huwelijk in 1932 was haar moeder, Ruth Crawford (1901- 1953), een componiste van moderne klassieke muziek. Niet onverdienstelijk overigens want ze kreeg als allereerste vrouw de prestigieuze Guggenheim Fellowship. Ze was dan ook één van de sleutelfiguren van de avant-garde uit de twintiger jaren in New York. Als pianolerares voor zijn kinderen bracht de dichter Carl Sandburg haar de liefde bij voor de Amerikaanse volksmuziek.

Kort na de geboorte van Peggy in 1935 verhuisden de Seegers naar Washington, D.C., waar ze met John (1867 – 1948) Lomax gingen werken aan het Archive of Folk Song voor de Congressbibliotheek. Crawford ontcijferde er de teksten van de songs die vader en later ook zoon Lomax verzamelden. Die werden dan gepubliceerd in boeken als Our Singing Country en Folk Song USA.

Ze vond dat Amerikaanse volksliedjes erg geschikt waren om kinderen de liefde voor muziek bij te brengen. Daarom publiceerde ze in 1948 het American Folk Songs for Children – nog steeds een van de best verkochte boeken met kinderliedjes in Amerika. Door dit baanbrekende boek werd zij een centrale figuur in de opleving van de folksongs.

 

Peggy’s jongere broer is Mike Seeger (1933 – ), zelf ook een folkmuzikant en folklorist. In 1958 richtte  hij samen met John Cohen en Tom Paley, de New Lost City Ramblers op. Met die old-time string band stelden zij zich tot doel de oude, vergeten nummers die hun vader had helpen verzamelen, zo getrouw mogelijk terug tot leven te brengen. De groep was van grote invloed op de jonge Bob Dylan die hen herhaaldelijk zag optreden en vele nummers van hen leerde.

 

Lijnrecht tegenover de New Lost City Ramblers stonden groepen als The Weavers of het Kingston Trio, die zich net tot doel stelden om diezelfde muziek te moderniseren. En de leider van The Weavers was …  Pete Seeger.

 

Pete (1919– ) was een halfbroer van Peggy en Mike, uit het eerste huwelijk van hun vader. Tijdens de zomer van 1935, nam zijn vader hem mee naar een muziekfestival in Asheville, North Carolina. Hij hoorde er voor het eerst authentieke folkmuziek. Hij werd op slag verliefd op de vijf-snarige banjomuziek en de teksten van de oude ballades over lords en ladies. Dat uitstapje is misschien wel het prille begin van de heropleving van de folkmuziek

 

In 1938 kreeg Pete ook een baan bij het archief. Hij beluisterde de veldopnamen en selecteerde de tracks die zouden worden uitgebracht op de legendarische reeks “Folk Music of the United States.” Zo leerde hij mensen als Leadbelly en Woody Guthrie kennen. In 1940 begon hij met die laatste op te trekken als The Almanac Singers.

 

In 1948 schreef hij How to Play the Five-String Banjo, een handboek dat talloze banjospelers op weg heeft geholpen. Twee jaar later had hij met zijn groep The Weavers een dikke hit. Hun cover van Leadbelly’s ‘Goodnight Irene’ stond maar liefst dertien weken op 1.

 

The Weavers in 1948 met ‘Goodnight Irene’

 

Vanwege zijn links activisme kwam Pete Seeger op de zwarte lijst van McCarthy. Hij werd in 1955 opgepakt en moest zich melden elke keer hij zijn buurt wou verlaten.

 

Vanaf 1958 begon hij een solo carrière. Hij schreef (soms met een co-autheur) een aantal klassiekers zoals ‘Where Have All the Flowers Gone’ (een hit voor concurrenten The Kingston Trio, ‘If I Had a Hammer’ (Trini Lopez) en ‘Turn, Turn, Turn!’ (The Byrds). Zijn bekendste nummer is echter ‘We Shall Overcome’ dat door Joan Baez opgenomen en het lijflied werd van de Amerikaanse protestbeweging.

 

Dat maakte hem natuurlijk nog wat onpopulairder bij de Communistenjagers en hij belandde dan ook in de gevangenis, omdat hij weigerde namen te noemen.

 

Na zijn vrijlating hielp hij de folktijdschriften Broadside Magazine en Sing Out! oprichten, die hielpen om mensen als Bob Dylan onder de aandacht van ene groter publiek te brengen.

 

Jammer is dat hij in de Dylan folkore gekend is als de man die met een bijl wou verhinderen dat Bob elektrisch ging spelen tijdens het beruchte Newport Folkfestival in 1965. Zelf legde hij in 2005 uit dat zoiets nooit het geval is geweest: “Er wordt verteld dat ik er op tegen was dat hij met elektrisch versterkte instrumenten speelde, maar dat was niet zo. Ik presenteerde het festival die avond. Hij zong ‘Maggie’s Farm’ en je kon geen woord verstaan omdat de microfoon werd verstoord. Ik liep naar het mengpaneel en riep: ‘regel de klank. Het is vreselijk!’ Maar die kerel antwoordde: ‘Nee, ze willen het zo.’ En toen heb ik gezegd dat als ik een bijl had ik de kabel zou doorhakken! Ik wou gewoon de woorden verstaanbaar hebben. Ik had er niks op tegen dat hij elektrisch speelde.”

 

Pete Seeger in 1968: ‘Wimoweh’ en ‘Where Have All The Flowers Gone’

 

 

In 1998 werden zijn songs terug onder de aandacht gebracht op de dubbele tribute-cd Where Have All the Flowers Gone: the Songs of Pete Seeger. Daarop speelden mensen uit de Amerikaanse en Britse folk- en rockwereld mee. Eén van die mensen was Bruce Springsteen die er ‘We Shall Overcome’ op bracht. Dat het hem menens was bewees Bruce zes jaar later  met The Seeger Sessions, waarbij hij een eigen eerbetoon bracht aan de man en zijn kompanen.

 

Bruce Springsteen met ‘John Henry’ uit de Seeger Sessions.