‘Daarom begonnen ze al die [roots]muziek op te nemen. Daarvoor was het allemaal klassieke muziek en liedjes uit shows. Toen ze die niet meer verkocht kregen, omdat de radio ze gratis in huis bracht, trokken ze naar het zuiden, waar er geen elektriciteit was. Daar maakten ze opnamen met katrollen en gewichten. De originele countrysong zijn opgenomen zonder elektriciteit.’
T Bone Burnett – 2012

Alle liedjes op de radio…

Zoals wel meer nuttige uitvindingen begon ook de radio als een strikt militair gegeven. Vrij kort na het begin van de Eerste Wereldoorlog verbrak het Duitse leger de trans-Atlantische telegraafkabels. Ter vervanging zette de Amerikaanse marine massaal in op het draadloze radiocontact.

Het is dan ook vast geen toeval dat de allereerste commerciële radio-uitzending plaatsvond in Pittsburgh, Pennsylvania. De Steel City was namelijk de thuisbasis van de Westinghouse Electric and Manufacturing Company, waar de zendapparatuur voor het Amerikaanse leger werd gebouwd.

Aan het hoofd van die afdeling stond ene Frank Conrad. Frank nam zijn werk mee naar huis, want vanaf 1916 experimenteerde hij met een 75 watts versterker. Van uit een schuurtje in de tuin zond hij korte boodschappen uit, die door andere radioamateurs in de regio konden worden beluisterd. Hij draaide zelfs plaatjes, zodat je hem meteen kunt bestempelen als de eerste DJ.

Op 29 september 1920 pikte een plaatselijke winkel in op het gebeuren, door voor $10 radiosets aan te bieden waarmee men de uitzending van Conrad kon beluisteren. Wanneer zijn directeur, Harry P. Davis, daarvan hoorde, besefte die het economische potentieel van de radio. In plaats van beperkt te blijven tot een experiment tussen hobbyisten, wou hij het fenomeen doen doorbreken bij het grote publiek en zo natuurlijk de vraag naar meer radiotoestellen van Westinghouse aanwakkeren.
Hij geeft Conrad de opdracht om een krachtiger versterker te bouwen en vraagt officieel een eigen bereik aan bij de marine.

Op 2 november 1920 is de allereerste uitzending van KDKA een feit. De datum is slim uitgekozen. Die dag zijn het namelijk presidentsverkiezingen. Door de resultaten live bekend te maken is hij meteen de geschreven pers voor en bewijst zo de kracht van het nieuwe medium.

De geluidskwaliteit laat in eerste instantie nog te wensen over, maar van zodra de techniek het toelaat om de beperkingen weg te werken, wordt de radio gemeen goed in de grote steden en kelderen de verkoopcijfers van de opgenomen muziek.

De platenmaatschappijen proberen nog even het nieuwe medium tegen te werken door hun belangrijkste artiesten te verbieden er voor op te treden. Wanneer dat niet blijkt te lukken moet naar andere oplossingen worden gezocht. Bijvoorbeeld door andere muziek aan te bieden dan het standaard repertoire van klassieke muziek, hymnes en liedjes uit shows.

Mamie Smith & The Jazz Hounds

Mamie Smith & The Jazz Hounds

Zwarte muziek voor een zwart publiek

Perry Bradford is een jonge, zwarte pianist en songschrijver. Vanaf zijn elfde werkt hij als pianist bij de rondtrekkende New Orleans Minstrels. Drie jaar later vormt hij een zang-en dansduo met Jeanette Taylor: Bradford & Jeanette. De ervaringen die hij tijdens het vele reizen opdoet, verwerkt hij in songs. De verkoop van bladmuziek vormt een extra bron van inkomsten bij de optredens. In 1918 vestigt hij zich in New York, waar hij de Made in Harlem Revue op poten zet. Zoals de naam het aangeeft staat de revue met beide voeten in de zwarte cultuur – erg ongewoon voor die tijd. Het hoogtepunt van de show is zijn compositie ‘Harlem Blues’, gezongen door Mamie Smith.

‘Ik vond dat onze mensen een verhaal te vertellen hebben,’ meent Bradford, ‘en dat zoiets alleen maar kon in gezongen en niet in instrumentale opnamen.’ Daarom stapt hij naar OKeh Records. OKeh is een klein platenlabel, opgericht door een Duitse ondernemer, Otto K. E. Heinemann. Het label legt zich toe op muziek gericht op verschillende etnische bevolkingsgroepen, vooral dan immigranten uit Oost Europa. Bradford wil er een plaatopname maken met zwarte muzikanten, voor een zwart publiek. ‘Veertien miljoen negers zullen platen kopen, als ze door hun eigen mensen zijn gemaakt,’ betoogt hij.

Fred Hager geeft hem een kans. Op 14 februari 1920 zingt Mamie Smith twee songs van Bradford: ‘That Thing Called Love’ en ‘You Can’t Keep A Good Man Down’ . Voor de begeleiding staat de studioband van het label in. Dat het Milo Rega Orchestra helemaal bestaat uit blanken is er goed aan te merken: hoewel er wel wat jazz en bluesaccenten in beide nummers terug te vinden zijn, blijven het in essentie popdeuntjes. Maar Bradford blijkt een punt te hebben, want binnen de maand gaan er tienduizend exemplaren van het plaatje de deur uit.

De verkoop is voldoende om een tweede opnamesessie te organiseren. Bradford staat er op, dit keer de muzikanten zelf te mogen selecteren. Hij kiest voor allemaal zwarten: The Jazz Hounds. ‘It’s Right Here For You’ en ‘Crazy Blues’ zijn opnieuw door hem geschreven. ‘Crazy Blues’ slaat geweldig aan en in een mum van tijd zijn er 75 000 exemplaren verkocht.

Aangespoord door dit succes gaan ook andere platenlabels op zoek naar zwarte zangeressen. Niet dat er nooit eerder opnamen zijn gemaakt van zwarte muzikanten. In 1890 al was George W. Johnson de allereerste met het gefloten ‘The Whistling Coon’. Maar dat was een novelty dingetje, bedoeld ter vermaak van een blank publiek. ‘Crazy Blues’ is van een andere orde en vormt het begin van de bloeiperiode voor de blues. Als dusdanig betekent het een doorbraak voor zwarte muzikanten, zowel in het blues als jazz genre.

Peer en de boerenkinkels

Een van de mensen die aanwezig zijn wanneer Mamie de songs in de grote akoestische hoorn zingt, is de assistent van Fred Hager: Ralph Peer. De jonge Peer (sympathieke naam 😉 ) krijgt de leiding over de afdeling die speciaal gericht is op het zwarte publiek: de 8000 serie van Okeh. ‘We hadden platen van allerhande inwijkelingen’, blikt hij einde jaren vijftig terug, ‘Duitse platen, Zweedse platen, Poolse platen, maar we durfden geen reclame maken voor negerplaten. Dus zette ik ze in de catalogus als ‘race’ platen.’

Peer gaat op zoek naar meer zwart talent. Waar kun je die het gemakkelijkst vinden? Daar waar er veel zwarten wonen: in het Diepe Zuiden. Dus vertrekt hij in juni 1923 op reis. Het is een revolutionair idee. “OKeh had nog nooit opnamen gemaakt buiten de studio,’ vertelt hij trots. “We trokken naar Atlanta, keken daar wat rond en vonden er een kleine leegstaande opslagplaats… Ik was een paar dagen eerder afgereisd om er al naar talent te gaan zoeken.’
Omdat hij nog nooit in Georgia is geweest, zoekt hij de enige man op die hij er kent: een lokale verdeler van de platen van OKeh Records. ‘Die kerel had dus een meubelwinkel. Hij had al wat rondgekeken, maar, tot mijn verbazing, kende hij geen zwarte muzikanten.’
Ze bezoeken samen een theater “alleen voor zwarten”. Het niveau ligt daar echter zeer laag en niets blijkt bruikbaar.
De winkelier stelt dan voor om een zanger uit de lokale kerk te gaan opzoeken. De jongeman heeft een goede reputatie. Er wordt een opnamedatum afgesproken. Maar dan komt het bericht dat de vader van de jongen plots ziek is geworden en dat hij niet kan komen.
‘Om de vrijgekomen tijd nuttig te gebruiken, kwam mijn distributeur met [een blanke fiddlespeler] John Carson.’ De muzikant heeft onlangs een old time fiddler wedstrijd gewonnen in Virginia. ‘Hij zei dat Fiddlin’ John op de radio was geweest en dat nogal wat mensen hem goed vonden.’
Even later staat Ralph Peer, in het leegstaande gebouw in Atlanta, te luisteren naar de kunsten van de muzikant. Hij vindt het maar niks. De zangstijl van de man omschrijft hij onomwonden als ‘vreselijk voltooid verleden tijd’. De winkelier dringt echter aan. Pas wanneer hij belooft 500 platen te zullen afnemen, gaat Peer overstag. Fiddlin’ John Carson mag twee nummers opnemen. De keuze valt op ‘The Little Old Log Cabin In The Lane’ en ‘The Old Hen Cackled and the Rooster’s Going to Crow’.
‘Het was zo slecht dat we er niet eens een serienummer aan gaven’ vertelt Peer. ‘We dachten dat, eens die man zijn voorraad had, we er nooit meer iets van zouden horen. We stuurden hem zijn bestelling.’
De man uit Atlanta trekt er mee naar de volgende fiddler wedstrijd… en verkoopt er meteen zijn hele voorraad. ‘Diezelfde avond nog belde hij New York om er 5 000 extra te sturen, per express, en nog eens 10 000 per gewone vracht.’
Ook in andere staten blijkt er belangstelling te bestaan en uiteindelijk overschrijdt de verkoop het half miljoen. ‘We waren zo beschaamd [over de kwaliteit van de oorspronkelijke opname] dat we Fiddlin’ John naar New York lieten komen om de songs opnieuw op te nemen.’

Het debuut van John Carson wordt beschouwd als de officiële start van de countrymuziek. En opnieuw was Peer er bij betrokken. Met een mengeling van trots en minachting snoeft Peer in een interview in 1958: ‘Ik ging naar New York en werkte er voor OKeh Records. Daar bedacht ik dat hillbilly- en nikkerspul.’

“Hillbilly”, wat zoveel betekent als “boerenkinkel” is de naam die hij geeft aan wat later countrymuziek zal worden genoemd, maar dan nog bekend staat onder vele namen: Mountain music, Old Time Music, …

Peer begrijpt dat er een markt is voor die volksmuziek. Vooral op het platteland blijken veel mensen geïnteresseerd in de muziek van lokale muzikanten.
De volgende twee jaar doorkruist hij de Verenigde Staten, op zoek naar interessant muzikaal talent: Chicago, St. Louis, Cincinnati, Dallas, Cleveland, Detroit en New Orleans. Onderweg ontdekt hij latere jazzgrootheden als trompettist Louis Armstrong, cornetspeler King Oliver, pianisten Fats Waller en Bennie Moten, maar ook blueszangeressen Sippie Wallace en Sara Martin.
De artiesten krijgen $50 per song, plus een percentage op de verkoop. Voor velen is dat een riante verloning.

Muziekuitgevers

Peer leert nog meer van de ervaringen van Bradford. Voor de auteur betekende het succes van zijn ‘Crazy Blues’ meteen ook het begin van alle ellende. De tekst van die song was eigenlijk identiek aan die van zijn ‘Harlem Blues’… en daarvan had hij de auteursrechten verkocht. “Ik vreesde er eigenlijk al voor, dat het nummer een hit zou worden, “verklaart hij later. ‘Ik had dezelfde tekst daarvoor al drie keer gebruikt.’
Een terechte vrees, zo blijkt. Een eerste rechtszaak kan hij in der minne regelen, maar bij de tweede keer belandt hij voor vier maanden in de nor.

Zodra hij weer vrijkomt, bedenkt hij dat het leven misschien eenvoudiger is wanneer hij zelf muziekuitgever wordt.

Door de Copyright Act van 1909, heeft een auteur recht op een percentage van de verkoop of uitvoering van zelfgeschreven materiaal. Tekst en muziek moeten daarvoor worden ondergebracht bij een muziekuitgeverij. In ruil voor 50% van de inkomsten, zorgen die voor het innen van de centen. Ze hebben er natuurlijk alle belang bij dat de muziek zo veel mogelijk wordt verspreid. Hoe meer mensen een song opnemen, hoe hoger de inkomsten.

Bradford heeft begrepen dat een uitgever dus meer overhoudt aan de songs dan de schrijver. Binnen een paar jaar heeft hij vier uitgeverijen die samen de rechten van meer dan 1 400 songs beheren. Maar omdat hij geen band heeft met een platenmaatschappij, raken zijn songs niet verkocht.

Peer pakt het slimmer aan. In 1924 begint hij ook voor zichzelf, als manager van de artiesten die hij her en der heeft ontdekt. Zijn eerste klant is Ernest Stoneman en het is meteen raak. Diens ‘The Titanic’ wordt een enorme hit, met een verkoop van twee miljoen exemplaren.

Het succes blijft niet onopgemerkt bij de grotere platenmaatschappijen en in 1925 bedenkt Peer een systeem dat hem schatrijk zal maken. ‘In die periode ging ik een zakelijke verbintenis aan met Victor Talking Machine Company, die jaren zou standhouden,’ vertelt hij in 1959. ‘De afspraak was dat ik de artiesten en het materiaal zou uitkiezen voor de hillbilly opnamen van Victor.’
Hij aanvaardt daarvoor een belachelijk klein salaris: 1 dollar per jaar. Daar staat tegenover dat alle zelfgeschreven materiaal dat onder zijn bevoegdheid wordt opgenomen, wordt ondergebracht bij zijn eigen muziekuitgeverij: Southern Music.

In zijn functie van A & R-manager spoort Ralph Peer zijn artiesten dan ook aan om vooral zelfgeschreven nummers op te nemen. Of minstens oude songs zo aan te passen dat ze als nieuw kunnen doorgaan.
Kassa, kassa!

De Bristol sessies

In zijn zoektocht naar nieuwe artiesten, belandt Ralph Peer, in de zomer van 1927, in Bristol, Tennessee – een van de weinige steden in het Appalachengebergte. De opkomst valt echter tegen.
Daarom laat hij in de krant een artikel plaatsen over Stoneman. Hij benadrukt dat de man $3.600 heeft verdiend aan ‘The Titanic’ (zowat het loon van drie jaar werken voor een arbeider) en dat hij $100 per dag krijgt voor opnamen.
De volgende dagen stromen belangstellenden toe uit de wijde omgeving. Tot diep in de nacht is Peer aan de slag. Uiteindelijk neemt hij 76 songs op, van 19 verschillende artiesten. Daar maken niet alleen de Carter Family hun debuut, maar ook Jimmie Rodgers. Toevallig worden met deze twee artiesten ook meteen de grote thema’s van de country vastgelegd: de Carters staan voor familie, haard en religie, terwijl Rodgers de vrijheid van het onderweg zijn bezingt: treinen en wegen.
Johnny Cash stelt onomwonden dat die auditie in Bristol niets minder is dan “de oerknal in de geschiedenis van de country muziek”.

wildwood_flower_by_ava_art_ro

‘[‘Wildwood Flower’] is het populairste liedje dat we ooit hebben opgenomen. Zowat elke countrygroep heeft het op zijn repertoire staan.’ – Maybellene Carter, 1973

1860 – I’ll Twine ‘Mid The Ringlets

Voor de oorspronkelijke versie moeten we een heel stuk terug in de tijd: naar de periode van de Amerikaanse burgeroorlog: 1861 -1865.

Joseph Philbrick Webster (°1819) – J.P. voor de vrienden – is al heel jong gepassioneerd door muziek. Hij leert zichzelf viool, fluit en drums spelen. Na zijn studies aan de Boston Academy of Music trekt hij naar New York City waar hij een carrière begint las concertzanger. Daaraan komt echter een einde in 1948, door een zware bronchitis. Hij is dan nog geen 30 en heeft een vrouw en kinderen te onderhouden. Een aantal jaren is hij manager, pianoverkoper of leidt hij een zangschool. Maar de doorbraak komt er in 1857, wanneer zijn ‘Lorena’ een enorm succes wordt. Zijn compositie, op een tekst van dominee Henry D.L. Webster, is een van de populairste nummers tijdens de secessieoorlog, zowel in het noorden als in het zuiden. Het blijvend succes wordt misschien wel het best geïllustreerd door het gebruik van het nummer meer dan 80 jaar later, in de film Gone With The Wind.

J.P. gaat op zoek naar meer teksten. Na afloop van de oorlog opent hij een “respectable saloon”, in Elkhorn, Michigan. Op die manier hoopt hij literair aangelegde jonge mannen bijeen te brengen, die teksten kunnen aandragen. Het werkt: iemand komt met een gedicht van een zekere Maud Irving: ‘I’ll Twine Mid the Ringlets’. Over deze dame is weinig bekend. Alleen dat een ander gedicht van, ‘Mildred’ in november 1860 is gepubliceerd in het populaire damestijdschrift Godey’s Lady Book.

‘I’ll Twine Mid the Ringlets’ verhaalt over een Victoriaans meisje dat in de steek is gelaten door haar geliefde. Dapper probeert ze haar verdriet te verbergen door een lachend gezicht op te zetten en wilde bloemen te vlechten door haar krullend haar.

Zowat een deccenium lang publiceert Webster maandelijks minstens één tekst. Een laatste groot succes komt er in 1968 met de religieuze hymne ‘In The Sweet By and By’, op tekst van Sanford Fillmore Bennett.
Maar drie jaar later slaat het noodlot opnieuw toe: tijdens de grote brand van Chicago in 1871 gaan veel van zijn mauscripten en bezittingen verloren. Daarmee zijn ook de bewijzen verdwenen van zijn rechten, waardoor hij geen inkomsten meer krijgt van de bladmuziek. Zijn gezondheid en gemoedstoestand gaat daarna snel achteruit en hij overlijdt op 18 januari 1875, net geen 56 jaar oud.

1928 – The Carter Family

Ook Alvin Pleasant Delaney Carter (°1891) – A.P. voor de vrienden – is al jong gepassioneerd bezig met muziek. Zijn vader leert hem fiddle spelen en van zijn moeder leert hij vele oude Britse en Appalachian folksongs. Als jongeman vormt hij met twee ooms en een oudere zus in een gospelkwartet.
Maar met zijn rusteloze aard kan hij niet lang blijven in de Clinch Mountains van Virginia. Hij wil de wereld zien. Spoorlijnen leggen in Indiana blijkt toch niet zo spannend en in 1911 is hij weer thuis. Als verkoper van fruitbomen kan hij veel rondtrekken. Dat geeft hem de mogelijkheid om overal waar hij komt, op zoek te gaan naar nieuwe songs, die hij netjes noteert in een schrift.
Op een van zijn tochten vindt hij nog iets anders: Sara Dougherty (°1898) , een jong meisje dat betoverend mooi kan zingen en muziek spelen: autoharp, gitaar en banjo. Na hun huwelijk in 1915 vormen ze een zangduo en spelen ze overal waar ze worden gevraagd: op feestjes en religieuze bijeenkomsten.

In juli 1927 trekt een advertentie in The Bristol Herald de aandacht van A.P.: The Victor Talking Machine Company houdt audities voor muzikanten. Voor elk nummer dat wordt opgenomen biedt men $50 – zowat een maandloon.
Bristol, Tennessee is slechts 40 km vanuit Maces Springs, Virginia, waar de Carters wonen. Ezra, de jongere broer van A.P., wil hen wel zijn auto lenen. Zijn 8-maanden zwangere vrouwtje, Maybelle Addington (°1909) mag ook mee, om het duo te ondersteunen met haar gitaar. Maybelle heeft een hoogst originele manier van spelen: terwijl ze de melodie speelt op de bassnaren van haar gitaar, geeft ze het ritme aan met de hoge tonen. Hierdoor vormt de gitaar tegelijktijd het solo- als het ritme-instrument. Een stijl die decennia lang de toonaangevende gitaarstijl zal vormen en bekend staat als ‘Carter picking’.

De combinatie van Sara’s heldere tenor met het unieke gitaarspel van Maybelle zorgt ervoor dat The Carter Family er boven uitspringt bij de hoopvolle kandidaten. De talentenjager Ralph Peer is immers op zoek naar “iets anders, iets nieuws”. Countrymuziek – of zoals het toen heette: old-timemusic of mountainmusic – bestond toen immers vooral uit instrumentale fiddlemuziek.

Peer selecteert zes nummers uit het repertoire van het trio. Die worden op 2 augustus 1927 opgenomen, met mobiele apparatuur in een provisorisch ingericht warenhuis.

De beide 78 toeren plaatjes die Victor Records er van uitbrengt, slaan aan en The Carter Family krijgen een contract aangeboden. Voor de volgende opname moeten ze wel naar de studio komen, in Camden, New Jersey. Een hele trip vanuit het zuidwesten van Virginia: 800 km.

Op 9 en 10 mei 1928 nemen ze er een dozijn songs op: genoeg voor zes singles. ‘Keep On The Sunny Side’ zit daarbij, ‘John Hardy Was A Desperate Little Man’ en ‘Wildwood Flowers’.

Dat laatste nummer begint met de regels:

Oh, I’ll twine with my mingles and waving black hair,
With the roses so red and the lilies so fair,
And the myrtle so bright with the emerald dew,
The pale and the leader and eyes look like blue

Een opvallende gelijkenis is merkbaar met de eerste strofe van een 70 jaar oude song: ‘I’ll Twine ‘Mid The Ringlets’.

I’ll twine ‘mid the ringlets of my raven black hair
The lilies so pale and the roses so fair
The myrtle so bright with an emerald hue
And the pale aronatus with eyes of bright blue.

Tijdens een interview in 1973, verklaart Maybelle Carter: ‘Ik ken het nummer uit mijn jeugd. Mijn moeder zong het en haar moeder zong het. Het werd doorgegeven van generatie op generatie. […] Op een gegeven moment moeten de woorden wat door elkaar gehaspeld zijn. Er moet oorspronkelijk wat anders hebben gestaan, want [zoals ze nu zijn] betekent het niet veel.’

Het copyright op ‘I’ll Twine ‘Mid The Ringlets’ ‘is in 1902 verlopen. Hoewel het dus strikt genomen in ‘Public domain’ is, vermeldt het label ongegeneerd A.P. Carters naam als enige auteur. Ongetwijfeld zit Ralph Peer daar voor iets tussen. Hij is immers een gewiekst zakenman: bij zijn toetreden tot de platenmaatschappij heeft hij zijn jaarloon beperkt tot $1, op voorwaarde dat hij de manager en muziekuitgever wordt van al zijn artiesten. Hij beseft, als een van de eersten, dat de echte winst zit in de auteursrechten. Wanneer er van ‘Wildwood Flower’ 300 000 exemplaren worden verkocht, is dat vooral goed voor Southern Music Publishing Co., Inc en dus de bankrekening van Ralph Peer.

The Carter Family zelf moet het vooral hebben van optredens. Maar daar komt de Grote Depressie roet in het eten gooien. Door de financiële crisis worden veel concerten afgezegd en weldra valt The Carter Family uit elkaar, wanneer elk zijn eigen weegs zoekt. De vrouwen brengen hun kinderen groot en A.P. verhuist naar Detroit om daar te gaan werken.

Toch is de pure, eenvoudige samenzang van de beide vrouwen de blauwdruk voor vele familiegroepen in de jaren ’30 en ’40. Ook in de latere folk, bluegrass en rockmuziek blijft hun invloed doorklinken, met ‘Wildwood Flower’ als één van hun gekendste nummers en, als instrumentaal nummer, een standaard voor gitaristen.

(wordt vervolgd)

Soms open je, onbewust, een blik wormen. Ik wou een stukje schrijven over een link tussen enkele van mijn favoriete country-songs. Maar gaandeweg  bleek er meer aan de hand dan ik eerst had vermoed. Er is een achterliggende melodie die steeds weer opduikt.

Volgt u mij?

1929 – ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’

De eerste keer dat de melodie werd vastgelegd, was tijdens een opnamesessie voor de Victor Talking Machine Company, in februari 1929. Heel toepasselijk was het de First Family of Country Music die aan het werk was: The Carter Family.

Hoewel het auteursrecht voor ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ wordt opgeëist door A.P. Carter, is dit niet helemaal terecht.  Daar zit manager Ralph Peer voor iets tussen. Peer is een gewiekst zakenman, die al snel begrepen heeft dat er veel geld te verdienen valt met auteursrechten. Hij heeft een muziekuitgeverij opgericht en moedigt al zijn artiesten aan zoveel mogelijk songs op hun naam te zetten. Natuurlijk worden die allemaal ondergebracht bij zijn muziekuitgeverij, waardoor hij 50% van de rechten kan opstrijken.
Pa Carter trekt er dus op uit om songs te verzamelen. Vooral songs waarop geen auteursrecht rust zijn interessant. Voor de tekst van ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ speelt A.P. Carter leentjebuur bij de flarden van ‘Prisoner’s Song’ van Vernon Dalhart. Hij modelleert de tekst zodanig dat hij past op een melodie van een ander nummer, een meodie die moeder Maybelle “al heel lang” kende.

Volgens Arnold Rypens is de oerversie ‘Blue Eyes’ van Roy Harper & The North Carolina Ramblers, die brachten hun versie van de traditional in oktober 1927 op de b-kant van ‘Kitty Blye’. Het zou gaan om een instrumentaal nummer, met een belangrijke rol voor gitarist Charlie Poole.
Maar die heb ik zelf nooit gehoord.

1936/’37 – ‘The Great Speckled Bird’

Zes jaar na de opname van The Crater Family publiceert een krant in Carolina de tekst van een hymne, geschreven door ene Guy Smith: ‘The Great Speckled Bird’. Zoals dat past voor een dominee, heeft hij zich bij het schrijven laten inspireren op een citaat uit de Bijbel. In dit geval is het negende vers van het twaalfde hoofdstuk van Boek van Jeremia: “Mine heritage is unto me as a speckled bird, the birds round about are against her.”
Om het de mensen gemakkellijk te maken om een tekst mee te zingen wordt wel vaker het truukje gebruikt een bestaande melodie te recycleren: “op de wijze van…” De brave dominee heeft dus zijn tekst gemodelleerd op het oude nummer. Geen overbodige luxe trouwens, want de preciese betekenis van de tekst is moeilijk te achterhalen.

Roy Acuff is een zanger en fiddlespeler die zijn sporen heeft verdiend bij de medicine show van Dr. Hauer. Dat soort rondreizende wonderdokters gebruiken artiesten om de plaatselijke bevolking naar hun kraam te lokken. In de buurt van Knoxville, Tennessee, hoort Acuff de hymne zingen door Charlie Swain and the Black Shirts. Het  bevalt hem zeer en hij weet Swain te overhalen de tekst voor hem op te schrijven. Voor 50 cent wil die dat wel doen.
“… Ik begon het ook te zingen,” vertelt Acuff. “Ik had geen idee wie de rechten bezat. Dat ontdekte ik pas later.”  Met de hulp van zijn vader en de Bijbel vult hij de tekst aan met vier nieuwe strofen tot een totaal van tien.
Het is die versie die een talentenjager van de American Radio Corporation overtuigt om hem een platencontracxt aan te bieden. De opnamen vinden plaats op 26 oktober 1936 in een studio in Chicago. De volledige versie overschrijdt echter ruimschoots de drieminuten grens en daarom wordt de song weer ingekort. Daarbij blijft ook één nieuwe strofe behouden.

De overblijvende strofen gebruikt Acuff tijdens zijn tweede sessie, in maart 1937 voor ‘Great Speckled Bird No.2”.

1937 – Roy Acuff – ‘The Great Speckled Bird No.2’

1950/‘52 – ‘I’m Using My Bible for a Roadmap’

Don Reno en Red Smiley zijn twee muzikanten in de band  van Tommy Magness. Die luistert, begin jaren vijftig, met zijn Tennessee Buddies feesten en partijen op in South Virgina. In1951 beginnen de twee mannen voor zichzelf, als The Tennessee Cut-Ups. Het volgende jaar mogen ze enkele songs opnemen voor King Records. Eentje daarvan is een gospelsong, geschreven door Don Reno, in 1950: ‘I’m Using My Bible for a Roadmap’. Blijkbaar heft hij bij het schrijven niet de Bijbel maar het nummer van The Carter Family als gids gebruikt.

1951/’52 – ‘The Wild Side Of Life’

Zo’n vijftien jaar later wordt dezelfde melodie opnieuw gerecycleerd. Ditmaal levert het één van de grootste hits uit de geschiedenis van de countrymuziek op. Ene William Warren van Cameron, Texas, was amper acht maanden getrouwd, toen zijn vrouw hem verliet. Tijdens een avondje stappen ziet hij haar weer…  in een plaatselijke bar met een bedenkelijke reputatie – een zogenaamde honky-tonk. 
Teleurgesteld en enigszins geschokt legt hij zijn emoties vast in een tekst:

I didn’t know God made honky tonk angels
I might have known you’d never make a wife
You gave up the only one that ever loved you
And went back to the wild side of life.

Met deze cynische tekst benadert hij een band, die lokaal heel wat succes heeft: Jimmy Heap and His Melody Masters. Hun pianist, Arlie Carter, merkt dat de tekst past op de melodie van ‘I Am Thinking Tonight of My Blue Eyes’ en claimt meteen maar het mede-auteursschap voor zichzelf.

Met Jimmy Heap als zanger wordt ‘The Wild Side Of Life’ opgenomen als eerste single van de Western Swingband voor het lokale label, Imperial. Hoewel het de eerste countryplaat is voor het label, is het meteen een enorm succes. Al snel zijn er 10 000 exemplaren de deur uit, enkel in Texas.
De vrouw van countryzanger Hank Thompson, hoort het plaatje toevallig en dringt er bij haar man op aan om het op te nemen. Die doet het met enige tegenzin, op 11 december 1951, tijdens een eerste sessie met zijn nieuwe producer Ken Nelson. Thompson vindt er eigenlijk niets aan en het belandt, in maart 1952, dan ook op de b-kant van zijn volgende single, ‘Crying In The Deep Blue Sea’.
Wanneer een disc jockey echter de b-kant draait, volgt onmiddellijk veel respons. ‘The Wild Side of Life” bereikt al snel de top van de Billboard hitlijsten en blijft die maar liefst 15 weken aanvoeren. Het wordt een countryklassieker, met coverversies door zowat alle grote namen.
William Warren schrijft daarna nooit meer iets van betekenis – maar dat hoeft ook niet meer. Hij is binnen.

1952 – ‘It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels’

Wanneer songschrijver J.D. Miller het nummer hoort op zijn autoradio, vindt ie dat het vraagt om een antwoord: een soort verdediging, gezongen door een vrouw. Miller schrijft ‘It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels’ op dezelfde melodie, al legt hij het tempo wat hoger. Een eerste versie van ene Alice Montgomery op Feature is niet helemaal wat Miller er van verwachtte. Er moet meer inzitten, zo meent hij. Dus stapt hij naar het veel grotere Decca Records. Die benaderen Kitty Wells, een zangeres die in de jaren veertig onder contract stond bij RCA Victor. Ze was echter nooit echt doorgebroken. Daarom had ze besloten zich meer te gaan toeleggen op haar gezin. Kitty verklaart geen interesse te hebben. Haar man meent echter dat het geen kwaad kan om de song op te nemen, vooral omdat ze hoe dan ook betaald wordt voor de sessie.
De song, uitgebracht in juni 1952, doet het haast even goed als het origineel. Kitty Wells wordt de eerste solo-zangeres om de countrylijst van Billboard aan te voeren en dat zes weken lang!  Het levert haar de titel Queen of Country op. Maar belangrijker nog: met deze song baant ze de weg voor Dolly Parton, Patsy Cline, Loretta Lynn en Tammy Wynette. Allemaal sterke vrouwen die durven ingaan tegen de gangbare normen van het gehoorzame vrouwtje dat alles maar moet pikken van hare vent.

1972 – ‘Heavenly Houseboat Blues’

Hier uit een tribute voor Townes, door Emmylou Harris en Rodney Crowell

De late jaren zestig en begin jaren zeventig vormen het hoogtepunt uit de carrière van de Texaanse singer-songwriter Townes Van Zandt. Hij brengt dan vijf platen uit die allemaal van zeer hoge kwaliteit zijn. Hoewel hij
High Low And In Between al heft laten verschijnen in 1972, sluit hij die periode af met het cynisch getitelde The Late Great Townes Van Zandt. Daarop staan zijn “semi-hits”, zoals hij het zelf noemt: ‘Panch And Lefty’ en ‘If I Needed You’.  De plaat eindigt met een wat speels gospelachtig nummer: ‘Heavenly Houseboat Blues’, dat hij samen heeft geschreven met Susanna Clark, de vrouw van zijn goede vriend Guy Clarck. Het is allemaal niet zo serieus bedoeld, zoals blijkt uit de laatste strofe, die hij zingt mt een mond vol water. Misschien dat hij daarom het wel prettig vond om een vette knipoog et geven door die fameuze melodie nog eens op te rakelen.

1972 – ‘Stars in My Life’

In de legendarische Sun studio, maken drie muzikanten uit Lubbock, Texas,in 1972 opnamen voor een elpee: All American Music. The Flatlanders bestaan uit Jimmie Dale Gilmore, Joe Ely en Butch Hancock. De elpee komt er nooit en de mannen gaan elk hun eigen weg. Wanneer ze echetr elk afzonderlijk doorgebroken zijn, verschijnen de opnamen alsnog, in 1992, onder de titel More A Legend Than A Band.
Op die plaat staat ‘Stars In My Life’ van Butch Hancock. En daarin horen we opnieuw…

David Allan Coe krijgt het laatste woord. Hij staat niet bekend als de meest subtiele countryzanger. Hij durft wel eens grof uit e hoek te komen. Op zijn elpee David Allan Coe Rides Again, uit 1977 staat als slotnummer ‘If That Ain’t Country’. Daarin somt hij de connectie tuseen een atal van deze songs netjes op:

“I’m thinkin’ tonight of my blue eyes
Concerning the great speckled bird
I didn’t know god made honky- tonk angels
(talk) and if that ain’t country, I’ll kiss your ass”